Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.6:4.6 De aard van de schade
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.6
4.6 De aard van de schade
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588630:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Brunner 1981a, p. 216 en 234.
Zie nr. 110.
Köster 1963, p. 20.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 345 (M.v.A. II).
Om goede redenen wordt in ons rechtsstelsel ook sneller een ongeschreven norm van maatschappelijke betamelijkheid aangenomen indien het risico van dood of letsel bestaat dan indien het risico op zuivere vermogensschade aanwezig is, zie nr. 360.
Zie nr. 221 t/m 224.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
241. De aard van de schade is de relevante factor in de vierde deelregel:
Schade door dood of verwonding wordt eerder toegerekend dan zaakschade, in beide gevallen bestaat wel reden om ruim toe te rekenen. Als schade bestaat uit extra kosten en uitgaven is dat een aanwijzing noch voor ruimere toerekening, noch voor beperktere toerekening. Als schade bestaat in de derving van winst of immateriële schade, dan is dat reden voor beperktere toerekening.1
242. De aard van de schade is volgens art. 6:98 BW een relevante factor voor de toerekenbaarheid van de schade. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie herhaaldelijk de formulering van art. 6:98 BW overgenomen.2 Niet komt in die jurisprudentie naar voren welke betekenis de aard van de schade heeft.
Het door de wet noemen van de aard van de aansprakelijkheid heeft de volgende achtergrond. Voor Köster waren de aard van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en de aard van de schade de twee coördinaten waarbij een algemene redelijkheidsregel van schadetoerekening gevonden diende te worden. In zaken van gelijke “geaardheid” zou volgens hem eenzelfde regel gelden. Köster achtte de factor de aard van de schade noodzakelijk om in gevallen waarin een keten van gelaedeerden ontstaat tot een bevredigende begrenzing van aansprakelijkheid te komen. Köster deed dat door in deze gevallen van ‘afgeleide schade’ te spreken en te oordelen dat men dergelijke schade in het algemeen zelf dient te dragen volgens algemene beginselen van redelijkheid.3
In het gewijzigd ontwerp zijn de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade als relevante factoren voor de toerekening van de schade opgenomen. In de memorie van antwoord wordt ter toelichting als voorbeeld genoemd dat letselschade als gevolg van het neerstorten van delen van een gebrekkige opstal eerder in voldoende verband zal staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust dan bedrijfsschade geleden doordat een ander in verband met de instorting niet van een aangrenzend perceel gebruik heeft kunnen maken. “Artikel [het ontwerp voor art. 6:174 BW] heeft immers veeleer het oog op het gevaar van schade die door de gebrekkigheid van de opstal aan personen en zaken worden toegebracht, dan op het gevaar voor mogelijke bedrijfsschade”, zo vermeldt de memorie van antwoord daarbij. Ook wordt in de memorie van antwoord erop gewezen dat onrechtmatige aantasting van de eer of goede naam eerder voldoende verband vertoont met immateriële schade dan met schade die ontstaat doordat de gelaedeerde in een onbeheerste reactie een zaak vernielt.4
243. In de deelregel schuilt naar mijn mening een zekere kern van waarheid.5 Niettemin is het mijns inziens ongelukkig om aan de aard van de schade op zichzelf al een deeloordeel over de mate van toerekenbaarheid van die schade te verbinden. Alleen namelijk in het licht van de door de geschonden norm beoogde bescherming, heeft naar mijn mening de aard van de schade zoals geleden betekenis bij de toerekening van schade. Steeds dient mijns inziens onderzocht te worden of de schade zoals geleden past bij de door de geschonden norm beoogde bescherming. Indien men dit verband doorknipt ontstaan enerzijds doublures in het beoordelingskader terwijl anderzijds het beoordelingskader in allerlei situaties in de verkeerde richting wijst. Dit licht ik nu nader toe.
244. Indien sprake is van door de schending van een verkeers- en veiligheidsnormen veroorzaakte overlijdens- of letselschade, dan kan dergelijke schade ruim worden toegerekend.6 In deze gevallen is het niet nodig om afzonderlijk aan de aard van de schade een conclusie over de toerekenbaarheid te verbinden.
245. Het aan de aard van de schade verbinden van een conclusie over de toerekenbaarheid ervan, leidt in de volgende situaties tot een conclusie die in de verkeerde richting wijst. In de eerste plaats kan gedacht worden aan de situatie waarin met de geschonden norm primair beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade, maar als gevolg van de schending van deze norm letselschade ontstaat.
Wanneer bijvoorbeeld iemand een nieuwe smartphone heeft gekocht, het apparaat defect blijkt en daarom naar de winkel wordt teruggebracht, de koper daarbij op straat struikelt en letsel oploopt, bestaat er causaal verband tussen de non-conformiteit en het letsel. Als de aanspraak op vergoeding van door het letsel veroorzaakte schade al niet zou stranden op het relativiteitsvereiste, dan kan dit letsel naar ik meen (evident) niet worden toegerekend. Het is niet behulpzaam om te zeggen dat letselschade wel ruim dient te worden toegerekend.
In de tweede plaats kan gedacht worden aan de schending van een norm waarmee beoogd is te beschermen tegen het derven van winst (inkomsten), en als gevolg van de schending van die norm juist winst wordt gederfd.
In § 4.2.3 gaf ik het voorbeeld van de verzekeringsmakelaar die tekortschiet in de nakoming van zijn opdracht een verzekering tot stand te brengen met als gevolg dat geen verzekeringsuitkering wordt verkregen nadat een kantoorgebouw is afgebrand. De schade die het gevolg is van het tekortschieten kwalificeert als gederfde winst. Ook hier is het niet behulpzaam om bij de toerekening van deze schade te zeggen dat zij naar haar aard beperkt dient te worden toegerekend.
In de derde plaats kan gedacht worden aan de schending van een norm waarmee beoogd is te beschermen tegen immateriële schade, en als gevolg van de schending van die norm zowel immateriële schade als zaakschade ontstaat.
Zoals in nr. 242 besproken, wordt in de memorie van antwoord bij het gewijzigd ontwerp, mijns inziens terecht, als voorbeeld naar voren gebracht dat bij onrechtmatige aantasting van de eer of goede naam eerder voldoende verband bestaat met immateriële schade dan met schade die ontstaat doordat de gelaedeerde in een onbeheerste reactie een zaak vernielt. Ook hier is het niet behulpzaam om te zeggen dat immateriële schade minder snel toerekenbaar is dan zaakschade.
Mijn conclusie is dat het niet zinvol is om aan de aard van de schade een deeloordeel te verbinden over de toerekenbaarheid van die schade. Steeds dient de schade zoals geleden op het doel van de geschonden norm betrokken te worden.
246. Overigens signaleerde Brunner, in navolging van Köster, terecht dat als een keten van gelaedeerden ontstaat, de gehoudenheid tot schadevergoeding van de laedens doorgaans op enig punt dient te worden begrensd en bepaalde gelaedeerden die enkel winst derven dan geen aanspraak meer hebben op vergoeding daarvan. In hoofdstuk 10 zet ik uiteen dat de begrenzing van aansprakelijkheid zich beter laat bereiken door te onderzoeken of jegens die gelaedeerden een zorgvuldigheidsnorm is geschonden op grond waarvan wel of geen aanspraak op vergoeding van de gederfde winst bestaat.