De exhibitieplicht
Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/8.3.4.1:8.3.4.1 De potentiële baten en lasten van bewijslevering
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/8.3.4.1
8.3.4.1 De potentiële baten en lasten van bewijslevering
Documentgegevens:
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS378293:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl Asser 2010, p. 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de constatering dat meer ruimte geboden moet worden voor belangenafweging, is nog niet gezegd, welke belangen dan moeten worden afgewogen en hoe de afweging vervolgens dient te geschieden. Bij overzichtelijke bewijsthema's, een duidelijke (financiële) inzet van het geschil én een beperkte activiteit vereist voor bewijslevering, ligt ook niet voor de hand dat die afweging snel een issue wordt. Anders wordt dat, wanneer de bewijsthema's breder zijn en de potentiële inspanningen voor bewijslevering groter. Logisch lijkt dat dan op enigerlei wijze een afweging plaatsvindt tussen de potentiële lasten van bewijslevering én de potentiële opbrengst.
Ook als het mogelijk is om de waarheid te achterhalen, zal een partij daar niet steeds voor kiezen, bijvoorbeeld omdat zij de potentiële kosten niet in verhouding vindt staan tot de potentiële baten.1 Ook als een partij er wel voor kiest om "de waarheid"' te willen achterhalen, is het echter niet vanzelfsprekend dat die keuze steeds en derhalve ook zonder enige financiële afweging gerespecteerd en dus toegestaan zou moeten worden. Zou het procesrecht steeds ruimte voor waarheidsvinding bieden, dan zou het zich immers verwijderen van hetgeen overigens in het dagelijks leven gebruikelijk is. Veel beslissingen in het dagelijks persoonlijk en zakelijk leven worden, ook als ze rationeel worden genomen, immers genomen voordat alle feiten die van belang kunnen zijn, zijn onderzocht en met zekerheid vaststaan. Dat betekent ook dat de mogelijkheid wordt geaccepteerd dat "de waarheid" niet altijd wordt achterhaald. Wanneer wel de ruimte wordt geboden om "de waarheid" altijd te achterhalen, dan kan dat immers weliswaar soms meer informatie en daarmee betere keuzes opleveren, maar kan dat tegelijkertijd gebeuren tegen zulke hoge kosten en met zodanige vertraging, dat de voordelen op enig moment niet meer opwegen tegen de nadelen. Op enig moment staan tegen de potentiële marginale meeropbrengst te hoge potentiële marginale meerkosten.
De afweging dat waarheidsvinding niet onder alle omstandigheden voorrang verdient, is het procesrecht overigens niet vreemd. Zo draagt de beslissing om informatie niet in het debat te betrekken, omdat deze niet tijdig is verstrekt, de mogelijkheid in zich dat recht wordt gedaan op slechts een deel van de relevante feiten. Evenzeer draagt de beslissing dat onvoldoende is gesteld zodat een partij niet tot bewijslevering wordt toegelaten het risico in zich, dat niet boven water komt wat had kunnen blijken als bewijslevering wel was toegestaan. Ook de beslissing dat een bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd is, draagt de mogelijkheid in zich dat bij een beter gespecificeerd bewijsaanbod meer relevants was gebleken. Telkens wordt bij de gegeven voorbeelden aanvaard dat het debat wordt beëindigd en dat derhalve mogelijk wordt beslist op basis van onvolledige kennis van de feiten in deze gevallen omdat de daardoor geraakte procespartij zich minder heeft ingespannen dan van hem verwacht mocht worden. Waarheidsvinding is, kortom, geen belang dat steeds zonder meer alle andere bij de procedure betrokken belangen opzij mag drukken. Tot die andere betrokken belangen behoort het belang dat aan een procedure een einde komt: aan de beëindiging van een geschil ontleent het proces immers zijn betekenis.