Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/3.2.2
3.2.2 Verplichtingen overeenkomst van opdracht
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS300548:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Beckman (2013), p. 581.
Nijland, in: GS Bijzondere overeenkomsten, artikel 401, aant. 1.
Michiels van Kessenich (1995), p. 24-26 en HR 9 november 1990, NJ 1991, 26, HR 26 april 1991, NJ 1991, 45 en HR 12 mei 2000, JOR 2000/146, HR 9 juni 2000, NJ 2000, 460.
Zie onder andere: HR 24 september 1993, NJ 1994, 227 (commissionair), HR 29 mei 1998, NJ 1999, 287, HR 20 december 2002, NJ 2003, 325, HR 13 januari 2006, NJ 2006, 59 (notaris) en HR 14 december 2007, LJN BB3762, NJ 2008, 8, HR 4 september 1998, NJ 1998, 828 (belastingconsulent en bedrijfsadviseur), HR 2 februari 2001, NJ 2002, 379 (belastingadviseur/accountant), HR 7 april 2006, NJ 2006, 245 (belastingadviseur), HR 7 maart 2003, NJ 2003, 302 (advocaat), HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375, HR 1 december 2006, NJ 2006, 657(assurantietussenpersoon) en HR 23 mei 1997, NJ 1998, 192. Overzicht uit: Castermans & Krans, in: T&C Vermogensrecht, Opdracht in het algemeen, Zorgplicht opdrachtnemer.
Tjong Tjin Tai (2007), p. 174.
Tjong Tjin Tai (2007), p. 176 met verwijzing naar: Michiels van Kessenich (1970), p. 128-153, Michiels van Kessenich-Hoogendam (1995), p. 24-26 en HR 9 november 1990, NJ 1991, 26.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV (2014), hoofdstuk II, De overeenkomst van opdracht in het algemeen, § 4 Verplichtingen van de opdrachtnemer, nr. 104.
Van Emden & De Haan (2014), paragraaf 3.6, met verwijzing naar A-G Van Peursem voor HR 31 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2013:2388.
Van Emden & De Haan (2014), paragraaf 3.6.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV (2014), hoofdstuk II, De overeenkomst van opdracht in het algemeen, § 4 Verplichtingen van de opdrachtnemer, nr. 105.
TM, Parl. Gesch. InvW 7, p. 324.
Asser Tjong Tjin Tai 7-IV (2014), hoofdstuk II, De overeenkomst van opdracht in het algemeen, § 4 Verplichtingen van de opdrachtnemer, nr. 112.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV (2014), hoofdstuk II, De overeenkomst van opdracht in het algemeen, § 4 Verplichtingen van de opdrachtnemer, nr. 112 en Zettelaer & Pheijffer (2016), p. 10.
Castermans & Krans, in: T&C Vermogensrecht, Opdracht in het algemeen, Aanwijzingen opdrachtgever, aant. 3 Rekening en verantwoording (lid 2).
Castermans & Krans, in: T&C Vermogensrecht, Opdracht in het algemeen, Bepaald persoon bedoeld als feitelijke opdrachtnemer, aant. 1 Algemeen.
TM, Parl. Gesch. 6, p. 264.
Michiels van Kessenich (1995), p. 24-26 en HR 9 november 1990, NJ 1991, 26, HR 26 april 1991, NJ 1991, 45, HR 12 mei 2000, JOR 2000/146, HR 20 december 2002, NJ 2003, 325, HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375 en HR 7 maart 2003, NJ 2003, 302.
Castermans & Krans, in: T&C Vermogensrecht, Opdracht in het algemeen, Zorgplicht opdrachtnemer.
Peter, in GS Onrechtmatige daad, IV.1.5.
In Boek 7 BW zijn met betrekking tot de overeenkomst van opdracht vijf algemene verplichtingen van de opdrachtnemer (de beroepsbeoefenaar) opgenomen, die één op één aansluiten bij de rechten van de opdrachtgever (de cliënt). Voor de beroepsbeoefenaar betekent dit dat:1
hij bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (artikel 7:401 BW),
hij gevolg moet geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen omtrent de uitvoering van de opdracht (artikel 7:402 lid 1 BW),
hij de opdrachtgever op de hoogte moet houden van de uitvoering van zijn werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht (artikel 7:403 lid 1 BW),
hij aan de opdrachtgever verantwoording moet afleggen van de wijze waarop hij zich van zijn opdracht heeft gekweten (artikel 7:403 lid 2 BW), en
indien de opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of een bedrijf uitoefent, is deze persoon in beginsel gehouden deze opdracht zelf te verrichten (artikel 7:404 BW)
Ad (i) De zorg van een goed opdrachtnemer (artikel 7:401 BW)
De beroepsbeoefenaar moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. Om te kunnen bepalen waartoe de beroepsbeoefenaar als goed opdrachtnemer verplicht is, zal vast moeten staan waar de overeenkomst van opdracht toe verplicht. De overeenkomst zal in dat verband moeten worden uitgelegd. Bij de bepaling van wat de overeenkomst inhoudt, spelen onder meer de aard en de inhoud van de overeenkomst in kwestie een belangrijke rol.2 De algemene maatstaf van ‘de zorg van een goed opdrachtnemer’ (7:401 BW) is door de Hoge Raad uitgewerkt. Volgens de Hoge Raad dient getoetst te worden of de beroepsbeoefenaar als opdrachtnemer heeft gehandeld zoals in vergelijkbare omstandigheden ‘van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht’.3 Wat dit concreet inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.4 In paragraaf 3.7 en verder zal de zorgplicht nader worden uitgewerkt. Bij de uitwerking van de ‘open’ norm zorgplicht heb ik gebruik gemaakt van het proefschrift van Tjong Tjin Tai over ‘Zorgplichten en zorgethiek’.5 Zijn onderzoek vormt de basis van mijn onderzoek naar de zorgplicht van de accountant.
Tjong Tjin Tai merkt op dat de maatstaf ‘redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot’ haar oorsprong vindt in literatuur van de hand van Michiels van Kessenich-Hoogendam. Zij vormde de inspiratie voor het cassatiemiddel voor het Speeckart/Gradener arrest waarin het criterium voor het eerst is aanvaard.6
Ad (ii) Tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen (artikel 7:402 BW)
De diensten van de beroepsbeoefenaar worden verricht ten behoeve van de opdrachtgever. Hiermee hangt samen dat de opdrachtgever ook na de totstandkoming van de overeenkomst van opdracht aanwijzingen wil kunnen geven. De opdrachtgever is uitsluitend bevoegd aanwijzingen te geven in het kader van de opdracht. Een dergelijke aanwijzing moet tijdig zijn gegeven en verantwoord zijn.7 Indien sprake is van een onverantwoorde aanwijzing, dient de beroepsbeoefenaar de opdrachtgever te waarschuwen voor de hiermee samenhangende risico’s. De beroepsbeoefenaar heeft hiermee een impliciete waarschuwingsplicht.8 Indien de opdrachtgever ook na waarschuwing in zijn aanwijzing volhardt, zal die aanwijzing in beginsel opgevolgd moeten worden. Het is immers aan de opdrachtgever om een keuze te maken of hij het hem voorgehouden risico al dan niet wenst te nemen.9 Het is natuurlijk mogelijk dat een beroepsbeoefenaar niet bereid is een aanwijzing uit te voeren, bijvoorbeeld indien dit leidt tot een vertrouwensbreuk of indien dit onrechtmatig zijn zou jegens een derde.10 Het is uiteraard ook denkbaar dat een beroepsbeoefenaar verplicht kan zijn een onverantwoorde aanwijzing te weigeren, bijvoorbeeld indien deze in strijd is met zijn beroepsregels.11 Indien de opdrachtgever hem niettemin aan de aanwijzing houdt, heeft de beroepsbeoefenaar het recht om de opdracht terug te geven (artikel 7:402 lid 2 BW). De aard van de opdracht kan tot slot meebrengen dat geen nadere aanwijzingen mogen worden gegeven12 (zie 3.2.3 voor een voorbeeld hiervan).
Ad (iii) Op de hoogte houden van de uitvoering van werkzaamheden (artikel 7:403 lid 1 BW)
De beroepsbeoefenaar is gehouden de opdrachtgever te informeren over de uitvoering en de voltooiing van de opdracht.13 Dit is een uitwerking van de norm van artitkel 7:401 BW, de zorgplicht. De informatieplicht bestaat voor zover dit gezien de aard van de opdracht redelijk is. De opdrachtgever mag bij het vragen van inlichtingen de beroepsbeoefenaar niet onredelijk belasten.14
Ad (iv) Verantwoording afleggen (artikel 7:403 lid 2 BW)
De beroepsbeoefenaar dient verantwoording af te leggen tegenover de opdrachtgever over de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten. Deze verantwoordingsplicht reikt verder dan de hiervoor besproken informatieplicht.15 Het gaat niet alleen om wat de beroepsbeoefenaar feitelijk heeft gedaan, maar ook om het waarom van zijn handelen. De verantwoordingsplicht biedt de opdrachtgever de mogelijkheid om de door de beroepsbeoefenaar uitgevoerde werkzaamheden te controleren en omvat zodoende de plicht tot het verschaffen van informatie, zo nodig door middel van bewijsstukken.16 In hoeverre verantwoording is verschuldigd, hangt af van de aard van de opdracht en van de verhouding tussen partijen.17 Indien de beroepsbeoefenaar bij de uitvoering van de opdracht ten laste van de opdrachtgever gelden heeft uitgegeven of te diens behoeve gelden heeft ontvangen, dient hij daarvan ‘rekening’ te doen (art. 7:403 lid 2 BW).
Ad (v) De verplichting tot persoonlijke uitvoering van de opdracht (artikel 7:404 BW)
Artikel 7:404 BW luidt: ‘Indien de opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer’.
De bepaling is geschreven voor het geval de opdracht is verleend aan bijvoorbeeld een maatschap, terwijl het de bedoeling van partijen is dat zij wordt uitgevoerd door een ander dan de ‘juridische opdrachtnemer’, bijvoorbeeld een der leden van de maatschap. Deze persoon moet de opdracht uitvoeren en is voor de uitvoering ook zelf verantwoordelijk, naast de juridische opdrachtnemer.18
Einde overeenkomst
De beroepsbeoefenaar kan, behoudens een gewichtige reden, de overeenkomst slechts opzeggen indien de overeenkomst voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt (artikel 7:408 lid 2 BW). De opdrachtgever kan de overeenkomst te allen tijde opzeggen (artikel 7:408 lid 1 BW).
Overeenkomst van opdracht: resultaats- of inspanningsverbintenis?
Met betrekking tot de overeenkomst van opdracht tussen de beroepsbeoefenaar en zijn opdrachtgever kan men zich afvragen of sprake is van een resultaats- of inspanningsverbintenis. Dit is onder andere van belang bij beantwoording van de vraag wanneer de beroepsbeoefenaar toerekenbaar tekort is geschoten. Er is sprake van een resultaatsverbintenis indien de beroepsbeoefenaar gehouden is een bepaald resultaat te verwezenlijken. Bij een inspanningsverbintenis daarentegen is de beroepsbeoefenaar ‘slechts’ gehouden een zekere mate van inspanning te leveren. In geval van een resultaatsverbintenis kan een teleurgestelde opdrachtgever volstaan met te stellen dat het resultaat niet is bereikt (waarmee de tekortkoming vaststaat), waarna de beroepsbeoefenaar zal moeten aantonen dat dit hem niet kan worden toegerekend. Bij een inspanningsverbintenis moet de opdrachtgever aantonen dat de beroepsbeoefenaar is tekortgeschoten in de inspanning die onder de gegeven omstandigheden op grond van de overeenkomst van hem kon worden verlangd19 (in welk geval de tekortkoming en doorgaans ook de toerekenbaarheid vaststaat).
In dit kader is relevant dat van beroepsbeoefenaren mag worden verlangd dat zij de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot betrachten.20
Uit het voorgaande volgt dat het onderscheid tussen resultaats- en inspanningsverbintenis vooral relevant is vanuit het oogpunt van stelplicht en bewijslast. Bij een inspanningsverbintenis zijn deze zwaarder voor de opdrachtgever.
Als hoofdregel geldt dat wie stelt, moet bewijzen (artikel 150 Rv). Een bijzondere regel of de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter tot een andere bewijslastverdeling leiden (zie paragraaf 5.5 over bewijs).
De vraag of de op een beroepsbeoefenaar rustende verbintenis een resultaats- dan wel een inspanningsverbintenis is, is een vraag van uitleg van de overeenkomst waaruit de verbintenis voortspruit.21 Behoudens uitzonderingen moet ervan worden uitgegaan dat de meeste verbintenissen die beroepsbeoefenaren aangaan als inspanningsverbintenis moeten worden gekwalificeerd.22