Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.2.2
6.2.2 Gevangenisstraf
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270136:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het gevangeniswezen kent ook bijzondere inrichtingen en speciale detentievormen bedoeld voor bepaalde (bijzondere) groepen. Voorbeelden hiervan zijn de Inrichting voor Stelselmatige Daders en detentie ‘buiten’ de muren, de zogenaamde extramurale detentie.
Bijzondere wetten kennen veelal een andere structuur, waarin de strafbedreiging in afzonderlijke wettelijke bepalingen is opgenomen.
En gaat in geval van hechtenis dus niet op.
In criminologisch onderzoek zijn twee tradities ontstaan met betrekking tot de definiëring van het begrip witteboordencriminaliteit. In de eerste benadering is ‘witte boorden’ een kenmerk van de persoon van de dader (maatschappelijke positie), in de tweede benadering is het een kernmerk van de aard van de daad (frauduleus gedrag in de werksfeer).
Huisman en Lesmeister 2018, p. 460.
Huisman en Lesmeister 2018, p. 467.
Hof ’s-Hertogenbosch 1 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2338.
Rb. Amsterdam 2 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6173.
Rb. Amsterdam 7 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ1113.
Rb. Alkmaar 16 april 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BK0361.
Inhoud en wettelijke grondslag
De wettelijke regeling van de gevangenisstraf is te vinden in art. 10 t/m 16, 21, 22a, 26, 27 en 35 WvSr. Gevangenisstraf behelst detentie. De meeste gedetineerden zitten vast in gevangenissen of huizen van bewaring,1 of andere penitentiaire inrichtingen.2 Opneming in een penitentiaire inrichting brengt beneming van de vrijheid met zich en gesproken wordt dan ook van de zwaarste vorm van bestraffing.
Duur
Gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk, aldus art. 10 lid 1 WvSr, en kan alleen worden opgelegd in de gevallen bij wet voorzien. Voor de gevangenisstraf geldt een algemeen minimum van een dag, op grond van art. 10 lid 2 WvSr. Voor wat betreft het maximum van de tijdelijke straf, heeft de wetgever in het Wetboek van Strafrecht steeds in de strafbepaling zelf bepaald hoeveel gevangenisstraf ten hoogste kan worden opgelegd.3 Op grond van art. 10 lid 2 WvSr is de maximale termijn die van 18 jaar, die overigens niet in alle gevallen geldt. Zo kan de termijn door de rechter worden overschreden in geval van samenloop van misdrijven, of herhaling. De tijdelijke straf kan in die gevallen voor ten hoogste 30 jaren worden opgelegd, op grond van art. 10 lid 3 WvSr. Dit is ook het geval wanneer op een misdrijf levenslange én tijdelijke gevangenisstraf ter keuze aan de rechter zijn gelaten. Meer dan 30 jaar tijdelijke gevangenisstraf kan nooit opgelegd worden, aldus art. 10 lid 4 WvSr.
De regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is van toepassing op vrijheidsstraffen van meer dan een jaar.4 De wettelijke regeling maakt onderscheid tussen vrijheidsstraffen van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaar aan de ene kant (art. 15 lid 1 WvSr) en vrijheidsstraffen van meer dan twee jaar aan de andere kant (art. 15 lid 2 WvSr.) Voor de eerstgenoemde categorie geldt een zogeheten getrapt systeem: invrijheidsstelling vindt plaats als de vrijheidsbeneming een jaar heeft geduurd en van het alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte een derde is ondergaan. Voor straffen van meer dan twee jaar bepaalt art. 15 lid 2 WvSr dat voorwaardelijke invrijheidsstelling plaatsvindt na twee derde van de straftijd te hebben ondergaan.5 De regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is op grond van art. 15 lid 3 sub a WvSr niet van toepassing op basis van art. 14a WvSr gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegde straffen (zie later in deze paragraaf).
Toepassing in fiscalibus
Gevangenisstraf is mogelijk bij de volgende (fiscaal-)strafrechtelijke misdrijven:
Op grond van art. 69 lid 1 AWR is met een maximale gevangenisstraf van vier jaren bedreigd, diegene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel één der feiten begaat, omschreven in art. 68, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, f of g AWR.
Op grond van art. 69 lid 2 AWR is met een maximale gevangenisstraf van zes jaren bedreigd, diegene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat, omschreven in art. 68, eerste lid, onderdeel c AWR.
Op grond van art. 69a lid 1 AWR is met een maximale gevangenisstraf van zes jaren bedreigd, diegene die opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betaalt, AWR.
Op grond van art. 225 lid 1 WvSr wordt hij die een geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, als schuldig aan valsheid in geschrifte bedreigd, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Op grond van lid 2 van dat artikel wordt met dezelfde maximale straf bedreigd hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.
Tot slot wordt op grond van art. 420bis lid 1 WvSr als schuldig aan witwassen geconfronteerd met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is, terwijl hij weet dat het– onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf, of hij die – op grond van lid 2 – een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. Voor hem die redelijkerwijs moet vermoeden geldt op grond van art. 420quater lid 1 en 2 WvSr een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar. Op eenvoudig witwassen (art. 420bis.1 en art. 420quater.1 WvSr) staat een maximale gevangenisstraf van zes/drie maanden.
Ten aanzien van delicten die in geval van fiscale fraude aan de orde kunnen zijn, zijn kortom gevangenisstraffen mogelijk variërend tussen de zes jaren en zes maanden, afhankelijk van het misdrijf. De levenslange gevangenisstraf kan niet worden opgelegd voor fiscale feiten.
Voor wat betreft de toepassing van de gevangenisstraf in fiscale zaken is van belang dat de maatschappelijke en politieke opvattingen over de ernst en verwijtbaarheid van frauduleus gedrag en witteboordencriminaliteit aan het veranderen zijn.6 De aanpak ervan wordt punitiever. Zo gaan niet alleen de bedragen van strafrechtelijke transacties met bedrijven fors omhoog (zie hierover paragraaf 6.5.), maar worden steeds vaker ook hoge vrijheidsstraffen geëist en opgelegd aan witteboordendaders.7 Een voorbeeld biedt de Klimop zaak. In deze zaak toonde het OM zich vastberaden om de verdachten tot gevangenisstraf veroordeeld te krijgen, zo verkondigde en bevestigde het OM meermaals in de media.8
Ter illustratie worden hierna enkele passages geciteerd, waaruit kan worden afgeleid in welke gevallen de strafrechter een gevangenisstraf passend acht, ten aanzien van een fiscaal delict.
Als eerste volgt een passage uit het oordeel over de strafmaat van het Hof ’s-Hertogenbosch op 1 juli 2014:
“De verdachte heeft gedurende een zeer lange periode een groot aantal strafbare feiten gepleegd en heeft dat bewust en weloverwogen gedaan. Hij vervulde daarbij een leidinggevende rol en nam het initiatief tot het plegen van de strafbare feiten. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden. In het bijzonder verwijt het hof de verdachte, dat hij langdurig en met bedrog omzetbelasting, die hij niet aan leveranciers of dienstverleners had betaald, toch bij de rijksbelastingdienst heeft teruggevraagd en dat hij van afnemers ontvangen omzetbelasting ten onrechte niet aan de rijksbelastingdienst heeft afgedragen en aldus de Staat heeft benadeeld door zich gelden toe te eigenen die hem niet toekwamen. Hij heeft grote materiële schade veroorzaakt door het plegen van die strafbare feiten en ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen in het financieel-economisch verkeer. (…) Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde – de verdachte heeft doelbewust een valse bedrijfsadministratie opgezet om zijn verslavingen te kunnen bekostigen –, de lange pleegperiode en de veroorzaakte maatschappelijke schade, acht het hof, evenals de rechtbank, in beginsel een gevangenisstraf van 16 maanden passend en geboden.”9
In een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2016, valt te lezen dat een gevangenisstraf van twee jaar werd opgelegd, aan een verdachte die niet alleen zelf een ondeugdelijke administratie voerde en op basis daarvan onjuiste aangiften btw en inkomstenbelasting indiende, maar via verschillende media ook anderen aanspoorde om geen belasting te betalen. De rechtbank hield op grond van dit gedrag rekening met de mogelijkheid dat verdachte, wanneer hij de kans zou krijgen, soortgelijke feiten wederom zou plegen.10
Een ander voorbeeld van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, biedt een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 7 februari 2013. Het betrof een veroordeling voor belastingfraude door elk kwartaal gedurende vier jaar lang onjuiste aangifte omzetbelasting te doen en niet mee te werken aan een boekenonderzoek. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is de enige passende en geboden reactie, zowel ter generale als speciale preventie, aldus de rechtbank.11
Een laatste voorbeeld van een vonnis waarin een voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend werd geacht, bied een vonnis van de Rechtbank Alkmaar van 16 april 2009. Verdachte had in de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 en 2003 inkomsten niet of onjuist opgegeven en aan hem toebehorend vermogen evenmin opgegeven. De rechtbank overwoog dat, omdat verdachte voor onbepaalde tijd in het buitenland verbleef, het opleggen van een taakstraf – waarvan de uitvoering onder die omstandigheden onmogelijk is – niet in aanmerking kwam. Gelet op de hoogte van het door de fiscus geleden nadeel achtte de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Wel hield de rechtbank rekening met de mogelijkheid dat, mocht verdachte zich opnieuw in Nederland vestigen, zijn belastingmoraal mogelijk lacunes zou kunnen vertonen waardoor verdachte zou kunnen recidiveren. Om herhaling te voorkomen werd verdachte dan ook veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.12 Over de mogelijkheden van voorwaardelijke sanctionering dadelijk meer.
Combinaties en voorwaardelijke opleggingsmogelijkheden
Gevangenisstraf kan – ook in fiscale zaken – in combinatie met andere straffen worden opgelegd, op grond van de volgende in de wet voorziene modaliteiten:
Op grond van art. 9 lid 3 WvSr kan voor (fiscale) strafbare feiten tevens een geldboete worden opgelegd. Overigens is deze mogelijkheid in alle hierboven genoemde delicten ook expliciet vastgelegd.
Op grond van art. 9 lid 4 WvSr kan de rechter in geval van veroordeling tot gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, tevens een taakstraf opleggen.
De gevangenisstraf is een hoofdstraf en kan met bijkomende straffen (verbeurdverklaring, ontzetting van rechten en openbaarmaking van de uitspraak) worden gecombineerd op grond van art. 9 lid 5 WvSr. De mogelijkheid van ontzetting uit het beroep wordt – voor wat betreft toepasbaarheid in het fiscale – expliciet benoemd in art. 69 lid 6 en 69a lid 2 AWR.
De gevangenisstraf is een straf die ook voorwaardelijk kan worden opgelegd, op grond van art. 14a lid 1 WvSr, althans: als de verdachte is veroordeeld tot een straf van maximaal vier jaar (zie ook lid 2). Hierbij geldt de algemene voorwaarde van art. 14c lid 1 WvSr: de veroordeelde mag zich vóór het einde van zijn proeftijd (als bedoeld in art. 14b WvSr) niet schuldig maken aan een strafbaar feit.
In art. 14c lid 2 WvSr staan voorts 14 bijzondere voorwaarden opgesomd, die aan de veroordeelde kunnen worden gesteld gedurende een termijn (maximaal die van de proeftijd). Deze zijn allemaal lastig door te denken naar een fiscale casus (bijv.: een verplichting op bepaalde tijden op een bepaalde locatie aanwezig te zijn of een contactverbod). Bij de sancties die hierna in hoofdstuk zes worden behandeld, en die ook voorwaardelijk kunnen worden opgelegd, zal op deze bijzondere voorwaarde dan ook niet meer op terug worden gekomen.
Noemenswaardig is nog wel dat de eerste in art. 14c lid 2 WvSr genoemde voorwaarde in fiscale casusposities voorstelbaar is; de vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade. In concreto zal dit neer komen op het bedrag dat ten onrechte niet is geheven, waardoor deze bijzondere voorwaarde voor het fiscale recht dus toch weinig betekenis zal hebben. Wanneer belastingplichtige een navorderingsaanslag inkomstenbelasting ontvangt vanwege het te weinig aangeven van inkomstenbelasting, en voor dit feit strafrechtelijk wordt vervolgd en veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan één voorwaardelijk, dan zou de bijzondere voorwaarde tot vergoeding van de geleden schade namelijk als volgt uitwerken: indien belastingplichtige het bedrag van de navorderingsaanslag (of: de schadevergoeding) betaalt, dan zal de straf van één jaar niet ten uitvoer worden gelegd. Als het bedrag van de navorderingsaanslag (of: de schadevergoeding) niet wordt betaald, dan wordt de straf van drie jaar in zijn geheel ten uitvoer gelegd. Tegelijkertijd is de Belastingdienst – in welke situatie dan ook – bevoegd de navorderingsaanslag te innen, en daartoe staan de ontvanger allerlei dwangmiddelen uit de IW ten dienste. Bij het scenario van niet-betaling van de navorderingsaanslag (of: schadevergoeding als bijzondere voorwaarde) in eerste instantie, zal deze ‘schadevergoeding’ uiteindelijk dus toch wel betaald moeten worden. Wellicht is de eerste bijzondere voorwaarde een optie voor de rechter als hij uit het dossier kan opmaken dat de inspecteur niet aan de eisen voor navordering (als bedoeld in art. 16 AWR) kon voldoen. De vraag is of dan via deze weg sprake is van oneigenlijke navordering.