Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.3.4.0
3.3.4.0 Introductie
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301333:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 juni 1993, Ruiz-Mateos, serie A, vol 262, § 63. Deze zaak had betrekking op een procedure ten overstaan van het Spaanse Constitutionele Hof waarin de grondwettigheid van een onteigeningswet aan de orde werd gesteld in verband met een civiele vordering van de familie RuizMateos tegen de Staat tot teruggave van hun vermogen als gevolg van de op deze wet gebaseerde onteigening. De landsadvocaat was in de procedure bij het Constitutionele Hof in de gelegenheid geweest schriftelijke uiteenzettingen in te dienen over de grondwettigheid van de onteigeningswet, doch niet de familie Ruiz-Mateos. Vergelijk tevens EHRM 28 augustus 1991, Brandstetter, serie A, vol 211, § 67 (strafzaak).
EHRM 29 mei 1986, Feldbrugge, serie A, vol 99, § 42-44.
EHRM 24 februari 1995, McMichael/GB, vol 307-b, § 80. Uitdrukkelijk wordt gerefereerd aan de overweging uit het Ruiz Mateos-arrest. Een schending van art. 6 EVRM werd alleen aangenomen ten aanzien van de moeder, niet ten aanzien van de natuurlijke vader, nu deze bij gebreke van erkenning van het onwettig kind geen 'parental rights' had en derhalve niet aan de procedure bij de 'Children's hearing' kon deelnemen.
Zie onder andere EHRM 20 februari 1996, Lobo Machado, 15764/89, Reports 1996-1, § 31; EHRM 7 juni 2001, Kress, 39594/98, § 74; EHRM 24 juli 2003, Yvon, 44962/98, § 38 en EHRM 19 mei 2005, Steck-Risch, 63151/00, NJ B 2005, p. 1795, nr. 490. Soms wordt het slot van de hier gereleveerde regel iets anders geformuleerd, te weten '... to comment on all evidence adduced or observations filed with a view to influencing the court's decision' (zie o.m. EHRM 8 augustus 2006, Eskelinen c.s., 43803/98, § 31).
Hierboven kwam naar voren dat de rechter erop moet toezien dat het schriftelijk (en eventueel mondeling) debat voldoende tot wasdom is gekomen om als basis te dienen voor een evenwichtige rechterlijke uitspraak. Essentieel daarbij is dat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad kennis te nemen van en zich uit te laten over de - al dan niet door de wederpartij - naar voren gebrachte feiten en de in het geding gebrachte (bewijs)stukken. In de zaak Ruiz-Mateos verwoordt het Europees Hof het als volgt:
'The right to an adversarial trial means the opportunity for the parties to have knowledge of and comment on the observations filed or evidence adduced by the other party.'1
En in het Feldbrugge-arrest oordeelde het Europees Hof reeds dat art. 6 EVRM geschonden was nu de betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om zich uit te laten over twee rapporten van medisch deskundigen, welke van essentiële betekenis waren en de grondslag vormden van de gerechtelijke beslissing in de beroepsprocedure.2 Een soortgelijk oordeel velde het Hof in de zaak McMichael, waar de ouders, zich verwerende tegen de ondertoezichtstelling, de beëindiging van omgang met en het vrijgeven voor adoptie van hun kind, in de procedure bij de 'Children's hearing' (een op dit gebied speciaal in Engeland ingestelde, niet-rechterlijke instantie) geen inzage hadden gekregen in rapporten van sociaal werkers en psychiaters.3 De overweging uit het Ruiz Mateos-arrest is inmiddels in vele uitspraken van het Europees Hof herhaald; gesproken kan worden van gevestigde rechtspraak.4
De jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot het recht op tegenspraak is zeer genuanceerd en vormt een uitwerking van de hoofdregel zoals deze in het Ruiz Mateos-arrest is geformuleerd. Een indeling kan gemaakt worden naar enerzijds het recht op tegenspraak ten aanzien van in het geding gebrachte processtukken en anderzijds het recht op tegenspraak ten aanzien van in de procedure naar voren gebrachte feitelijke en bewijsgegevens.