Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.3.4.2
3.3.4.2 Recht op tegenspraak ten aanzien van feitelijke c.q. bewijsgegevens
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS300102:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 februari 1994, NJ 1994, 742 (HJS).
HR 12 februari 1993, NJ 1993, 572 (HJS). Een enkele foutieve vaststelling van de feiten door de rechter levert echter geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor op, maar is een motiveringsgebrek. Is de onjuiste vaststelling daarentegen gebaseerd op het door hem, buiten partijen om, gevoerde feitenonderzoek, dan is weer wel sprake van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor indien partijen niet meer in de gelegenheid worden gesteld zich over die feiten uit te laten. In HR 18 december 1987, NJ 1988, 679 (WHH) werd de bewijsvergaring door een 'niet-officiële bezichtiging' door de Hoge Raad afgestraft. Annotator Heemskerk meent echter dat i.c. de onofficiële weg wel van meer realiteitszin getuigt, nu daarmee verhinderd wordt dat een partij tijdig de toestand die de rechter wil onderzoeken arrangeert.
Zie o.m. HR 4 februari 1983, NJ 1983, 567 en HR 27 maart 1987, NJ 1988, 130 (WHH). Zie tevens HR 1 december 1989, NJ 1990, 438 (JBMV met een enumeratie van procedureregels in krankzinnigenzaken); HR 22 juni 1990, NJ 1990, 704; HR 16 september 1994, NJ 1995, 7; HR 24 maart 2000, NJ 2000, 355; HR 5 november 1999, NJ 2000, 64; HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599; HR 29 november 2002, NJ 2004, 172 (HJS) en HR 23 maart 2007, NJ 2007, 178.
Zie HR 12 maart 1999, NJ 1999, 400 en HR 10 november 2006, JBPr 2007, 31 (H.L.G. Wieten). Wi-eten is het met deze opvatting van de Hoge Raad niet eens en is veel rechter in de leer (net als A-G Huydecoper): een rechter mag niet op eigen houtje aan het bewijsgaren slaan, dat is niet alleen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, maar ook met dat van de onpartijdigheid. Ik vind dit standpunt te ver gaan. Procesefficiency en pragmatische rechtspraak is óók een groot goed; daar moeten principes soms voor wijken.
Zie o.a. HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 (CJHB met verwijzing naar oudere jurisprudentie); HR 27 september 1991, NJ 1991, 801; HR 28 februari 1992, NJ 1992, 409 en HR 16 april 1991, NJ 1992, 407 (JBMV). Vergelijk tevens HR 29 september 1995, RvdW 1995, 189.Voor een voorbeeld waarin een bij memorie van antwoord in het incidenteel appel voor het eerst aangevoerde feitelijke stelling niet als vaststaand aangenomen mocht worden nu de wederpartij niet in de gelegenheid was gesteld op die stelling te reageren, zie HR 2 mei 2003, NJ 2003, 442.
Zie laatstelijk HR 7 december 2001, NJ 2003, 76 (DA). Asser in zijn noot onder het arrest legt uit: rechterlijke uitspraken waarbij alimentatie wordt vastgesteld zijn in beginsel voor wijziging vatbaar - zelfs met terugwerkende kracht - indien bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, dan wel de omstandigheden zijn gewijzigd. De uitzondering op de 'strakke regel' is gefundeerd in het zoveel mogelijk vermijden van nodeloze nieuwe procedures.
Asser (1991), p. 17-19.
Van Nispen (1993), p. 24.
De Europese uitspraken waar Vranken op doelt betreffen EHRM 30 januari 2002, Devlin, 29545/95, en EHRM 10 juli 1998, Tinnely e.a., Reports 1998-1V, p. 1633. Beide uitspraken zijn niet gezet in de sleutel van het recht op hoor en wederhoor, maar van het recht op 'access to court'.
Hoewel zulks niet expliciet uit de Straatsburgse jurisprudentie rondom art. 6 EVRM volgt (maar daar wel impliciet uit is af te leiden), kan gesteld worden dat het recht op tegenspraak met zich brengt dat de rechter zijn uitspraak slechts mag baseren op die gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen.
Dit impliceert onder andere dat een rechter een door een derde op zijn verzoek uitgebrachte rapportage welke is gebaseerd op niet-geopenbaarde feitelijke gegevens (welke gegevens derhalve noch door hem, noch door partijen gecontroleerd kunnen worden) niet ten grondslag mag leggen aan zijn beslissing.1
Het impliceert tevens dat een rechter niet ambtshalve, buiten partijen om, zich in een onderzoek aangaande de feiten mag begeven, zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich omtrent de uitkomst van zodanig onderzoek uit te laten.2 Het beslissen op basis van vertrouwelijke, ambtshalve of telefonisch ingewonnen inlichtingen die niet - of in een veel te laat stadium - aan betrokkenen worden bekendgemaakt (zoals in faillissementszaken en BOPZ-zaken met enige regelmaat gebeurt) is in beginsel ongeoorloofd.3 Geen beginsel zonder uitzonderingen: in enkele uitspraken heeft de Hoge Raad nuances aangebracht. Is in een voorkomend geval geen sprake van benadeling, of heeft de rechter zijn beslissing gebaseerd op andere (bewijs)gegevens dan die waarvan hij ambtshalve en op eigen initiatief heeft kennisgenomen, dan meent de Hoge Raad dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden.4
Voorts brengt het beginsel mee dat op in een zeer laat stadium van de procedure (bijvoorbeeld bij pleidooi of bij gelegenheid van een mondelinge behandeling) aangevoerde feiten door de rechter geen acht mag worden geslagen indien de wederpartij geen gelegenheid heeft gehad zich daartegen te verweren of dat zij een nader onderzoek nodig zouden maken waarvoor het betreffende geding geen gelegenheid meer biedt (er zou bijvoorbeeld een nieuwe bewijslevering nodig zijn). Maken die feiten onderdeel uit van nieuw aangevoerde grieven of worden zij aangedragen nadat reeds grieven geformuleerd zijn, dan is het van tweeën één: ofwel dient de regel gehanteerd te worden dat de (appel)rechter geen acht mag slaan op grieven c.q. feiten die eerst bij pleidooi in hoger beroep worden voorgedragen, tenzij de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat zij alsnog in de rechtsstrijd worden betrokken, ofwel - en zulks houdt een uitzondering op de eerst geformuleerde 'strakke' regel in - houdt de rechter rekening met de (aangevoerde nieuwe grief en de daaraan ten grondslag gelegde) nieuwe feiten, doch biedt hij de wederpartij, indien daartoe termen aanwezig zijn, de gelegenheid zijn verweer aan te vullen en voor zover nodig diens standpunt aan te passen.5 In alimentatiezaken ligt het door de aard van het geschil voor de hand om niet de 'strakke regel' te hanteren, maar de uitzondering daarop.6
Een probleem doet zich nog voor bij vertrouwelijke gegevens die niet ter kennis van de wederpartij mogen komen (bijvoorbeeld bedrijfsgeheimen of privacygegevens). Asser meent dat de rechter slechts in zeer bijzondere omstandigheden van die gegevens kennis mag nemen. Toestemming van de onkundige partij, eventueel na beoordeling van die gegevens door een door deze partij aan te wijzen objectieve derde, kan zo'n omstandigheid zijn.7 Van Nispen gaat verder en stelt dat een voorziening zou moeten worden gecreëerd die erop gericht is dat zulke gegevens kunnen worden geverifieerd en onderzocht door tot geheimhouding verplichte vertrouwenslieden van de andere partij.8
Intussen heeft de Hoge Raad een belangwekkende en genuanceerde uitspraak gedaan omtrent al dan niet overlegging van geheime gegevens door een bestuursorgaan aan de rechter. In HR 20 december 2002, NJ 2004, 4 (JBMV) was aan de orde of de openbare rechtspersoon De Nederlandse Antillen (het Land) en de Gouverneur der Nederlandse Antillen onrechtmatig hadden gehandeld jegens Lightning Casino c.s. door een gevraagde vergunning te weigeren (uitsluitend) op grond van inlichtingen van de Veiligheidsdienst van de Nederlandse Antillen (VNA) inzake de directie van Lightning Casino, die niet aan Lightning Casino bekend waren gemaakt, waarover Lightning Casino c.s. niet gehoord waren, en die men niet aan de rechter ter inzage heeft willen geven. Voorop stelt de Hoge Raad dat de op partijen rustende verplichting om in een procedure inlichtingen te verstrekken dan wel stukken te overleggen niet onder alle omstandigheden geldt en dat gewichtige redenen een weigering om aan die verplichting te voldoen kunnen rechtvaardigen. Aangezien de rechter die gewichtige redenen zal moeten kunnen verifiëren, zal hij toch kennis moeten nemen van de betreffende informatie en van het bestuursorgaan kunnen verlangen die over te leggen. Is hij met het bestuursorgaan van oordeel dat gewichtige redenen geheimhouding rechtvaardigen, dan kan het bestuursorgaan desgewenst meedelen dat uitsluitend de rechter van de betreffende informatie kennisneemt, in welk geval aan de wederpartij dient te worden gevraagd of zij aan de rechter toestemming verleent mede op grond van die informatie uitspraak te doen. Wordt een dergelijke mededeling niet gedaan, dan wel bedoelde toestemming niet gegeven, dan brengen de eisen van een behoorlijke rechtspleging mee dat de leden van de kamer die over geheimhouding hebben beslist, geen deel uitmaken van de kamer die het geding daarna verder behandelt. Mocht die volgende kamer tot het oordeel komen dat een verantwoorde toetsing van de bestuursbeslissing niet mogelijk is zonder ten minste enige geheime informatie ter beschikking te hebben, dan wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld zodanige informatie alsnog te verstrekken.
Vranken wijst er in zijn zeer lezenswaardige noot op dat de botsing van het belang van waarheidsvinding en hoor en wederhoor met het recht van geheimhouding zich in vele varianten kan voordoen en dat daar geen eenheidsoplossing bij past. 'Uiteindelijk ligt de grens van wat toelaatbaar is bij art. 6 EVRM.' Onder verwijzing naar Europese rechtspraak concludeert hij dat uitgangspunt is dat de plicht tot het verschaffen van informatie en het overleggen van bescheiden - die sinds de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002 steeds belangrijker is geworden (zie art. 21, art. 22, art. 120 lid 4 en art. 128 Rv) - niet absoluut is, maar dat de geheimhouding proportioneel moet zijn en een voldoende tegenwicht moet vinden in procedurele garanties.9