Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/3.5.2.7
3.5.2.7 Evaluatie
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297106:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1984/85, 18 600, hoofdstuk IX b, nr. 3, p. 71. In dezelfde zin: P.H.J. Essers, Knelpunten bij de hervorming van de belastingheffing van ondernemingen (oratie KUB), Deventer: Kluwer 1992, p. 39.
Kamerstukken II 2004/05, 30 107 (Nota), p. 22.
In deze zin R.P.C. Cornelisse, De toekomst van de vennootschapsbelasting (oratie UvA), Amsterdam: Vossiuspers UvA 2001, p. 24.
J. Vleggeert, ‘Naar een (meer) gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting?’, WFR 2003/6545, p. 1482-1487.
Als bezwaar tegen de aftrek van een primair dividend zijn door de wetgever de negatieve budgettaire consequenties aangevoerd. In de actualiseringsnota werd de eenzijdige invoering van een aftrek van primair dividend om deze reden afgewezen: ‘Samenvattend zij er hier aan herinnerd dat bij de overgang naar dat stelsel Nederland afstand zou doen van een internationaal gebruikelijke heffing over een normaal rendement van hier te lande werkzaam vermogen. De kosten daarvan zijn aanzienlijk, hetgeen ook daarom zwaar weegt omdat, in verhouding met landen die bij de voorkoming van internationale dubbele belasting een creditsysteem toepassen, daartegenover in zoverre geen voordeel staat voor de ondernemingen maar wel voor de buitenlandse fiscus.’.1 In de nota ‘Werken aan winst’ heeft de staatssecretaris het budgettaire bezwaar ten aanzien van de aftrek voor een primair rendement herhaald: ‘Bij een percentage van 4% zou een vermogensaftrek – zonder beperkende maatregelen – in Nederland naar schatting € 3,7 mrd per jaar kosten. Dat komt globaal overeen met een tariefsverlaging van 7%.’2
Cornelisse heeft hiertegen ingebracht dat dit bezwaar geldt ten aanzien van elke tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting en niet alleen voor een stelsel waarin een aftrek van een primair rendement of een primair dividend wordt toegestaan.3 Dat ontlokte mij in 2003 de opmerking dat hij naar mijn mening ‘al te makkelijk voorbijgaat aan de negatieve budgettaire gevolgen van een eenzijdige invoering van een aftrek van een primaire beloning op eigen vermogen.’4 Sindsdien is het tarief van de vennootschapsbelasting gedaald van 34,5% naar 25,5%. Indachtig het hierboven weergegeven citaat van de staatssecretaris was het bijvoorbeeld mogelijk geweest om tegen dezelfde budgettaire kosten een vermogensaftrek van 4% in te voeren en genoegen te nemen met beperkte tariefsverlaging naar 32,5%. Het budgettaire bezwaar kan mij daarom niet langer overtuigen.
Voor het oordeel over de wenselijkheid van de invoering van een aftrek van een primair dividend is, naar het mij voorkomt, uiteindelijk beslissend of het daarmee beoogde doel wordt bereikt. De aftrek is bedoeld om de ongelijke fiscale behandeling van eigen vermogen ten opzichte van vreemd vermogen te mitigeren. Wordt de fiscale positie van de vennootschap in ogenschouw genomen, dan wordt dit doel naar mijn mening niet bereikt. Er wordt immers onderscheid gemaakt tussen eigen vermogen waarover geen beloning wordt uitgekeerd enerzijds en eigen vermogen waarover dat wel gebeurt en vreemd vermogen anderzijds. Om die reden kunnen verder geen belangrijke vereenvoudigingen worden aangebracht in het woud van de aftrekbeperkingen van de rente. Het is daarom naar mijn mening niet zinvol een aftrek voor primair dividend in te voeren.