Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.5.2:8.5.5.2 De vereenvoudigde procedure
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.5.2
8.5.5.2 De vereenvoudigde procedure
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454087:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 33220, 3, p. 2-3.
Kamerstukken II 2011/12, 33220, 6, p. 2-3.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 19.
Handelingen II 2011/12, 87, 9, p. 25; Handelingen II 2011/12, 87, 8, p. 24; Handelingen II 2011/12, 87, 10, p. 26; Handelingen I 2011/12, 36, 5, p. 24-25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere vraag die bij het goedkeuren van de wijziging van artikel 136 VWEU een (kleine) rol speelde, was hoe deze wijziging plaats diende te vinden. De Europese Raad gebruikte hiervoor de vereenvoudigde herzieningsprocedure van artikel 48, zesde lid, VEU, die lichter is dan de reguliere procedure. Artikel 48, zesde lid, VEU noemt echter wel enkele voorwaarden voor de toepassing daarvan. Volgens de regering was aan die eisen voldaan. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter wijziging van artikel 136 VWEU stelt daarover het volgende:
‘De materiële voorwaarden van artikel 48, zesde lid, van het EU-Verdrag zijn dat het besluit slechts mag zien op wijziging van het derde deel van het EU-Werkingsverdrag (artikelen 26 tot en met 197 over het beleid en het intern optreden van de EU) en dat het geen uitbreiding van de door de EU-verdragen aan de EU toegedeelde bevoegdheden mag inhouden. Artikel 136 en het economisch en monetair beleid van de EU maken deel uit van het derde deel van het EU-Werkingsverdrag. Het toevoegen van een derde lid aan artikel 136 voldoet dus aan de eerste voorwaarde van artikel 48, zesde lid, van het EU-Verdrag. Ook aan de tweede voorwaarde van deze bepaling voldoet het besluit. Het in artikel 136 in te voegen derde lid verleent immers geen bevoegdheden aan de EU. De lidstaten die de euro als munt hebben, hebben besloten tot oprichting van het ESM omdat dit onontbeerlijk is voor de stabiliteit van de eurozone en het in te voegen derde lid stelt buiten twijfel dat zij hiertoe bevoegd zijn. Daarvoor is geen initiatiefvoorstel van de Commissie, een besluit van de Raad of betrokkenheid van het Europees Parlement vereist. De lidstaten kunnen in onderlinge overeenstemming op intergouvernementele basis een stabiliteitsmechanisme instellen. Zij blijven gebonden aan de kaders die de EU-verdragen stellen, maar hebben geen voorafgaande goedkeuring van een of meer instellingen van de EU nodig. Overigens ziet de regering, evenals de Commissie en de Europese Centrale Bank uitdrukkelijk in hun genoemde adviezen, het besluit als een bevestiging van wat al mag op grond van het EU-Werkingsverdrag. Ook vanuit die invalshoek kan er dus geen uitbreiding van bevoegdheden bestaan.’1
Verschillende Kamerleden plaatsten vraagtekens bij de gevolgde procedure.2 Met name de vraag of er door de wijziging van artikel 136 VWEU geen bevoegdheden worden verleend aan de EU, leidde nog tot enige discussie. De Jager was tijdens de mondelinge behandeling echter glashelder: ‘De regering is van mening dat met de voorliggende wijziging geen bevoegdheden worden overgedragen aan de EU.’3 Net als bij de discussie over de no bail out-clausule waren de Kamers op dit punt tamelijk meegaand en vormde het debat over artikel 136 VWEU op geen enkel moment een reëel gevaar voor de goedkeuring van de gebundelde wetsvoorstellen.
Ondanks alle hierboven besproken discussiepunten, stemden beide Kamers in met de goedkeuring van het ESM-verdrag, de wijziging van artikel 136 VWEU en de incidentele suppletoire begroting.4