Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.5.2
12.2.5.2 Geadresseerde van de mededeling
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940295:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 8 december 2015, V-N 2016/18.21.5, r.o. 2.9 (verkeerde adressering van de mededeling leidt tot vernietiging van de boete).
HR 5 september 2003, BNB 2003/349, r.o. 4.1.
Op grond van art. 49 lid 1 Inv., slotzin, is afdeling 2 van hoofdstuk VIIIA van de AWR van overeenkomstige toepassing, waarin ook de nationaalrechtelijke codificatie van de mededelingsplicht is opgenomen (zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.7). Zie Feteris 2002, p. 217 en p. 223-224 en Vetter, Tekstra & Wattel 2012, p. 35-36. Vgl. voorts Booij 2003, p. 260.
HR 10 juni 1992, BNB 1993/17, r.o. 3.2, HR 23 december 1992, BNB 1993/96. Feteris wijst erop, dat de opvatting van de Hoge Raad aansluit bij de jurisprudentie van de ECRM, Feteris 2002, p. 223 (noot 110).
Zie over het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt nader paragraaf 9.3.4 (inzake de toerekeningsleer) en 9.4.16 (inzake overlijden).
Vgl. HR 9 oktober 1996, BNB 1997/53 (geen ontoereikende machtiging). Scheltens heeft in dit verband verdedigd dat een machtiging voor boetezaken alleen geaccepteerd zou moeten worden als deze specifiek genoeg is (een algemene machtiging tot behartiging van fiscale zaken acht hij dus ontoereikend). Zie zijn noten bij HR 10 juni 1992, BNB 1993/17, punt 2 en bij HR 23 december 1992, BNB 1993/96.
Zie paragraaf 15.3.3 tot en met paragraaf 15.3.5. Vgl. in dit verband de regels rondom het voordeel van de twijfel bij ontvankelijkheidskwesties, zoals deze tot medio 2019 hebben gegolden (waarover nader in paragraaf 15.4.3.3).
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 223, die in algemene zin ieder van de bestuurders aanwijst.
Uit de jurisprudentie is voorts duidelijk geworden dat de mededeling persoonlijk gericht moet zijn aan de boeteling.1 De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat in elk individueel geval mededeling aan de betrokken belastingplichtige moet worden gedaan van de gronden waarop in dat specifieke geval de oplegging van de boete berust.2 Evenzeer moet de mededeling van een boete wegens bijvoorbeeld medeplegen uiteraard worden gericht aan de medepleger. Ook de aansprakelijkstelling voor een boete moet aan de aansprakelijkgestelde zelf worden medegedeeld.3
Wel is het volgens de Hoge Raad toegestaan dat de mededeling wordt gedaan aan de gemachtigde van de boeteling.4 Daarbij is naar mijn mening, gelet op het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt,5 van belang dat de machtiging bij voorkeur uitdrukkelijk ook de boetebeschikking dekt.6 Eventuele twijfel over het bestaan, de geldigheid of de reikwijdte van de machtiging mag naar mijn mening niet voor rekening van de boeteling komen, aangezien de toegang tot de rechter kan worden belemmerd.7 Mededelingen aan andere dan natuurlijke personen kunnen naar mijn mening worden gedaan aan degenen die vertegenwoordigingsbevoegd zijn, dan wel expliciet zijn aangewezen als aanspreekpunt voor communicatie met de inspecteur.8