Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.1:5.1 Inleiding
Stille getuigen 2015/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, moet daarvoor volgens het ehrm een goede reden bestaan. In dit hoofdstuk zal ik de betekenis van deze regel in kaart brengen. Daarbij zal ik eerst onderzoeken welke plaats het al dan niet hebben bestaan van een goede reden heeft in het beslismodel. Daarbij zal ik niet alleen stilstaan bij de gevolgen van het ontbreken van een goede reden (§ 2.2), maar zal ik ook de vraag beantwoorden of het beslismodel anders wordt ingevuld bij het bestaan van een goede reden (§ 2.3). Vervolgens zal ik beschrijven op welke manier kan worden bepaald of in een bepaalde situatie een goede reden magworden aangenomen. Daarbij spelen algemene factoren een rol: factoren die niet slechts relevant zijn voor de beoordeling van een concrete situatie, maar die in verschillende situaties de beoordeling van het ehrm beïnvloeden. Zo zijn het gewicht van de getuigenverklaring en de strafbedreiging relevante factoren: naarmate een getuigenverklaring beslissender wordt en naarmate de maximaal geriskeerde gevangenisstraf hoger wordt, zullen meer inspanningen worden verlangd van de justitiële autoriteiten. (§ 2.4) Omdat deze aspecten niet geheel los kunnen worden gezien van de specifieke reden waarom een ondervragingsgelegenheid is uitgebleven, zullen deze algemene aspecten ook zo nu en dan terugkomen wanneer per specifieke situatie wordt onderzocht of deze een goede reden kan opleveren voor het ontbreken van een mogelijkheid voor de verdediging om de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring te onderzoeken. (§ 2.5) Het komt voor dat de verdediging een getuige weliswaar kon ondervragen, maar niet zonder beperkingen, bijvoorbeeld omdat antwoorden door de rechter zijn belet. Ook voor beperkingen lijkt een goede reden te moeten bestaan, zelfs wanneer een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft bestaan. (§ 2.6) Ik zal verschillende soorten gevallen bespreken waarin weliswaar een ondervraging heeft plaatsgevonden, maar wel beperkingen hebben bestaan. (§ 2.7) Ten slotte zal ik aandacht besteden aan de vraag of de rechter naar aanleiding van een getuigenverzoek gehouden is uit eigen beweging bepaalde activiteiten te ondernemen om een ondervragingsgelegenheid te realiseren (§ 2.8) en aan de rechterlijke motivering van beperkingen van het ondervragingsrecht (§ 2.9).
Het deel van dit hoofdstuk waarin het Nederlandse recht centraal staat, kent een vergelijkbare opbouw. Ook hier heb ik een onderscheid gemaakt tussen goede redenen voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid (§ 3.2) en goede redenen voor het beperken van de feitelijke ondervraging (§ 3.3). In de paragraaf over goede redenen voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid heb ik ervoor gekozen om de structuur van de tekst niet te laten bepalen door de concrete situaties die al dan niet een goede reden kunnen opleveren, maar door de gronden waarop volgens het Nederlandse Wetboek van Strafvordering getuigenverzoeken mogen worden afgewezen. De reden hiervoor is dat deze gronden een prominente rol spelen in de jurisprudentie van de Hoge Raad.