De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.2.2:3.2.2 Autonomie vanuit mensenrechtelijk perspectief
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.2.2
3.2.2 Autonomie vanuit mensenrechtelijk perspectief
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949503:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J. Gumbis e.a., Do Human rights guarantee autonomy, p. 1. Raadpleegbaar via: https://www.corteidh.or.cr/tablas/r26750.pdf.
Personal freedom through human rights law, p. 22.
Personal freedom through human rights law, p. 27.
Mackor 2011b, p. 11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip autonomie wordt in juridische zin weinig gebruikt. Autonomie wordt bijvoorbeeld wel gebruikt wanneer wordt gesproken over lagere overheden die in het kader van decentralisatie hun eigen huishouding mogen regelen of wanneer het gaat om de bevoegdheid van een niet geheel soevereine staat die zijn eigen binnenlandse aangelegenheden zelf mag regelen. Deze voorbeelden van autonomie lijken niet op de autonomie van de leraar die als individuele professional werkt voor een werkgever. De autonomie die aan een individuele burger toekomt, is een beter startpunt, om de autonomie van de leraar in kaart te brengen.
Autonomie van burgers wordt onder meer geborgd in mensenrechten. Individuele autonomie ligt samen met de menselijke waardigheid ten grondslag aan een groot deel van de mensenrechten. Artikel 1 van de Universele Verklaring voor de rechten van mens bevat hiervoor de basis:
“Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.”
De basis voor individuele autonomie wordt gevormd door het idee dat in beginsel eenieder waarde heeft en de competenties heeft om zelf zijn leven in te richten. Met deze competenties kan men rationeel bepalen op welke verlangens men al dan niet handelt. De mens is in de kern onafhankelijk en kan zichzelf blijven ontwikkelen.1 Autonomie wordt, zoals is beschreven in hoofdstuk 2, gezien als de kern van een waardevol menselijk bestaan. Om autonomie ook te kunnen verwezenlijken en de menselijke waardigheid te beschermen zijn mensenrechten in het leven geroepen. Mensenrechten slaan een brug tussen het filosofisch kader dat in het vorige hoofdstuk is geschetst en het juridische kader.2 Deze rechten bieden handvatten om het abstracte idee van autonomie naar concrete situaties te vertalen. Mensenrechten moeten de Staat ervan weerhouden om de autonomie van haar burgers te beperken. Ook zijn er mensenrechten die de autonomie van burgers juist verder kunnen vergroten door de Staat hierbij een actieve rol toe te bedelen.3 Het recht op onderwijs is hier een voorbeeld van: hieruit vloeit de plicht voort dat de overheid zich moet inspannen, zodat eenieder zijn recht op onderwijs kan verwezenlijken. Uit artikel 26, tweede lid, UVRM blijkt tevens dat het recht op onderwijs gericht is op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens. Ook uit artikel 13 IVESCR blijkt dit doel van het onderwijs. Onderwijs is volgens dit artikel gericht op de volledige ontplooiing van de menselijke persoonlijke waardigheid en van het besef van haar waardigheid. Het onderwijs dient er dan ook op gericht te zijn om bij te dragen aan de ontwikkeling van de competenties van individuen om autonoom te kunnen leven.
Burgers hebben mensenrechten. De leraar is ook een burger, maar is in zijn hoedanigheid als leraar toch vooral een professional. Bij de vraag in hoeverre mensenrechten van toepassing zijn op een professional kan onderscheid gemaakt worden tussen klassieke en sociale grondrechten. De sociale grondrechten geven burgers een aanspraak tegenover de overheid, bijvoorbeeld het recht op onderwijs. De overheid moet zich inspannen om het verwezenlijken van het recht op onderwijs mogelijk te maken. De leraar draagt hier als professional aan bij. Ook heeft hij, om dit recht in het belang van de leerling te verwezenlijken, een zekere mate van autonomie. Met de leerling wordt zowel de leerling in het primair en voortgezet onderwijs bedoeld als de student in het middelbaar beroeps- als hoger onderwijs. Naast sociale grondrechten zijn er klassieke grondrechten, waarbij de overheid zich juist van bemoeienis moet onthouden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de vrijheid van meningsuiting. Op de mate waarin aan de leraar deze vrijheid toekomt, wordt nader ingegaan in § 4.4. Mackor schrijft dat het beperken van de autonomie van een professional minder problematisch is dan bij burgers.4 Het gaat dan immers niet om het beperken van zijn rechten als burger, maar om het reguleren van de beroepsuitoefening. In het kader van het onderwijs wordt de beroepsuitoefening beperkt in het belang van de leerling. Dit belang moet beschermd worden tegen een leraar die dit door onzorgvuldige beroepsuitoefening kan schaden. Daarnaast is er volgens Mackor nog een reden waarom de autonomie van een professional wel beperkt kan worden en dat van de burger niet. Er bestaat vaak een collectief beeld van wat verwacht mag worden van een ‘goede professional’. Dit maakt het mogelijk om over de uitoefening van het beroep regels te stellen. Bij burgers kan dit niet omdat er over wat een ‘goede burger’ is geen collectief beeld bestaat. De autonomie van de leraar kan dan ook beperkt worden.