Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.2.3
3.2.3 Recht op onderwijs vanuit mensenrechtelijk perspectief
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949666:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 26 van de universele verklaring voor de rechten van de mens.
Artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.
EHRM 23 juli 1968, Publ. ECHR, Series A, vol. 6 (Belgische Taalzaak). Zie over deze zaak ook: Huisman e.a. 2018, p. 21-22, P.W.A. Huisman, Recht op onderwijs, onderwijswetgevingsbeleid en inrichtingsvrijheid ten tijde van de coronapandemie, NTOR 2020, afl. 4, P.J.J. Zoontjens, Het beweeglijke recht op onderwijs. Op zoek naar ankerpunten in een permanente ontwikkeling. Inaugurale rede uitgesproken op 2 mei 2003.
C. Loven, Horizontale positieve verplichtingen in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, NTM-NJCMBull 2020, 4, p. 482.
EHRM 10 november 2005, nr. 44774/98 (Sahin/Turkije).
Zie ook B.P. Vermeulen en M. van Roosmalen, “Chapter 18. Right to education”, p. 891 in P. van Dijk e.a., Theory and Practice of the European Convention of Human Rights, Cambridge, Intersentia 2018.
Rechtbank ’s-Gravenhage 2 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4736.
Zie over de horizontale werking van artikel 2 EP EVRM uitgebreider het Maimonidesarrest (Hoge Raad 22 januari 1998, ECLI:NL:PHR:1998:AD0151, NJ 1998, 891, m.nt E.A. van der Algema) en J. Gerards, EVRM - Algemene leerstukken, Den Haag: SDU Uitgevers 2011, p.263 e.v.
Zoals hiervoor al kort geschetst, staat de leraar in dienst van het verwezenlijken van het recht op onderwijs van de leerling. Dit recht is in het internationaal recht op verschillende plekken vastgelegd. In artikel 2 van het eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP EVRM) is bijvoorbeeld vastgelegd dat eenieder recht heeft op onderwijs. Staten moeten daarnaast het recht van ouders respecteren om hun kinderen te laten onderwijzen op een wijze die past bij hun eigen religieuze en filosofische overtuigingen. Ook de universele verklaring voor de rechten van de mens bevat een bepaling die het recht op onderwijs beschrijft.1 Daarin staat ook het doel van het onderwijs beschreven. Onderwijs is gericht op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijke vrijheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook blijkt uit dit artikel dat het aan de ouders is om te bepalen welk soort onderwijs aan hun kinderen gegeven wordt. Het IVESCR bevat een soortgelijke bepaling.2 Dit verdrag verwijst ook naar het onderwijzend personeel. Er is bepaald dat de materiële omstandigheden van het onderwijzend personeel voortdurend dienen te worden verbeterd.
Het recht op onderwijs zoals geregeld in het EP EVRM is wat betreft de examens van bijzonder belang. Onder dit recht wordt volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) mede verstaan het kunnen halen van voordeel uit het genoten onderwijs, door middel van officiele erkenning van het afronden van een studie. Dit bepaalde het EHRM in de Belgische taalzaak.3 In casu wilden een aantal Franssprekende ouders, die woonachtig waren in het Nederlandstalige Vlaanderen, dat hun kinderen in het Frans onderwezen zouden worden. De Belgische overheid bood geen Franstalig onderwijs aan als de ouders woonachtig waren in het Nederlandstalige Vlaanderen. De ouders voerden, kort gezegd, aan dat hun kinderen hierdoor geen aanspraak konden maken op het recht op onderwijs. Dit zou een schending zijn van artikel 2 van het EP EVRM. Om de vraag te beantwoorden of het recht op onderwijs was geschonden, zette het Hof eerst de reikwijdte van dit recht uiteen. Uit het EVRM blijkt geen specifieke verplichting om op een bepaalde wijze het onderwijs te organiseren of financieren. Wel geeft het EVRM recht op toegang tot bepaalde onderwijsinstellingen. Toegang tot een onderwijsinstelling is echter slechts een deel van het recht op onderwijs. Het recht op onderwijs moet ook effectief verwezenlijkt kunnen worden. Hierover bepaalde het Hof het volgende:
“The first sentence of Article 2 of the Protocol (P1-2) consequently guarantees, in the first place, a right of access to educational institutions existing at a given time, but such access constitutes only a part of the right to education. For the "right to education" to be effective, it is further necessary that, inter alia, the individual who is the beneficiary should have the possibility of drawing profit from the education received, that is to say, the right to obtain, in conformity with the rules in force in each State, and in one form or another, official recognition of the studies which he has completed.”
Artikel 2 EP EVRM legt aan Staten dan ook de positieve plicht op om het recht op onderwijs in zijn geheel te beschermen.4 De hiervoor aangehaalde overweging heeft het EHRM herhaald in onder andere een uitspraak uit 2005 in de zaak Leyla Sahyn.5 Ook toen bepaalde het EHRM dat om het recht op onderwijs effectief te kunnen verwezenlijken, dit ook het recht omvat op officiële erkenning van het afgeronde onderwijs.6 Ondanks het grote belang van het recht op onderwijs, is dit recht volgens het EHRM niet absoluut.
Het recht op toegang tot onderwijs kan gereguleerd worden door de Staat. De mate waarin de toegang tot het onderwijs wordt gereguleerd kan verschillen per plaats en tijd, dit is afhankelijk van de behoeften en middelen van de gemeenschap en de eigenschappen van de verschillende niveaus van het onderwijs. De Staat heeft daarom een zekere beoordelingsvrijheid om te bepalen hoe het recht op toegang tot het onderwijs ingevuld wordt.
Uit een zaak bij de Rechtbank ’s-Gravenhage uit 2012 bleek dat het recht op onderwijs uit het EVRM, zoals dit is uitgelegd door het EHRM, ook van direct belang is voor het Nederlandse recht.7 In casu mocht een vreemdeling, zonder verblijfstatus, geen stagelopen in het kader van zijn mbo-opleiding. Voor deze vergunning kwam de leerling niet in aanmerking omdat hij geen verblijfstatus had. Hij mocht vanwege ziekte wel in Nederland blijven en onderwijs volgen. Zonder stage kon de leerling echter geen diploma behalen. De leerling voerde bij de rechtbank aan dat hierdoor inbreuk werd gemaakt op zijn recht op onderwijs.
De rechtbank stelde vast dat het recht op onderwijs, uit artikel 2 EP EVRM, naar zijn inhoud een onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht op onderwijs garandeert. Deze bepaling is daarom eenieder verbindend, in de zin van artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Onder verwijzing naar de hiervoor beschreven uitspraken van het EHRM stelt de rechtbank vast dat het recht op onderwijs enkel effectief is als de personen die onderwijs volgen een officiële erkenning kunnen krijgen van het afronden van de opleiding. Die officiële erkenning is in het Nederlandse onderwijs een diploma. De rechtbank bepaalt dat de Staat bij het middelbaar beroepsonderwijs een ruime beoordelingsruimte heeft om te bepalen hoe het recht op onderwijs verwezenlijkt kan worden. De Staat kan het recht op onderwijs dan ook beperken, mits hiermee een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en het middel proportioneel is. Het recht op onderwijs mag daarbij echter niet in de kern aangetast worden. De Staat heeft het recht op onderwijs beperkt om voorzieningen voor illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen in te perken. Dit is volgens de rechtbank niet proportioneel. De Staat beperkt de effectiviteit van het recht op onderwijs, doordat de leerling zijn opleiding niet met een officiële erkenning kan voltooien. Volgens de rechtbank kan niet worden gesproken van een effectief recht op onderwijs als de mogelijkheid ontbreekt om het gevolgde onderwijs af te sluiten met een diploma.
Artikel 2 EP EVRM is van belang voor het bevoegd gezag en de leraar bij het afnemen van de examens omdat hieruit afgeleid kan worden dat de leerling geen officiële erkenning van het afronden van het onderwijs onthouden kan worden. Uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag kan tevens afgeleid worden dat de leerling ook in staat gesteld moet worden om het onderwijs te volgen dat leidt tot het examen. Aan dit examen is immers het diploma, zijnde de officiële erkenning van het afronden van het onderwijs, verbonden. Voor de Staat betekent artikel 2 EP EVRM dat leerlingen in de gelegenheid gesteld moeten worden om het onderwijs te volgen dat noodzakelijk is om die vorm van onderwijs af te kunnen ronden. Daaronder valt mede het examen. De Staat heeft hierbij een mate van beleidsvrijheid, maar het onmogelijk maken van het afronden van het onderwijs beperkt dit recht in de kern en is aldus ontoelaatbaar. Hoewel artikel 2 EP EVRM geen directe horizontale werking heeft, en dus niet van toepassing is in de relatie tussen het bevoegd gezag van een bijzondere school en de leerling, dient de Staat het onderwijs zo in te richten dat de leerling zijn recht op onderwijs, in de zin van dit artikel, kan verwezenlijken.8 Het bevoegd gezag en de leraar dienen het onderwijs vervolgens aan te bieden en het examen af te nemen binnen de door de Staat gestelde kaders.