Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.6:20.6 Toepassingsbereik zwijgrecht
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.6
20.6 Toepassingsbereik zwijgrecht
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498428:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de hoofdstukken 6 tot en met 8 heb ik het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting bepaald en geordend. In hoofdstuk 6 bleek dat de kern van dit recht wordt gevormd door het zwijgrecht (‘the right to remain silent’). Het zwijgrecht is primair weigeringsgrond voor het afleggen van mondelinge en schriftelijke verklaringen. Wanneer de verdachte zich op het zwijgrecht beroept, dan zullen de autoriteiten zijn keuze om geen verklaring te willen afleggen, moeten respecteren. De verdachte mag daar niet voor worden bestraft. Ook anderszins mogen de autoriteiten geen (ontoelaatbare) dwangmaatregelen tegen de verdachte treffen, die ertoe strekken hem tegen zijn wil te doen verklaren.
Meer precies verzet het zwijgrecht zich tegen het afdwingen van een verklaring van de verdachte, die op belastende wijze tegen hem kan worden gebruikt in de context van strafprocedure. Omdat het Hof de (toepasselijkheids)criteria dwang, zelfbelasting en strafcontext materieel uitlegt, is het toepassingsbereik van het zwijgrecht ruim. De op de verdachte uitgeoefende dwang om na het ‘charge’-moment te verklaren, kan worden opgeroepen door tal van omstandigheden. Bij een wettelijke meewerkplicht concentreert die zich op de (dreiging van) juridische sancties (processuele sancties, geldboetes, dwangsommen en gevangenisstraf) die zijn gesteld op de niet-nakoming daarvan. Andere dwangmiddelen zijn bijvoorbeeld misleiding, intimidatie en (fysieke) bedreiging. Wordt voor de toepasselijkheid van het EVRM-zwijgrecht geabstraheerd van de andere twee toepasselijkheidscriteria (zelfbelasting en strafcontext), dan moet worden aangenomen dat de enkele vaststelling dat sprake is van dwang om te verklaren, dus ongeacht de mate of ontoelaatbaarheid van die dwang, volstaat. Als een verdachte echter vrijwillig en onomwonden afstand heeft gedaan van het zwijgrecht ofwel vrijwillig verklaart, dan is het zwijgrecht niet in het geding.
Of een afgedwongen verklaring de verdachte kan belasten, is vooral afhankelijk van de aard en omvang van de (wettelijke) antwoordplicht in relatie tot de tegenover hem geuite beschuldiging en de toepasselijke nationale procedureregels. Kan het gevorderde op mogelijk belastende wijze tegen hem worden gebruikt, als bewijs voor de tegenover de verdachte geuite strafaanklacht of anderszins? Hiermee opteert het Hof voor een aanmerkelijk ruimere notie van zelfbelasting dan bijvoorbeeld het HvJ. Uit zijn rechtspraak volgen wel twee beperkingen van de notie van zelfbelasting. Het zwijgrecht is niet toepasselijk op:
verklaringen uit hoofde van een beperkte antwoordplicht; en
(bewust) onjuiste verklaringen die een criminal charge tot gevolg hebben.
Het zwijgrecht omvat enkel mogelijk belastende verklaringen die worden afgedwongen in de context van een straf(achtige) procedure. Deze strafcontext impliceert dat de autoriteiten verklaringen met een punitief oogmerk van de verdachte vorderen, of althans dat er een voldoende concrete relatie bestaat tussen de gevorderde verklaringen en de tegenover hem geuite criminal charge. Bij (gelijktijdige) samenloop van toezicht en vervolging is dit het geval wanneer:
de autoriteiten die de verklaringen vorderen, beschikken over toezichts- en vervolgingsbevoegdheden, terwijl het doel van die vordering niet eenduidig is en de verklaringen (mede) als bewijs voor de criminal charge kunnen dienen; of
wanneer de verklaringen worden gevorderd door toezichthoudende autoriteiten, terwijl die verklaringen door de vervolgende autoriteiten kunnen worden gebruikt als bewijs voor de criminal charge.