Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.5.3.3
9.5.3.3 De 403-vordering als nevenrecht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648858:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Dooren 2015.
Van Dooren merkt op dat reeds eerder in de literatuur is betoogd dat een 403-vordering mogelijk kan worden gezien als een nevenrecht. Hij verwijst naar De Neve, 2002, p. 240. Later is deze theorie tevens verdedigd door Rongen en Verdaas, In zijn noot onder Rb. ’s-Gravenhage 5 juli 2006, JOR 2007/53; Rongen 2012, p. 1305; Verdaas 2008, p. 306.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002; NJ 2002/447 r.o. 3.4.3 en 3.4.5.
Zie onder meer HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002; NJ 2002/447 r.o. 3.4.3 en 3.4.5.
Rb. ’s-Gravenhage 5 juli 2006, JOR 2007/53.
Van Dooren 2015.
Van de reguliere hoofdelijkheid, die door Van Dooren1 wordt aangeduid als directe hoofdelijkheid, onderscheidt Van Dooren een variant van hoofdelijkheid waarbij de 403-vordering kwalificeert als een nevenrecht.2 Terecht merkt hij op dat de wet geen sluitende definitie geeft voor het begrip nevenrecht:
Artikel 6:142 BW
Bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser verkrijgt deze de daarbij behorende nevenrechten, zoals rechten van pand en hypotheek en uit borgtocht, voorrechten en de bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen.
Onder de nevenrechten zijn tevens begrepen het recht van de vorige schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom, behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang.
Van Dooren merkt op dat artikel 6:142 BW slechts voorbeelden geeft van rechten die bij de overgang van een vorderingsrecht mee overgaan op de verkrijger daarvan. Wordt dit toegepast op het 403-regime, dan zou de 403-vordering volgens Van Dooren mee over kunnen gaan met de hoofdvordering. Van Dooren besteedt bij de bespreking van zijn nevenrechtvariant van de 403-hoofdelijkheid geen aandacht aan het spiegelbeeld, waarbij de 403-vordering wordt overgedragen in plaats van de hoofdvordering. Op basis van de gelijkwaardige zelfstandigheid van beide vorderingsrechten, zou deze variant evengoed mogelijk kunnen zijn. Daaruit leidt ik af dat hij bij deze variant een rangorde ziet, waarbij de hoofdvordering leidend is en waarbij de 403-vordering haar zelfstandigheid verliest. De 403-vordering kan kennelijk niet zelfstandig worden overgedragen én volgt altijd de hoofdvordering.
Hoewel Van Dooren de mening is toegedaan dat een 403-vordering niet zelfstandig kan worden overgedragen en altijd de hoofdvordering volgt, duidt Van Dooren de 403-vordering aan als “een onafhankelijk nevenrecht dat nauw verbonden is met de hoofdvordering en laatstgenoemde versterkt.” Als ik Van Dooren juist begrijp, is het noodzakelijk dat een 403-vordering als een onafhankelijk gekwalificeerd moet worden, aangezien de Hoge Raad3 reeds heeft aangegeven dat een 403-verklaring geen afhankelijk recht in het leven roept. De vraag is of dit oordeel van de Hoge Raad aan de kwalificatie als nevenrecht in de weg staat. De definitie van een afhankelijk recht wordt gegeven in artikel 3:7 BW:
Artikel 3:7 BW
Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.
Artikel 6:142 BW bepaalt welke gevolgen er zijn gekoppeld aan de kwalificatie van een recht als nevenrecht. Voor afhankelijke rechten, een andere categorie, is dit geregeld in artikel 3:82 BW:
Artikel 3:82 BW
Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn.
Het feit dat geen sprake is van een afhankelijk recht, staat een kwalificatie als nevenrecht niet in de weg. Een subkwalificatie binnen de nevenrechten in afhankelijke en onafhankelijke nevenrechten is wellicht niet nodig.4 De Rechtbank Den Haag5 heeft geoordeeld dat een 403-vordering een nevenrecht is terwijl het geen afhankelijk recht is als bedoeld in artikel 3:7 BW.
Volgens Van Dooren gaat de 403-vordering als onafhankelijk nevenrecht wel steeds mee over naar de verkrijger van de hoofdvordering (de vordering op de dochtervennootschap). Daarnaast bepleit hij dat de 403-vordering een zelfstandig vorderingsrecht is. De 403-vordering volgt altijd de hoofdvordering, maar voor al het overige is de 403-vordering zelfstandig.6
Wanneer de 403-vordering kwalificeert als een onafhankelijk nevenrecht, verkrijgt de cessionaris van de hoofdvordering tevens de 403-vordering. Cessie van de 403-vordering zou niet mogelijk zijn, aangezien de aard van de 403-vordering zich daartegen verzet, zie artikel 3:83 BW:
Artikel 3:83 BW
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij een wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet.
De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.
Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer een wet dit bepaalt.
Ten aanzien van verpanding verwijst Van Dooren naar de schakelbepaling van artikel 3:98 BW, welke bepaling afdeling 3.4.2 BW van overeenkomstige toepassing verklaart op de vestiging van een beperkt recht. Hoewel de schakelbepaling van artikel 3:98 in beginsel alleen werkt in situaties van cessie (overdracht) kan dit artikel door een ruime uitleg ook werken bij verpanding, aldus Van Dooren. Omdat een nevenrecht bij cessie overgaat op de verkrijger, gaat de 403-vordering als nevenrecht via artikel 3:98 mee over op de pandhouder bij een verpanding van de hoofdvordering. Daarnaast betoogt hij dat de 403-vordering ook zelfstandig kan worden verpand.
Ten aanzien van uitstel van betaling, opschorting en verjaring geeft Van Dooren aan dat de 403-vordering als onafhankelijk nevenrecht geheel zijn eigen leven leidt en ten aanzien van deze issues als volledig zelfstandig dient te worden beschouwd.