HR, 05-06-2026, nr. 24/04076
ECLI:NL:HR:2026:856
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-06-2026
- Zaaknummer
24/04076
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:856, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑06‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:6420
ECLI:NL:HR:2025:401, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:6420
ECLI:NL:HR:2025:187, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:6420
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026060508
FutD 2026-0978
NDFR Nieuws 2025/483
NTFR 2025/496 met annotatie van mr. R.J. de Jong
NLF 2025/0592
Viditax (FutD) 2025020704
FutD 2025-0277
Uitspraak 05‑06‑2026
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04076
Datum 5 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024, nrs. BK-ARN 23/413 en 23/4141., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 22/258 en 22/259) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Bij arrest van 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:187, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het beroep in cassatie ontbraken. Daarna is uit nader onderzoek gebleken dat de niet-ontvankelijkverklaring niet terecht is geweest omdat de gronden tijdig waren ontvangen, maar niet in het digitale dossier van deze zaak zijn opgenomen. Daarom heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:401, het arrest van 7 februari 2025 vervallen verklaard en bepaald dat het geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen het arrest van 7 februari 2025 werd gewezen.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑06‑2026
Uitspraak 14‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Het eerdere arrest ECLI:NL:HR:2025:187 is vervallen verklaard.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04076
Datum 14 maart 2025
ARREST
tot het vervallen verklaren van het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 2025, nr. 24/04076, ECLI:NL:HR:2025:187, dat is gewezen op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024, nrs. BK-ARN 23/413 en 23/4141..
1. Grond voor de vervallenverklaring
1.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Bij bericht van 12 november 2024 heeft de griffier belanghebbende erop gewezen dat het beroepschrift in cassatie geen gronden bevat en dat dit verzuim binnen een termijn van zes weken moet worden hersteld.
1.2
Bij arrest van 7 februari 2025 met het zaaknummer 24/04076, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het beroep in cassatie ontbraken.
1.3
Nadat het arrest van 7 februari 2025 was gewezen, is gebleken dat de gronden van het beroep in cassatie op 5 december 2024, dus binnen de in het bericht van 12 november 2024 gestelde termijn, door de Hoge Raad waren ontvangen, maar niet in het digitale dossier van deze zaak zijn opgenomen. Het arrest van 7 februari 2025 moet daarom vervallen.
1.4
De behandeling van de zaak zal worden voortgezet in de stand waarin het geding zich bevond toen het arrest van 7 februari 2025 werd gewezen.
2. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 2025, nr. 24/04076, vervallen, en
- bepaalt dat het geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen het arrest van 7 februari 2025 werd gewezen.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑03‑2025
Uitspraak 07‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Vervallen verklaard bij arrest van: ECLI:NL:HR:2025:401