Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.1:20.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.1
20.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494707:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 1 heb ik eerst de opkomst en ontwikkeling van het nemo tenetur-beginsel geschetst. Hoewel dit beginsel inmiddels ruim wordt erkend in vooral westerse landen, heerst over de inhoud ervan geen eenstemmigheid. Hieraan draagt in belangrijke mate bij dat het lastig is een (afdoende) rechtvaardiging voor de erkenning van nemo tenetur te geven. Het beginsel is geen eenduidig ideaal, maar een historisch en maatschappelijk gegeven, dat in veranderende omstandigheden herinterpretatie behoeft. De essentie ofwel vaste waarde van het beginsel moet worden gezocht in de bescherming die het biedt aan de verdachte die wordt gedwongen om antwoorden te geven of anderszins medewerking te verlenen die mogelijk bijdraagt aan de eigen veroordeling. Waarom die bescherming precies moet worden geboden, is niet duidelijk. Geen van de in de doctrine en rechtspraak ontwikkelde grondslagen van het nemo tenetur-beginsel biedt daarvoor een zelfstandige, afdoende legitimatie. Tegelijk is het moeilijk om één of meer grondslagen als niet-relevant te bestempelen.
Over de doorwerking van het nemo tenetur-beginsel in de Nederlandse rechtsorde, bestaat geen consensus. De gelding van een algemeen beginsel van die strekking, wordt tot op heden in ieder geval niet aangenomen door de Nederlandse wetgever en rechter. Het is vooral de rechtspraak van het EHRM over het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6, lid 1 EVRM geweest die in de ontwikkeling van het denken over de doorwerking van het nemo tenetur-beginsel in de Nederlandse rechtsorde een grote rol heeft gespeeld. Het Hof leest in art. 6 een recht tegen gedwongen zelfbelasting, dat uiteenvalt in een zwijgrecht (‘right to remain silent’) en een (meeromvattend) niet-meewerkrecht (‘right not to incriminate oneself’).Het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6 EVRM is volgens het Hof niet alleen verbonden aan de strafrechtelijke procedure in enge zin. Ook de bestraffing van burgers door bestuurlijke autoriteiten moet voldoen aan (procedurele) minimumnormen. Dan kan vooral worden gedacht aan het bestraffend bestuursrecht, waarin de bestuurlijke boeteoplegging als alternatief voor de strafrechtelijke vervolging, tot ontwikkeling is gekomen.
In Nederlandse fiscale boete- en strafzaken roept de erkenning van het nemo tenetur-beginsel de vraag op, waar een (wettelijke) meewerkplicht van burgers in de fiscale heffings-, boete- en/of fiscaal-strafvorderlijke sfeer eindigt en het recht om zichzelf niet te hoeven belasten begint. Meer precies gaat het dan om de beperkingen die het beginsel oplegt aan de bewijsgaring bij de verdachte respectievelijk de (latere) bewijsvoering tegen hem.
Deel I Straatsburg