Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.3
8.3.1.3 Heffing van erfbelasting van APV’s
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232342:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A.E. de Leeuw & T.J.P. Folmer, ‘Zwevende vermogens voldoende gevangen?’, WFR 2009/1135.
E.J. Monsma, ‘De APV-regeling: introductie van een kameleon zonder speelruimte?’, MBB 2013/4.
Bij de door de Commissie Moltmaker voorgestelde familiestichting werd geen onderscheid gemaakt tussen discretionair en niet-discretionair vermogen, Sonneveldt 2000b.
J.P. Boer, De Anglo-Amerikaanse trust in de inkomsten- en vennootschapsbelasting (diss. Leiden, Fiscaal Wetenschappelijke Reeks, deel 17), Den Haag: Sdu Uitgevers 2011, § 9.5.2 Hoofdlijnen en de systematiek van het APV-regime. Sonneveldt 2009, acht dit geen gelukkige keuze.
Kamerstukken II 2008-2009, 31930, nr. 3, p. 8; in 2013 nog eens herhaald door de toenmalige staatsecretaris, Kamerstukken I 2012-2013, 31930, nr. I, p. 2.
Ook voor 2010 werd de stichting onder omstandigheden als transparant aangemerkt. Dat was het geval als de bestuurder vrijelijk over het vermogen van de stichting kon beschikken; HR 30 oktober 1985, BNB 1986/16; HR 8 januari 1986, BNB 1986/87. Opgemerkt moet worden dat de transparantiegedachte van de staatsecretaris mijlenver af staat van het voorstel van de werkgroep Moltmaker tot introductie van de familiestichting. Bij die familiestichting zou van transparantie geen sprake zijn, Rapport ‘De warme, de koude en de dode hand’, § 5.1.1. De wijzigingen in de Successiewet 1956 per 1 januari 2010, hebben geleid tot de introductie van het APV. De familiestichting is, als bekend, nooit ingevoerd.
X.G.R. Auerbach, ‘Afgezonderd Particulier Vermogen; constructiefouten’, WFR 2010/1172. Ook andere schrijvers hebben moeite met de vraag of sprake is van transparantie of toerekening, zie o.a. T.C. Hoogwout, ‘Toerekening of fiscale transparantie van het Afgezonderd Particulier Vermogen?’, ftV 2012/210; E.J. Monsma, ‘De APV-regeling: introductie van een kameleon zonder speelruimte?’, MBB 2013/4; F. van der Zeijden, ‘Over toerekening en transparantie. De uitkomst van een non-discussie?’, WPNR 2012/6949. Van der Zeijden gaan ook in op het verschil tussen transparant en toerekening. Misschien zijn die ‘constructiefouten’ onvermijdelijk vanwege de keuze van de wetgever om niet het doelvermogen centraal te stellen, zie Sonneveldt 2009.
Lid van de Coördinatiegroep constructiebestrijding (CCB). De CCB is betrokken bij het opsporen van APV’s, brief van de staatsecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2009-2010, 31930, nr. 35.
R.J. Roerink, ‘APV’s en de fi scale behandeling van vastgoed’, Vastgoed Fiscaal & Civiel april 2010.
Zie P.G.H. Albert, ‘Familiestichting: afgezonderd particulier vermogen of niet?’ NTFR 2012/189.
Artikel 2.14a lid 2 luidt: ‘Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een afgezonderd particulier vermogen, niet zijnde een sociaal belang behartigende instelling: een afgezonderd vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover de afzondering van dit vermogen:a. een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigdheid of daarmee vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden, ofb. een economische deelgerechtigdheid is ontstaan.’
Koele 2011, p. 180.
‘Of, zoals ik iemand van het Ministerie van Financiën eens heb horen zeggen: ‘Wij weten wel dat het beter zou kunnen, maar we rekenen niet op applaus’, aldus R.M. Freudenthal, ‘Het nieuwe APV-regime: ‘Zwarte Pieten’ met familie en fiscus’, Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht 2010/40.
Zie F. Sonneveldt, De familiestichting. Een exposé over existentie en extinctie, (Serie Estate Planning deel 2), Deventer: Kluwer 2002. Zie ook Sonneveldt 2000a, p. 249-250, waar hij enkele fiscale en civielrechtelijke bezwaren noemt ten aanzien van de Nederlandse familiestichting voor de invoering van de APV-regeling.
De regeling van het afgezonderd particulier vermogen (APV) is ingevoerd in 2010 in de strijd tegen zwevend vermogen.1 De APV-regeling bestrijdt de mogelijkheden tot het ontgaan van belastingheffing door gebruik te maken van entiteiten ̶ vooral trusts.2 Ook een bij dode opgerichte stichting kan als APV kwalificeren. Uit artikel 2.14a Wet IB 2001 vloeit voort dat sprake is van een APV als cumulatief wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden:3
met de afzondering is meer dan bijkomstig (10-15%) een particulier belang beoogd;
het vermogen is afgezonderd zonder uitreiking van aandelen of winstbewijzen (of daarmee vergelijkbare rechten);
bij de afzondering is geen economische deelgerechtigdheid ontstaan;
het vermogen kwalificeert niet als SBBI.
De APV-regeling ziet uitsluitend op het discretionaire deel van het vermogen van het APV. Het eventuele niet-discretionair vermogen van het APV blijft buiten de regeling.4 Onder het niet-discretionaire deel van het vermogen wordt verstaan het deel van het vermogen van het APV waartegenover afdwingbare rechten van derden bestaan.5 Voor de bij dode opgerichte stichting/APV kan hierbij worden gedacht aan legaten ten laste van de stichting. Ook indien het vermogen van het APV geheel of gedeeltelijk is gecertificeerd, ziet de APV-regeling niet op dat deel van het vermogen.
De APV-regeling heeft als uitgangspunt dat het vermogen van het APV wordt toegerekend aan de achterliggende gerechtigden van het APV die er civielrechtelijk niet zijn. Het APV-regime staat dan ook volledig los van de civielrechtelijke verhoudingen.6 In de Memorie van Toelichting valt te lezen:
‘De afgezonderde particuliere vermogens zijn als hoofdregel fiscaal transparant, hetgeen betekent dat er doorheen gekeken wordt naar de inbrengers van het vermogen of hun erfgenamen.’7
Fiscaal transparant wil zeggen dat de stichting/APV voor de toepassing van de belastingwet wordt weggedacht.8 Wat tegen transparantie pleit, is dat de wetgever in de wetteksten de transparantie van het APV niet als zodanig heeft uitgewerkt. Volgens Auerbach zou artikel 2.14a Wet IB 2001, waarin is bepaald dat de bezittingen en schulden van een APV worden toegerekend aan de insteller van het APV, overbodig zijn als sprake zou zijn van transparantie. Het zou dan hebben volstaan te bepalen dat een APV voor de belastingheffing geacht wordt niet te bestaan. Auerbach spreekt zelfs van constructiefouten.9
De staatssecretaris van Financiën houdt echter vol dat sprake is van fiscale transparantie. Hij schrijft:
‘De regeling komt erop neer dat door trusts, stichtingen en andere (buitenlandse) doelvermogens heen wordt gekeken.’10
Ook Roerink spreekt van transparantie:
‘Kern van de nieuwe regeling is een algehele fiscale transparantie.’11 (curs. TR)
Hij vervolgt dan echter met:
‘Hoofdregel is dat de bezittingen en de schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van het APV moeten worden toegerekend aan de inbrenger van de vermogensbestanddelen en na zijn overlijden aan diens erfgenamen.’12 (curs. TR)
Roerink lijkt dus op twee gedachten te hinken, transparantie en toerekening. Voor de positie van de stichting/APV in de inkomstenbelasting heeft de vraag of sprake is van transparantie of niet, grote gevolgen.13 Bespreking hiervan ligt echter buiten het onderzoeksgebied van deze studie.
In tegenstelling tot de inkomstenbelasting, bestaat voor de APV-regeling in de Successiewet 1956 veel minder onduidelijkheid over de vraag of sprake is van transparantie. Artikel 16 lid 1 eerste volzin Sw 1956 luidt:
‘De bezittingen en de schulden van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,14 die tot het overlijden van een erflater ingevolge dat artikel zijn toegerekend aan die erflater, en met ingang van zijn overlijden aan zijn erfgenamen, worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht door die erfgenamen krachtens erfrecht te zijn verkregen en wel per erfgenaam voor het deel dat ingevolge dat artikel aan de erfgenaam wordt toegerekend.’ (curs. TR)
Uit het hiervoor gecursiveerde gedeelte blijkt dat voor de heffing van erfbelasting, de bij dode opgerichte stichting/APV transparant is. Makingen ten behoeve van de bij dode opgerichte stichting/APV worden geacht te zijn verkregen door de erfgenamen in de zin van artikel 16 lid 1 eerste volzin Sw 1956.15 Dit heeft tevens tot onmiddellijk gevolg dat als een bij dode opgerichte stichting/APV tot erfgenaam is benoemd, deze voor de toepassing van de erfbelasting niet wordt aangemerkt als erfgenaam: de entiteit wier bestaan wordt genegeerd, kan geen erfgenaam zijn. Artikel 17a Sw 1956, dat de afzondering van vermogen in een APV niet als verkrijging aanmerkt, lijkt daarmee uitsluitend van betekenis voor bij leven van de erflater door het APV verkregen vermogen. Bij dode zal artikel 16 lid 1 eerste volzin Sw 1956 gelden. Een tweede rechtstreeks gevolg van de APV-regeling is dat het tarief van toepassing is, dat geldt voor de erfgenamen in de zin van artikel 16 lid 1 eerste volzin Sw 1956 en niet het tarief dat behoort bij tariefgroep II van artikel 24 lid 1 Sw 1956.
Een aspect van de invoering van de APV-regeling is, dat de erflater de APV voor de erfbelasting neutraal kan inzetten in situaties dat het economisch belang bij een goed van de erflater gescheiden dient te worden van de juridische gerechtigdheid. Als voorbeeld kan worden genoemd het onderbrengen van een landgoed dat niet onder de Natuurschoonwet 1928 valt in een stichting die tot doel heeft dit landgoed ten behoeve van de nabestaanden van de erflater te exploiteren. De invoering van de APV-regeling heeft er toe geleid dat thans stichtingen bestaan wier vermogens en de inkomsten daaruit, fiscaal worden geacht toe te behoren aan anderen dan de stichting zelf.16
Bij het vorenstaande past echter een voorbehoud. Hoewel ik hiervoor het systeem van heffing ten aanzien van de bij dode opgerichte stichting/APV heb geschetst, gebiedt de eerlijkheid toe te geven dat niemand met zekerheid kan zeggen hoe de heffing daadwerkelijk zal plaatsvinden. De regeling is daarvoor te ingewikkeld. Ook kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat niet of nauwelijks is gedacht aan de bij dode opgerichte stichting. Alles was gericht op het bestrijden van het al bij leven zwevend maken van vermogen. Sommigen lijken zelfs van mening dat de ingewikkeldheid en de daarmee gepaard gaande moeilijkheden, op zijn zachtst gezegd, door de wetgever voor lief genomen worden.17
Wat wel met zekerheid gesteld kan worden is, dat door de invoering van de APV-regeling Nederland een stap dichterbij is gekomen bij postmortale autonomie zoals het Anglo-Amerikaanse recht dat kent met de trust.18