Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.4.2
3.4.2 De gebondenheid aan de algemene voorwaarden
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS499691:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Wechem 2007, nr. 79 en 82 acht deze bepaling i.s.m. onder i Europese lijst inhoudende een beding met als effect of doel 'op onweerlegbare wijze de instemming vast te stellen van de consument met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst'. Hij miskent m.i. echter de teneur van het woord 'onweerlegbaar', dat op een inperking van de bewijspositie ziet, die niet uit de Nederlandse bepaling volgt.
Zie thans ook art. 6:230b lid 6 jo. art. 6:230c waarin wordt beschreven hoe dienstverleners onder de Dienstenrichtlijn aan de informatieplicht kunnen voldoen. In het sinds 1 juli 2010 geldende art. 6:234 ontbreekt opmerkelijk genoeg een verwijzing naar deze bepalingen.
De vraag naar de toepasselijkheid en die naar de naleving van de informatieplicht door de gebruiker mogen niet met elkaar worden verward: HR 21 september 2007, LJN BA9610, r.o. 4.2 (Amerlaan/Enthoven).
HR 1 oktober 1999, NJ 2000/207(GeurtzenlKampstaal).
Bij onder b doet het er niet toe of de consument de voorwaarden heeft gelezen.
Van Wechem 2007, nr. 107-163 wijst op de geringe aandacht binnen de toetsing aan onder a voor omstandigheden betreffende de vrije aanvaarding van het beding. De verrassendheid van een beding is zelden voldoende om het uit te schakelen: nr. 155 (par. 3.6.4).
102. Alvorens algemene voorwaarden op hun inhoud te kunnen toetsen, dient te worden vastgesteld dat deze van toepassing zijn. Op de gebondenheid aan algemene voorwaarden zijn de algemene regels uit Boek 3 en 6 BW van toepassing, i.e. de regels van aanbod en aanvaarding van afdeling 6.5.2 en de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden wordt naar Nederlands recht snel aangenomen en uit art. 6:232 volgt dat de wederpartij gebonden is aan algemene voorwaarden, waarvan de gebruiker wist, dat hij de inhoud niet kende.1 Procedurele missers ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst kunnen naar Nederlands recht deels door een beroep op art. 6:233 onder b jo. art. 6:2342 worden geheeld: aan de schending van de informatieplicht door de gebruiker is een aparte vernietigingssanctie gekoppeld, naast die van onder a.3 Deze bepalingen leiden dus alleen op verzoek van de consument tot de nietigheid van het beding. Een beroep hierop zal bovendien slechts slagen wanneer de consument geen redelijke mogelijkheid is geboden tot kennisneming van het beding. Wat een redelijke mogelijkheid is, wordt bepaald in art. 6:234 en in de jurisprudentie.4 De snelle gebondenheid wordt volgens de parlementaire geschiedenis vooral door de ruime inhoudelijke toets uit onder a en de procedurele gezichtspunten hierbij gelegitimeerd en gecompenseerd.5 Volgens Van Wechem faalt dit compensatiemechanisme en ontstaat er spanning met art. 4 lid 1 richtlijn, dat vraagt om de inachtneming van 'alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst'.6 Over de procedurele dan wel inhoudelijke dimensie van de onredelijk bezwarend-norm gaat par. 3.6.