HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg (overzicht beoordelingskader vormverzuimen).
HR, 09-09-2025, nr. 24/01192
ECLI:NL:HR:2025:1247
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-09-2025
- Zaaknummer
24/01192
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1247, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:720
ECLI:NL:PHR:2025:720, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑06‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1247
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑09‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0266
NTS 2025/63
Uitspraak 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Deelname aan criminele drugsorganisatie (art. 11b.1 Opiumwet), medeplegen verkopen van cocaïne, meermalen gepleegd (art. 2.B Opiumwet), aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en eenvoudig witwassen (art. 420bis.1 Sr). Post-Landeck, onderzoek aan smartphones. Verweer dat strekt tot uitsluiting van bewijs van resultaten van onderzoek aan smartphones van verdachte. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:409 over eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. Hof heeft vastgesteld dat door politie bij verdachte smartphones zijn aangetroffen. Deze zijn met toestemming van OvJ “doorzocht”. Daarbij is gezocht op voor strafrechtelijk onderzoek relevante informatie. Zo is gekeken naar zaken die te maken hebben met handel in verdovende middelen, crimineel samenwerkingsverband, witwassen en zaken die gebruiker van betreffende telefoons konden aantonen. Doel van “uitlezen” van telefoons van verdachte was verzamelen van informatie over wie gebruiker was van deze telefoons en het doen van onderzoek naar strafbare feiten, eventuele medeverdachten en mogelijk witwassen. Bij zoeken in telefoons zijn door politie zoektermen gebruikt die te maken hadden met aard van dit onderzoek. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94 jo. art. 95 en 96 Sv, voldoende legitimatie bood voor dit onderzoek aan smartphones van verdachte en dat geen toestemming van RC nodig was voor uitvoeren van dit onderzoek “nu er geen min of meer compleet beeld is verkregen van zijn privéleven”, is in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en van wat door verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, niet toereikend gemotiveerd. Uit die vaststellingen volgt immers niet dat onderzoek aan smartphones beperkt is gebleven tot onderzoek dat slechts strekte tot identificeren van gebruiker, of tot bijvoorbeeld onderzoek dat opsporingsambtenaar i.h.k.v. zijn taakuitoefening deed waarbij hij bij verdachte aangetroffen smartphones heeft bekeken en daarbij slechts enkele beperkte waarnemingen heeft gedaan over feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten gebruiker van telefoon kort tevoren had gelegd. Ook blijkt daaruit niet dat zich hier “spoedeisend geval” voordeed a.b.i. HR:2025:409. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01192
Datum 9 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2024, nummer 21-001471-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.C. Reisinger bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest d.d. 26 maart 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, maar uitsluitend voor zover dat betreft de bevestiging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2023 ten aanzien van de beslissingen over de strafbare feiten in de zaak met parketnummer 16-013184-21 (‘de drugszaak’) en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 (de ‘drugszaak’) gevoerde verweer dat strekt tot uitsluiting van het bewijs van de resultaten van het onderzoek aan de smartphones van de verdachte.
3.2.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“II. Bewijsuitsluiting: resultaten digitaal onderzoek aan smartphones (van cliënt)
12. Voor zover u de verdediging niet zou volgen in voornoemd betoog, doe ik u – vanwege voornoemd verzuim van art. 126aa Sv – in elk geval het verzoek om de resultaten van het volledige digitale onderzoek aan alle telefoons/ smartphones, in het bijzonder voor zover die aan cliënt worden toegeschreven, uit te sluiten van het bewijs op grond van art. 359a Sv.
13. Dit verzoek om bewijsuitsluiting doe ik u niet uitsluitend vanwege een verzuim van art. 126aa lid 2 Sv. Het digitale onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden buiten de kennisneming van geheimhoudersinformatie, valt namelijk ook niet te rechtvaardigen in het licht van de nationale én internationale rechtspraak. Dat onderzoek was simpelweg te omvangrijk en/of vond dat onderzoek in elk geval plaats zonder voldoende juridische grondslag.
14. Vooropgesteld: sprake is geweest van het uitlezen van complete telefoons. Vervolgens is, zo geeft [verbalisant 1] zelf ook aan, alles geautomatiseerd geanalyseerd, zodat het handmatig verder onderzocht kan worden. De verwerking – naar de definities van de Justitiële Dataprotectierichtlijn (2016/680) – betreft dus de volledige telefoon: 44.000 foto’s, social media (waaronder Facebook), notities etc... (zie ook in dat verband het verhoor van [verbalisant 1] ). Dat laatstgenoemde niet zelf van alles, stuk voor stuk, kennis heeft genomen, doet niet af aan het feit dat dus alle data zijn verwerkt en dat dus het Unierecht in het geding is.
Nationaalrechtelijk verzuim: het ‘smartphone-arrest’ en art. 94 e.v. Sv
15. Voordat ik aan die bespreking toekom, kan ik eigenlijk al veel korter zijn: op grond van het voorgaande is naar nationaal recht al sprake van een vormverzuim. Immers, volgens de Hoge Raad mag zulk onderzoek plaatsvinden door de politie zelf, tenzij sprake is van onderzoek dat
“zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk”
16. De Hoge Raad overweegt verder:
“daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.”
17. Als het doorlopen van 44.000 foto’s al niet als zodanig kwalificeert, maar als “onderzoek dat slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens”, dan kan rechtspraak van de Hoge Raad volgens mij bij het grof vuil. Die kant gaat het nu overigens al op, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat na het wijzen van dit arrest, in het bestek van enkele jaren het aantal vorderingen aan een rechter-commissaris om een telefoon (volledig) te mogen doorzoeken op één hand te tellen is. Dat is thans onveranderd.
18. Daar komt nog bij dat in de literatuur is betoogd dat deze rechtspraak van de Hoge Raad (allicht ook om de reden dat er in de praktijk weinig van terecht komt) alweer achterhaald is, althans niet ver genoeg gaat. Dit is het betoog van onder meer Oerlemans en Van der Hurk, auteurs met recht van spreken (als hoogleraar Cybercrime resp. raadsheer van de Cyberkamer van het Hof Den Haag). Het wordt dan ten minste tijd dat deze rechtspraak van de Hoge Raad dus betekenis toekomt! Ik wijs op ECLI:NL:GHDHA:2021:1873.
19. Ook het betoog dat de officier van justitie toestemming kan/ kon geven tot dit volledige onderzoek en daarmee is voldaan aan de eisen van de Hoge Raad, gaat niet op. Allereerst heeft dat overleg in casu niet plaatsgevonden, zo antwoordt [verbalisant 1] op pagina 7 van haar verhoor bij de RC. Daarnaast overweegt de Hoge Raad expliciet dat een verdergaande inbreuk mag plaatsvinden door onderzoek door de officier van justitie (of bij nog grotere inbreuken door de rechter-commissaris). Dit is dus niet onderzoek op last van de officier van justitie. We mogen aannemen dat de Hoge Raad zijn woorden zorgvuldig heeft gekozen!
20. Dit gebrek kan overigens ook niet worden opgevangen – via een soort ‘onbevoegde hulpofficier-overweging’ – dat de toestemming tot dit onderzoek wel zou hebben plaatsgevonden indien daarom was gevraagd. Anders dan bij de onbevoegde hulpofficier in het arrest van de Hoge Raad van 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5539), is deze (formele) eis buiten de macht van de betrokken onderzoeker (verbalisant) gelegen. De zittingsrechter kan – anders dan de rechtbank dus heeft gedaan – niet op de stoel van rechter-commissaris gaan zitten, al was het maar omdat we nu meer weten dan toen en daar (onbewust) rekening mee zullen houden, terwijl de verdediging overigens van mening blijft dat de rechter-commissaris deze inbreuk niet had toegestaan of zelfs maar had mogen toestaan.
21. Op hoger niveau binnen de feitenrechtspraak, bij de gerechtshoven, lijkt trouwens ook al sprake van een kentering. Ik wijs als voorbeeld op arresten van het Hof Amsterdam, Den Haag en Arnhem-Leeuwarden (resp. ECLI:NL:GHAMS:2022:111, ECLI:NL:GHDHA:2021:1173 en ECLI:NL:GHARL:2022:2010). Daarmee kom ik ook bij het Europeesrechtelijke perspectief.
Het Europese Unierecht: art. 7, 8, 11 en 52 van het Handvest en art. 4 Richtlijn 2016/680
22. De rechtsbescherming die het Unierecht biedt, gaat namelijk nog verder. Aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn drie categorieën van inbreuken te onderscheiden
a. Ministerio Fiscal-arrest: alleen geregistreerde (NAW-)gegevens
b. Prokuratuur-arrest: metadata, alleen bij zware criminaliteit!
c. Zwaarste categorie: inhoudelijke data, wel aanhangig, geen arrest (C-548/21 gaat over smartphones, maandag zitting geweest bij Hof van Justitie).
23. Die laatste categorie moet zich nog gaan laten uitleggen. Minst genomen valt te zeggen: eisen Prokuratuur gelden, maar ik houd serieus rekening met de mogelijkheid dat het Hof gaat zeggen dat dit nooit mag, of alleen als startinformatie/ intelligence en niet als bewijs. Dat doe ik met onderbouwing, want het Hof van Justitie leek dit recent zelf zo uit te drukken in (het persbericht over) de zaak Lietuvos Respublikos generaline prokuratura (ECLI:EU:C:2023:631).
24. Voor nu houd ik het bij ten minste de Prokuratuur-eisen die voortvloeien uit art. 7, 8, 11 en 52 van het Handvest bij rechtsbescherming in het kader van (art. 4 van) de Richtlijn 2016/680:
a. De formele eis luidt: onafhankelijke, rechterlijke autoriteit (zoals smartphone-arrest eigenlijk al aangeeft) en
b. De materiële eis luidt: alleen bij zware criminaliteit (ik denk zelf aan terrorisme, levensdelicten, internationale drugshandel, verkrachting etc... kortom, 12-jaarsfeiten).
Deze eisen gelden bij elke mogelijke inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven en zijn niet beperkt tot historische verkeersgegevens – zoals wel eens wordt betoogd.
25. Op beide eisen gaat het in deze zaak mis, gezien het digitale onderzoek. Het is gebeurd op last van de officier van justitie, dus aan de formele eis van het Hof van Justitie voldoet het niet. Het heeft voorts plaatsgevonden terzake de verdenking van een relatief geringe omvang van drugshandel (‘detailhandel’ in kleine regio). Dat dus sprake is van het niet-naleven van Unierecht, is wat mij betreft een gegeven.
26. Minder eenduidig lijkt wat de gevolgen moeten zijn. Moet dat dan worden beoordeeld aan de hand van de nationaalrechtelijke kaders van art. 359a Sv? Het Hof van Justitie lijkt op het eerste gezicht, net als het EHRM, te menen dat dit inderdaad een bewijsrechtelijke aangelegenheid is voor de nationale strafrechters. Echter, anders dan het EHRM, formuleert het Hof van Justitie in Luxemburg een expliciete ondergrens aan de hand van het doeltreffendheidsbeginsel. Dat beginsel betekent dat burgers daadwerkelijk iets moeten hebben aan (fundamentele) rechten die het Unierecht hen toekent! Dat is eigenlijk ook niet meer dan logisch natuurlijk.
27. Juist in het kader van een strafzaak overweegt het Hof van Justitie in de arresten WebMindLicenses (C-419/14) en La Quadrature du Net (C-511/18) expliciet dat het doeltreffendheidsbeginsel in elk geval in de weg staat aan het gebruik voor bewijs van bewijsmateriaal dat in strijd met het Unierecht is verkregen en bewijsuitsluiting voor de strafrechter verplicht is! Dat dit de ondergrens is, komt tot uitdrukking in het feit dat sprake moet zijn van een doorslaggevende betekenis van dat materiaal voor een bewezenverklaring, maar daaraan voldoet dit bewijsmateriaal in deze zaak. Immers, voor de impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten in de periode voor (eind) 2019, waar ik nog over kom te spreken, is de informatie uit de telefoons van cliënt het enige mogelijke, objectieve bewijsmateriaal!
28. Maar ook mét toepassing van art. 359a Sv bestaat alle reden om het bewijsmateriaal dat is verkregen uit het digitale onderzoek aan de telefoons (die aan cliënt worden toegeschreven) in deze zaak van het bewijs uit te sluiten. Dat is namelijk nodig als “rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.” De noodzaak is er juist omdat sprake is van het structureel verzuimen van de rechtsregel van de Hoge Raad uit het smartphone-arrest én het Prokuratuur-arrest om inbreuken door (alomvattend) digitaal onderzoek te beperken.
29. Het voorgaande geldt te meer nu het smartphone-arrest al in 2017 is gewezen en de politie/ het openbaar ministerie hier dus rekening mee had kunnen én moeten houden. Nogal eens wordt over het Prokuratuur-arrest namelijk gezegd: vanaf dát moment mogen inbreuken worden aangerekend aan het OM, via art. 359a Sv, maar daarvoor niet. Echter, ook voor het wijzen van dat arrest gold het Unierecht al via voornoemde bepalingen. Het Prokuratuur-arrest is daar slechts een uitleg van.
30. Het werkelijke dat met voornoemde verweren wordt betoogd, is te verzekeren dat de internationale rechtsbescherming van burgers, op het gebied van fundamentele mensenrechten, geen dode letter wordt en ook niet achteraf/ met terugwerkende kracht uitsluitend wordt uitgedeeld aan diegenen die daar recht op hebben (niet zijnde ‘criminelen’). Dat is ten eerste in strijd met de onschuldpresumptie omdat de vraag of sprake is van ‘wettig’ bewijs, voorafgaat aan de schuldvaststelling – en dus niet gezegd mag worden: u heeft geen recht op die rechtsbescherming want u heeft een strafbaar feit gepleegd (en dus geen belang). Ten tweede zou dit onthouden van een mensenrecht aan bepaalde groepen (verdachten), neerkomen op de (impliciete) stelling dat zij geen mensen zijn... Het is allicht wat scherp geformuleerd, maar wel waar.
31. Kortom, voor zover u het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard, verzoek ik u al het materiaal verkregen uit digitaal onderzoek (aan telefoons) van het bewijs uit te sluiten, althans niet voor het bewijs te bezigen.”
3.2.2
Volgens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte in aanvulling op die pleitnota onder meer aangevoerd:
“Onder punt 15: wij zijn in een wereld aanbeland waarbij, anders dan ten tijde van het smartphone-arrest zeven jaar geleden, elke telefoon nu een min of meer compleet beeld van iemands leven geeft.”
3.2.3
Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:
“De drugszaak
Beroep op bewijsuitsluiting vanwege vormverzuim bij smartphone-onderzoek
Ten aanzien van het onderzoek dat is uitgevoerd aan de inbeslaggenomen smartphones van verdachte overweegt het hof als volgt. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.
In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen – waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt – in het licht van art. 8 EVRM – aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn (HR 4 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:584, ook wel bekend als het ‘smartphone-arrest’).
Uit het dossier volgt dat bij de aanhouding van verdachte op 7 december 2019 en bij de doorzoeking van zijn woning aan [a-straat 1] , te [plaats] op 15 februari 2021 een aantal digitale gegevensdragers bij hem is aangetroffen, die met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Het gaat hier om ‘smartphones’.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er op basis van het onderzoek aan de smartphones van verdachte geen min of meer compleet beeld van verdachtes privéleven is verkregen en overweegt daartoe als volgt. Op zich rechtvaardigt het feit dat de inhoud van de smartphones van verdachte door de verbalisanten zijn uitgelezen het vermoeden dat er een min of meer compleet beeld is verkregen van zijn leven, maar het hof is van oordeel dat dit vermoeden wordt weerlegd door de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] (p. 3472-3473) en [verbalisant 2] (p. 3474) van respectievelijk 27 augustus 2021 en 8 oktober 2021. Zij verbaliseren beiden dat er tijdens het onderzoek aan de smartphones alleen is gezocht op voor het strafrechtelijk onderzoek relevante informatie. Zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] dat zij heeft gekeken naar zaken die te maken hebben met de handel in verdovende middelen, het criminele samenwerkingsverband, witwassen en zaken die de gebruiker van de betreffende telefoon konden aantonen. Er is geen onderzoek verricht door de verbalisant naar ‘privé gevoelige’ informatie. Op het moment dat zij privé gevoelige zaken tegenkwam, heeft zij de app of het gesprek in kwestie gelijk afgesloten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] volgt dat het doel van het uitlezen van de telefoon van verdachte was het verzamelen van informatie over wie de gebruiker was van deze telefoon en het doen van onderzoek naar strafbare feiten, eventuele medeverdachten en mogelijk witwassen. Bij het zoeken in de telefoon heeft de verbalisant zoektermen gebruikt die te maken hadden met de aard van dit onderzoek.
Uit deze processen-verbaal van bevindingen leidt het hof af dat het onderzoek door de verbalisanten gericht was op de strafrechtelijke verdenkingen en heeft bestaan uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de smartphones opgeslagen of beschikbare gegevens. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als beperkt kan worden beschouwd. De algemene bevoegdheid van de opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, bood dan ook voldoende legitimatie voor dit onderzoek. In onderhavig geval was dan ook geen toestemming nodig van een rechter-commissaris voor het uitvoeren van het onderzoek aan de smartphones van verdachte, nu er geen min of meer compleet beeld is verkregen van zijn privéleven.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat sprake is van een vormverzuim en ziet dan ook geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting over te gaan.”
3.3
In zijn arrest van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830) – onder meer overwogen:
“5.1.1 Uit het onder 4.4.4 weergegeven arrest van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck kan het volgende worden afgeleid. Dat arrest heeft betrekking op een wettelijke bepaling in de betreffende lidstaat die de politie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek zonder nadere vereisten de bevoegdheid geeft zich toegang te verschaffen tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens. Die toegang kan, afhankelijk van de inhoud van de telefoon en de aard en de inrichting van het onderzoek dat aan die telefoon wordt verricht, ertoe leiden dat inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die telefoon uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). De toegang tot al die gegevens kan, in het bijzonder als deze gegevens in onderling verband met elkaar worden gebracht, leiden tot zeer nauwkeurige conclusies over het privéleven van de gebruiker. De daaruit voortvloeiende inbreuk op de door artikel 7 en 8 Handvest gewaarborgde grondrechten moet worden aangemerkt als ernstig of bijzonder ernstig, in het bijzonder als daarbij ook de in artikel 10 Richtlijn 2016/680 bedoelde ‘gevoelige gegevens’ aan de orde kunnen zijn. In het licht van het evenredigheidsbeginsel moet de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot persoonsgegevens daarom afhankelijk worden gesteld van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan als die toegang het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker met zich brengt.
5.1.2
Of de toegang tot een mobiele telefoon (of een andere elektronische gegevensdrager) het risico oplevert van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker, hangt mede af van de keuzes met betrekking tot de aard en de inrichting van het te verrichten onderzoek. Het onder 4.4.4 weergegeven arrest van het Hof van Justitie houdt niet in dat een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan ook is vereist als die keuzes niet leiden tot het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker. Dat in zo’n geval niet het vereiste van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan geldt, wordt bevestigd door het onder 4.4.5 weergegeven arrest van het Hof van Justitie in de zaak La Quadrature du Net II. Uit dat arrest vloeit (met betrekking tot Richtlijn 2002/58/EG) voort dat het niet nodig is dat het vereiste van voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit wordt toegepast als de inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens met zich brengt, niet als ernstig kan worden aangemerkt.
5.2.1
Deze rechtspraak van het Hof van Justitie brengt mee dat het onderzoek aan (inbeslaggenomen) elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken voortaan op een enigszins andere manier moet worden genormeerd dan uit de onder 4.2 weergegeven uitspraak van de Hoge Raad voortvloeit. Het is aan de wetgever om een wettelijke regeling op te stellen die in haar algemeenheid voldoet aan alle in de rechtspraak van het Hof van Justitie gestelde vereisten. In afwachting van zo’n regeling ziet de Hoge Raad aanleiding om zijn eerdere rechtspraak bij te stellen. De rechtspraak van het Hof van Justitie brengt in dit verband het volgende met zich voor het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken.
5.2.2
In lijn met de onder 4.2 weergegeven uitspraak van de Hoge Raad bieden de bevoegdheden van opsporingsambtenaren zoals neergelegd in artikel 94 in samenhang met artikel 95 en 96 Sv en in artikel 141 en 148 lid 1 Sv een toereikende grondslag voor een onderzoek aan voorwerpen – waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Het kan dan – naast onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker – onder meer gaan om onderzoek dat een opsporingsambtenaar in het kader van zijn taakuitoefening doet waarbij hij een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd.
5.2.3
Richtlijn 2016/680 biedt, zo volgt uit de onder 4.4.4 weergegeven uitspraak van het Hof van Justitie, de mogelijkheid dat in ‘naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen’ wordt afgezien van het vereiste van voorafgaande toetsing door de rechter. Dat betekent dat de hiervoor genoemde bevoegdheden van opsporingsambtenaren ook een toereikende grondslag bieden voor onderzoek dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt, als en voor zover met dat onderzoek niet kan worden gewacht totdat toetsing door de rechter, op de hierna te bespreken manier, heeft plaatsgevonden.
5.2.4
In het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie moet het er – voor de toepassing van de genoemde algemene bevoegdheden van opsporingsambtenaren – voor worden gehouden dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, dan is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, is gerechtvaardigd mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk voor de waarheidsvinding. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het openbaar ministerie niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk bestuursorgaan in de onder 5.1.1 bedoelde zin, gelet op de eisen die in de rechtspraak van het Hof van Justitie worden gesteld aan de onafhankelijkheid van zo’n bestuursorgaan (vgl. HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rechtsoverweging 6.11.1-6.11.2).
5.2.5
Zo’n rechterlijke toetsing kan plaatsvinden naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie tot het verkrijgen van een machtiging van de rechter-commissaris voor het verrichten van het onderzoek aan de betreffende elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk. Hoewel het Wetboek van Strafvordering het vorderen van zo’n machtiging niet als eis stelt, verzet het stelsel van dat wetboek zich er niet tegen dat de officier van justitie zo’n vordering doet. In geval van dringende noodzaak kan de machtiging van de rechter-commissaris mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de rechter-commissaris de machtiging binnen drie dagen op schrift. (Vgl. HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rechtsoverweging 6.11.3.)Als de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris vordert, moet in deze vordering voldoende concreet worden omschreven welk onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zal worden verricht en hoe dit onderzoek zal worden uitgevoerd. Bij het verlenen van een machtiging voor het gevorderde onderzoek kan de rechter-commissaris zo nodig nadere eisen stellen aan het te verrichten onderzoek. In het geval dat de officier van justitie de uitvoering van het onderzoek op grond van artikel 148 lid 2 Sv opdraagt aan opsporingsambtenaren, wordt het onderzoek verricht in overeenstemming met de omschrijving van het onderzoek in de vordering van de officier van justitie die aan de door de rechter-commissaris verleende machtiging ten grondslag ligt en de eventueel in de machtiging van de rechter-commissaris gestelde nadere eisen.
5.2.6
Aan het vereiste van een voorafgaande rechterlijke toetsing wordt ook voldaan als na de inbeslagneming van een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk door een opsporingsambtenaar, het onderzoek aan die gegevensdrager of dat geautomatiseerde werk wordt verricht door de rechter-commissaris op grond van artikel 104 lid 1 Sv. Op grond van artikel 177 lid 1 Sv kan de rechter-commissaris opsporingsambtenaren het bevel geven om dit onderzoek te verrichten.
5.2.7
In dit verband verdient opmerking dat aan het waarborgen dat bij het aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk te verrichten onderzoek geen grotere inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker dan noodzakelijk, kan bijdragen dat in de door de officier van justitie gevorderde machtiging of in het op grond van artikel 177 lid 1 Sv door de rechter-commissaris te verlenen bevel wordt vastgelegd waarop dit onderzoek is gericht, en dat daarbij wordt voorgeschreven dat dit onderzoek – voor zover mogelijk – geautomatiseerd wordt gedaan met behulp van een technisch hulpmiddel alsmede dat uit een schriftelijke verslaglegging van de uitkomst van het onderzoek ook de inrichting en de omvang daarvan kunnen blijken.
5.2.8
In het licht van het vorenstaande komt aan het in de onder 4.2 weergegeven uitspraak van de Hoge Raad gemaakte onderscheid tussen onderzoek dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt en onderzoek waarbij op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, voor de bevoegdheidsverdeling tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris geen bijzondere betekenis meer toe. Immers, bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, is een voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris vereist, op de onder 5.2.5 dan wel de onder 5.2.6 besproken manier. De omstandigheid dat door het onderzoek waarschijnlijk inzicht zal worden verkregen in gegevens die “bijzonder gevoelig van aard zijn, zoals persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen en religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken”, of in andere in artikel 10 Richtlijn 2016/680 genoemde gegevens, kan wel van belang zijn voor de beslissing van de rechter-commissaris of het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk wordt toegestaan en, zo ja, welk onderzoek wordt toegestaan en hoe dat onderzoek moet worden uitgevoerd.
5.2.9
Op grond van Richtlijn 2016/680 moet verzekerd zijn dat, als onderzoek heeft plaatsgevonden aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk en voor dat onderzoek voorafgaande rechterlijke toetsing is vereist, de gebruiker in kennis wordt gesteld van de gronden waarop de toestemming voor dat onderzoek is verleend, vanaf het moment waarop het belang van het onderzoek zich niet daartegen verzet. De verdachte zal in het algemeen van deze gronden op de hoogte komen doordat de stukken die op het onderzoek betrekking hebben, bij de processtukken worden gevoegd. Daarbuiten rust de verplichting tot notificatie op de officier van justitie, die hiertoe in overeenstemming met artikel 126bb Sv kan handelen.”
3.4.1
Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. Door de politie zijn bij de verdachte smartphones aangetroffen. Deze zijn met toestemming van de officier van justitie “doorzocht”. Daarbij is gezocht op voor het strafrechtelijk onderzoek relevante informatie. Zo is gekeken naar zaken die te maken hebben met de handel in verdovende middelen, het criminele samenwerkingsverband, witwassen en zaken die de gebruiker van de betreffende telefoons konden aantonen. Het doel van het “uitlezen” van de telefoons van de verdachte was het verzamelen van informatie over wie de gebruiker was van deze telefoons en het doen van onderzoek naar strafbare feiten, eventuele medeverdachten en mogelijk witwassen. Bij het zoeken in de telefoons zijn door de politie zoektermen gebruikt die te maken hadden met de aard van dit onderzoek.
3.4.2
Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de algemene bevoegdheid van de opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 94 in samenhang met artikel 95 en 96 van het Wetboek van Strafvordering, voldoende legitimatie bood voor dit onderzoek aan de smartphones van de verdachte en dat geen toestemming van de rechter-commissaris nodig was voor het uitvoeren van dit onderzoek “nu er geen min of meer compleet beeld is verkregen van zijn privéleven”, is in het licht van wat onder 3.3 is vooropgesteld en van wat door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, niet toereikend gemotiveerd. Uit die vaststellingen volgt immers niet dat het onderzoek aan de smartphones beperkt is gebleven tot onderzoek dat slechts strekte tot het identificeren van de gebruiker, of tot bijvoorbeeld onderzoek dat een opsporingsambtenaar in het kader van zijn taakuitoefening deed waarbij hij de bij de verdachte aangetroffen smartphones heeft bekeken en daarbij slechts enkele beperkte waarnemingen heeft gedaan over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren had gelegd. Ook blijkt daaruit niet dat zich hier een ‘spoedeisend geval’ voordeed zoals omschreven in het daar aangehaalde arrest onder 5.2.3.
3.5
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 16-013184-21 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2025.
Conclusie 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verschoningsrecht. Karman-criterium. Onderzoek aan smartphones Post Landeck. Middel 1 keert zich tegen de verwerping van een niet-ontvankelijkheidsverweer wegens schending van het verschoningsrecht. 's Hofs oordeel dat die schending het wettelijke systeem niet in de kern raakt en daarom niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM leidt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onjuist. Middel 2 slaagt nu 's hofs oordeel - gelet op het bijgestelde beoordelingskader van de HR in post-Landeck - dat het onderzoek aan de smartphones slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormt en de algemene bevoegdheid van de opsporingsambtenaren voldoende legitimatie bood, geen stand houden. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01192
Zitting 24 juni 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft zich bij arrest van 26 maart 2024 (parketnummer 21-001471-23) verenigt met het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2023, parketnummer 16-013184-21 (‘de drugszaak’) en 16-033814-22 (‘de getuigenzaak’), met verbetering en aanvulling van de gronden (te weten: de aanvulling van de overwegingen omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, de verbetering van de overwegingen over het vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan, en de verbetering van de bewezenverklaring van 16-013184-21, feit 4), een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. De verdachte is bij genoemd vonnis wegens (16-013184-21, feit 1) “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet", (16-013184-21, feit 2) “medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, (16-013184-21, feit 3) “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, (16-013184-21, feit 4) “eenvoudig witwassen” en (16-033814-22, feit 1) “opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.C. Reisinger, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Middel 1: de rechtsgevolgen van een schending van het verschoningsrecht
Waarover gaat de klacht?
4. Ter inleiding het volgende. In de onderhavige zaak heeft het hof (in navolging van de rechtbank) een vormverzuim vastgesteld, namelijk een schending van het verschoningsrecht. Deze schending hield in dat vertrouwelijke communicatie (in de vorm van een WhatsApp-bericht) tussen de verdachte en zijn raadsman bij het uitlezen van een in beslag genomen smartphone (een iPhone Xs Max) voor het opsporingsteam beschikbaar is geweest. De vaststelling van dit vormverzuim wordt in cassatie niet bestreden, zodat hiervan in het vervolg moet worden uitgegaan. Het middel stelt louter het door het hof daaraan verbonden rechtsgevolg aan de orde, te weten de enkele constatering van het vormverzuim en de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer.
Het verweer
5. De steller van het middel verwijst in de schriftuur naar het verweer dat is opgenomen in de pleitnota die ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2024 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal (p. 7) is voorgedragen en overgelegd (gedeeltelijke weergave, met weglating van voetnoten):
“2. Waar het gaat om de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is (nog altijd) één uitzondering mogelijk als een verzuim niet direct de proceedings as a whole raakt: niet-ontvankelijkheid volgt als sprake is van een kwestie die uitstijgt boven de schending van de individuele rechtsbelangen van een verdachte in een concrete strafzaak en het vertrouwen in de rechtspleging in zijn geheel raakt, bijvoorbeeld als sprake is van een miskenning van het systeem van de democratische rechtsstaat; "Karman". Oftewel, dit criterium geldt nog altijd, zij het dat het - gelukkig - zelden voorkomt. Ter onderbouwing wijs ik op het proefschrift van Kuiper die het heeft over een 'muizengaatje' en het proefschrift van Amadi waarin (met weglating van voetnoten) staat beschreven:
Het feit dat de Hoge Raad dit criterium in latere arresten niet meer heeft gebruikt, en dit arrest in die zin op zichzelf staat, wordt gezien als teken dat het thans niet meer als grond kan dienen. Bovendien kan in een aantal latere arresten van de Hoge Raad argumenten worden gevonden die erop wijzen dat het Karmancriterium niet langer van toepassing is. Het ligt echter meer voor de hand dat wegens de uitzonderlijke aard van de zaak een dergelijke situatie zich simpelweg niet snel zal voordoen en het stilzwijgen van de Hoge Raad hieromtrent zou in die sleutel kunnen worden geplaatst.
[…]
5. Dat het hier niet gaat om een verzuim dat cliënt direct in zijn belangen schaadt, is ook duidelijk. Tegelijkertijd is evenzogoed duidelijk dat het verschoningsrecht een punt van grote zorgen betreft. Zo is door (onder meer) de NVSA geprocedeerd tegen de Staat vanwege structurele schendingen van verschoningsrecht bij in beslag genomen voorwerpen en heeft AG Harteveld redelijk recent een conclusie geschreven over het (fundamentele) belang van dit verschoningsrecht.
6. Dat is precies waar het hier ook om gaat: sprake is van structurele schendingen van verschoningsrecht doordat van alle smartphones die in beslag worden genomen en worden uitgelezen, geheimhoudersinformatie beschikbaar komt voor de onderzoeksteams in kwestie. Verbalisant [verbalisant 1] gaf aan dat het een leermoment voor haar was en verder leek niemand verbaasd, maar het gaat veel verder dan dat: dit moet een leermoment zijn voor de hele strafrechtsketen. Deze standaardpraktijk moet direct veranderen […]
10. Kort en goed vraag ik u het OM dus niet-ontvankelijk te verklaren. Het is al een klein wonder op zichzelf dat ik dit verweer kan voeren doordat het verzuim via voornoemde verbalisant aan het licht is gekomen. Maar juist tegen de achtergrond van de beslissingen van de Hoge Raad van vandaag over het verschoningsrecht en de moeite die de politie/ het OM redelijkerwijs zal moeten nemen (en altijd al heeft moeten nemen) bij klassiek beslag, juist bij iemand zoals cliënt die al door mij werd bijgestaan, hetgeen bekend was bij de politie/ het OM, om schending van het verschoningsrecht/ 126aa Sv te voorkomen (ECLI:NL:HR:2024:375).
11. Dat geldt juist ten aanzien van communicatie tussen verdachten en hun advocaten via (normale!) chat-applicaties zoals WhatsApp, maakt het "belang dat de gemeenschap heeft bij de inachtneming van het wettelijk systeem bij de berechting van strafzaken" dit echt noodzakelijk. Als het OM dat zelf niet kan, dan moet de RC maar betrokken worden (ECLI:NL:HR:2024:377). Het belang van het verschoningsrecht mag namelijk niet vergeten worden: rechtszoekenden moeten kunnen vertrouwen op de geheimhouding van wat zij met een advocaat bespreken (zie ECLI:NL:HR:2024:375), zoals iemand ook een arts moet kunnen bezoeken met een schotwond/ ‘aanvalsletsel’: als de politie daarvan op de hoogte kan komen, durven mensen een arts niet meer te bezoeken en zelf maar wat gaan doen/ medische hulp in achterafkamers gaan opzoeken, met alle (medische) complicaties van dien.”
Het oordeel van het hof
6. Het arrest (p. 2-3) bevat voor zover relevant de volgende overwegingen:
“Aanvulling ten aanzien van pagina 3, kopje “3.3. Het oordeel van de rechtbank”
Het hof verenigt zich met de beslissing tot het ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte, maar zal de overwegingen die de rechtbank aan die beslissing ten grondslag heeft gelegd aanvullen. De aanvulling wordt hieronder cursief weergegeven. De overwegingen worden daarmee als volgt:
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Onder verdachte is een iPhone XS Max in beslag genomen, die door het rechercheteam is uitgelezen. Daarbij is een WhatsApp-gesprek tussen verdachte en zijn raadsman aangetroffen. Dit gesprek is opgenomen in het dossier op pagina 2518. In het gesprek geeft verdachte een nieuw telefoonnummer door aan zijn raadsman. Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat dit telefoonnummer al bij het rechercheteam bekend was voordat dit WhatsApp-gesprek bij het rechercheteam bekend werd.
De rechtbank is van oordeel dat het opnemen van het gesprek tussen verdachte en zijn raadsman in het procesdossier in strijd is met het bepaalde in artikel 126aa, tweede lid Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en het daarop gegronde Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, hetgeen evident een vormverzuim oplevert. Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden heeft de rechtbank artikel 359a Sv en het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, als uitgangspunt genomen. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken, en dat de strafrechter daartoe ook niet in staat is. De rechtbank zal de vraag of en zo ja in hoeverre in andere strafrechtelijke onderzoeken mogelijk sprake is van soortgelijke vormverzuimen dan ook niet beantwoorden. De rechtbank heeft onvoldoende inzicht in het door de raadsman gestelde structurele karakter van het vormverzuim, welke beoordeling bovendien niet de taak van de rechter is.
Hiervoor is al overwogen dat er in onderhavig geval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Bij de vraag of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan een vormverzuim moeten worden verbonden dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van het veroorzaakte nadeel is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Tot slot is van belang dat – gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv. – het wettelijk stelsel zo moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen.
Voor wat betreft het belang van het geschonden voorschrift stelt het hof vast dat met artikel 126aa lid 2 Sv is beoogd het belang te beschermen dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan – onder anderen – de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, een advocaat te raadplegen. Het opnemen van het gesprek tussen verdachte en zijn raadsman in het procesdossier is, zoals ook door de rechtbank is overwogen, in strijd met dit artikel en het daarop gegronde Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken. Het hof is van oordeel dal de ernst van dit vormverzuim gering is, nu het telefoonnummer dat verdachte in dit WhatsApp-gesprek heeft doorgegeven aan zijn raadsman al bekend was bij het rechercheteam. Voorts is niet aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van het verzuim concreet nadeel heeft geleden. Het hof zal, gelet op diefactoren in onderlinge samenhang bezien, dan ook volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolg verbinden.
Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging van verdachte.”
De bespreking van het middel
7. Het middel komt op tegen de verwerping van een niet-ontvankelijkheidsverweer en bevat met name de klacht dat het hof heeft volstaan met de toetsing van dit verweer aan de maatstaven van artikel 359a Sv, zoals vormgegeven door HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,1.terwijl het hof heeft nagelaten te toetsen aan het Karman-criterium, aan de hand waarvan de verdediging de niet-ontvankelijkheid van het OM had bepleit (aldus begrijp ik de steller van het middel).
8. In het bedoelde Karman-arrest heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat in de (uitzonderlijke) gevallen waarin het wettelijke systeem, dat wil zeggen: “de grondslagen van het strafproces en met name (…) de wettelijke voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter”, in de kern is geraakt, ruimte bestaat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het OM, ook ingeval de belangen van de verdachte niet door het verzuim zijn geschaad.2.
9. In ‘s hofs onder randnummer 6 weergegeven overwegingen ligt het oordeel besloten dat de geconstateerde schending van het verschoningsrecht het wettelijke systeem, d.w.z. de grondslagen van het strafproces en met name de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het OM en de strafrechter, niet in de kern heeft geraakt en dat het vastgestelde verzuim dus niet op deze grond kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het OM.
10. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de geconstateerde schending van het verschoningsrecht (d.w.z. het registreren en archiveren van een chatbericht tussen de verdachte en zijn raadsman) de door de Hoge Raad bedoelde grondslagen van het strafproces en met name de verdeling van bevoegdheden en verplichtingen van de strafrechter en het OM, in de kern heeft geraakt.
11. Het middel faalt alleen al om deze reden.
Middel 2: onderzoek in smartphones
Het middel en de toelichting daarop
12. Het tweede middel ziet op het verweer dat de grenzen van het (inter)nationale recht zijn overschreden door het uitlezen van de smartphones van de verdachte.
13. De steller van het middel wijst hierbij op het bewijsuitsluitingsverweer dat op de terechtzitting naar voren is gebracht, te weten dat het betreffende onderzoek in smartphones alleen kan worden gemachtigd door een onafhankelijke, rechterlijke autoriteit (de formele eis) en dat dergelijk onderzoek alleen mag worden verricht bij zware criminaliteit (de materiële eis).
Het oordeel van het hof
14. Op dat verweer heeft het hof als volgt gereageerd:
“De drugszaak
Beroep op bewijsuitsluiting vanwege vormverzuim bij smartphone-onderzoek
Ten aanzien van het onderzoek dat is uitgevoerd aan de inbeslaggenomen smartphones van verdachte overweegt het hof als volgt. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechtercommissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen - waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken - dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt - in het licht van art. 8 EVRM - aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn (HR 4 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:584, ook wel bekend als het smartphone-arrest‘).
Uit het dossier volgt dat bij de aanhouding van verdachte op 7 december 2019 en bij de doorzoeking van zijn woning aan de [a-straat 1] , te [plaats] op 15 februari 2021 een aantal digitale gegevensdragers bij hem is aangetroffen, die met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Het gaat hier om ‘smartphones’.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er op basis van het onderzoek aan de smartphones van verdachte geen min of meer compleet beeld van verdachtes privéleven is verkregen en overweegt daartoe als volgt. Op zich rechtvaardigt het feit dat de inhoud van de smartphones van verdachte door de verbalisanten zijn uitgelezen het vermoeden dat er een min of meer compleet beeld is verkregen van zijn leven, maar het hof is van oordeel dat dit vermoeden wordt weerlegd door de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] (p. 3472 - 3473) en [verbalisant 2] (p. 3474) van respectievelijk 27 augustus 2021 en 8 oktober 2021. Zij verbaliseren beiden dat er tijdens het onderzoek aan de smartphones alleen is gezocht op voor het strafrechtelijk onderzoek relevante informatie. Zo blijkt uit het procesverbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] dat zij heeft gekeken naar zaken die te maken hebben met de handel in verdovende middelen, het criminele samenwerkingsverband, witwassen en zaken die de gebruiker van de betreffende telefoon konden aantonen. Er is geen onderzoek verricht door de verbalisant naar ‘privé gevoelige’ informatie. Op het moment dat zij privé gevoelige zaken tegenkwam, heeft zij de app of het gesprek in kwestie gelijk afgesloten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat het doel van het uitlezen van de telefoon van verdachte was het verzamelen van informatie over wie de gebruiker was van deze telefoon en het doen van onderzoek naar strafbare feiten, eventuele medeverdachten en mogelijk witwassen. Bij het zoeken in de telefoon heeft de verbalisant zoektermen gebruikt die te maken hadden met de aard van dit onderzoek.
Uit deze processen-verbaal van bevindingen leidt het hof af dat het onderzoek door de verbalisanten gericht was op de strafrechtelijke verdenkingen en heeft bestaan uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de smartphones opgeslagen of beschikbare gegevens. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als beperkt kan worden beschouwd. De algemene bevoegdheid van de opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, bood dan ook voldoende legitimatie voor dit onderzoek. In onderhavig geval was dan ook geen toestemming nodig van een rechter-commissaris voor het uitvoeren van het onderzoek aan de smartphones van verdachte, nu er geen min of meer compleet beeld is verkregen van zijn privéleven.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat sprake is van een vormverzuim en ziet dan ook geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting over te gaan.”
Het bijgestelde beoordelingskader voor opsporingsonderzoek aan smartphones: post-Landeck
15. Mede naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak ‘Landeck’,3.heeft de Hoge Raad – ná het wijzen van het bestreden arrest en ná de indiening van de cassatieschriftuur – zijn rechtspraak4.over opsporingsonderzoek aan smartphones5.(in afwachting van een wettelijke regeling) bijgesteld. Die bijstelling komt, voor zover relevant, neer op het volgende.6.
16. De algemene wettelijke bevoegdheden van opsporingsambtenaren, zoals neergelegd in de artikelen 94, 95, 96, 141 en 148 lid 1 Sv, bieden voldoende legitimatie voor onderzoek aan smartphones dat strekt tot de verwerving van toegang tot daarop bewaarde gegevens, indien en voor zover de hiermee samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als ‘beperkt’ kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie.
17. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is beperkt wanneer (i) het onderzoek slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker van de smartphone, of (ii) een opsporingsambtenaar een bij een verdachte aangetroffen smartphone bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van de smartphone kort tevoren heeft gelegd.
18. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is niet beperkt wanneer op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens, zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens. Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten, dan is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk die door het onderzoek op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de smartphone voor de waarheidsvinding.
De bespreking van het middel
19. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat het door de politie verrichte onderzoek aan smartphones die onder de verdachte in beslag zijn genomen, bestond uit het ‘uitlezen’ van de smartphones en uit het verkrijgen van toegang tot informatie in (berichten)applicaties over “wie de gebruiker was van deze telefoon” en over “strafbare feiten, eventuele medeverdachten en mogelijk witwassen. Bij het zoeken in de telefoon heeft de verbalisant zoektermen gebruikt die te maken hadden met de aard van dit onderzoek.” Het hof heeft geconstateerd “dat het onderzoek door de verbalisanten gericht was op de strafrechtelijke verdenkingen en heeft bestaan uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de smartphones opgeslagen of beschikbare gegevens.”
20. Gelet op deze vaststellingen en in het licht van het bijgestelde beoordelingskader kan ’s hofs oordeel dat “de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als beperkt kan worden beschouwd” en dat “de algemene bevoegdheid van de opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, (…) dan ook voldoende legitimatie voor dit onderzoek [bood]”, geen stand houden.
21. Voor zover het middel hierover klaagt, slaagt het.
Slotsom
22. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
23. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep van 28 maart 2024.7.Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is geschonden. Als de Hoge Raad mij volgt, kan de rechter naar wie de zaak wordt verwezen deze termijnoverschrijding in aanmerking nemen. Andere gronden die ambtshalve aanleiding behoren te geven tot vernietiging van de bestreden uitspraak heb ik niet aangetroffen.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest d.d. 26 maart 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, maar uitsluitend voor zover dat betreft de bevestiging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2023 ten aanzien van de beslissingen over de strafbare feiten in de zaak met parketnummer 16-013184-21 (‘de drugszaak’) en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑06‑2025
HR 1 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1143, NJ 1999/567 m.nt. Schalken (Karman): “3.7. In deze zaak is de vervolging van de verdachte voortgezet en de zaak tegen hem ter terechtzitting aangebracht nadat meergenoemde toezegging was gedaan. Dat is in strijd met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijke voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter. Die handelwijze miskent immers dat weliswaar aan de officier van justitie de beslissing toekomt of en zo ja ter zake van welke feiten hij de verdachte vervolgt, maar dat de rechter, nadat vervolging is ingesteld, indien overigens aan de voorwaarden voor een veroordeling is voldaan, zelfstandig beslist omtrent de strafoplegging, terwijl tenslotte het openbaar ministerie verplicht is de rechterlijke beslissing ten uitvoer te leggen. 's Hofs oordeel dat de gewraakte toezegging een ernstige inbreuk vormt op beginselen van een behoorlijke strafvervolging geeft gelet daarop geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. (…). 3.8. Ook het oordeel van het Hof dat die inbreuk tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging dient te leiden, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat deze het hiervoor onder 3.7 weergegeven wettelijk systeem in de kern raakt, voorzover het de (verdere) vervolging van de verdachte betreft. Daaraan doet op zichzelf niet af dat, zoals het Hof heeft overwogen, de belangen van de verdachte door de gedane toezegging niet zijn geschaad. (…).”
HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).
En dan met name HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/22 m.nt. Kooijmans (onderzoek smartphone).
De hier besproken rechtspraak ziet op (in beslag genomen) voorwerpen die als ‘elektronische gegevensdrager’ en/of als ‘geautomatiseerd werk’ kunnen worden bestempeld. Onder die noemers kunnen ook de tegenwoordige mobiele telefoons c.q. smartphones worden geschaard. Aangezien de voorliggende zaak betrekking heeft op smartphones, houd ik het voor het leesgemak steeds op ‘smartphone(s)’, zonder bij herhaling gebruik te maken van de meer generieke wettelijke termen ‘elektronische gegevensdrager’ en/of ‘geautomatiseerd werk’.
Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes (post-Landeck).
De verdachte is preventief gedetineerd in deze zaak.
Beroepschrift 23‑09‑2024
Inleiding
Verzoeker van cassatie betreft [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1983 en op 26 maart 2024 veroordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. Deze schriftuur wordt namens verzoeker ingediend, binnen de termijn ex art. 435 lid 1 Sv, die op 25 juli 2024 is aangevangen, om aan te geven waarom verzoeker meent dat het (veroordelend) arrest van het hof niet in stand kan blijven.
Middel I
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften.
In het bijzonder zijn de artikelen 126aa, 348, 359a en 415 Sv, 8 EVRM en art. 4 Richtlijn 2013/48/EU geschonden, aangezien het hof het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft afgewezen, terwijl die afwijzing niet begrijpelijk is en/of niet toereikend is gemotiveerd.
Mitsdien kan 's hofs arrest niet in stand blijven.
Toelichting
1.
In de onderhavige zaak is door de verdediging een (formeel) punt gemaakt van het feit dat bij de inbeslagneming en daaropvolgende doorzoeking van de 'smartphone' van de verdachte de grenzen van het (internationale recht zijn overschreden. Het eerste middel ziet op de vastgestelde schending van vertrouwelijke informatie (tussen een advocaat en diens cliënt) en dus het verschoningsrecht. Over die schending op zichzelf bestaat geen discussie.
2.
Waar de discussie ter zitting over is gegaan en waar dit middel zich op richt: wat moeten de gevolgen zijn van deze schending (ter zake verschoningsgerechtigde informatie). Hierover is door de verdediging het volgende betoogd.
‘Waar het gaat om de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is (nog altijd) één uitzondering mogelijk als een verzuim niet direct de proceedings as a whole raakt: niet-ontvankelijkheid volgt als sprake is van een kwestie die uitstijgt boven de schending van de individuele rechtsbelangen van een verdachte in een concrete strafzaak en het vertrouwen in de rechtspleging in zijn geheel raakt,1. bijvoorbeeld als sprake is van een miskenning van het systeem van de democratische rechtsstaat; ‘Karman’.2. Oftewel, Dit criterium geldt nog altijd, zij het dat het — gelukkig — zelden voorkomt. Ter onderbouwing wijs ik op het proefschrift van Kuiper die het heeft over een ‘muizengaatje’3. en het proefschrift van Amadi waarin (met weglating van voetnoten) staat beschreven:
‘Het feit dat de Hoge Raad dit criterium in latere arresten niet meer heeft gebruikt, en dit arrest in die zin op zichzelf staat, wordt gezien als teken dat het thans niet meer als grond kan dienen. Bovendien kan in een aantal latere arresten van de Hoge Raad argumenten worden gevonden die erop wijzen dat het Karmancriterium niet langer van toepassing is. Het ligt echter meer voor de hand dat wegens de uitzonderlijke aard van de zaak een dergelijke situatie zich simpelweg niet snel zal voordoen en het stilzwijgen van de Hoge Raad hieromtrent zou in die sleutel kunnen worden geplaatst.’4.
In deze zaak doet zich zo'n uitzonderlijkheid voor. Waar het om gaat, is hetgeen is gebleken uit het verhoor van verbalisant [verbalisant 1]:
‘A: Ik had zijn nummer ingevoerd en er kwam ‘advocaat’ uit. Ik dacht eerst: ik weet hoe de advocaat heet. Het was één bericht. Ik zag toen dat hij zijn privégegevens had vermeld, zijn naam en adres en ik dacht dat is een plusje voor het aantonen wiens telefoon het is. Ik had dat achteraf niet mogen doen. Het is voor mij een leermoment geweest. Het was ook niet nodig geweest want ik had al genoeg.
V: Ik neem het u niet het meest kwalijk als ik kijk naar het geheel. Zit er niet een waarborg in het systeem?
A: Nee. Op de tap wel. In het programma waarin de telefoons uitgelezen worden zit geen filter. Maar iedereen kan ‘advocaat heten. Zeker ook op de dealertelefoons.
V: Maar het nummer dat ik heb is via de Orde van Advocaten doorgegeven als een geheimhoudersnummer. Die nummers worden niet automatisch uit het systeem gehaald?
A: Nee, dat wordt niet gefilterd.’5.
Dat het hier niet gaat om een verzuim dat cliënt direct in zijn belangen schaadt, is ook duidelijk. Tegelijkertijd is evenzogoed duidelijk dat het verschoningsrecht een punt van grote zorgen betreft. Zo is door (onder meer) de NVSA geprocedeerd tegen de Staat vanwege structurele schendingen van verschoningsrecht bij in beslag genomen voorwerpen6. en heeft AG Harteveld redelijk recent een conclusie geschreven over het (fundamentele) belang van dit verschoningsrecht.7.
Dat is precies waar het hier ook om gaat: sprake is van structurele schendingen van verschoningsrecht doordat van alle smartphones die in beslag worden genomen en worden uitgelezen, geheimhoudersinformatie beschikbaar komt voor de onderzoeksteams in kwestie. Verbalisant [verbalisant 1] gaf aan dat het een leermoment voor haar was en verder leek niemand verbaasd, maar het gaat veel verder dan dat: dit moet een leermoment zijn voor de hele strafrechtsketen. Deze standaardpraktijk moet direct veranderen want op dit moment
- a.
is geen sprake van enige waarborg tegen schendingen, terwijl die (technisch) eenvoudig voorstelbaar zijn, in elk geval voor communicatie-apps zoals WhatsApp, Telegram, Signal, etc… waar een concreet geheimhoudersnummer aan gekoppeld staat via de Orde van Advocaten (is iets anders dan ‘advocaat@pgpsafe.net’) en
- b.
nemen onderzoeksteams z elf, in plaats van een onafhankelijke rechterlijke autoriteit (als ‘geheimhoudersfunctionaris’), kennis van de inhoud van informatie die (potentieel) onder het bereik van professionele geheimhouding en verschoningsrecht valt en moet de politie daar dan zelf maar verstandig mee omgaan (als dat al betekent: we halen/ houden het uit het dossier, is het al te laat, dan is al kennis genomen van de informatie, reden waarom als het ware Chinese Walls nodig zijn en wel in de vorm van een onafhankelijke rechterlijke toetsing vóórdat de informatie bij de politie/ het OM beschikbaar komt).
De enige plek waar ik dit, namens cliënt, aan kan kaarten, over de band van het Karmancriterium, is deze strafzaak. Anderzijds is dat ook juist dé plek, zo toont het verleden in het onderzoek ‘Acroniem’, de ‘Hells Angels-zaak’ (ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0685):
‘Deze kwestie stijgt uit boven schending van de individuele rechtsbelangen van een verdachte in een concrete strafzaak en raakt het vertrouwen in de rechtspleging in zijn geheel. Gelet hierop acht de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachten de enig passende sanctie.’
Nota bene, door het OM is tegen deze beslissing geen hoger beroep ingesteld. Dat zegt natuurlijk ook iets…
Aan ‘de vraag of sprake is geweest van sturing van het onderzoek op basis van geheimhoudersgesprekken’ wordt dan ook niet meer toegekomen, bij deze vorm van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ten behoeve van het herstellen van het vertrouwen in de rechtspleging door een (zeer) stevig signaal indien dat in een concrete zaak nodig blijkt, al was het maar omdat het nu aan het licht is gekomen, terwijl dat doorgaans niet zal gebeuren, maar de betreffende informatie ondertussen wel al bekend is geworden bij de politie. Als er eenmaal kennis van is genomen, kan je het niet terugdraaien en ‘ontweten’!
De niet-ontvankelijkheid is er dan dus ook niet omdat de officier van justitie in kwestie een persoonlijk verwijt te maken valt, maar omdat sprake is van fundamentele gebreken in de vervolging, met een structureel karakter, waarvan de onderhavige zaak ‘slechts’ een voorbeeld is (als zeldzaamheid omdat het meestal niet zal uitkomen). Juist daarom komt deze grondslag van de niet-ontvankelijkheid nog bestaansrecht toe en valt die in deze zaak zelfs makkelijker te rechtvaardigen dan in een zaak als die van de Hells Angels met heftigere feiten.
Kort en goed vraag ik u het OM dus niet-ontvankelijk te verklaren. Het is al een klein wonder op zichzelf dat ik dit verweer kan voeren doordat het verzuim via voornoemde verbalisant aan het licht is gekomen. Maar juist tegen de achtergrond van de beslissingen van de Hoge Raad van vandaag over het verschoningsrecht en de moeite die de politie/ het OM redelijkerwijs zal moeten nemen (en altijd al heeft moeten nemen) bij klassiek beslag, juist bij iemand zoals cliënt die al door mij werd bijgestaan, hetgeen bekend was bij de politie/ het OM, om schending van het verschoningsrecht/ 126aa Sv te voorkomen (ECLI:NL:HR:2024:375) .
Dat geldt juist ten aanzien van communicatie tussen verdachten en hun advocaten via (normale!) chat-applicaties zoals WhatsApp, maakt het ‘belang dat de gemeenschap heeft bij de inachtneming van het wettelijk systeem bij de berechting van strafzaken’ dit echt noodzakelijk. Als het OM dat zelf niet kan, dan moet de RC maar betrokken worden (ECLI:NL:HR:2024:377). Het belang van het verschoningsrecht mag namelijk niet vergeten worden: rechtszoekenden moeten kunnen vertrouwen op de geheimhouding van wat zij met eem advocaat bespreken (zie ECLI:NL:HR:2024:375), zoals iemand ook een arts moet kunnen bezoeken met een schotwond/ ‘aanvalsletsel’: als de politie daarvan op de hoogte kan komen, durven mensen een arts niet meer te bezoeken en zelf maar wat gaan doen/ medische hulp in achterafkamers gaan opzoeken, met alle (medische) complicaties van dien.’
3.
Dit verweer is evenwel afgewezen op grond van het volgende.
‘Bij de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Onder verdachte is een iPhone XS Max in beslag genomen, die door het rechercheteam is uitgelezen. Daarbij is een WhatsApp-gesprek tussen verdachte en zijn raadsman aangetroffen. Dit gesprek is opgenomen in het dossier op pagina 2518. In het gesprek geeft verdachte een nieuw telefoonnummer door aan zijn raadsman. Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat dit telefoonnummer al bij het rechercheteam bekend was voordat dit WhatsApp-gesprek bij het rechercheteam bekend werd.
De rechtbank is van oordeel dat het opnemen van het gesprek tussen verdachte en zijn raadsman in het procesdossier in strijd is met het bepaalde in artikel 126aa, tweede lid Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en het daarop gegronde Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, hetgeen evident een vormverzuim oplevert. Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden heeft de rechtbank artikel 359a Sv en het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020: 1889, als uitgangspunt genomen. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken, en dat de strafrechter daartoe ook niet in staat is. De rechtbank zal de vraag of en zo ja in hoeverre in andere strafrechtelijke onderzoeken mogelijk sprake is van soortgelijke vormverzuimen dan ook niet beantwoorden. De rechtbank heeft onvoldoende inzicht in het door de raadsman gestelde structurele karakter van het vormverzuim, welke beoordeling bovendien niet de taak van de rechter is.
Hiervoor is al overwogen dat er in onderhavig geval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Bij de vraag of en zo ja, welke rechtsgevolgen aan een vormverzuim moeten worden verbonden dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van hei verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van het veroorzaakte nadeel is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Tot slot is van belang dat — gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv — het wettelijk stelsel zo moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen.
Voor wat betreft het belang van het geschonden voorschrift stelt het hof vast dat met artikel 126aa lid 2 Sv is beoogd het belang te beschermen dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees ‘oor openbaarmaking van wat aan — onder anderen — de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwc4 een advocaat te raadplegen. Het opnemen van het gesprek tussen verdachte en zijn raadsman in het procesdossier is, zoals ook door de rechtbank is overwogen, in strijd met dit artikel en het daarop gegronde Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken. Het hof is van oordeel dat de ernst van dit vormverzuim gering is, nu het telefoonnummer dat verdachte in dit WhatsApp-gesprek heeft doorgegeven aan zijn raadsman al bekend was bij liet rechercheteam. Voorts is niet aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van het verzuim concreet nadeel heeft geleden. Het hof zal, gelet op die factoren in onderlinge samenhang bezien, dan ook volstaan niet de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolg verbinden.
Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging van verdachte.’
4.
In de visie van de verdediging van verzoeker is hiermee een ontoereikende, althans onbegrijpelijke afwijzing van het verweer gegeven. Logisch is natuurlijk dat (door de rechtbank) het overzichtsarrest van 1 december 2020 tot uitgangspunt is genomen.
5.
Minder begrijpelijk — om niet te zeggen: onbegrijpelijk — is dat in de beoordeling van het verweer niets overwogen wordt met betrekking tot het arrest van uw Raad van 1 juni 1999 — het zogeheten ‘Karman-arrest’. Niet eens is gezegd of overwogen door rechtbank of hof dat dit arrest achterhaald is…
6.
Dat laatste zou in de visie van de verdediging bovendien een onjuiste rechtsopvatting betreffen, althans nadere motivering behoeven nu betoogd is — met verwijzingen naar verschillende bronnen, uit de relevante wetenschappelijke literatuur en betreffende recente discussies over het verschoningsrecht, onder meer in de (recente) rechtspraak van de Hoge Raad — dat en waarom het Karman-arrest niet achterhaald is.
7.
Sterker nog, dat Karman-arrest staat allicht niet tegenover of zelfs maar naast het arrest van 1 december 2020, het is daar in zekere zin zelfs mee te verenigen. Immers, juist is weliswaar dat in het overzichtsarrest over art. 359a Sv van 1 december 2020 is overwogen dat ‘op de strafrechter niet de taak en verantwoordelijkheid [rust] de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken, maar tegelijkertijd — en los van de omstandigheid dat dat ook niet gevraagd is, doch slechts gevraagd is om dat te doen op een onderdeel van het optreden van de politie en justitie — wordt daarbij verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal Bleichrodt die op zijn beurt weer in de bijhorende voetnoot (299) verwijst naar Borgers en Kooijmans en die
‘pleiten ervoor de mate van toetsing door de strafrechter te laten afhangen van de mate waarin is voorzien in (adequate) alternatieven om vormverzuimen te redresseren’.
8.
Dat is dan ook waarop is gewezen door de verdediging in hoger beroep: dit verzuim kan nergens anders worden aangekaart, terwijl het systeem van de (democratische) rechtsstaat, inclusief vrije toegang tot professionele rechtsbijstand, door het verzuim wordt geraakt. Immers, gewezen is ook op het structurele karakter, zoals volgt uit de verklaring van verbalisant [verbalisant 1].
‘Nota bene, het is ondergetekende (ook nadien) in andere zaken gebleken: de (Cellebrite-)software die door de politie wordt gebruikt voor het veiligstellen, verwerken en (kunnen) doorzoeken van de kopie van de inhoud van een telefoon (de ‘image’), kent geen mogelijkheid om zelfs maar bij de meest gangbare communicatie-applicaties/ communicatiekanalen (zoals WhatsApp) het verschoningsrecht/ de vertrouwelijkheid met geprivilegieerde personen te bewaken/ garanderen — zelfs niet als het gaat om reeds geregistreerde geheimhouders! Een technische reden is daarvoor niet aanwijsbaar,8. het gaat om een keuze om dit niet te doen; een keuze die — in de visie van de verdediging — gevolgen zou moeten hebben…’
9.
Op dát onderdeel is door het hof in het geheel niet gerespondeerd, terwijl het eerder (in de hiervoor aangehaalde overweging) het hof zelf is geweest dat overweegt dat bij de beoordeling van de ernst van het verzuim de omstandigheden van belang zijn waaronder het verzuim is begaan en dat daarbij ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol kan spelen.
10.
Het hof volstaat uiteindelijk evenwel met de vaststelling dat de ernst van het vormverzuim gering is omdat ‘het telefoonnummer dat verdachte in dit WhatsApp-gesprek heeft doorgegeven aan zijn raadsman al bekend was bij het rechercheteam’ en voorts ‘niet aannemelijk [is] geworden dat verdachte als gevolg van het verzuim concreet nadeel heeft geleden.’ Echter, dat is ook niet (de kern van) het verweer geweest!
11.
Aldus is de afwijzing van het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet toereikend gemotiveerd, althans is die afwijzing niet begrijpelijk.
Middel II
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften.
In het bijzonder zijn de artikelen 94 e.v, 350 en 359a Sv, 8 EVRM, 7, 8, 11 en 52 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en art. 4 Richtlijn 2016/680 geschonden, aangezien het hof het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting heeft afgewezen, terwijl die afwijzing
- a.
getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans
- b.
niet begrijpelijk is en/of niet toereikend is gemotiveerd.
Mitsdien kan 's hofs arrest niet in stand blijven.
Toelichting
1.
Het tweede middel ziet op het (formele) verweer van de verdediging dat grenzen van het (inter)nationale recht zijn overschreden door de inbeslagname en, vooral, het daarop gevolgde veiligstellen en doorzoeken van de inhoud van de telefoon van verzoeker. De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op — kort gezegd — het privéleven van verzoeker.
2.
In dat verband is het volgende verweer gevoerd.
‘Voor zover u de verdediging niet zou volgen in voornoemd betoog, doe ik u — vanwege voornoemd verzuim van art. 126aa Sv — in elk geval het verzoek om de resultaten van het volledige digitale onderzoek aan alle telefoons/ smartphones, in het bijzonder voor zover die aan cliënt worden toegeschreven, uit te sluiten van het bewijs op grond van art. 359a Sv.
Dit verzoek om bewijsuitsluiting doe ik u niet uitsluitend vanwege een verzuim van art. 126aa lid 2 Sv. Het digitale onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden buiten de kennisneming van geheimhoudersinformatie, valt namelijk ook niet te rechtvaardigen in het licht van de nationale én internationale rechtspraak. Dat onderzoek was simpelweg te omvangrijk en/of vond dat onderzoek in elk geval plaats zonder voldoende juridische grondslag.
Vooropgesteld: sprake is geweest van het uitlezen van complete telefoons. Vervolgens is, zo geeft verbalisant [verbalisant 1] zelf ook aan, alles geautomatiseerd geanalyseerd, zodat het handmatig verder onderzocht kan worden. De verwerking — naar de definities van de Justitiële Dataprotectierichtlijn (2016/680) — betreft dus de volledige telefoon: 44.000 foto's, social media (waaronder Facebook), notities etc… (zie ook in dat verband het verhoor van [verbalisant 1]). Dat laatstgenoemde niet zelf van alles, stuk voor stuk, kennis heeft genomen, doet niet af aan het feit dat dus alle data zijn verwerkt en dat dus het Unierecht in het geding is.
Nationaalrechtelijk verzuim: het ‘smartphone-arrest’ en art. 94 e.v. Sv
Voordat ik aan die bespreking toekom, kan ik eigenlijk al veel korter zijn: op grond van het voorgaande is naar nationaal recht al sprake van een vormverzuim. Immers, volgens de Hoge Raad mag zulk onderzoek plaatsvinden door de politie zelf,9. tenzij sprake is van onderzoek dat
‘zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk’
De Hoge Raad overweegt verder:
‘daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen?’
Als het doorlopen van 44.000 foto's al niet als zodanig kwalificeert, maar als ‘onderzoek dat slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens’, dan kan rechtspraak van de Hoge Raad volgens mij bij het grof vuil. Die kant gaat het nu overigens al op, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat na het wijzen van dit arrest, in het bestek van enkele jaren het aantal vorderingen aan een rechter-commissaris om een telefoon (volledig) te mogen doorzoeken op één hand te tellen is.10. Dat is thans onveranderd.
Daar komt nog bij dat in de literatuur is betoogd dat deze rechtspraak van de Hoge Raad (allicht ook om de reden dat er in de praktijk weinig van terecht komt) alweer achterhaald is, althans niet ver genoeg gaat. Dit is het betoog van onder meer Oerlemans en Van der Hurk, auteurs met recht van spreken (als hoogleraar Cybercrime resp. raadsheer van de Cyberkamer van het Hof Den Haag).11. Het wordt dan ten minste tijd dat deze rechtspraak van de Hoge Raad dus betekenis toekomt! Ik wijs op ECLI:NL:GHDHA:2021:1873.
Ook het betoog dat de officier van justitie toestemming kan/ kon geven tot dit volledige onderzoek en daarmee is voldaan aan de eisen van de Hoge Raad, gaat niet op. Allereerst heeft dat overleg in casu niet plaatsgevonden, zo antwoordt [verbalisant 1] op pagina 7 van haar verhoor bij de RC. Daarnaast overweegt de Hoge Raad expliciet dat een verdergaande inbreuk mag plaatsvinden door onderzoek door de officier van justitie (of bij nog grotere inbreuken door de rechter-commissaris). Dit is dus niet onderzoek op last van de officier van justitie. We mogen aannemen dat de Hoge Raad zijn woorden zorgvuldig heeft gekozen!
Dit gebrek kan overigens ook niet worden opgevangen — via een soort ‘onbevoegde hulpofficier-overweging’ — dat de toestemming tot dit onderzoek wel zou hebben plaatsgevonden indien daarom was gevraagd. Anders dan bij de onbevoegde hulpofficier in het arrest van de Hoge Raad van 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5539), is deze (formele) eis buiten de macht van de betrokken onderzoeker (verbalisant) gelegen. De zittingsrechter kan — anders dan de rechtbank dus heeft gedaan — niet op de stoel van rechter-commissaris gaan zitten, al was het maar omdat we nu meer weten dan toe en daar (onbewust) rekening mee zullen houden, terwijl de verdediging overigens van mening blijft dat de rechter-commissaris deze inbreuk niet had toegestaan of zelfs maar had mogen toestaan.
Op hoger niveau binnen de feitenrechtspraak, bij de gerechtshoven, lijkt trouwens ook al sprake van een kentering. Ik wijs als voorbeeld op arresten van het Hof Amsterdam, Den Haag en Arnhem-Leeuwarden (resp. ECLI:NL:GHAMS:2022:111, ECLI:NL:GHDHA:2021:1173 en ECLI:NL:GHARL:2022:2010). Daarmee kom ik ook bij het Europeesrechtelijke perspectief.
Het Europese Unierecht: art. 7, 8, 11 en 52 van het Handvest en art. 4 Richtlijn 2016/680
De rechtsbescherming die het Unierecht biedt, gaat namelijk nog verder. Aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn drie categorieën van inbreuken te onderscheiden
- c.
Ministerio Fiscal-arrest: alleen geregistreerde (NAW-)gegevens
- d.
Prokuratuur-arrest: metadata, alleen bij zware criminaliteit!
- e.
Zwaarste categorie: inhoudelijke data, wel aanhangig, geen arrest (C-548/21 gaat over smartphones, maandag zitting geweest bij Hof van Justitie).
Die laatste categorie moet zich nog gaan laten uitleggen. Minst genomen valt te zeggen: eisen Prokuratuur gelden, maar ik houd serieus rekening met de mogelijkheid dat het Hof gaat zeggen dat dit nooit mag, of alleen als startinformatie/ intelligence en niet als bewijs. Dat doe ik met onderbouwing, want het Hof van Justitie leek dit recent zelf zo uit te drukken in (het persbericht over) de zaak Lietuvos Respublikos generalinė prokuratūra (ECLI:EU:C:2023:631).
Voor nu houd ik het bij ten minste de Prokuratuur-eisen die voortvloeien uit art. 7, 8, 11 en 52 van het Handvest bij rechtsbescherming in het kader van (art. 4 van) de Richtlijn 2016/680?
- f.
De formele eis luidt: onafhankelijke, rechterlijke autoriteit (zoals smartphone-arrest eigenlijk al aangeeft) en
- g.
De materiële eis luidt: alleen bij zware criminaliteit (ik denk zelf aan terrorisme, levensdelicten, internationale drugshandel, verkrachting etc… kortom, 12-jaarsfeiten).
Deze eisen gelden bij elke mogelijke inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven en zijn niet beperkt tot historische verkeersgegevens — zoals wel eens wordt betoogd.
Op beide eisen gaat het in deze zaak mis, gezien het digitale onderzoek. Het is gebeurd op last van de officier van justitie, dus aan de formele eis van het Hof van Justitie voldoet het niet. Het heeft voorts plaatsgevonden terzake de verdenking van een relatief geringe omvang van drugshandel (‘detailhandel’ in kleine regio). Dat dus sprake is van het niet-naleven van Unierecht, is wat mij betreft een gegeven.
Minder eenduidig lijkt wat de gevolgen moeten zijn. Moet dat dan worden beoordeeld aan de hand van de nationaalrechtelijke kaders van art. 359a Sv? Het Hof van Justitie lijkt op het eerste gezicht, net als het EHRM, te menen dat dit inderdaad een bewijsrechtelijke aangelegenheid is voor de nationale strafrechters. Echter, anders dan het EHRM, formuleert het Hof van Justitie in Luxemburg een expliciete ondergrens aan de hand van het doeltreffendheidsbeginsel. Dat beginsel betekent dat burgers daadwerkelijk iets moeten hebben aan (fundamentele) rechten die het Unierecht hen toekent! Dat is eigenlijk ook niet meer dan logisch natuurlijk.
Juist in het kader van een strafzaak overweegt het Hof van Justitie in de arresten WebMind-Licenses (C-419/14) en La Quadrature du Net (C-511/18) expliciet het doeltreffendheidsbeginsel in elk geval in de weg staat aan het gebruik voor bewijs van bewijsmateriaal dat in strijd met het Unierecht is verkregen en bewijsuitsluiting voor de strafrechter verplicht is! Dat dit de ondergrens is, komt tot uitdrukking in het feit dat sprake moet zijn van een doorslaggevende betekenis van dat materiaal voor een bewezenverklaring, maar daaraan voldoet dit bewijsmateriaal in deze zaak. Immers, voor de impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten in de periode voor (eind) 2019, waar ik nog over kom te spreken, is de informatie uit de telefoons van cliënt het enige mogelijke, objectieve bewijsmateriaal!
Maar ook mét toepassing van art. 359a Sv bestaat alle reden om het bewijsmateriaal dat is verkregen uit het digitale onderzoek aan de telefoons (die aan cliënt worden toegeschreven) in deze zaak van het bewijs uit te sluiten. Dat is namelijk nodig als ‘rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.’12. De noodzaak is er juist omdat sprake is van het structureel verzuimen van de rechtsregel van de Hoge Raad uit het smartphone-arrest én het Prokuratuur-arrest om inbreuken door (alomvattend) digitaal onderzoek te beperken.
Het voorgaande geldt te meer nu het smartphone-arrest al in 2017 is gewezen en de politie/ het openbaar ministerie hier dus rekening mee had kunnen én moeten houden. Nogal eens wordt over het Prokuratuur-arrest namelijk gezegd: vanaf dát moment mogen inbreuken worden aangerekend aan het OM, via art. 359a Sv, maar daarvoor niet. Echter, ook voor het wijzen van dat arrest gold het Unierecht al via voornoemde bepalingen. Het Prokuratuur-arrest is daar slechts een uitleg van.
Het werkelijke dat met voornoemde verweren wordt betoogd, is te verzekeren dat de internationale rechtsbescherming van burgers, op het gebied van fundamentele mensenrechten, geen dode letter wordt en ook niet achteraf/ met terugwerkende kracht uitsluitend wordt uitgedeeld aan diegenen die daar recht op hebben (niet zijnde ‘criminelen’). Dat is ten eerste in strijd met de onschuldpresumptie omdat de vraag of sprake is van ‘wettig’ bewijs, voorafgaat aan de schuldvaststelling — en dus niet gezegd mag worden: u heeft geen recht op die rechtsbescherming want u heeft een strafbaar feit gepleegd (en dus geen belang). Ten tweede zou dit onthouden van een mensenrecht aan bepaalde groepen (verdachten), neerkomen op de (impliciete) stelling dat zij geen mensen zijn… Het is allicht wat scherp geformuleerd, maar wel waar.
Kortom, voor zover u het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard, verzoek ik u al het materiaal verkregen uit digitaal onderzoek (aan telefoons) van het bewijs uit te sluiten, althans niet voor het bewijs te bezigen.’
3.
Op dat verweer is — anders dan de rechtbank in eerste instantie deed — als volgt gerea-geerd.
‘Ten aanzien van het onderzoek dat is uitgevoerd aan de inbeslaggenomen smartphones van verdachte overweegt het hof als volgt. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk Parketnummer: 21-001471-23 4 onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechtercommissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen — waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken — dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt — in het licht van art. 8 EVRM — aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn (HR 4 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:584, ook wel bekend als het smartphone-arrest’).
Uit het dossier volgt dat bij de aanhouding van verdachte op 7 december 2019 en bij de doorzoeking van zijn woning aan de [a-straat 01], te [a-plaats] op 15 februari 2021 een aantal digitale gegevensdragers bij hem is aangetroffen, die met toestemming van de officier van justitie zijn doorzocht. Het gaat hier om ‘smartphones’.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er op basis van het onderzoek aan de smartphones van verdachte geen min of meer compleet beeld van verdachtes privéleven is verkregen en overweegt daartoe als volgt, Op zich rechtvaardigt het feit dat de inhoud van de smartphones van verdachte door de verbalisanten zijn uitgelezen het vermoeden dat er een min of meer compleet beeld is verkregen van zijn leven, maar het hof is van oordeel dat dit vermoeden wordt weerlegd door de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] (p. 3472 – 3473) en [verbalisant 2] (p. 3474) van respectievelijk 27 augustus 2021 en 8 oktober 2021. Zij verbaliseren beiden dat er tijdens het onderzoek aan de smartphones alleen is gezocht op voor het strafrechtelijk onderzoek relevante informatie. Zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] dat zij heeft gekeken naar zaken die te maken hebben met de handel in verdovende middelen, het criminele samenwerkingsverband, witwassen en zaken die de gebruiker van de betreffende telefoon konden aantonen. Er is geen onderzoek verricht door de verbalisant naar ‘privé gevoelige’ informatie. Op het moment dat zij privé gevoelige zaken tegenkwam, heeft zij de app of het gesprek in kwestie gelijk afgesloten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat het doel van het uitlezen van de telefoon van verdachte was het verzamelen van informatie over wie de gebruiker was van deze telefoon en het doen van onderzoek naar strafbare feiten, eventuele medeverdachten en mogelijk witwassen. Bij het zoeken in de telefoon heeft de verbalisant zoektermen gebruikt die te maken hadden met de aard van dit onderzoek. Uit deze processen-verbaal van bevindingen leidt het hof af dat het onderzoek door de verbalisanten gericht was op de strafrechtelijke verdenkingen en heeft bestaan uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de smartphones opgeslagen of beschikbare gegevens. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als beperkt kan worden beschouwd. De algemene bevoegdheid van de opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, bood dan ook voldoende legitimatie voor dit onderzoek. In onderhavig geval was dan ook geen toestemming nodig van een rechter-commissaris voor het uitvoeren van het onderzoek aan de smartphones van verdachte, nu er geen min of meer compleet beeld is verkregen van zijn privéleven.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat sprake is van een vormverzuim en ziet dan ook geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting over te gaan.’
Ad a. onjuiste rechtsopvatting
4.
Allereest stelt verzoeker vast dat in de verwerping door het hof niet is ingegaan op — kort gezegd — het EU-recht dat als grondslag voor het formele bewijsuitsluitingsverweer is gebruikt. Dat levert in cassatie een motiveringsgebrek op, waar in het navolgende een beroep op zal worden gedaan.
5.
Voor zover aan deze niet-bespreking evenwel (impliciet) ten grondslag zou liggen dat het genoemde Unierecht reeds besloten ligt in de rechtspraak van uw Raad (in het bijzonder het ‘smartphone-arrest) en om die reden niet nader/ apart besproken hoeft te worden, meent verzoeker dat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het genoemde Unierecht is namelijk nog niet (voldoende meegenomen kunnen worden in het genoemde smartphone-arrest van 2017 (waar het gaat om Richtlijn 2016/680), laat staan dat de interpretatie die nadien aan verschillende bepalingen van het Handvest is gegeven door het Hof van Justitie in Luxemburg meegenomen is (kunnen worden, gewezen wordt onder meer op de arresten in de zaken Prokuratuur en Lietuvos Respublikos generaliné prokuratūra, zoals hiervoor aangehaald).
6.
Voorts is gemotiveerd aangegeven dat en waarom het Unierecht op zichzelf maakt dat het verrichte onderzoek aan de smartphone van verzoeker in casu onrechtmatig/ disproportioneel is. Zo zal — indachtig de ‘Prokuratuur-uitleg’ van art. 7, 8 en 11 Handvest (via de toepasselijkheid van Richtlijn 2002/58), waarvan niet (zonder meer) kan worden gezegd dat het beschermingsniveau van deze bepalingen van het Handvest ineens anders zou zijn als het Unierecht van toepassing is via Richtlijn 2016/680 — bij de verwerking van metadata/ inhoudelijke data altijd een onafhankelijke rechterlijke autoriteit nodig zijn (als formele eis) — niettegenstaande eventuele praktische (capaciteits)bezwaren die daar inherent aan zijn — en sprake van een verdenking van serieuze criminaliteit (als materiële eis).
7.
Maar zelfs indien enkel wordt gekeken naar de beoordelingskader van het smartphonearrest uit 2017 dan nog getuigt 's hofs arrest van een onjuiste rechtsopvatting omdat moet worden vastgesteld dat het Unierecht in elk geval in zoverre van invloed is dat niet alleen het bekijken door ‘mensenogen’ (van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]) als inbreuk op het privéleven moet worden gezien, maar dat dat ook al het geval is als sprake is van (geautomatiseerde) digitale processen.
‘Dit staat natuurlijk nog los van/ gaat vooraf aan de vraag of een inbreuk gerechtvaardigd is of niet (en dus tot een schending leidt of niet).’
8.
Richtlijn 2018/680 verwoordt het in de considerans als volgt:
‘Om te voorkomen dat een ernstig risico op omzeiling zou ontstaan, dient de bescherming van natuurlijke personen technologieneutraal te zijn en mag zij niet afhankelijk zijn van de gebruikte technieken. De bescherming van natuurlijke personen dient te gelden bij zowel geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens als handmatige verwerking daarvan indien de persoonsgegevens zijn opgeslagen of bedoeld zijn om te worden opgeslagen in een bestand.’
9.
Aldus moet worden voorkomen dat de bescherming van fundamentele (mensen)rechten — zoals respect voor het privéleven en de bescherming van (strafvorderlijke/ strafvorderlijk verkregen) persoonsgegevens (in de zin van het Handvest), via Richtlijn 2016/680 — niet wordt uitgehold met behulp van technologische innovatie, bijvoorbeeld door het geautomatiseerd kopiëren, opslaan en verwerken, doorzoeken met zoektermen en desnoods geautomatiseerd in procesdossier (laten) voegen waarna de (straf)rechter de eerste mens is die ernaar kijkt.
10.
Kortom, juridische innovatie moet niet achterblijven ten opzichte van de techniek. Overigens merkt de verdediging ook nog op dat de ((rechts)filosofische) achtergrond van het recht op het respecteren van het privéleven/ de (effectieve) bescherming van persoonsgegevens in de kern ook niet neerkomt op het garanderen van vrijelijk kunnen handelen zonder door dat een mens (achteraf) weet wat je hebt gedaan. Het bestaansrecht is vrijelijk kunnen handelen doen zonder (het gevoel te hebben) te worden gecontroleerd door mens óf machine.
Ad b. onbegrijpelijkheid, althans ontoereikende motivering
11.
Zoals gezegd, voor zover 's hofs arrest niet (impliciet) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting door de afwijzing van het bewijsuitsluitingsverweer met betrekking tot het onderzoek aan de smartphone van verzoeker, dan is in elk geval sprake van een (volledig) gebrek aan enige (en dus aan een toereikende) motivering van die afwijzing wat betreft de Unierechtelijke grondslag van voornoemd verweer.
12.
Bovendien is in visie van verzoeker onbegrijpelijk dat — anders dan de rechtbank oordeelde — geen vormverzuim wordt aangenomen door het gerechtshof omdat de inbreuk op het privéleven van verzoeker beperkt zou zijn gebleven doordat ‘het onderzoek door de verbalisanten gericht was op de strafrechtelijke verdenkingen en heeft bestaan uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de smartphones opgeslagen of beschikbare gegevens’.
13.
Het mag voor zich spreken dat strafvorderlijk onderzoek enkel wordt gericht op strafrechtelijke verdenkingen. Zo niet, dan kan uiteraard onder geen enkel beding sprake zijn van een gerechtvaardigde inbreuk, conform de uitgangspunten uit het ‘smartphone-arrest’.
14.
Dat slechts ‘een gering aantal bepaalde op de smartphones opgeslagen of beschikbare gegevens’ zijn geraadpleegd, verhoudt zich simpelweg niet met de feiten zoals die in het verweer zijn aangevoerd én in de overwegingen van het hof zijn overgenomen.
15.
Zo zijn wel degelijk alle gegevens — ‘geautomatiseerd’ — geraadpleegd (door [verbalisant 2]) door het gebruik van zoektermen in de volledige kopie/ ‘image’ van de telefoon. Althans, van beperkingen daarbij is niet gebleken. In dat verband wijst de verdediging op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 november 2023 waarin is gewezen op de mogelijkheid om dit wél te doen (met behulp van forensische software)!13.
16.
Door [verbalisant 1] zijn bovendien de gegevens geraadpleegd waarna pas ná kennisneming van privégevoelige informatie, de raadpleging is gestopt. Dat er ‘geen onderzoek [is] verricht door deze verbalisant naar ‘privé gevoelige’ informatie’ (als doel), mag — zoals gezegd — zonder meer worden aangenomen. Als dat wél het geval was geweest, dan hadden we een heel ander probleem (en verweer) gehad omdat dan überhaupt geen sprake was geweest van een (strafvorderlijke) opsporing.
17.
Hierbij wijst ondergetekende overigens ook op hetgeen hiervoor is betoogd over de ‘technologieneutrale’ beoordeling van onderzoek aan geautomatiseerde werken en/of persoonsgegevens en privégevoelige informatie.
Ten aanzien van ambtshalve aangetroffen cassatiegronden
Voor zover de advocaat-generaal of uw Raad ambtshalve misslagen in het bestreden arrest of fouten in het daaraan voorafgaande onderzoek zou aantreffen, waarover evenwel niet wordt geklaagd, benadrukken verzoeker en steller dezes dat sprake is van een omissie. Van een weloverwogen keuze om bepaalde cassatiegronden niet aan uw Raad voor te leggen (zoals overwogen in HR 11 september 2012, LJN BX0146, r.o. 2.7.1) is uitdrukkelijk geen sprake. Gelet op het belang van verzoeker bij cassatie wordt uw Raad derhalve verzocht om — bij het eventueel aantreffen van cassatiegronden — artikel 440 lid 1 Sv toe te passen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande meent verzoeker dat het veroordelend arrest niet in stand kan blijven en wendt verzoeker zich tot uw edelhoogachtbaar college met het verzoek het voormelde arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen, dan wel te verwijzen naar een aangrenzend hof.
Deze cassatieschriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, die verklaren daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Utrecht, 23 september 2024
advocaat-gemachtigde
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑09‑2024
Rb Amsterdam 20 december 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0685.
HR 1 juni 1999, ECLI:NL:PHR:1999:ZD1143, NJ 1999/567, m.nt. T.M. Schalken. Aan succesvol beroep op niet-ontvankelijkheid doet niet af dat ‘de belangen van de verdachte door de gedane toezegging niet zijn geschaad. (…) in een geval als het onderhavige, in aanmerking genomen het fundamentele karakter van de gemaakte inbreuk, is niet-ontvankelijkverklaring niet uitgesloten omdat de belangen van de verdachte niet zijn geschaad.
R. Kuiper, Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Nijmegen: Kluwer 2014, p. 283.
M. Samadi, Normering en toezicht in de opsporing (diss. Universiteit Leiden), Boom Juridisch, 2020, p. 240.
P. 4 en 5 van het pv van verhoor bij de RC d.d. 27 januari 2022.
Parket bij de Hoge Raad 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1122.
Vgl. Gerechtshof Den Haag 20 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2538, waarover meer in de toelichting op het tweede middel.
HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584.
Via de openbare bron www.rechtspraak.nl.
J.J. Oerlemans en S. Royer, ‘Naar een nieuwe regeling voor beslag op gegevensdragers’ in: Computerrecht 2017/200 en J.W. van den Hurk en S. de Vries, ‘Onderzoek van gegevens (dragers)’ in: NJB 2020/2806.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.
Gerechtshof Den Haag 20 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2538.