Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.3.7.1
2.3.7.1 De constructie van toe- en uittreden
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS585703:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Onder het Ontwerp-Maeijer was onduidelijk of opvolging via contractsoverneming mogelijk was. Volgens Van Veen 2008, p. 4 was dit niet mogelijk, volgens Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/259 wel.
Zie 2.6.2.
Asser/Maeijer 5-V 1995/238 e.v. In de wet zijn aanknopingspunten voor de mogelijkheid tot voortzetting, indien overeengekomen, te vinden in de art. 7A:1678 en 1688 BW. BW. De mogelijkheid om de vennootschap bij een vennotenwissel te laten voortbestaan is erkend in HR 6 februari 1935, NJ 1935/1513(Nachtveiligheidsdienst E) (maatschap met overdraagbare lidmaatschapsrechten); en HR 7 december 1949, WPNR 1950/4122.
Ontwerp-Van der Grinten, art. 7.13.1.12 en 15.
In de literatuur wordt vaak onderscheid gemaakt tussen voortzettingsbedingen en vermogensbedingen. Mohr/Meijers 2013, § 6.3.5, p. 223; Tervoort 2015d, nr. 7.3.1 en 7.3.2.
Aldus het Ontwerp-Maeijer, art. 818. In dezelfde richting: Van Bork 2003, p. 121; Mathey- Bal 2012, p. 53; Boschma 2013, par. 3.3.2; Mohr/Meijers 2013, § 1.4, p. 10; en Tervoort 2016, p. 166.
Van Solinge 1974, p.157; positief hierover: Maeijer 1974, p. 1162. In deze richting ook: Den Tonkelaar 1981, p. 161.
Ontwerp-Maeijer, art. 818; Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 24.
Duynstee 1941, p. 418.
Toetreden van een nieuwe vennoot tot de maatschap betekent dat de nieuweling partij wordt bij de maatschapsovereenkomst. Opvolging kan juridisch-technisch worden vormgegeven als een originair uittreden uit de maatschapsovereenkomst door de één en een originair toetreden tot die overeenkomst door de ander, of als een contractsoverneming.1 Vat men het aandeel van een vennoot in de maatschap op als vorderingsrecht, zoals ik doe,2 dan kan opvolging ook de vorm hebben van cessie. Hoe dan ook zal de medewerking of instemming van alle zittende vennoten vereist zijn, zij het dat deze in generieke zin al in de maatschapsovereenkomst kan worden gegeven. Bij (originair) toetreden zal de nieuwe vennoot in beginsel een eigen inbreng verschuldigd zijn. Bij contractsoverneming of cessie van het vennootschapsaandeel neemt de nieuwe vennoot de positie van de uitgetreden vennoot over, waaronder de positie in hetgeen de uitgetreden vennoot heeft ingebracht. De uitgetreden vennoot heeft in dit geval geen recht op een uittreedvergoeding. Hoefde de uitgetreden vennoot slechts kapitaal in te brengen en is die inbrengverplichting al vervuld, dan hoeft de nieuwe vennoot geen additionele, eigen inbreng te verrichten.
Het uittreden van een vennoot leidt tot algehele ontbinding van de maatschap, ook in het geval twee of meer vennoten zouden overblijven, tenzij anders overeengekomen.3 Het Ontwerp-Van der Grinten voorzag in handhaving van deze regel.4 In de praktijk worden geregeld voortzettingsbedingen gemaakt, bij de openbare maatschap veel vaker dan bij de stille. Dergelijke bedingen zijn vaak opgenomen in een schriftelijke maatschapsovereenkomst, maar kunnen ook ad hoc of stilzwijgend worden gemaakt. De term voortzettingsbeding is geen wettelijke term. Men kan de term in een enge betekenis gebruiken. Dan wordt slechts het beding bedoeld dat bij uittreden van een vennoot de bestaande maatschap, als rechtsverhouding, zal worden voortgezet door de overblijvende vennoten.5 Ik gebruik de term in de ruimere betekenis dat de overblijvende vennoten niet alleen het recht hebben op voortzetting van de bestaande rechtsverhouding, maar ook op overname van het maatschapsvermogen en dat zij daartegenover aan de uitgetreden vennoot een vergoeding in geld (de uittreedvergoeding) verschuldigd zijn. Afspraken over de wijze waarop de hoogte van deze uittreedvergoeding wordt bepaald, en over de wijze en het moment van betaling, plegen onderdeel te zijn van het voortzettingsbeding. Waar een expliciet of impliciet gemaakt voortzettingsbeding ontbreekt, kan onder omstandigheden op grond van de redelijkheid en billijkheid van een uitgetreden vennoot worden verlangd dat hij aan voortzetting door de overige vennoten meewerkt.
Verdedigd wordt wel dat het naar wenselijk recht beter zou zijn om bij wijze van regelend recht uit te gaan van voortzetting door de overblijvende vennoten.6 Van Solinge sr. heeft dit bepleit in zijn reactie op het Ontwerp-Van der Grinten.7 Het idee is overgenomen in het Ontwerp-Maeijer en door de werkgroep-Van Olffen.8 Als argument wordt gegeven dat vennoten meestal een voortzettingsbeding willen en in hun maatschapsovereenkomsten opnemen. Het is een argumentatie in de geest van Duynstee, die heeft verdedigd dat het de taak van aanvullend recht is om contractuele regelingen overbodig te maken.9
Mij spreekt dat niet aan. Afgezien van minimale regels die erop gericht zijn (groot) onrecht te voorkomen, zou ik regelend recht dat meer of anders is dan een weergave van de impliciete partijbedoeling liever vermijden. Het ontbreken van een voortzettingsregeling van regelend recht brengt mee dat geen impliciete afspraken over het bepalen van vorm, hoogte en betaling van de uittreedvergoeding verondersteld hoeven te worden. Wil men de wet zo eenvoudig mogelijk houden, dan is dit een voordeel. Bovendien kan het afzien van een wettelijke regeling op dit punt worden opgevat als aansporing aan vennoten om belangrijke vraagstukken zelf goed te regelen in hun maatschapsovereenkomst.