Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/10.2.2
10.2.2 Gevolgen bijzondere verrekeningstechniek
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458990:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T. Blokland, Over aanmerkelijkbelangverliezen, WFR 1996/6218, blz. 1545 e.v.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 16. Blijkens de memorie van antwoord Eerste Kamer doen deze complicaties zich met name voor in situaties waarbij naast een verlies uit aanmerkelijk belang andere verliezen zouden worden verrekend of inkomsten zouden worden genoten die naar een bijzonder tarief worden belast, Memorie van antwoord Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62b, blz. 2.
Ook de werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting had voorgesteld om de verliesverrekening via het inkomen te laten verlopen. In dezelfde zin T. Blokland die tijdens het wetgevend proces eveneens heeft gepleit voor de verwerking van het verlies uit aanmerkelijk belang in het onzuivere inkomen in plaats van een afzonderlijke belastingverrekeningsregeling. De in de memorie van toelichting gegeven motivering overtuigde hem evenmin, T. Blokland, Over aanmerkelijkbelangverliezen. WFR 1996/6218, blz. 1546. Tevens wijst T. Blokland nog op andere (inkomensafhankelijke) regelingen, zoals de toerekening van de niet-verzelfstan-digde inkomensbestanddelen (art. 5 Wet IB), de regeling inzake aanslag/geen aanslag (art. 64 Wet IB) - als gevolg van de nieuwe vormgeving van de verplichte-aanslagregeling van art. 64 Wet IB per 1 januari 1997 wordt bij deze regeling inmiddels wel rekening gehouden met (de belasting over) het aanmerkelijkbelangverlies - en de invorderingsvrijstelling (art. 65 Wet IB), waarbij geen rekening wordt gehouden met een verlies uit aanmerkelijk belang. Hetzelfde geldt voor de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, waaromtrent een afzonderlijke regeling is getroffen in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 15februari 1995, nr. IFZ 95/207M, V-N 1995, blz. 953 e.v.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 87. Zie tevens T.A. Gladpootjes. Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime. Fiscaal Actueel, blz. 76-77, Kluwer, Deventer, 1997.
Zie de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 87. Zie tevens T.A. Gladpootjes, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime, Fiscaal Actueel, blz. 77, Kluwer, Deventer, 1997. Hierbij is mijns inziens niet duidelijk of deze herleving van het verlies uit aanmerkelijk belang een verlies uit aanmerkelijk belang uit het oorspronkelijke jaar, waarin het is opgetreden, blijft of een verlies uit aanmerkelijk belang wordt van het herlevingsjaar. Is dit laatste het geval, dan is het aanmerkelijkbelangverlies verjongd, hetgeen relevant is voor de beperkte voorwaartse verliescompensatietermijn van maximaal acht jaren.
Vgl. tevens H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Fiscale hand- en studieboeken, nr. 2, 5e druk, blz. 349, Kluwer, Deventer, 1998.
In dezelfde zin T. Blokland, Over aanmerkelijkbelangverliezen, WFR 1996/6218, blz. 1546-1547.
Doordat met een verlies uit aanmerkelijk belang rekening wordt gehouden op de voet van art. 60 Wet IB betekent dit dat een verlies uit aanmerkelijk belang in tegenstelling tot overige negatieve winsten (uit onderneming) of inkomsten (uit arbeid, vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen) niet in mindering komt op het onzuivere inkomen. Deze bijzondere verrekeningstechniek is niet nieuw, maar bestond reeds in de oude aanmerkelijkbelangregeling. Wel is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een onevenwichtigheid op het vlak van de buitengewonelasten- en giftenaftrek die het gevolg is van deze bijzondere verrekeningstechniek, geëlimineerd. Deze onevenwichtigheid bestond hierin dat een verlies uit aanmerkelijk belang het onzuivere inkomen niet verlaagde en daarmee de drempels voor de buitengewonelasten- en giftenaftrek niet raakte, terwijl een winst uit aanmerkelijk belang deze drempels wel verhoogde. In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is deze onevenwichtigheid geëlimineerd doordat in art. 46, zestiende lid. Wet IB en art. 47, derde lid, Wet IB afzonderlijk met een verlies uit aanmerkelijk belang rekening wordt gehouden. Daar waar de hoogte van het onzuivere inkomen van belang is, wordt voor de toepassing van de buitengewonelasten- en giftenaftrek dat inkomen verminderd met het bedrag aan verlies uit aanmerkelijk belang. De vraag is gerechtvaardigd waarom voor het verlies uit aanmerkelijk belang een afzonderlijke belastingverrekeningsregeling moest worden getroffen en niet evenals andere negatieve inkomenscomponenten in het onzuiver inkomen kon worden verwerkt.1 Hierbij moet natuurlijk wel voorop staan dat dit verlies uit aanmerkelijk belang uiteindelijk eveneens tegen het 25%-tarief in aanmerking behoort te worden genomen, maar niet duidelijk is waarom dit alleen via een afzonderlijke belastingverrekeningsregeling mogelijk is. In de memorie van toelichting wordt ter verdediging van de belastingverrekeningsregeling opgemerkt dat aan de keuze voor dit systeem een praktische reden ten grondslag ligt, aangezien verwerking in het inkomen te grote complicaties in de wettelijke bepalingen en de uitvoering daarvan ter zake van het bijzondere tarief en de verliesverrekening zou veroorzaken.2 Mijns inziens is niet duidelijk waarom het wel mogelijk is om een winst uit aanmerkelijk belang tegen een bijzonder tarief van 25%n te belasten, het dan tevens niet mogelijk is om een verlies uit aanmerkelijk belang tegen ditzelfde tarief in aanmerking te nemen, zonder dat hiervoor een afzonderlijke belastingverrekeningsbepaling noodzakelijk is?3
Het bovenstaande klemt te meer als wordt bedacht dat de in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling bestendigde belastingverrekeningsregeling van art. 60 Wet IB juist extra complicaties oproept als in een later jaar een negatief inkomen ontstaat. De memorie van toelichting laat dit ook zien.4 Aangezien het verlies uit aanmerkelijk belang als een belastingverrekening tegen het 25%-tarief in aanmerking wordt genomen, gaan de normale verliescompensatieregels voor. In tegenstelling tot het aanmerkelijkbelangverlies maakt een 'normaal' verlies immers wel deel uit van het belastbare inkomen Dit betekent dat een in een later jaar geleden 'normaal' verlies eerst wordt teruggewenteld (maximaal driejaar), waardoor de belastingteruggave wegens het verlies uit aanmerkelijk belang (geheel of ten dele) wordt teruggenomen. Door de verrekening van het normale verlies 'herleeft' in zoverre de aanspraak op verrekening ter zake van het eerder geleden verlies uit aanmerkelijk belang.5 Hoewel dit logisch volgt uit het systeem van verliesverrekening en belastingverrekening, zal duidelijk zijn dat dit lastige rekenexercities met zich kan brengen die waren voorkomen als het verlies uit aanmerkelijk belang op de normale wijze in het onzuivere inkomen waren verwerkt.
Voorts kan de lage rang die de belastingverrekening wegens het aanmerkelijkbelangverlies inneemt in de techniek van vaststelling van de hoogte van de aanslag, tot gevolg hebben dat onder omstandigheden de belastingverrekening uit hoofde van het aanmerkelijkbelangverlies verdampt, nl. in situaties waarin tevens ondernemingsverliezen aanwezig zijn. Ondernemingsverliezen zijn blijkens art. 51, derde lid, Wet IB onbeperkt voorwaarts compensabel, waarbij ingevolge art. 51, zevende lid, Wet IB wel eerst andere, beperkt voorwaarts compensabele verliezen in aanmerking worden genomen. Maar deze ten gunste van belastingplichtigen uitwerkende voorrangsregel geldt niet voor de belastingverrekening uit hoofde van het aanmerkelijkbelangverlies, aangezien verliesverrekening nu eenmaal voorgaat boven belastingverrekening. Gegeven de beperkte voorwaartse verrekentermijn van maximaal acht jaren ter zake van het verlies uit aanmerkelijk belang, kan het dus gebeuren dat de belastingverrekening bij gebreke aan positieve belastingbedragen als gevolg van onbeperkt verrekenbare ondernemingsverliezen verdampt.6 Het had mijns inziens voor de hand gelegen om de belastingverrekening uit hoofde van aanmerkelijkbelangverliezen voor te laten gaan op de compensatie van ondernemingsverliezen. Was het aanmerkelijkbelangverlies daarentegen in het onzuivere inkomen verwerkt, dan had dit eenvoudig kunnen worden bepaald.7