De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/7.1:7.1 Inleiding: ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/7.1
7.1 Inleiding: ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388528:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat werknemers medezeggenschap ten aanzien van de besluitvorming in de onderneming moeten hebben, is in Nederland een algemeen geaccepteerd gegeven. De achtergrond van medezeggenschap is tweeërlei. Hij komt enerzijds voort uit de gedachte dat werknemers in een democratische samenleving recht moeten hebben om invloed uit de oefenen op besluiten die belangrijke gevolgen voor ze hebben. Dit is de participatiegedachte, die zorgt voor een betere ontplooiing van werknemers in de onderneming waarin zij werken. Anderzijds vindt medezeggenschap haar grondslag in de gedachte dat invloed van werknemers goed is voor de onderneming. Besluiten hebben meer draagvlak en kunnen sneller en eenvoudiger worden doorgevoerd indien de werknemersvertegenwoordigers daarbij zijn betrokken. Gedurende de geschiedenis van het medezeggenschapsrecht stond aanvankelijk het laatste doel voorop. Later is de participatiegedachte hieraan toegevoegd. Beide doelstellingen zijn terug te vinden in art. 2 WOR.
Medezeggenschap is tevens als fundamenteel recht verankerd in de Nederlandse Grondwet en in de Europese regelgeving. De uitwerking van dit grondrecht is te vinden in verschillende wetten. Er is niet één medezeggenschapswet, maar invloed van werknemersvertegenwoordigers komt in allerlei wetten en allerlei rechtsgebieden voor. De belangrijkste wet die de medezeggenschap van werknemers regelt, is de WOR, die werknemers informatie-, overleg-, advies- en instemmingsrechten verschaft. De WOR is van toepassing op iedere onderneming, ongeacht de rechtsvorm waarin deze wordt gedreven en ongeacht de vraag of sprake is van een winstoogmerk. Het begrip onderneming wordt gedefinieerd als een organisatie waarin krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht. De onderneming wordt gedreven door de ondernemer (rechtspersoon of natuurlijk persoon) die ten aanzien van de verplichtingen op grond van de WOR wordt vertegenwoordigd door de bestuurder.
De bevoegdheden van de or op grond van de WOR zijn vrij ruim geformuleerd. Het gaat om adviesrechten ten aanzien van financieel-organisatorische besluiten zoals fusies, overnames, investeringen, leningen, reorganisaties en benoeming van bestuurders en instemmingsrechten ten aanzien van sociale besluiten. In beginsel moet het daarbij gaan om besluiten die worden (voor)genomen door het bestuur van die onderneming aangaande de onderneming – de arbeidsorganisatie.
Bij de inrichting van de medezeggenschapsstructuur en de uitoefening van de bevoegdheden, geldt als uitgangspunt ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’. Zo heeft de or slechts een advies- of instemmingsrecht indien de ondernemer een besluit (voor)neemt. Met andere woorden: de rol van de or is reactief. Eerst een (voorgenomen) besluit van de ondernemer, dan medezeggenschap. De or kan weliswaar zelf voorstellen doen aan de ondernemer, maar het overnemen van die voorstellen kan niet in rechte worden afgedwongen. De achtergrond hiervan is dat de ondernemer beleidsvrijheid heeft, en dat de rechter noch de or op de stoel van de ondernemer mag gaan zitten. De ondernemer neemt een besluit, en dit wordt vervolgens ter advisering of instemming aan de or voorgelegd. Zo wordt recht gedaan aan het fundamentele recht op medezeggenschap, zonder onevenredig inbreuk te maken op de beleidsvrijheid van de ondernemer. Ook de inrichting van de medezeggenschapsstructuur is gebaseerd op het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap. Zo moet in concernverhoudingen de medezeggenschap aansluiten op de organisatorische verhoudingen.
De rechtsvormonafhankelijkheid van de WOR is een goed uitgangspunt, zeker gezien het doel om medezeggenschap zo breed mogelijk te verspreiden. In een aantal gevallen sluit het begrippenapparaat echter niet aan bij de organisatiestructuur of rechtsvorm waarin de onderneming is vormgegeven of de situatie waarin deze verkeert. Voor de toepasselijkheid van de WOR maakt het niet uit of een besluit wordt (voor)genomen door een kapitaalvennootschap of door een eenmanszaak. Beide zijn immers ondernemers in de zin van de WOR. De wijze van besluitvorming en de belanghebbenden (stakeholders) die daarbij zijn betrokken, verschillen echter naar gelang het een eenmanszaak of een beursgenoteerde NV betreft. Zo hebben BV’s en NV’s, in tegenstelling tot eenmanszaken en personenvennootschappen, aandeelhouders die als eigenaar van de vennootschap belangrijke bevoegdheden hebben. In concernverhoudingen wordt de AV(A) gevormd door een moedervennootschap, die de centrale leiding heeft over het concernbeleid. Het bestuur van de dochtervennootschappen zal in dat geval in belangrijke mate het concernbeleid uitvoeren.
Nu de medezeggenschap aansluit bij de zeggenschapsverhoudingen, heeft de wijze waarop het concernbeleid doorwerkt in de onderneming van de dochtervennootschap ook consequenties voor de medezeggenschap. Ook specifieke omstandigheden, zoals insolventie of fusie, kunnen wijzigingen aanbrengen in de zeggenschapsverhoudingen, die hun weerslag hebben op de positie van de or. In deze dissertatie heb ik onderzocht in welke situaties het uitgangspunt ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ onder druk komt te staan door de wijze waarop de zeggenschapsverhoudingen zijn vormgegeven. De situaties die ik heb onderzocht zijn: kapitaalvennootschappen, fusies en overnames, concernverhoudingen, internationale (concern) verhoudingen en insolventie. Ik heb daarbij onderzocht in hoeverre deze situaties leiden tot een beperking van de medezeggenschap en op welke wijze dit gecompenseerd wordt door bijvoorbeeld specifieke medezeggenschapsbevoegdheden in andere wetten of oplossingen in jurisprudentie. Tevens ben ik ingegaan op alternatieven die de werknemersvertegenwoordigers ter beschikking staan en heb ik aanbevelingen gedaan voor een wijziging van de medezeggenschapsbevoegdheden. Hieronder volgen mijn belangrijkste conclusies.