Rb. Amsterdam, 28-09-2022, nr. 26Marengo
ECLI:NL:RBAMS:2024:682
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
28-09-2022
- Zaaknummer
26Marengo
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2024:682, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 08‑02‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:8426, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 27‑12‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:7634, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 01‑12‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:6214, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 09‑10‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:4546, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 19‑07‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:3577, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑06‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:1456, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 16‑03‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:1304, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑03‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2023:853, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 20‑02‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:7541, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 15‑12‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:7273, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑12‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:6574, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 10‑11‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:5747, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑10‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:5666, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 04‑10‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:5608, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 28‑09‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:3890, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 08‑07‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:2250, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 26‑04‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:1392, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 23‑03‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:1062, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 08‑03‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:994, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 04‑03‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2022:132, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 14‑01‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:7646, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 24‑12‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:7401, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 17‑12‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:6880, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 29‑11‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:6338, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 08‑11‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:5545, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 04‑10‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:3586, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 13‑07‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:2585, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 21‑05‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:1956, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 22‑04‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:1507, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 01‑04‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:236, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 29‑01‑2021; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2020:5585, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 17‑11‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2020:4764, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 29‑09‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 6 februari 2024
Beslissingen van de rechtbank naar aanleiding van het besprokene op de zitting in
26Marengo van 6 februari 2024 en op de daar gedane verzoeken
Procesverloop
1. Bij beslissing van 27 december 20231.heeft de rechtbank beslist op de onderzoekswensen die bij gelegenheid van de laatst gehouden pro formazitting van 21 december 2023 zijn gedaan. De sluiting van het onderzoek in Marengo is bij die laatste zitting (opnieuw) aangekondigd voor de zitting van 14 februari 2024, het vonnis voor de zitting van 27 februari 2024.
2. Bij e-mailbericht van 17 januari 2024 heeft het Openbaar Ministerie aan de rechtbank en de raadslieden aanvullende stukken gezonden ter voeging in het dossier. Het betreft – kort gezegd – uitvoeringsstukken uit Marokko betreffende een verhoor van [naam 1] op 10 oktober 2018 over het zaaksdossier Ster en ontsleutelde PGP-berichten uit drie PGP-toestellen die door het Openbaar Ministerie aan respectievelijk [naam 1] , verdachte [verdachte 1] en verdachte [verdachte 2] worden toegerekend. Deze stukken zijn inmiddels (op 22 januari 2024) door het Openbaar Ministerie aan de rechtbank en de verdediging doorgenummerd in een negende aanvulling op het dossier verstrekt.
3. De rechtbank heeft bij e-mailbericht van 19 januari 2024 aan procespartijen laten weten dat zij om vertraging in de planning van de sluitingszitting en de vonnisdatum te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, op korte termijn (de gevolgen van) de recent door het Openbaar Ministerie gevoegde stukken met de procespartijen wenste te bespreken en dat zij daartoe op 6 februari 2024 een extra zitting zou houden. Daarbij is bepaald dat indien raadslieden naar aanleiding van de nieuwe stukken (voorwaardelijke) onderzoekswensen wilden indienen of een (aanvullend) standpunt wilden innemen, zij dit voorafgaand aan de zitting kenbaar dienden te maken en deze (voorwaardelijke) wensen en/of (aanvullende) standpunten uiterlijk op 1 februari 2024 per e-mail aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie dienden te doen toekomen. Ook is daarbij medegedeeld dat de zittingsdata van 14 en 27 februari 2024 niet komen te vervallen.
4. Mr. Meijering heeft namens verdachte [verdachte 3] bij e-mailbericht van 20 januari 2024 onderzoekswensen ingediend.
5. Mr. G.N. Weski heeft namens verdachte [verdachte 2] bij e-mailbericht van 25 januari 2024 onderzoekswensen ingediend.
6. Mr. Boersma heeft namens verdachte [verdachte 4] bij e-mailbericht van 30 januari 2024 haar overwegingen met betrekking tot in te dienen onderzoekswensen toegezonden en daarbij een aanvullend standpunt met betrekking tot de aanvullende stukken ingenomen.
7. Mrs. Dunsbergen en Van ‘t Land hebben namens verdachte [verdachte 5] op 1 februari 2024 onderzoekswensen ingediend.
8. Het Openbaar Ministerie heeft bij e-mailbericht van 2 februari 2024 gereageerd op de onderzoekswensen.
9. Namens verdachten [verdachte 2] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] is (op voorhand) schriftelijk dan wel ter zitting van 6 februari 2024 voorwaardelijk, namelijk in het geval de rechtbank tot uitstel van de vonnisdatum komt, een verzoek gedaan met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Die verzoeken variëren: het betreft voorwaardelijke verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis maar ook voorwaardelijke verzoeken om de verdediging nog in de gelegenheid te stellen om een (gemotiveerd) verzoek met betrekking tot de voorlopige hechtenis te doen.
10. Ter zitting van 6 februari 2024 zijn de onderzoekswensen nog nader toegelicht en heeft het Openbaar Ministerie daarop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens op de gedane verzoeken tot het horen van de kroongetuige beslist – samengevat – dat het verzoek van mr. Meijering daartoe wordt afgewezen en dat het verzoek van mrs. Dunsbergen en Van ‘t Land daartoe gedeeltelijk wordt toegewezen en voor het overige wordt afgewezen. Het aansluitverzoek van mr. Boersma is afgewezen.
11. Vervolgens is de kroongetuige ter zitting als getuige gehoord in de zaak van verdachte [verdachte 5] . Na afloop van het verhoor hebben mrs. Dunsbergen en Van ‘t Land verzocht om hen gelegenheid te bieden zich nog uit te kunnen laten over de aanvullende stukken en het verhoor van de kroongetuige.
12. De rechtbank heeft vervolgens medegedeeld dat zo spoedig mogelijk schriftelijk zal worden beslist over de overige onderzoekswensen. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank. Voor de volledigheid zal de rechtbank hieronder eveneens de mondeling ter zitting van 6 februari 2024 gegeven beslissingen op de verzoeken tot het horen van de kroongetuige opnemen.
Beslissingen
In de zaken van alle verdachten
Voeging bij de processtukken en scenario
Inleiding
13. De rechtbank heeft in haar e-mailbericht aan procespartijen van 19 januari 2024 laten weten dat een van de scenario’s waar de rechtbank aan denkt het scenario is waarbij de nieuwe stukken – gelet op het late moment van voeging – in de eerste aanleg niet meer worden toegelaten als potentieel bewijsmiddel. In dat scenario zijn deze stukken alleen te gebruiken als hieruit ontlastende informatie kan worden gehaald of anderszins ter onderbouwing van een van de standpunten van de verdediging.
14. Het Openbaar Ministerie heeft bij e-mailbericht van 20 januari 2024 laten weten dat het zich in dit geschetste scenario kan vinden.
15. Dit scenario is ter zitting van 6 februari 2024 besproken met procespartijen. Enkele raadslieden hebben over dit scenario vragen gesteld, waaronder de vragen of de aanvullende stukken gevoegd zijn bij de processtukken, hoe de rechtbank de aanvullende stukken weegt voor het bewijs en of de rechtbank op voorhand kan laten weten welke stukken zij als belastend en welke zij als ontlastend beoordeelt.
Oordeel van de rechtbank
16. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende stukken door het Openbaar Ministerie ter voeging aan de rechtbank zijn gestuurd. De aanvullende stukken zijn relevant en daarom aan te merken als processtukken. Dat betekent dat de rechtbank deze stukken voegt bij de processtukken. Echter, nu de voeging zo kort voor de geplande vonnisdatum plaatsvindt, zal de rechtbank deze nieuwe stukken in eerste aanleg niet gebruiken als bewijsmiddel. In reactie op vragen van de verdediging geldt dat dit (dus) betekent dat de rechtbank de aanvullende stukken niet in belastende zin gebruikt. De rechtbank weegt de aanvullende stukken uitsluitend – ambtshalve dan wel op aangeven van de verdediging of het Openbaar Ministerie – in ontlastende zin mee. Als de verdediging de rechtbank wijst op onderdelen in de aanvullende stukken die haar standpunten kunnen ondersteunen, dan zal de rechtbank dat ook meewegen. De rechtbank zal niet op voorhand laten weten of, en zo ja, welke (delen uit die) stukken zij als ontlastend ziet maar daarover pas bij vonnis oordelen als zij daaraan toekomt. De door enkele raadslieden ingenomen stellingen dat deze werkwijze in strijd is met artikel 6 EVRM en/of dat verdachte hierdoor ‘een instantie’ mist om onderzoek te verzoeken en te laten uitvoeren naar potentiële bewijsmiddelen, volgt de rechtbank niet. Door de stukken in eerste aanleg alleen in ontlastende zin te gebruiken worden verdachten niet in hun verdedigingsrechten geschaad.
In de zaak van verdachte [verdachte 2]
Verzoek tot hervertaling van de Marokkaanse uitvoeringsstukken
Verzoek van de verdediging
17. De verdediging heeft verzocht om de uitvoeringsstukken uit Marokko opnieuw te laten vertalen. Daartoe is aangevoerd dat getwijfeld wordt aan de algehele betrouwbaarheid ervan vanwege de vele tekstuele onjuistheden, terwijl het gaat om een belastende verklaring van een medeverdachte. Gewezen wordt op de vermelding “de heer” in plaats van “mevrouw”, op “de Nederlandse RHV”, “voor zaak betreffende deelname aan een criminele organisatie”, “pardon en monitoring van misdrijven”, “originele rechtshulpverzoek”, “proces-verbalen van de uitvoering”, “de Nederlandse rechtshulpverzoek”, “nemen wij contact met de directeuren ervan” en “Over-Fert”.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
18. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het verhoor is in het Marokkaans genoteerd en daarna vertaald. Dat er taalfouten in voorkomen heeft te maken met de fonetische wijze waarop instanties, juridische termen, namen van personen en plaatsen in het Marokkaans door de Marokkaanse griffier zijn genoteerd. Dat heeft dus niet te maken met de vertaling van die aantekeningen. Er is geen reden om te twijfelen aan de kwaliteit van de vertaling.
Oordeel van de rechtbank
19. De rechtbank constateert dat de door de raadsman genoemde tekstuele onjuistheden overwegend ( kleine ) taalfouten betreffen. Voor het overige gaat het om een (kennelijk) fonetisch opgenomen Nederlandse plaatsnaam (“Over Fert”), die vanuit het Marokkaans weer naar het Nederlands is vertaald. Duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld. Niet gezegd kan worden dat hierdoor de vertaling niet betrouwbaar kan worden geacht. Het verzoek wordt afgewezen omdat er geen noodzaak is de vertaling opnieuw te laten doen.
Verzoeken tot het horen van getuigen
Verzoek van de verdediging
20. De verdediging heeft verzocht om het horen als getuige van [naam 1] , verdachte [verdachte 10] , verdachte [verdachte 8] , [verdachte 11] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte 11] ), [naam 2] (de rechtbank begrijpt: [naam 2] ), verdachte [verdachte 12] , [naam 3] en ‘ [naam 4] ’.
21. Ten aanzien van [naam 1] heeft de verdediging aangevoerd dat zij hem wenst te confronteren met zijn verklaringen. [naam 1] heeft het namelijk in zijn oktober verklaring over een zekere ‘ [verdachte 2] ’ die net als hij in [woonplaats] zou wonen, maar aan de andere kant dat hij zijn volledige naam niet kent, maar hem ook kent als [bijnaam 1] . Deze namen en omschrijvingen passen niet bij verdachte [verdachte 2] en indien [naam 1] dit ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigt, kan dat dus als ontlastend worden beschouwd. Daarnaast wenst de verdediging [naam 1] te confronteren met de berichten uit zijn telefoon waaruit volgt dat hij als enige betrokken was bij het volgen van de [naam 5] ’s en verdachte [verdachte 2] geen rol heeft gespeeld bij de liquidatie van [slachtoffer] . Het is een evident belang om hem hierover te bevragen nu die resultaten zeer mogelijk als ontlastend kunnen worden beschouwd. De verdediging wijst erop dat de rechter-commissaris in oktober 2022 heeft laten weten dat het horen van [naam 1] binnen 9 tot 12 maanden zou kunnen plaatsvinden, maar dat de rechtbank daar niets mee heeft gedaan. Dit is zonde omdat hij inmiddels wel had kunnen worden gehoord.
22. Ten aanzien van de overige getuigen heeft de verdediging aangevoerd dat deze personen voorkomen in de berichten die verkregen zijn uit de telefoons van [naam 1] en vermeend verdachte [verdachte 2] en de verdediging hen wenst te bevragen over wie de ‘ [naam 6] ’ betreft waarmee ze contact hebben gehad. Als zij zeggen dat ‘ [naam 6] ’ niet verdachte [verdachte 2] betreft, dan kan dit op vele vlakken als ontlastend worden beschouwd. In het rechtshulpverzoek dat ten behoeve van het horen van [naam 1] uit zal gaan kan het verzoek met betrekking tot de eveneens in Marokko gedetineerde [naam 3] worden meegenomen. Ten aanzien van de identiteit van ‘ [naam 4] ’ heeft de verdediging gesteld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het Openbaar Ministerie niet weet wie deze persoon is. Door dit bewust te verzwijgen, ontneemt het Openbaar Ministerie de verdediging de mogelijkheid hem te ondervragen, wat in strijd is met artikel 6 EVRM.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
23. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verzoeken tot het horen van de getuigen moet worden afgewezen. Ten aanzien van het horen van [naam 1] als getuige heeft het gewezen op de afwijzende beslissing van de rechtbank van 15 december 2022, waarin is overwogen dat een verhoor pas zinvol is als [naam 1] in Nederland zou zijn. Uit recente navraag bij het LIRC is het Openbaar Ministerie gebleken dat deze situatie nog niet veranderd is. Ten aanzien van het horen van de overige getuigen over de vraag of ‘ [naam 6] ’ verdachte [verdachte 2] is, geldt dat dit niet nieuw is. Het Openbaar Ministerie heeft dit in het requisitoir al betoogd en niet eerder is gevraagd om een verhoor van medeverdachten hierover.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [naam 1] als getuige
24. De rechtbank heeft in de beslissingen van 15 december 20222.naar aanleiding van de op de regiezitting van 6 december 2022 gedane verzoeken om [naam 1] als getuige te horen overwogen dat op dat moment niet te verwachten was dat de raadslieden zelf bij het verhoor in Marokko aanwezig konden zijn en mondeling vragen konden stellen, zoals zij wensten. De rechtbank had begrip voor die wens. Verder volgde uit het bericht van de raadsman van [naam 1] dat deze pas bereid was te verklaren nadat hij naar Nederland is overgebracht, en dat hij in Marokko niet, of niet naar waarheid, zou verklaren. Gelet op deze omstandigheden zag de rechtbank toen geen aanleiding om voort te gaan met het rechtshulpverzoek aan Marokko. Gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie is de situatie thans onveranderd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om anders te beslissen dan op 15 december 2022 en verwijst naar die beslissing.
Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de overige getuigen
25. Het onderwerp waarover de overige verzochte getuigen gehoord zouden moeten worden ziet op de identificatie van ‘ [naam 6] ’. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat het dossier al zeer geruime tijd chats bevat uit een PGP-toestel dat aan [naam 1] wordt toegeschreven en waar ‘ [naam 6] ’ in voorkomt. In dat PGP-toestel stonden ook chats van accounts die aan verdachte [verdachte 10] , [naam 3] , [naam 1] , verdachte [verdachte 8] , verdachte [verdachte 11] en ‘ [naam 4] ’ worden toegeschreven. In de contactenlijst van dat PGP-toestel stond ook het account ‘ [account] ’, dat de politie aan verdachte [verdachte 12] toeschrijft.3.De verdediging heeft niet eerder verzocht om het horen van getuigen over de identificatie van ‘ [naam 6] ’, ook niet nadat het Openbaar Ministerie bij het requisitoir in juni 2022 het standpunt heeft ingenomen dat ‘ [naam 6] ’ verdachte [verdachte 2] is. De verdediging heeft hierover bij pleidooi in september 2022 wel verweer gevoerd,4.maar zij heeft hieraan geen uitdrukkelijk verzoek, ook niet in voorwaardelijke zin, gekoppeld om hierover getuigen te horen. Nadien hebben er nog meerdere pro forma- en regiezittingen plaatsgevonden en ook daar zijn geen verzoeken gedaan in verband met de identificatie van ‘ [naam 6] ’. Onder deze omstandigheden bestaat geen noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen over dit onderwerp. Het verzoek tot het horen van de overige verzochte getuigen wordt daarom afgewezen.
Verzoek tot het verrichten van onderzoek naar schrijfstijl
Verzoek van de verdediging
26. De verdediging verzoekt een rapport op te laten maken door het NFI of door het University Centre for Linguistics in Leiden (LUCL) om de schrijfstijl van de gebruiker van het account ‘ [naam 6] ’ te vergelijken met die van vermeend verdachte [verdachte 2] in zaaksdossier Ster. De schrijfstijl van ‘ [naam 6] ’ verschilt wezenlijk van die van vermeend verdachte [verdachte 2] in dat zaaksdossier. Bovendien geeft ‘ [naam 6] ’ aan dat zijn vriendin in [woonplaats] woont, wat pertinent niet klopt met de situatie van verdachte [verdachte 2] .
Standpunt van het Openbaar Ministerie
27. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
28. De rechtbank stelt vast dat zich al een aantal chats van ‘ [naam 6] ’ in het dossier bevond. De verdediging heeft daarin toen geen aanleiding gezien om daarover om dergelijk onderzoek te vragen. De rechtbank ziet geen noodzaak om het gevraagde onderzoek te laten verrichten. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
In de zaken van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 5] en [verdachte 4]
Verzoeken tot het horen van de kroongetuige
Verzoeken van de verdediging
29. Namens verdachten [verdachte 3] en [verdachte 5] is naar aanleiding van de aanvullende stukken verzocht om het horen van de kroongetuige. De verdediging van verdachte [verdachte 4] heeft voorwaardelijk, namelijk – samengevat – als een verzoek tot onderzoek naar aanleiding van de resultaten van de telefoon van de kroongetuige wordt toegewezen, verzocht de gelegenheid te krijgen daarbij aan te sluiten.
Beslissingen van de rechtbank ter zitting van 6 februari 2024
30. De rechtbank heeft ter zitting van 6 februari 2024 de navolgende beslissingen op deze verzoeken genomen.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
31. Omdat het gaat om nieuwe stukken, waar de verdediging dus niet eerder onderzoekswensen over heeft kunnen indienen, zal de rechtbank het verzoek (materieel) toetsen aan het verdedigingsbelang-criterium. De kroongetuige heeft belastend verklaard over verdachte [verdachte 3] . In beginsel wordt het verdedigingsbelang dan ook voorondersteld.
32. De verdediging heeft de kroongetuige echter al verschillende malen ondervraagd, ook over het bestaan van de PGP-telefoon van de kroongetuige waarop de nieuwe stukken (voor zover hier van belang) zien. Onder die omstandigheid mag van de verdediging een concrete onderbouwing worden verwacht van haar belang bij het nogmaals ondervragen van de kroongetuige. De enkele wens om de geloofwaardigheid van de kroongetuige te toetsen is te algemeen om als concrete onderbouwing te gelden, zeker in het licht van de al uitgevoerde onderzoekswensen (waaronder eerdere verhoren van de kroongetuige over dat onderwerp) en het uitgebreide pleidooi van de verdediging over de betrouwbaarheid van de kroongetuige (p. 111-493 van de pleitnota). Dat de verdediging de vermeende betrokkenheid van verdachte [verdachte 3] bij ten laste gelegde liquidaties wil weerleggen, is op zich duidelijk. Daarmee is echter nog niet onderbouwd waarom de kroongetuige in de zaak van verdachte [verdachte 3] over de nieuwe stukken ondervraagd zou moeten worden. De rechtbank is dat ook niet duidelijk. De rechtbank merkt op dat in eerdere verhoren al aan de orde is gekomen dat verdachte [verdachte 5] boos zou zijn geweest omdat verdachte [verdachte 3] ‘ [bijnaam 2] ’ zou hebben geholpen om ‘ [bijnaam 3] ’ op te sporen buiten verdachte [verdachte 5] om. Het nader duiden van de persoon van de kroongetuige, zoals de verdediging wil, houdt op zichzelf onvoldoende verband met de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv om een verdedigingsbelang aan te nemen. Voor zover de duiding van de persoon van de kroongetuige betrekking heeft op diens betrouwbaarheid en daarmee op de bruikbaarheid voor het bewijs van zijn verklaringen, geldt wat hierboven is overwogen op dat punt. De rechtbank concludeert dat het verdedigingsbelang bij het gevraagde verhoor van de kroongetuige onvoldoende is onderbouwd. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 5] .
33. Omdat het gaat om nieuwe stukken, waar de verdediging dus niet eerder onderzoekswensen over heeft kunnen indienen, zal de rechtbank het verzoek (materieel) toetsen aan het verdedigingsbelang-criterium, voor zover het op de nieuwe stukken betrekking heeft. De verdediging wil de kroongetuige vragen stellen over de inhoud van de berichten, waaronder de vraag of hij de gebruiker [gebruiker] is en of de berichten gaan over de zaak Roos/Doorn, zoals de verdediging vermoedt. Voor het geval de berichten gaan over de zaak Roos/Doorn heeft de verdediging zaaksgerichte vragen geformuleerd. De rechtbank ziet het verdedigingsbelang en de kroongetuige kan over de inhoud van deze berichten worden ondervraagd. In dat kader kan dan ook aan de orde komen of dit wat de kroongetuige betreft alle berichten zijn dan wel of er nog meer berichten zijn geweest.
34. In het e-mailbericht stond nog het verzoek om de kroongetuige te horen over aan wie hij de telefoon heeft meegegeven. Dit onderwerp is al eerder aan de orde is geweest. Het noodzaakscriterium geldt daarvoor. Niet onderbouwd is waarom er daarover nog een nieuw verhoor moet plaatsvinden. Hierover mag de verdediging de kroongetuige dus niet horen.
In de zaak van verdachte [verdachte 4]
35. De rechtbank vindt het aansluitingsverzoek van mr. Boersma onvoldoende onderbouwd en wijst dat dan ook af.
In de zaken van verdachten [verdachte 3] en [verdachte 5]
Verzoeken met betrekking tot de ontsleuteling van de PGP-berichten
Verzoek van de verdediging
36. Mr. Meijering heeft het Openbaar Ministerie verzocht – samengevat – om uitleg te geven waarom het ontsleutelen nu wel is gelukt, de achterliggende bevindingenrapportage van het NFI beschikbaar te laten komen en de vragen te beantwoorden of dit de enige berichten op deze PGP-telefoon zijn, of de PGP-telefoon niet eerder of later is gebruikt en of het NFI verder gaat met onderzoek naar de inhoud van de PGP-telefoon.
37. Mrs. Dunsbergen en Van ’t Land hebben verzocht om het horen van een betrokken verbalisant dan wel om nadere informatie te verkrijgen van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de vraag hoe het proces van ontsleuteling van de PGP-berichten is verlopen. De vragen waar de verdediging antwoord op wenst zijn: Waarom was dit eerder in 2019 (nog) niet mogelijk? Sinds wanneer is dit wel mogelijk geworden? Welke pogingen zijn er tussentijds ondernomen? Welke (technieken) zijn hiervoor gebruikt? Betreffen dit alle berichten uit de telefoon? Zijn er nog meer berichten? Wordt er nog steeds nader onderzoek verricht c.q. pogingen gedaan meer berichten te ontsleutelen en/of veilig te stellen? Wanneer zijn deze berichten zichtbaar geworden? Is er nog nader onderzoek gedaan naar de inhoud van deze berichten? Is de kroongetuige hiermee geconfronteerd? Zo ja welk onderzoek is verricht en wat is hieruit gekomen? Zo nee waarom niet?
Standpunt van het Openbaar Ministerie
38. Het Openbaar Ministerie heeft uiteengezet dat de PGP-toestellen zijn veiliggesteld door het NFI, zoals blijkt uit de processen-verbaal die nu zijn gevoegd. Door de opsporing wordt continue gekeken hoe inbeslaggenomen PGP-toestellen kunnen worden geopend en hoe ontsleutelde berichten leesbaar kunnen worden gemaakt. Daarvoor zijn naast het wachtwoord op het toestel, ook bepaalde wachtwoorden nodig die toegang geven tot de private key, waarmee de berichten zelf kunnen worden ontsleuteld. Onlangs heeft de opsporing de benodigde wachtwoorden van deze PGP-toestellen kunnen kraken en is men in staat gebleken berichten die eerder niet ontsleuteld konden worden toch te lezen. Op 2 januari 2024 heeft het Openbaar Ministerie vernomen dat het gelukt was berichten te ontsleutelen. Vervolgens moest er een veiligheidscheck worden gedaan en een proces-verbaal worden opgesteld. De berichten zijn na ontvangst door het Openbaar Ministerie zo spoedig mogelijk met procespartijen gedeeld. Er is geen reden om aan de juistheid van de berichten te twijfelen. In dit kader wordt verwezen naar paragraaf 5.2.4 van het requisitoir waarin uiteen is gezet dat alleen de juiste sleutel een leesbaar bericht oplevert. Het voortschrijden van de techniek en de verbetering van de kennis bij de opsporing levert steeds weer nieuwe resultaten op. Om die reden kan niet uitgesloten worden dat versleutelde berichten in de toekomst alsnog ontsleuteld zullen worden.
Oordeel van de rechtbank
39. De verzoeken lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk op vragen van de verdediging heeft gereageerd en heeft toegelicht dat de berichten op de (door het NFI veiliggestelde) PGP-toestellen door de opsporing zijn ontsleuteld. In de kern komen de verzoeken erop neer dat de verdediging wil kunnen controleren of de weergave van de thans ontsleutelde berichten juist en betrouwbaar is. Hierover bevat het dossier echter al voldoende informatie. De rechtbank is de noodzaak voor nader onderzoek of nadere beantwoording van vragen hierover dan ook niet gebleken. Voor zover de verzoeken van de verdediging aan de rechtbank zijn gericht, worden deze daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoek om zich nader uit te mogen laten over de nieuwe stukken
40. Mr. Meijering heeft ter zitting van 6 februari 2024 verzocht – zo begrijpt de rechtbank – om de gelegenheid te krijgen zich nader uit te laten over de aanvullende stukken. Hoewel de verdediging daartoe reeds de gelegenheid heeft gehad, namelijk tot 1 februari 2024 ten behoeve van de zitting van 6 februari 2024 en op de zitting van 6 februari 2024, zal de rechtbank de verdediging alsnog de gelegenheid geven om zich, desgewenst, nader uit te laten over deze stukken bij gelegenheid van de (sluitings)zitting op 14 februari 2024. Gelet op de stand van de procedure dient deze nadere uitlating op voorhand op schrift uiterlijk op dinsdag 13 februari 2024 om 12:00 uur aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie te worden verzonden. Als de verdediging van deze gelegenheid gebruik maakt, zal de gelegenheid voor de verdachten om het laatste woord te voeren later op die zitting aanvangen.
In de zaak van verdachte [verdachte 5]
Verzoek om zich nader uit te mogen laten over de nieuwe stukken en het verhoor van de kroongetuige daarover
41. Mrs. Dunsbergen en Van ’t Land hebben ter zitting van 6 februari 2024 verzocht de gelegenheid te krijgen zich nader uit te laten over de aanvullende stukken en het verhoor van de kroongetuige daarover. De rechtbank stelt de verdediging daartoe in de gelegenheid op de (sluitings)zitting van 14 februari 2024. Gelet op de stand van de procedure dient deze nadere uitlating op voorhand op schrift uiterlijk op dinsdag 13 februari 2024 om 12:00 uur aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie te worden verzonden. Als de verdediging van deze gelegenheid gebruik maakt, zal de gelegenheid voor de verdachten om het laatste woord te voeren later op die zitting aanvangen.
In de zaken van alle verdachten
42. Gelet op de hiervoor weergegeven beslissingen ziet de rechtbank geen aanleiding de vonnisdatum van 27 februari 2024 uit te stellen.
43. Met betrekking tot de gedane voorwaardelijke verzoeken over de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank als volgt. De voorwaarde waaronder deze verzoeken zijn gedaan – te weten: als de rechtbank tot uitstel van de vonnisdatum komt – is niet vervuld. Deze verzoeken behoeven daarom geen bespreking.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑02‑2024
ECLI:NL:RBAMS:2022:7541, r.o. 12-24.
In het dossier (ZD03 (PGP), p. 1213) wordt gerelateerd dat de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] aan [verdachte 12] toegeschreven PGP-e-mailadres opslaat onder de naam ‘ [account] ’.
Pleitaantekeningen [verdachte 2] d.d. 26 en 28 september 2022, p. 93.
Uitspraak 27‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken van verdachten: naam verdachte 1, naam verdachte 2, naam verdachte 3, naam verdachte 4, naam verdachte 5 en naam verdachte 6 in 26Marengo, besproken op de pro formazitting van 21 december 2023
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken van verdachten [naam verdachte 1] , [naam verdachte 2] , [naam verdachte 3] , [naam verdachte 4] , [naam verdachte 5] en [naam verdachte 6] , besproken op de pro formazitting van 21 december 2023
Procesverloop
1. Bij e-mailbericht van 14 december 2023 heeft mr. Ruperti mede namens mrs. Van der Biezen en Van Berge Henegouwen namens verdachte [naam verdachte 6] een aantal onderzoekswensen ingediend. Op 18 december 2023 hebben zij de rechtbank per e-mailbericht laten weten dat zij in overleg met verdachte [naam verdachte 6] hebben besloten de verdediging in de zaak Marengo per direct neer te leggen. Zij hebben daarbij een brief van verdachte [naam verdachte 6] gevoegd waarin dit door hem wordt bevestigd. De raadslieden hebben daarbij geschreven dat de op 14 december 2023 ingediende onderzoekswensen op verzoek van verdachte [naam verdachte 6] worden gehandhaafd en dat verdachte [naam verdachte 6] graag te zijner tijd de beslissing daarop verneemt. In dat verband is namens verdachte [naam verdachte 6] het verzoek gedaan eventuele beslissingen of berichten aan hem te doen toekomen via mr. Ruperti, die bereid is als aanspreekpunt voor de griffie te fungeren. Afsluitend is bericht dat verdachte [naam verdachte 6] laat weten dat hij tijdens het verdere verloop van het Marengo proces in eerste aanleg geen andere advocaten zal aanzoeken en een eventuele toe te wijzen advocaat niet zal accepteren. Het Openbaar Ministerie heeft op 19 december 2023 schriftelijk op de onderzoekswensen gereageerd en daarbij laten weten dat deze reactie aan mr. Ruperti zal worden verstrekt ten behoeve van de doorgeleiding ervan naar verdachte [naam verdachte 6] .
2. Mr. Heuvelmans heeft bij e-mailberichten van 14 en 20 december 2023 namens verdachte [naam verdachte 1] een verzoek ten aanzien van de voorlopige hechtenis gedaan en dit ter zitting van 21 december 2023 toegelicht.
3. Mr. Van ’t Land heeft namens verdachte [naam verdachte 5] eerdere afgewezen onderzoekswensen herhaald ter zitting van 21 december 2023.
4. Mrs. Meijering en Flokstra hebben, mede namens mr. De Vries, ter zitting van 21 december 2023 namens verdachten [naam verdachte 2] , [naam verdachte 3] en [naam verdachte 4] een onderzoekswens ingediend.
5. Ter terechtzitting van 21 december 2023 heeft het Openbaar Ministerie gereageerd op de ter zitting gedane en toegelichte verzoeken. Daarna is voor zover nodig gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid voor re- en dupliek. De rechtbank heeft vervolgens medegedeeld dat zo spoedig mogelijk zal worden beslist. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank.
Beslissingen
In de zaak van verdachte [naam verdachte 6]
Verzoeken met betrekking tot het ontstaan van het letsel van verdachte [naam verdachte 6] en zijn overbrenging naar Nederland naar aanleiding van de op 4 december 2023 verspreide uitvoeringsstukken uit de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE)
Inleiding
6. Op een eerste rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de VAE van 11 december 2020 is door hen op 31 mei 2021 geantwoord. Naar aanleiding van deze beantwoording heeft de rechtbank bij beslissing van 8 november 20211.een aantal vervolgvragen met betrekking tot verdachte [naam verdachte 6] gesteld ten behoeve van het in te dienen aanvullende rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de VAE. Deze (vervolg)vragen zijn vervolgens opgenomen in het op 10 december 2021 aan de VAE gezonden rechtshulpverzoek. Op 2 oktober 2023 hebben de autoriteiten van de VAE met vermelding van de (vertaalde) vraagstelling hun antwoord daarop gegeven. Een en ander luidt in de vraag- en antwoordvorm als volgt:
“1. In uw antwoord verstuurd op 31 mei 2021 [op de vraag] of de verdachte [naam verdachte 6] documenten ondertekend heeft en of het mogelijk is die te bekomen, was uw antwoord dat hij maar één document ondertekend heeft, te weten “geen bezwaar” tegen zijn uitlevering aan de Nederlandse autoriteiten. De verdediging heeft laten weten dat de verdachte te maken heeft gehad met meerdere niet ondertekende documenten. Als dat zo is, is het mogelijk (kopieën van) deze documenten te krijgen? Als het niet toegestaan is ons deze documenten te doen toekomen, kunt u dan de inhoud van die documenten omschrijven?
Antwoord: De persoon in kwestie heeft twee documenten ondertekend, ten eerste het document van verklaring, en ten tweede het document van geen bezwaar tegen zijn uitlevering aan de Nederlandse autoriteiten ingevolge de internationale Red Notice omdat hij door hen gezocht werd, conform de wettelijke procedures.
2. Is de verdachte [naam verdachte 6] ondervraagd door de politie van Dubai over bepaalde feiten waarvan hij in Nederland beschuldigd wordt en waarvoor hij is aangehouden? Zo ja, werd de politie van Dubai bij die ondervraging bijgestaan door Nederlandse rechercheurs? Als de verdachte [naam verdachte 6] door de politie van Dubai verhoord is over bepaalde feiten waarvan hij in Nederland beschuldigd wordt en van dit verhoor op papier verslag is opgemaakt, is het mogelijk (kopieën van) deze documenten te krijgen? Als het niet toegestaan is, kunt u dan de inhoud van die verhoren omschrijven?
Antwoord: Ten eerste is de politie van Dubai door geen enkele buitenlandse instantie bijgestaan bij de ondervraging van de verdachte. De verdachte werd ondervraagd over de inhoud van de Red Notice, en de omschrijving van de inhoud is als volgt, dat hij ervan op de hoogte werd gesteld dat hij gezocht wordt door de Nederlandse autoriteiten. De verdachte werd ondervraagd over de details zoals genoemd in de Red Notice en hij verklaarde dat hij die misdrijven niet heeft begaan. Dat is wat zich heeft voorgedaan bij de ondervragingsprocedure, conform de wettelijke procedures.
3. In uw antwoord verzonden op 31 mei 2021 op de vraag of er informatie (foto’s, fotografisch materiaal en kopieën van ondertekende documenten) was die naar ons verzonden kan worden betreffende de aanhouding van de verdachte en zijn voorlopige hechtenis en de behandeling van [naam verdachte 6] , hebt u laten weten dat de hechtenis van de verdachte niet gedocumenteerd was door foto’s of video-opnamen. Voor de rechtbank is het niet duidelijk of dat ook geldt voor de aanhouding en de overbrenging naar het politiebureau, en de uitlevering aan de Nederlandse autoriteiten op het vliegveld, of niet. Zijn er foto’s genomen of filmpjes gemaakt gedurende de aanhouding van de verdachte [naam verdachte 6] in het huis, zijn vervoer naar het politiebureau en zijn uitlevering aan de Nederlandse autoriteiten op het vliegveld? Als dat zo is, is het mogelijk ons een exemplaar daarvan te doen toekomen?
Antwoord: Al eerder werd op deze vraag geantwoord dat de feitelijke arrestatie-operatie niet is gedocumenteerd met foto’s of wetenschappelijk2.materiaal, omdat de verdachte gezocht werd door een ander land. De operatie van aanhouding en gevangenneming is verricht in overeenstemming met onze wettelijke procedures en de verdachte werd humaan behandeld. Na afronding van alle procedures is hij uitgeleverd aan de Nederlandse delegatie.
4. Tijdens de reis van de verdachte [naam verdachte 6] van Dubai naar Nederland constateerde een arts dat zijn neus gezwollen was en dat de kleur van de oogkas anders was. Bij verder onderzoek op 19 december 2019 door een andere arts in Nederland is gebleken dat zijn neus gebroken was. Daarnaast concludeerde deze arts dat de kleur van de huid van het voorhoofd en de slaap anders was in een gebied ter grootte van ongeveer 10 x 7 centimeter. Dit gebied strekt zich uit van de rechterwenkbrauw tot de grens van het hoofdhaar met het voorhoofd, en aan de zijkant ook onder en buiten de rechterooghoek. Ook bevindt zich op het bovenlichaam beschadigde huid (op de schouder en de rechterkant van het achterwerk – de rechterbil), die qua oppervlak en omvang past bij het gebruik van een verdovingspistool. Het blijkt dat er een
kleurverandering in de huid van het achterwerk is op het onderste deel binnen. Er is een huidbeschadiging aan de achterkant van het onderste deel van beide benen. Weet u hoe en wanneer dit gebeurd is bij de verdachte [naam verdachte 6] ? Als het antwoord ja is, kunt u daarvan een schriftelijk verslag naar Nederland sturen om bij de rechtbank in te dienen?
Antwoord: bij de uitlevering van de verzochte persoon had hij geen enkele wond, gezien het feit dat er een arts bij het Veiligheidsgezantschap aanwezig was. En ook al zou hij verwondingen hebben, dan zouden wij toentertijd door de arts en het Veiligheidsgezantschap op de hoogte gesteld zijn, maar wij zijn daarvan niet op de hoogte gesteld.”
Verzoek van de verdediging
7. De verdediging verzoekt om de door de voormalig raadsvrouw van verdachte [naam verdachte 6] in haar pleitnota’s van 14 januari 2021 en 21 september 2021 en op 13 oktober 2021 gedane onderzoekswensen inzake de aanhouding, bejegening gedurende de operatie (en het daarbij toegebrachte letsel) en de overbrenging van verdachte [naam verdachte 6] naar Nederland toe te wijzen.
Ook verzoekt de verdediging, onder verwijzing naar de pleitnotities van 13 december 2022 van de voormalig raadsvrouw van verdachte [naam verdachte 6] , om het verhoor van alle betrokkenen aan de kant van de Nederlandse autoriteiten bij de verkapte uitlevering/uitzetting van verdachte [naam verdachte 6] . De verdediging stelt daartoe – kort samengevat – dat de recent ontvangen beantwoording van vragen in het aanvullende rechtshulpverzoek van 10 december 2021 daar aanleiding toe geeft. Volgens de VAE zijn zijzelf niet verantwoordelijk voor het toegebrachte letsel bij verdachte [naam verdachte 6] . Daarom rijst de vraag wie verantwoordelijk is voor het aan verdachte [naam verdachte 6] toegebrachte letsel en waar en wanneer dit letsel is toegebracht.
Ook spreken de autoriteiten van de VAE in hun beantwoording herhaaldelijk van een uitlevering. Dit terwijl het Openbaar Ministerie blijft beweren dat er sprake is van een uitzetting.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
8. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het letsel van verdachte [naam verdachte 6]
9. De rechtbank stelt vast dat verdachte [naam verdachte 6] zelf uitvoerig heeft verklaard over het ontstaan van het bij hem geconstateerde letsel, namelijk dat dit is ontstaan tijdens zijn arrestatie en detentie in Dubai. Ook zijn over de aard van het letsel van verdachte [naam verdachte 6] rapporten opgemaakt door een forensisch arts. De forensisch arts heeft over het ontstaan van het letsel in die rapporten verslag gedaan. Deze verklaringen en rapporten maken deel uit van het (persoons)dossier van verdachte [naam verdachte 6] . Voorts bevat het (persoons)dossier onder andere ook een verhoor bij de rechters-commissarissen van de trauma-arts die aanwezig was gedurende de vlucht van [naam verdachte 6] naar Eindhoven en (aansluitend) Vught. In het licht van de informatie die zich reeds in het (persoons)dossier bevindt, ziet de rechtbank in de beantwoording door de autoriteiten van de VAE geen verdedigingsbelang bij toewijzing van de destijds door de toenmalig raadvrouw van verdachte [naam verdachte 6] gedane verzoeken. Het verzoek om deze onderzoekswensen alsnog toe te wijzen, wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van het horen van getuigen over de ‘(verkapte) uitlevering’
10. De rechtbank stelt vast dat het dossier stukken en meerdere processen-verbaal van personen bevat die betrokken zijn geweest bij de opsporing en (uiteindelijke) overdracht van verdachte [naam verdachte 6] aan Nederland. Ook hebben verhoren van de liaison officer bij de rechters-commissarissen plaatsgevonden. In de omstandigheid dat in de recente beantwoording door de autoriteiten van de VAE door hen meerdere keren het woord ‘uitlevering’ wordt gebruikt, ziet de rechtbank geen verdedigingsbelang bij het (nader) horen van de verzochte getuigen. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de stukken het woord ‘uitlevering’ al voorkwam, het gebruik van die term door de autoriteiten van de VAE in zoverre dus niet nieuw is en de processen-verbaal inzicht geven in hoe de Nederlandse autoriteiten destijds hebben geacteerd op de informatie die na de aanhouding van verdachte [naam verdachte 6] aan hen is verstrekt. De toenmalige raadsvrouw van verdachte [naam verdachte 6] heeft mede op basis van al deze dossierinformatie uitvoerig bepleit dat er sprake is geweest van een ‘verkapte uitlevering’ en de rechtbank zal daarop in haar vonnis ingaan. Het verzoek tot het horen van de verzochte getuigen wordt afgewezen.
In de zaken van verdachten [naam verdachte 2] , [naam verdachte 3] en [naam verdachte 4]
Verzoek tot het indienen van een aanvullend rechtshulpverzoek aan de VAE
Inleiding
11. Bij de reeds aangehaalde beslissing van 8 november 2021 heeft de rechtbank over de antwoorden van de autoriteiten van de VAE over de Dubai-observatie op het eerdere rechtshulpverzoek van 11 december 2020 al geoordeeld dat deze antwoorden erg summier zijn en geen inzicht geven in wat er zich heeft afgespeeld in Dubai tijdens de observatie van mrs. Meijering en Van Kleef. De rechtbank heeft zich toen voorgesteld dat in het op te stellen aanvullende rechtshulpverzoek een aantal nieuwe zo concreet mogelijke vragen worden gesteld, te weten:
Op basis van welke informatie heeft de observatie van mrs. N.C.J. Meijering en L.J.B.G. van Kleef plaatsgevonden?
Op welke datum en welk tijdstip is de observatie aangevangen?
Hoe vaak en hoe lang is geobserveerd?
Op welke datum en welk tijdstip is de observatie geëindigd?
Op welke plaatsen is precies geobserveerd? Is er op meer plekken dan de lobby van een hotel geobserveerd en zo ja, waar nog meer?
Is er een schriftelijk verslag gemaakt van observatie? Indien het antwoord ja is, kan dit schriftelijk verslag aan de rechtbank worden verstrekt?
Zijn er – los van de reeds gedeelde foto’s – nog andere foto’s van de observatie gemaakt?
Zijn er (film)beelden van de observatie gemaakt?
Zijn er andere technische hulpmiddelen gebruikt bij de observatie? Indien het antwoord ja is, kunnen deze foto’s, filmbeelden of resultaten van het gebruik van andere technische hulpmiddelen aan de rechtbank worden verstrekt?
Is er andere informatie beschikbaar over de observatie die aan de rechtbank kan worden verstrekt?
Deze vragen zijn vervolgens nagenoeg gelijkluidend in het aanvullende rechtshulpverzoek van 10 december 2021 aan de autoriteiten van de VAE gesteld.
12. Op 2 oktober 2023, aan de rechtbank en verdediging op 4 december 2023 verstrekt, hebben de autoriteiten van de VAE deze vragen als volgt beantwoord:
“De vragen 1 tot 10: Er is geen bepaald persoon geobserveerd. Conform het gestelde in het Wetboek Strafvordering zijn functionarissen van de gerechtelijke handhaving, waaronder politieagenten, elk op het gebied van de eigen bevoegdheid gemachtigd om naspeuringen te verrichten en onderzoek te doen naar aangeklaagden en verdachten om hen te vervolgen teneinde het misdrijf en de daders daarvan aan het licht te brengen. Onder de procedures van de politie vallen het zoeken en naspeuring doen naar een internationaal gezocht persoon, en er is geen bepaald persoon geobserveerd. De aard van het werk van de handhavingsfunctionarissen is dat zij de gewoonlijke procedures volgen bij de observatie van gezochte personen en personen die in relatie staan tot gezochte personen, totdat de hoofdverdachte gelokaliseerd is en opgepakt.”
Standpunt van de verdediging
13. De verdediging verzoekt – samengevat – het Openbaar Ministerie op te dragen bij voorkeur direct via de minister van Justitie en Veiligheid, die immers internationale betrekkingen met Marokko en Dubai belangrijk vindt en die landen ook bezoekt, de tien vragen opnieuw te laten stellen en er daarbij op te laten wijzen welk antwoord er is gekomen en welke informatie over de observatie al in het dossier zit. Uit die informatie blijkt al dat er een observatie op mrs. Meijering en Van Kleef is geweest. De beantwoording door de autoriteiten van de VAE is daarom – ruw gezegd – een leugen en ‘een dikke vinger’ naar Nederland. De verdediging stelt in dit verband dat zij, anders dan het Openbaar Ministerie, in die beantwoording niet leest dat ‘bepaalde persoon’ ook op verdachte [naam verdachte 6] zou kunnen slaan. Aangezien er inmiddels een verdrag met de VAE is gesloten, is er temeer reden om deze vragen opnieuw te laten stellen. De verdediging heeft daarbij de wens om zich aan de hand van de beslissing op haar verzoek te beraden. De verdediging heeft immers mede op grond van de Dubai-observatie bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het eventuele ontbreken van vervolgstappen van het Openbaar Ministerie of (ambtshalve) onderzoek door de rechtbank wenst zij daarbij dan misschien te betrekken.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
14. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De antwoorden vanuit Dubai zijn heel kort en er is niet uitgebreid ingegaan op de vragen die de rechtbank heeft gesteld. Het antwoord kan overigens op verschillende manieren worden geduid. Het hoeft niet zo te zijn dat de rechtbank wordt bedrogen, zoals de raadslieden stellen, omdat het antwoord niet uitsluit dat er een observatie heeft plaatsgevonden. Anders gezegd: de observatie van mrs. Meijering en Van Kleef was juridisch niet op hen gericht maar gericht op een gewenste situatie, namelijk de aanhouding van verdachte [naam verdachte 6] . En verdachte [naam verdachte 6] (die bepaalde persoon) is daarbij niet gezien. Wat daar ook van zij: met dit antwoord zullen we het moeten doen en de rechtbank moet hieraan de conclusies verbinden die zij geraden acht. Van een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan geen sprake zijn omdat van Nederlandse zijde uitgebreid verslag is gedaan van en verantwoording is afgelegd over de gang van zaken. Voor zover het antwoord van de VAE als misleiding zou worden beschouwd, kan dat het Openbaar Ministerie niet worden toegerekend in de vorm van een niet-ontvankelijkheid.
Oordeel van de rechtbank
15. De rechtbank stelt vast dat haar vragen, die uitgebreid en gedetailleerd waren, erg kort zijn beantwoord. De rechtbank acht dit onbevredigend maar ziet hierin geen aanleiding om het verzoek van de verdediging toe te wijzen. Allereerst merkt de rechtbank op dat zij het Openbaar Ministerie niet kan opdragen een rechtshulpverzoek rechtstreeks via de minister van Justitie en Veiligheid onder de aandacht van de autoriteiten van de VAE te laten brengen. Voor het indienen van een nieuw (aanvullend) rechtshulpverzoek zouden de gebruikelijke wegen, via AIRS, bewandeld moeten worden. Maar los daarvan geldt dat de rechtbank – vanwege dit recent ontvangen korte antwoord – niet verwacht dat het herhaald stellen van dezelfde vragen thans wel tot uitgebreider beantwoording zal leiden, ook niet als daarbij wordt gewezen op de overige beschikbare informatie die bekend is over de observatie van de raadslieden. Ook weegt daarbij mee dat beantwoording niet op aanvaardbare termijn valt te verwachten. Het heeft immers bijna twee jaar geduurd voordat dit antwoord kwam. De omstandigheid dat inmiddels een verdrag is gesloten met de VAE maakt dit niet wezenlijk anders. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal bij vonnis op basis van hetgeen zich thans aan informatie over de Dubai-observatie in het dossier bevindt en hetgeen daarover is bepleit en aangevoerd, beslissen op de in dit verband gevoerde verweren.
In de zaak van verdachte [naam verdachte 5]
Herhaalde verzoeken
Verzoek van de verdediging
16. De verdediging heeft opnieuw verzocht om – kort gezegd – een aanvullend verhoor van de kroongetuige en het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepassing van de kroongetuigenregeling. Daarbij heeft de verdediging benadrukt dat met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld dat criteria als proceseconomie en voortgang van de zaak toewijzing van die verzoeken niet in de weg hadden hoeven zitten. Een aanvullend verhoor van de kroongetuige had allang vormgegeven kunnen worden en ook had er al een antwoord van de Hoge Raad, die volgens de verdediging snakt naar prejudiciële vragen, kunnen zijn. Ook is opnieuw verzocht om de verkrijging van het psychologisch rapport over de kroongetuige en het (laten) beantwoorden van de door de verdediging gestelde vragen over de met de kroongetuige gemaakte financiële afspraken. Ondanks de eerdere afwijzingen van de rechtbank wordt verzocht de gedane verzoeken (alsnog) toe te wijzen en uit te laten voeren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
17. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de (herhaalde) verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
18. De rechtbank stelt vast dat de verdediging opnieuw haar eerdere verzoeken heeft herhaald zonder daaraan nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag te leggen. De rechtbank wijst deze verzoeken om die reden opnieuw af onder verwijzing naar haar eerdere beslissingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de verzoeken – anders dan de verdediging stelt – niet zijn afgewezen op proceseconomische gronden.
In de zaak van verdachte [naam verdachte 1]
Verzoek tot het laten vervallen van de grond ‘vluchtgevaar’
Standpunt van de verdediging
19. Namens verdachte [naam verdachte 1] is aandacht gevraagd voor de door de rechtbank bij beslissing van 13 september 2021 toegevoegde grond vluchtgevaar als grond voor de voorlopige hechtenis. Door deze beslissing is zijn zogeheten GVM-status wezenlijk negatief beïnvloed. De verdediging verzoekt deze grond te laten vervallen omdat deze ten onrechte is toegevoegd. De overweging van de rechtbank in die beslissing dat ‘De enkele omstandigheid dat verdachte, als hij op vrije voeten is, mogelijk de beschikking heeft (of krijgt) over valse (reis)papieren, rechtvaardigt reeds de grond vluchtgevaar. Het gegeven dat hij naast de vervolging in Nederland mogelijk ook nog in Marokko zal worden vervolgd voor betrokkenheid bij een levensdelict, maakt het risico dat verdachte zich – anders dan door hem voorgespiegeld – onvindbaar zal willen maken voor politie en justitie, alleen maar groter’ is zeer algemeen. Deze motivering geldt eigenlijk voor elke verdachte die mogelijke connecties heeft met het buitenland of een zware straf te duchten heeft. Bovendien wijst de verdediging erop dat een medeverdachte ook over valse papieren beschikte maar zelfs is geschorst. Ook wijst de verdediging erop dat verdachte [naam verdachte 1] , ondanks dat hij wist van een Marokkaans uitleveringsverzoek voor verdachte [naam verdachte 7] waarin stond dat Marokko ook de uitlevering van hemzelf zou hebben verzocht en ondanks dat hij door de aanhouding van zijn broer wist dat hij voor de zaak Marengo zou worden aangehouden en zijn vrouw bovendien op het punt stond te bevallen, niet is gevlucht. Het voorgaande moet leiden tot het laten vervallen van de grond vluchtgevaar.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
20. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verdachte [naam verdachte 1] heeft juist vanwege de detentie van zijn broer [naam verdachte 8] niet kunnen vluchten omdat zowel het valse paspoort als het valse rijbewijs op naam stond van zijn broer. Verdachte [naam verdachte 1] wist bovendien dat hij zelf aangehouden zou worden, dus vluchten op zijn eigen papieren was ook niet mogelijk. Het Openbaar Ministerie wijst er nog op dat de grond vluchtgevaar niet één op één gelijk is aan de grond ‘ontvluchtingsgevaar/bevrijding van buitenaf’ uit de GVM-circulaire. Door de Dienst Justitiële Inrichtingen wordt zelfstandig getoetst of er feiten en omstandigheden zijn waaruit blijkt dat een gedetineerde zal ontsnappen of zal worden bevrijd uit de gevangenis. Daarbij kan meewegen dat de rechtbank de grond vluchtgevaar heeft aangenomen, maar bepalend is het daarvoor niet. In detentie had [naam verdachte 1] al sinds 2019 – dus ruim voordat de grond vluchtgevaar door de rechtbank werd toegevoegd – de GVM-status, onder meer gebaseerd op zijn geslaagde ontsnapping uit de penitentiaire inrichting [naam PI] in 2009.
Oordeel van de rechtbank
21. De rechtbank is van oordeel dat de grond vluchtgevaar nog altijd aanwezig is. De verdediging mag de eerdere overweging van de rechtbank (te) algemeen vinden, maar deze geldt onverkort, met de kanttekening dat de rechtbank bij beslissing van 22 juni 2022 heeft vastgesteld dat Marokko niet om de uitlevering van verdachte [naam verdachte 1] heeft gevraagd. De rechtbank heeft in de beslissing van 13 september 2021 wel nog gewezen op het feit dat verdachte al eens – in 2009 – ontsnapt is uit een penitentiaire inrichting. Dat is, zoals de rechtbank toen overwoog, weliswaar langer geleden maar geeft wel een indicatie dat verdachte bereid is te vluchten voor justitie. Ook dit geldt nog onverkort. De rechtbank is ten slotte niet anders gaan kijken naar de aanwezigheid van het vluchtgevaar door de stellingen dat verdachte wist van zijn ophanden zijnde aanhouding en de informatie over hem in het uitleveringsverzoek van verdachte [naam verdachte 7] en dat zijn vrouw hoogzwanger was en hij desalniettemin niet is gevlucht. In dit verband onderschrijft de rechtbank de stelling van het Openbaar Ministerie in zoverre dat verdachte op dat moment ook moeilijk kón vluchten. Niet op zijn eigen documenten omdat hij gezocht werd en ook niet op de valse documenten op naam van zijn broer omdat die toen vastzat. De vergelijking met een geschorste medeverdachte die (ook) over valse documenten zou hebben beschikt, kan daaraan niet afdoen, ook al niet omdat van gelijke gevallen geen sprake is. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om de grond vluchtgevaar te laten vervallen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑12‑2023
De vertaler heeft over dit woord opgemerkt dat het vermoedelijk een typo is en – zo begrijpt de rechtbank – dat in plaats van het woord ‘wetenschappelijk’, het woord ‘operationeel’ gelezen moet worden.
Uitspraak 01‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 22 november 2023
Partij(en)
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken van verdachte [verdachte] in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 22 november 2023
Procesverloop
1. [voormalige raadsvrouw] heeft op 19 april 2023 voorafgaand aan de dupliek een aantal regie- en onderzoekswensen ingediend namens onder andere verdachte [verdachte] . Het Openbaar Ministerie heeft daarop op 10 mei 2023 schriftelijk gereageerd. Bij beslissing van 19 juli 20231.heeft de rechtbank bepaald dat de nieuwe raadslieden van verdachte [verdachte] , mrs. A.S. van der Biezen, S.T. van Berge Henegouwen en M.P.K. Ruperti, tot uiterlijk 15 september 2023 de gelegenheid krijgen schriftelijk te reageren op de ‘Reactie OM op onderzoekswensen van 10 mei 2023’. Bij e-mailbericht van 14 september 2023 hebben zij dit kort gedaan en daarbij laten weten dat zij de gelegenheid willen krijgen om ter zitting van 6 oktober 2023 nader te reageren op de reactie van het Openbaar Ministerie van 10 mei 2023.
2. Op 6 oktober 2023 heeft een pro forma-/regiezitting plaatsgevonden in de zaken van alle verdachten in Marengo. Op die zitting heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte] de door hen meegebrachte getuige [naam getuige] . te horen afgewezen. Vervolgens hebben de raadslieden de rechtbank gewraakt. Dit wrakingsverzoek is afgewezen bij beslissing van 8 november 2023.2.Teneinde de raadslieden de gelegenheid te geven hun verzoeken en toelichtingen – die zij vanwege de schorsing van het onderzoek na het wrakingsverzoek niet meer op 6 oktober 2023 konden doen – alsnog te doen heeft de rechtbank in de zaak van verdachte [verdachte] een regiezitting bepaald op 22 november 2023.
3. Voorafgaand aan deze regiezitting op 22 november 2023 hebben de raadslieden hun pleitnota’s met bijlagen aan de rechtbank gezonden. Het Openbaar Ministerie heeft daarop, eveneens voorafgaand aan de zitting, een eerste schriftelijke reactie gezonden.
4. Ter zitting van 22 november 2023 hebben de raadslieden van verdachte [verdachte] wederom [naam getuige] . meegebracht naar de zitting en opnieuw verzocht hem ter zitting als getuige te horen. Alvorens op dit verzoek te beslissen zijn de pleitnota’s voorgedragen en heeft het Openbaar Ministerie gereageerd aan de hand van een schriftelijk stuk. Daarna heeft nog re- en dupliek plaatsgevonden. Vervolgens heeft de rechtbank zich teruggetrokken voor beraad over het verzoek tot het horen van de meegebrachte getuige. Tijdens de beraadslaging heeft de rechtbank vernomen dat de getuige niet langer aanwezig was in verband met verplichtingen elders. Omdat het horen ter zitting van de getuige reeds daarom niet meer aan de orde kon zijn heeft de rechtbank medegedeeld dat zij op het verzoek hem te horen en op de overige verzoeken zo spoedig mogelijk schriftelijk zal beslissen.
5. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank.
Beslissingen
Verzoeken in verband met ‘onderzoek ten aanzien van moordcommando’, hacken Sky ECC en inzet Pegasus-software
Inleiding en verzoeken van de verdediging
6. De verdediging heeft opnieuw gepersisteerd bij de verzoeken die [voormalige raadsvrouw] onder punt 4 van haar dupliek heeft gedaan en heeft ter aanvulling daarop nog nadere verzoeken gedaan. Deze verzoeken strekken tot het doen van onderzoek, waaronder het horen van getuigen, ten aanzien van mogelijke plannen om verdachte [verdachte] uit Iran of Dubai te ontvoeren en/of te ‘neutraliseren’. Daarnaast is verzocht om voeging in het dossier van diverse stukken uit de procedure bij de militaire rechtbank te Arnhem in de strafzaak tegen [naam getuige] . Verder is (alsnog) verstrekking verzocht van de met machtiging van de rechter-commissaris onthouden artikel 565 (oud) Sv BOB-stukken. Ook is verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad over deze kwestie, althans om het verzoek van de verdediging aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, belast met het toezicht op het Openbaar Ministerie ex artikel 122 lid 1 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie tot het doen van onderzoek, met een eigen verzoek om onderzoek te ondersteunen en daartoe de zaak van verdachte [verdachte] aan te houden, althans de zaak aan te houden in afwachting van de reactie van de hoofdofficier van justitie op de aangifte van verdachte [verdachte] . De verzoeken strekken voorts tot het doen van onderzoek, eveneens door het horen van getuigen, naar het hacken van Sky ECC door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) en de inzet van de spionagesoftware Pegasus ten behoeve van de opsporing van verdachte [verdachte] . Concreet verzoekt de verdediging om:
1. Het horen van ‘ [naam getuige] ’;
2. Het horen van de in de pleitnota aangeduide militairen B, C, D en E;
3. Het horen van de officieren van justitie en de overige deelnemers van andere overheidsdiensten die aan de besprekingen met verdachte [verdachte] als ‘target’ hebben deelgenomen;
4. Het horen van medewerkers van de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: MIVD), in ieder geval de in de pleitnota aangeduide medewerker [aangeduide medewerker] van de AIVD, die betrokken zijn geweest bij het hacken van SKY ECC;
5. Een lijst van Nederlandse medewerkers en instanties die betrokken zijn geweest bij de ontwikkeling en uitvoering van de interceptietool en de hacks van in ieder geval SKY ECC;
6. Het horen van de directeur van de AIVD over de toepassing van Pegasus op verdachte [verdachte] ;
7. Het horen van de ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken (AIVD) en Defensie over de samenwerking en medewerking tussen justitie, politie en inlichtingendiensten, en of de vereiste toestemmingen daartoe zijn verleend en voor welke perioden.
7. De verdediging heeft eerder – ter zitting van 6 oktober 2023 – verzocht de meegebrachte getuige [naam getuige] . ter zitting te horen. Op die zitting is dit verzoek als volgt afgewezen:
“De rechtbank heeft een beslissing genomen over de meegebrachte getuige in de zaak van verdachte [verdachte] . U heeft een getuige meegebracht en de eisen voor een meegebrachte getuige zijn inderdaad niet hoog, maar de wet stelt er wel eisen aan. Belangrijkste eis is dat er een verdedigingsbelang moet zijn bij het horen van een getuige.
U heeft voor het verdedigingsbelang verwezen naar wat gesteld is door [voormalige raadsvrouw] op 19 april 2023. Het Openbaar Ministerie heeft betwist dat er een verdedigingsbelang is.
De kern van het verzoek van [voormalige raadsvrouw] was de stelling dat op verzoek van een vrouwelijke officier van justitie en in samenspraak met overheidsdiensten een plan om verdachte [verdachte] te ontvoeren of vermoorden zou zijn besproken. [getuige] is die dag als getuige gehoord hierover.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de getuigenverklaring van [getuige] van 19 april 2023 valt hoogstens af te leiden dat informeel zou zijn gesproken met [naam getuige] . en hem om advies zou zijn gevraagd of het eventueel mogelijk zou zijn om verdachte [verdachte] uit Iran of Dubai weg te halen of hem te ‘neutraliseren’. Er zijn geen aanwijzingen dat daadwerkelijk sprake is geweest van een plan om verdachte [verdachte] om het leven te brengen en/of dat daartoe uitvoeringshandelingen zijn verricht op instigatie van het Openbaar Ministerie. Uit de verklaring van [getuige] blijkt zelfs niet dat het informele ‘adviesgesprek’ met [naam getuige] . zou hebben plaatsgevonden op verzoek of met medeweten van het Openbaar Ministerie. Dit blijkt evenmin uit het interview in het Parool met de meegebrachte getuige waarin hij nog opmerkt dat het mogelijk ook brain farts kunnen zijn. De rechtbank leidt daaruit af dat hij dat dus ook niet weet of er een concreet plan was. Onder deze omstandigheden bestaat er geen verdedigingsbelang. Het verzoek de meegebrachte getuige te horen wordt daarom afgewezen.”
8. Na het wrakingsincident op 6 oktober 2023 is de terechtzitting hervat op 22 november 2023. De verdediging heeft verzocht om de (wederom meegebrachte) getuige [naam getuige] . ter zitting te horen. De verdediging voert daartoe aan dat het gaat om concrete aanwijzingen dat het Openbaar Ministerie in 2019, aldus tijdens het voorbereidend onderzoek in de zaak Marengo, jegens verdachte [verdachte] een of meerdere bijeenkomsten heeft gehad met andere overheidsdiensten om hem op te sporen en buiten het Nederlandse grondgebied in de kraag te vatten, waarbij allerlei opties zijn besproken en in gang zijn gezet om dat doel te bereiken. Volgens een in de pleitnotitie van de raadsman geciteerde schriftelijke verklaring van [naam getuige] . van 4 oktober 2023 heeft [naam getuige] . van twee personen van Special Operations Command (hierna: SOCOM) vernomen dat zij
“(…) bij een bespreking aanwezig waren geweest dat ging over de ondermijnende criminaliteit en dan voornamelijk over [verdachte] en zijn organisatie. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op de ' [plaatsnaam] ' in [plaats] . (…) Tijdens deze bespreking is aan SOCOM gevraagd of [verdachte] gesnatcht of geneutraliseerd kon worden. (…) Tijdens het gesprek is aan SOCOM gevraagd wat de opties waren om [verdachte] in Dubai of lran te arresteren en eventueel neutraliseren. Vervolgens hebben de SOCOM collega's mij aan tafel in de kantine in Roosendaal gevraagd (aangezien ik altijd vrij out-of-the-box kan denken) waarom ik mij met de 102 niet op dit soort activiteiten focuste. Bijvoorbeeld ook met het scenario voor de opleiding en aankomende oefening van de 102. Mijn antwoord hierop was dat wij een andere taak hebben, namelijk een militaire focus in plaats van het wespennest van justitie. (…) Toen de collega's van SOCOM mij dus vroegen naar de mogelijkheden in Dubai, heb ik hen verteld over wat ik met de internationale partners geconcludeerd had. Zij vroegen mij of ik wilde meedenken naar mogelijkheden vanuit SF perspectief. (…) Tot slot heb ik aangegeven wat wij als BV NL het beste zouden kunnen doen. Namelijk, om Dubai te geven waar zij al jaren om vragen, ik zou niet weten wat dat is, maar er zal vast een verzoek vanuit Dubai in NL bekend zijn. Door die in te willigen zou je het diplomatiek met Dubai kunnen aanlopen, afruilen en oplossen. Uiteindelijk heb ik aangegeven dat mocht het alsnog tot een opdracht leiden voor de 102, wij hem wel zouden moeten uitvoeren. Opdracht is immers opdracht.”
9. De verdediging voert verder aan dat, hoewel het Openbaar Ministerie zegt nooit te hebben overwogen om verdachte [verdachte] te laten ontvoeren of vermoorden of opdracht te hebben gegeven om hem te neutraliseren – zie de schriftelijke reactie van 10 mei 2023 – het overleg (de rechtbank begrijpt: in Driebergen) wel degelijk heeft plaatsgevonden.
10. Ten aanzien van de hack van de Sky ECC-server door de AIVD heeft de verdediging eveneens geciteerd uit de schriftelijke verklaring van [naam getuige] . en gewezen op de volgende passage:
“lk ben in deze periode ook in nauw contact gekomen met [aangeduide medewerker] van de AIVD. (…) Toen kwam o.a. SKY ECC ter sprake. [aangeduide medewerker] gaf aan dat SKY inmiddels door hen (lees; AIVD) gekraakt was. (…). Hij vervolgde dat dit niet op de juiste manier was aangelopen. (…) [aangeduide medewerker] gaf in hetzelfde gesprek ook aan dat de AIVD bepaalde systemen (vertrouwelijk) hackt, wat ook niet publiekelijk bekend is, omdat zij hier de tapkamer van de politie omzeilen. Hij vertelde dat zij dit wereldwijd kunnen.”
11. Ten aanzien van de inzet van de Pegasus-software heeft de verdediging gewezen op het artikel in De Volkskrant van 2 juni 2022 en de mededeling van de desbetreffende journalist in het NOS Radio 1 Journaal. De verdediging citeert de journalist:
“Het kabinet-Rutte III sprak in 2017 in het regeerakkoord af dat de Nederlandse politie alleen hacksoftware mag inkopen bij leveranciers die niet aan dubieuze regimes leveren, maar die beperking gold niet voor inlichtingendiensten. Toen Pegasus werd gebruikt om [verdachte] op te sporen was hij voortvluchtig en hield hij zich schuil in het buitenland. Inlichtingendiensten hebben de mogelijkheid om zelfstandig onderzoek te doen in het buitenland. [verdachte] kon in 2019 worden aangehouden in Dubai, een stad in de VAE.”
De verdediging wijst erop dat al was gebleken dat de toenmalige minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus in 2019 de AIVD heeft gevraagd te helpen bij de opsporing van verdachte [verdachte] .
12. Volgens de verdediging levert de verklaring van [naam getuige] . een sterke aanwijzing op dat de Nederlandse AIVD en MIVD kennelijk in samenwerking met Frankrijk de hack bij Sky ECC hebben uitgevoerd. Met het artikel uit De Volkskrant, in het licht van de mededeling van minister Grapperhaus, levert dit alles bij elkaar sterke aanwijzingen op dat het Openbaar Ministerie in het voorbereidende onderzoek gebruik heeft gemaakt van de expertise en middelen van overheidsinstanties die niet in strafvorderlijke zin ter verantwoording kunnen worden geroepen. Onder verwijzing naar de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017 (hierna: Wiv 2017), waarin voor de inzet van bijzondere bevoegdheden regels zijn gesteld, stelt de verdediging dat zij recht heeft op en belang heeft bij het kunnen controleren of overeenkomstig de wettelijke vereisten is gewerkt of dat deze zijn omzeild, aldus ten slotte de verdediging.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het ‘moordcommando’
13. Vooropgesteld wordt dat er een verdedigingsbelang moet zijn bij het horen van een (meegebrachte) getuige. Het verzoek om [naam getuige] . te horen is een herhaald verzoek waarbij de verdediging thans aanvoert dat het Openbaar Ministerie een of meerdere bijeenkomsten heeft gehad met andere overheidsdiensten om verdachte [verdachte] op te sporen en aan te houden (in de kraag te vatten) – buiten het Nederlandse grondgebied – en dat daarbij allerlei opties zijn besproken en in gang gezet om dat doel te bereiken. Ter nadere onderbouwing daarvan is – naast hetgeen al eerder is aangevoerd – een in de pleitnotitie geciteerde verklaring van de verzochte getuige ingebracht.
14. Van bijeenkomsten zoals hiervoor onder 13 beschreven ziet de rechtbank voorshands niet in dat deze onrechtmatig zouden zijn. De rechtbank begrijpt echter uit het door de verdediging aangevoerde dat kennelijk wordt bedoeld dat (ook) opties zouden zijn besproken en in gang zouden zijn gezet zoals het laten ontvoeren of vermoorden van verdachte [verdachte] en dat ter adstructie daarvan het getuigenverhoor van [naam getuige] . dient.
15. De rechtbank is van oordeel dat hiervoor – ook nu – geen onderbouwing is gegeven. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat er een concreet plan is geweest om verdachte [verdachte] om het leven te brengen. De verklaring van [naam getuige] . zoals die wordt geciteerd door [getuige] biedt ook geen aanknopingspunten dat de opties ontvoeren of om het leven brengen van verdachte [verdachte] op enigerlei wijze in gang zijn gezet, laat staan op instigatie van het Openbaar Ministerie. Bij het verzoek om [naam getuige] . als getuige te horen over dit onderwerp bestaat geen verdedigingsbelang.
16. Het verzoek tot het horen van de overige verzochte getuigen – de in de pleitnotities aangeduide militairen B, C, D en E en officieren van justitie en overige deelnemers van andere overheidsdiensten die aan de besprekingen met verdachte [verdachte] als ‘target’ hebben deelgenomen – is gebaseerd op dezelfde hiervoor onder 8 en 9 weergegeven stellingen van de verdediging. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er geen verdedigingsbelang bestaat bij het horen van deze verzochte getuigen, reden waarom ook deze verzoeken worden afgewezen. Nu aan de verzoeken tot het verstrekken van de diverse stukken en aan de overige in dit kader gedane verzoeken waartoe de zaak zou moeten worden aangehouden dezelfde niet-onderbouwde stellingen ten grondslag zijn gelegd, worden deze verzoeken eveneens afgewezen.
Ten aanzien van de hack van Sky ECC
17. Ten aanzien van de verzoeken die zien op de hack van Sky ECC overweegt de rechtbank dat het dossier Marengo geen informatie bevat die afkomstig is van de servers van Sky ECC. Voor zover de verdediging heeft gewezen op de vermelding van Sky-telefoons in de 565 (oud) Sv BOB-stukken geldt dat dit ziet op de vorderingen van verkeersgegevens met betrekking tot Sky-telefoons en niet op door middel van een hack verkregen (ontsleutelde) communicatie uit de servers van Sky ECC. Reeds hierom is er geen verdedigingsbelang om [naam getuige] . over dit onderwerp te horen. Ditzelfde geldt voor de andere over dit onderwerp verzochte getuigen en de verzochte verstrekking van een lijst met namen en instanties. Ook deze verzoeken worden daarom afgewezen.
Ten aanzien van de AIVD/MIVD en Pegasus
18. Ten aanzien van de verzoeken die zien op de gestelde betrokkenheid van de AIVD en MIVD bij de opsporing van verdachte [verdachte] en de vermeende inzet van Pegasus-software daarbij, overweegt de rechtbank het volgende. Namens verdachte [verdachte] is eerder een verzoek tot het verstrekken van informatie over de rol van de AIVD en MIVD bij de opsporing van verdachte [verdachte] gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft in het kader van dat verzoek uiteengezet dat de AIVD en de MIVD niet door het Openbaar Ministerie of politie zijn ingezet in het kader van het strafrechtelijk onderzoek (ter aanhouding) van verdachte [verdachte] , dat er vanuit het Openbaar Ministerie geen bijstandsverzoek ex artikel 95 Wiv 2017 is gedaan en dat de AIVD en de MIVD niet belast zijn geweest met de opsporing van strafbare feiten/ter aanhouding in opdracht van het Openbaar Ministerie. De AIVD is wel op de hoogte gehouden op grond van de artikelen 93 en 94 van de Wiv 2017, maar dit is geen inzet ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Op het moment dat de AIVD over informatie beschikt die relevant is voor de opsporing van strafbare feiten kan dit via een ambtsbericht ex artikel 66 Wiv 2017 worden gedeeld met het Openbaar Ministerie. Dat is wat er is gebeurd met de devices; die zijn via het ambtsbericht van 14 januari 2020 met het Openbaar Ministerie gedeeld en dit ambtsbericht is in het dossier gevoegd, aldus toen het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft het eerdere verzoek vervolgens afgewezen op 3 juni 2022.3.
19. Laatstelijk is door [voormalige raadsvrouw] een dergelijk verzoek gedaan op de regiezitting van 30 juni 2022. Bij die gelegenheid is – net als de huidige verdediging van verdachte [verdachte] thans doet – verwezen naar het artikel in De Volkskrant van 2 juni 2022. De rechtbank heeft in de beslissing van 8 juli 20224.daarover het volgende geoordeeld:
“36. Het Openbaar Ministerie heeft, kort samengevat, steeds aangegeven dat de AIVD en/of de MIVD niet door het Openbaar Ministerie of de politie zijn ingeschakeld om verdachte [verdachte] op te sporen. Naar het oordeel van de rechtbank zou er slechts aanleiding kunnen zijn om informatie op te vragen over een eventueel onderzoek van de AIVD naar verdachte [verdachte] , in geval van aanwijzingen dat de AIVD – ondanks deze herhaalde ontkenning van de zijde van het Openbaar Ministerie – wel degelijk betrokken is geweest bij het strafrechtelijk onderzoek.
37. De raadsvrouw heeft in dat verband gewezen op de volgende omstandigheden:
- Toenmalig minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid zou volgens het krantenartikel na de moord op [slachtoffer] in 2019 een oproep hebben gedaan aan de inlichtingendiensten om te helpen bij de opsporing van verdachte [verdachte] ;
- Het toenmalige hoofd van de AIVD zou volgens het krantenartikel hebben opgemerkt dat de Nederlandse politie de hulp van de geheime dienst nodig had om de meest gezochte crimineel van het land te pakken;
- Medewerkers van de AIVD zijn in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) geweest en de autoriteiten van de VAE hebben gegevensdragers overhandigd aan medewerkers van de AIVD, die deze weer hebben overgedragen aan het politieteam.
38. De laatste omstandigheid, waaromtrent overigens verantwoording is afgelegd in het strafdossier, levert hiervoor geen enkele aanwijzing op. Over de twee andere omstandigheden (wat daar verder van zij) merkt de rechtbank eerst het volgende op.
39. De rechtbank kan in het kader van een strafproces bezwaarlijk de inhoud van een krantenartikel beoordelen. De rechtbank heeft wel de volgende vraag onder ogen gezien: als de twee genoemde omstandigheden correct zijn weergegeven in het krantenartikel, levert dat dan een aanwijzing op dat het Openbaar Ministerie hierover (mogelijk) niet de waarheid heeft verteld.
40. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze twee omstandigheden passen bij een scenario waarbij de AIVD op grond van haar eigen taken en bevoegdheden heeft gehandeld. De AIVD heeft op grond van artikel 8 lid 2 van de Wiv 2017 in het belang van de nationale veiligheid immers onder meer tot taak het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. De Wiv 2017 kent de AIVD ter uitvoering van die taak ook eigen bevoegdheden toe. De toepassing van dergelijke bevoegdheden valt buiten het kader van het strafrechtelijk onderzoek.
41. Een nader onderzoek onder deze omstandigheden komt neer op een fishing expedition. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.”
20. Voor zover de verdediging ter onderbouwing van haar verzoeken opnieuw heeft verwezen naar dit Volkskrant-artikel verwijst de rechtbank naar de aangehaalde overwegingen. De verdediging heeft thans ook gesteld dat zij nader onderzoek wil doen omdat daarmee kan worden gecontroleerd of de wettelijke regels van de Wiv 2017 wel zijn nageleefd of dat deze zijn omzeild. Er zijn echter geen concrete aanwijzingen dat de AIVD of de MIVD de Wiv 2017 zouden hebben omzeild en/of dat zij buitenwettelijk en oncontroleerbaar opsporingsmiddelen, zoals mogelijk Pegasus-software, hebben ingezet ten behoeve van de opsporing of het strafrechtelijke onderzoek naar verdachte [verdachte] . Onderzoek hiernaar komt dan eveneens neer op een fishing expedition. De verdediging stelt nog wel ‘dat er toch diverse lijntjes bij elkaar komen’. Voor zover zij daarmee bedoelt dat het Volkskrant-artikel in samenhang moet worden gelezen met wat [naam getuige] . over de bijeenkomsten en zijn gesprek met een AIVD-medewerker in zijn schriftelijke verklaring schrijft, maakt dit het oordeel niet anders omdat ook daaruit niet die concrete aanwijzingen volgen. De rechtbank wijst de verzoeken tot het horen van [naam getuige] . en de overige in dit kader verzochte getuigen dan ook af, omdat het verdedigingsbelang daarbij ontbreekt.
Verzoek om zaaksofficieren van justitie inzake Palma en Mandel als getuige te horen
Standpunt van de verdediging
21. De verdediging heeft verzocht om de zaaksofficieren van justitie in de zaken Palma (de zaak tegen de voormalige raadsvrouw [voormalige raadsvrouw] ) en Mandel (de zaak tegen de voormalig raadsman mr. [naam voormalig raadsman] ) als getuige te (doen) horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het in diskrediet brengen van de vorige advocaat, het tijdstip waarop dit is geschied en de opsporingsmiddelen die zijn toegepast en de tijdstippen waarop die zijn toegepast, duiden op misbruik van bevoegdheden aan de zijde van het Openbaar Ministerie, gericht op het doen laten vervangen van een het Openbaar Ministerie niet welgevallige advocaat. Dit is gebeurd op een tijdstip waardoor de schade niet meer kon worden hersteld, met als gevolg dat een vrij en onbelemmerd functioneren van de verdediging geweld wordt aangedaan.
Door het als niet (meer) betrouwbaar afschilderen van de betreffende advocaat is aan de overtuigingskracht van de verdediging in woord en geschrift onherstelbare schade toegebracht, waardoor er – verwijzend naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) Kamasinski v Austria5.– geen sprake meer kan zijn van een effectieve rechtsbijstand en daarmee van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Met dit handelen is doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte onherstelbaar tekort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Om dit handen en voeten te geven dienen de officieren van justitie van het onderzoek Palma gehoord te worden om de vragen te beantwoorden waarom tot april 2023 is gewacht met actie richting de vorige advocaat, waarom zij is gevolgd gedurende de voorbereiding en het uitspreken van het pleidooi en waarom de actie niet heeft plaatsgevonden op het moment van afronding van het dossier in oktober 2022. De officieren van justitie van het onderzoek Mandel dienen bevraagd te worden over het afluisteren en filmen in de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI), aldus steeds de verdediging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
22. Het Openbaar Ministerie betoogt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Een situatie als bedoeld in het door de verdediging genoemde arrest – waarbij het gaat om een situatie waarin actief moet worden ingegrepen als er geen sprake is van een ‘effectieve vertegenwoordiging’ – doet zich niet voor. Er is geen sprake van ongefundeerde verdachtmakingen van het Openbaar Ministerie jegens de voormalige raadslieden van verdachte [verdachte] . [voormalige raadsvrouw] heeft van 21 april 2023 tot 1 juni 2023 in voorlopige hechtenis gezeten, hetgeen betekent dat de rechter-commissaris en de raadkamer van de rechtbank van oordeel waren dat er ernstige bezwaren tegen haar waren. [naam voormalig raadsman] is inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot 5,5 jaar gevangenisstraf. Het debat over het verwijt aan [voormalige raadsvrouw] dient plaats te vinden in de zaak Palma, niet in Marengo. Vanuit het onderzoek Palma is geen informatie gedeeld met het zaaks-Openbaar Ministerie in Marengo. De stellingen van de verdediging dat dat wel gebeurd is missen feitelijke grondslag.
Oordeel van de rechtbank
23. De stellingen van de verdediging gaan uit van een onjuiste premisse. Het enkele gegeven dat de voormalig raadsvrouw is aangehouden en door het Openbaar Ministerie publiekelijk wordt beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie, maakt volgens de verdediging dat de rechtbank niet meer objectief kan kijken naar de door haar gedane pleidooien en verzoeken. Die vrees is echter ongegrond. Van professionele rechters mag verwacht worden dat zij de inhoud van argumenten wegen op de kracht van die argumenten. Dat de voormalig raadsvrouw thans niet meer actief is in dit proces en zelf verdachte is in een andere zaak speelt voor de weging van hetgeen zij naar voren heeft gebracht in de zaak van verdachte [verdachte] geen enkele rol. De door de verdediging aangehaalde “overtuiging” als bedoeld in artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ziet niet op de overtuiging van door de verdediging naar voren gebrachte argumenten, of van de verdediging zelf, maar op het bewijs. Om een ten laste gelegd feit bewezen te verklaren dient er, behalve voldoende wettig bewijs, ook de overtuiging bij de rechter te zijn. Die overtuiging dient de rechter te halen uit de wettige bewijsmiddelen. Van een situatie waarbij geen sprake is van een effectieve rechtsbijstand als bedoeld in het door de verdediging aangehaalde EHRM-arrest Kamasinski v. Austria is evenmin sprake. Verdachte [verdachte] heeft tot en met de dupliek op 19 april 2023 zonder meer een effectieve verdediging gehad en met het aantreden van het huidige verdedigingsteam is daarvan – zeker in het licht van de stand van de procedure – eveneens sprake.
24. De verdediging baseert haar stelling dat er mogelijk sprake is van misbruik van bevoegdheid van het Openbaar Ministerie – gericht op het doen laten vervangen van een het Openbaar Ministerie onwelgevallige advocaat – op vraagtekens die zij heeft bij het tijdstip en de noodzaak van de aanhouding van de vorige advocaat. De verdediging onderbouwt die vraagtekens met stukken en citaten uit het onderzoek Palma, waaruit – in de visie van de verdediging – naar voren komt dat het gaat om een verdenking van strafbaar handelen dat maximaal tot 11 maart 2021 heeft geduurd en dat het onderzoek daarnaar feitelijk op 17 oktober 2022 was afgerond. Daarnaast blijkt volgens de verdediging dat in de periode daarna, en daarmee in de periode dat de voormalig raadsvrouw haar pleidooi in Marengo hield, meerdere BOB-middelen op haar zijn gericht, zoals een bevel observatie voor de periode van 7 december 2022 tot 5 januari 2023 en een bevel om bewegingsmelders en plaatsbepalingsapparatuur in of aan haar voertuigen te plaatsen voor de periode van 19 april 2023 tot 18 mei 2023. Daarnaast heeft de verdediging bevelen overgelegd om nummers van de voormalig raadsvrouw te vergaren in de periode van 7 december 2022 tot 4 januari 2023 en op 21 april 2023 en een machtiging van de rechter-commissaris en een bevel verstrekking toekomstige verkeersgegevens van een kennelijk aan haar gekoppeld telefoonnummer voor de periode van 19 april 2023 tot 17 mei 2023.
25. De rechtbank kent uiteraard het dossier van het onderzoek Palma niet, maar constateert dat de door de verdediging geselecteerde stukken haar stelling niet onderbouwen. Uit die stukken leidt de rechtbank af dat een deel van de door de verdediging genoemde BOB-middelen mogelijk is ingezet rondom de aanhouding van de voormalig raadsvrouw – wat niet ongebruikelijk is – maar dat er ook in de periode van begin december 2022 tot begin januari 2023 nog BOB-middelen zijn ingezet, en dat het onderzoek op dat moment dus kennelijk nog niet was afgerond. Daarmee blijkt uit deze stukken dus niet dat die aanhouding veel eerder had gekund. Het inzetten van BOB-middelen tegen een advocaat is een buitengewoon precaire aangelegenheid en het aanhouden van een advocaat en doorzoeken van een advocatenkantoor al helemaal. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit de nodige voorbereiding vergt. Dat het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo op enigerlei wijze betrokken zou zijn bij de beslissingen die in het onderzoek Palma zijn genomen blijkt echter nergens uit. Dat het doel van de aanhouding van de voormalig raadsvrouw erop gericht zou zijn om een onwelgevallige advocaat uit de zaak Marengo te verwijderen wordt op geen enkele wijze onderbouwd met de door de verdediging ingebrachte stukken. De stelling van de verdediging dat de aanhouding is gebeurd op een tijdstip dat de schade niet meer kon worden hersteld kan de rechtbank niet volgen. Dit geldt ook voor de stelling van de verdediging dat zij kennelijk vindt dat zij in de zaak Marengo inhoudelijk in moet kunnen gaan op de verdenkingen tegen de voormalig raadsvrouw van verdachte [verdachte] .
26. De verdediging stelt dat het zaaks-Openbaar Ministerie, op vragen van de verdediging omtrent het tijdstip en de reden van de aanhouding, aantoonbaar onjuist heeft gezegd dat informatie niet met hen is gedeeld en dat zij niet op de hoogte zouden zijn van wat er in het onderzoek Palma zou spelen. Bovendien suggereert de verdediging aan de hand van perspublicaties dat het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo kennis zou hebben genomen van geheimhoudersinformatie uit het onderzoek Palma. Daarbij citeert de verdediging uit het Financieel Dagblad van 17 juli 2023 en uit het Baliebulletin Oost-Brabant van oktober 2023. Wat er ook zij van deze publicaties, hieruit volgt op geen enkele wijze dat het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo (geheimhouders)informatie heeft gekregen uit het onderzoek Palma. Uit de tekst van het krantenartikel blijkt immers dat er gesproken wordt over gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vanaf 25 mei 2023, dus ruim na de aanhouding van de voormalig raadsvrouw, en nergens in dit artikel staat dat vanuit het onderzoek Palma informatie gedeeld zou zijn met het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo. Ook anderszins blijkt niet dat het zaaks-Openbaar Ministerie inhoudelijk kennis draagt van informatie uit het onderzoek Palma of betrokken is geweest bij inhoudelijke beslissingen of afwegingen in dat onderzoek. Dit is enkel speculatie van de verdediging.
27. De conclusie is dat de stellingen die ten grondslag liggen aan het verzoek om de zaaksofficieren van justitie in het onderzoek Palma als getuige te horen speculatief zijn en feitelijke grondslag ontberen. Dat leidt tot afwijzing van dit verzoek. Het verzoek om de zaaksofficieren van justitie in het onderzoek Mandel als getuige te horen is niet door de verdediging onderbouwd. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Verzoek tot aanhouding voor een periode van twaalf maanden en verzoek tot afsplitsing
Verzoek van de verdediging
28. De verdediging heeft (wederom) verzocht om een aanhouding van de strafzaak voor een periode van (thans) twaalf maanden om haar in de gelegenheid te stellen adequaat kennis te nemen van het strafdossier om op gelijkwaardige wijze als de verdediging van de andere verdachten nadere onderzoekswensen te kunnen formuleren met betrekking tot de achtste aanvulling op het dossier. Daartoe is aangevoerd dat de achtste aanvulling op het dossier pas enkele dagen voor de zitting van 14 juli 2023 aan de raadslieden is verstrekt en dat verdachte die aanvulling pas na de zitting heeft gekregen via een update op zijn laptop. Er is daarom onvoldoende tijd geweest om deze aanvulling met verdachte te bespreken. Bovendien verwijst deze aanvulling naar andere onderdelen van het omvangrijke dossier dat de verdediging nog niet heeft kunnen bestuderen. Daarom is de verdediging niet voldoende in staat geweest die aanvulling te begrijpen en te duiden in het licht van de rest van het dossier en in dat kader onderzoekwensen te doen. In het verlengde van dit verzoek verzoekt de verdediging de zaak van verdachte af te splitsen, zodat de strafzaak van verdachte niet meer afhankelijk is van de agenda van de zaken van de medeverdachten. Ter onderbouwing van de verzoeken tot aanhouding en afsplitsing wordt ook gewezen op wat is aangevoerd over het in diskrediet brengen van [voormalige raadsvrouw] . Volgens de verdediging is sprake van een ongemotiveerde en in het proces Marengo niet onderbouwde verdenking jegens [voormalige raadsvrouw] , waardoor zij als niet integer publiekelijk is afgeserveerd. Daardoor wordt ernstig afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijk proces. Zonder nieuwe advocaten die de zaak opnieuw kunnen gaan behandelen is geen sprake meer van een eerlijk proces. De huidige verdediging dient dan ook voldoende tijd te krijgen voor een adequate bestudering van het omvangrijke dossier, aldus ten slotte de verdediging.
Oordeel van de rechtbank
29. De rechtbank stelt vast dat de achtste aanvulling op het dossier voor het overgrote deel ziet op stukken die al in het bezit waren van de verdediging van verdachte [verdachte] voordat [voormalige raadsvrouw] haar dupliek hield. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de aanvullende PGP-berichten die al in januari 2023 zijn verstrekt en de bijlagen bij de repliek van het Openbaar Ministerie die al op 27 maart 2023 zijn verstrekt. Ook zijn de verhoren van de kroongetuige op de zittingen van 9 en 10 december 2021 en 1 en 2 november 2022 en 14 maart 2023 gevoegd in de achtste aanvulling. Ook hiermee was de verdediging van verdachte [verdachte] bekend. Het voorgaande is alleen anders voor de drie verhoren bij de rechter-commissaris die in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] respectievelijk van een verhoor bij de rechter-commissaris in de zaak van medeverdachten [medeverdachte 2] hebben plaatsgevonden en die destijds alleen aan de raadslieden van die verdachten waren verstrekt c.q. in het persoonsdossier waren gevoegd. De omvang van deze verhoren is echter zodanig beperkt dat de verdediging hiervan zo nodig snel kennis kan nemen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de drie getuigen in de zaak van [medeverdachte 1] ook – en al veel eerder – door de rechter-commissaris in de zaak van verdachte [verdachte] zijn gehoord. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdediging van verdachte [verdachte] voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zich over de inhoud van deze achtste aanvulling uit te laten. De omstandigheid dat de processen-verbaal van relaas, waarin alleen wordt opgesomd welke stukken bij de achtste aanvulling worden gevoegd, dateren van na de aanhouding van [voormalige raadsvrouw] , maakt dat niet anders omdat dat relaas geen nieuwe informatie bevat. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding het verzoek om aanhouding toe te wijzen.
30. De rechtbank ziet evenmin aanleiding het verzoek tot aanhouding toe te wijzen vanwege – kort gezegd – de gestelde beschadiging van [voormalige raadsvrouw] . De rechtbank heeft hiervoor onder 23 reeds overwogen dat de omstandigheden dat de voormalig raadsvrouw thans niet meer actief is in dit proces en zelf verdachte is in een andere zaak voor de weging van hetgeen zij naar voren heeft gebracht in de zaak van verdachte [verdachte] geen enkele rol speelt. De rechtbank onderschrijft dan ook niet de stellingen van de verdediging dat de behandeling van de zaak van verdachte [verdachte] opnieuw én met nieuwe advocaten zou moeten plaatsvinden omdat anders geen sprake meer zou zijn van een eerlijk proces.
31. Voor zover het verzoek om aanhouding ten slotte nog is gedaan omdat de verdediging in algemene zin nog niet in staat is geweest het dossier te bestuderen, stelt de rechtbank vast dat dit een herhaald verzoek is. De verdediging heeft op 14 juli 2023 om die reden ook al verzocht om een aanhouding voor de duur van negen maanden, maar dit verzoek heeft de rechtbank afgewezen bij beslissing van 19 juli 2023.6.De rechtbank verwijst naar die beslissing en wijst het verzoek opnieuw af.
32. In het verlengde van deze beslissing ziet de rechtbank geen grond voor het niet langer gelijktijdig behandelen van de zaak van verdachte [verdachte] met de zaken van de medeverdachten.
Verzoek tot inzage in de Marengo-dataset
Standpunt van de verdediging
33. De verdediging heeft verzocht om inzage in de Marengo-dataset. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de laptop van de voormalige raadvrouw van verdachte [verdachte] heeft ingenomen na 14 juli 2023 en deze thans alleen wil verstrekken nadat de huidige raadslieden een verklaring ondertekenen waarbij zij ieder voor zich onvoorwaardelijk verklaren de inhoud op geen enkele wijze met derden te zullen delen. De verdediging stelt dat van haar niet gevergd kan worden de verklaring zoals die nu luidt te ondertekenen omdat dit ook inhoudt dat de informatie niet met verdachte [verdachte] kan worden gedeeld, noch met de mede-raadslieden van verdachte [verdachte] of de rechtbank en dit voor de raadsman, als hij dit wel doet, tuchtrechtelijke consequenties kan hebben. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom het Openbaar Ministerie op te dragen de verklaring die ondertekend moet worden zodanig aan te passen dat de advocaat de informatie kan delen met verdachte [verdachte] , de andere advocaten van verdachte [verdachte] , de rechtbank en het Openbaar Ministerie en dat dat ook geldt voor het kopiëren van de informatie. Verder heeft zij verzocht te bepalen dat deze inzage het gehele verloop van de strafzaak zal voortduren totdat de strafzaak onherroepelijk is en dus niet (al) één week na de inhoudelijke behandeling moet worden ingeleverd. In dit kader heeft de verdediging ook aandacht gevraagd voor het arrest van het EHRM van 26 september 2023 inzake Yüksel Yalçinkaya v. Turkije (appl. no. 15669/20).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
34. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Aan de voormalige raadsvrouw is niet de Marengo-dataset verstrekt. Daarin wordt alleen inzage geboden op verschillende manieren. De laptop met daarop ter tijdelijke verstrekking de ‘eigen lijnen’ van verdachte [verdachte] is aan de raadslieden aangeboden maar zij hebben geweigerd de daartoe benodigde verklaring te ondertekenen. Onder verwijzing naar de gevoerde e-mailwisseling van 18 september 2023 tussen het Openbaar Ministerie en de raadslieden, waarvan een afschrift aan de rechtbank is gezonden, stelt de verdediging nu tegen beter weten in dat de gestelde voorwaarden het haar onmogelijk maken de berichten te bespreken met verdachte [verdachte] . Wat het Openbaar Ministerie betreft ondertekent de verdediging, als zij dat wil, de verklaring met verwijzing naar die correspondentie. De laptop is destijds ingenomen van de voormalige raadsvrouw omdat in de voorwaarden staat dat deze wordt ingenomen als een raadsman de verdachte niet langer bijstaat, wat toen het geval was.
Oordeel van de rechtbank
35. De rechtbank stelt voorop dat de verdediging weliswaar spreekt over de verstrekking van de Marengo-dataset maar dat uit de toelichting van het verzoek volgt dat zij doelt op de tijdelijke verstrekking van de berichten van de zogenoemde ‘eigen lijnen’ van verdachte [verdachte] (de door het Openbaar Ministerie aan verdachte [verdachte] toegeschreven PGP-lijnen) op een laptop. Bij beslissing van de rechtbank van 13 maart 2020 heeft de rechtbank bepaald dat deze eigen lijnen in ieder geval tot de inhoudelijke behandeling ter beschikking worden gesteld. De rechtbank heeft in dat verband onder andere overwogen:
“dat eventuele praktische belemmeringen voor de raadslieden om het door hen gewenste onderzoek in de Marengo-dataset voortvarend te kunnen doen, zoveel mogelijk moeten worden weggenomen, maar dat dit met de nodige voorzichtigheid dient te geschieden. Met het bieden van tijdelijke terbeschikkingstelling van de ‘eigen PGP-lijn(en)’ aan de raadslieden, waarbij de rechtbank het aan het Openbaar Ministerie laat om dit op een manier te doen die zoveel mogelijk waarborgen biedt die voorkomen dat deze gegevens ‘op straat’ komen te liggen (het ondertekenen van een verklaring door de raadslieden, een kopieerbeveiliging op een te verstrekken USB stick, etc.), wordt naar het oordeel van de rechtbank aan deze belangen voldoende tegemoet gekomen.”
36. De rechtbank heeft verder kennis genomen van het e-mailbericht van het Openbaar Ministerie van 18 september 2023 aan de verdediging van verdachte [verdachte] waarin onder andere staat:
“Voor de volledigheid: uiteraard houdt de verklaring niet in dat u de inhoud van de berichten niet met uw cliënt mag bespreken – sterker nog: ook uw cliënt heeft in de PI op verzoek tijdens ambtelijk bezoek van een van u inzage in de gehele Marengo dataset. Het verbod op delen met derden, vermenigvuldigen en printen ziet uiteraard op anderen dan uw cliënt en de overige procespartijen in Marengo.”
37. De rechtbank is van oordeel, dat voor zover voor de verdediging eerder al niet duidelijk zou zijn geweest dat het verbod op delen met derden niet ziet op verdachte [verdachte] en de overige procespartijen in Marengo, dit met bovenstaande passage uit het e-mailbericht duidelijk is en niets in de weg staat aan het ondertekenen van de verklaring. De rechtbank onderschrijft niet de stellingen van de verdediging dat ondertekening desondanks niet van haar gevergd kan worden en dat zij – vanwege mogelijke tuchtrechtelijke consequenties – alleen een expliciet op dit punt aangepaste verklaring kan ondertekenen. De in dit verband nog opgeworpen stelling dat de verwijzing naar een e-mailbericht mogelijk te kwalificeren zou zijn als een onrechtmatige of verboden side-letter kan de rechtbank niet volgen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het Openbaar Ministerie op te dragen de verklaring aan te passen op een wijze die in de ogen van de verdediging wel voldoet. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. De rechtbank merkt hierover nog op dat de verdediging in ieder geval vanaf 18 september 2023 over de laptop met de ‘eigen lijnen’ had kunnen beschikken.
Daarnaast zijn er mogelijkheden om de Marengo-dataset in te zien op het politiebureau (of met verdachte [verdachte] in de EBI).
38. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de wijze van inzage in de Marengo-dataset zoals die thans wordt geboden, waaronder de tijdelijke verstrekking van de eigen lijnen van de verdachte op een laptop aan de desbetreffende raadslieden, zou moeten voortduren na de procedure in eerste aanleg. Zodra in deze eerste aanleg is beslist zal in een (eventueel) in te stellen hoger beroep moeten worden geoordeeld over de te bieden inzagemogelijkheden in de Marengo-dataset. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.
39. De rechtbank ziet in het EHRM-arrest Yüksel Yalçinkaya v. Turkije van 26 september 2023 geen aanleiding om anders op de voorgaande verzoeken te beslissen.
Verzoek tot het houden van een aanvulling op het pleidooi
Standpunt van de verdediging
40. De verdediging heeft verzocht om aanvullend te mogen pleiten over actuele juridische en feitelijke ontwikkelingen. Het gaat allereerst om een aanvulling op het pleidooi in verband met het al genoemde EHRM-arrest van 26 september 2023 inzake Yuksel Yalçinkaya v. Turkije . De door de rechtbank geboden mogelijkheid om dat te doen op de zitting van 22 november 2023 – die stond gepland als pro forma- en regiezitting – is niet redelijk. De verdediging heeft onvoldoende tijd gehad om de eerdere verweren en verzoeken van de vorige raadsvrouw van verdachte [verdachte] op dit punt te bestuderen om zo het pleidooi aan de hand van dit arrest te kunnen actualiseren. Ook beschikt zij nog niet over de Marengo-dataset (de rechtbank begrijpt: de laptop met de ‘eigen lijnen’ van verdachte [verdachte] ). Verder wenst de verdediging aanvullend te pleiten over de detentieomstandigheden van verdachte [verdachte] in relatie tot het rapport van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (hierna: CPT) van 23 juni 2023 over Nederland. Het CPT gaat daarbij uitgebreid in op de detentiesituatie in de EBI in Vught en ook op de specifieke situatie van verdachte [verdachte] . Volgens het CPT is sprake van een permanente staat van onmenselijke en vernederende behandeling. Deze omstandigheden leiden de verdediging tot nieuwe verweren in het kader van de strafmaat en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie die zij aanvullend wil bepleiten.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
41. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verzoeken om aanvullend te mogen pleiten moeten worden afgewezen. Volgens het Openbaar Ministerie levert het EHRM-arrest geen nieuwe rechtsregels op: het EHRM oordeelt nadrukkelijk dat versleutelde elektronische data geen aanleiding vormen om anders te oordelen over schendingen van artikel 6 EVRM en voor het juridische kader verwijst het EHRM in dit arrest naar eerdere jurisprudentie. De omstandigheden in Marengo wijken bovendien volledig af van de Turkse zaak. Ten aanzien van de detentieomstandigheden stelt het Openbaar Ministerie dat de conclusie dat sprake zou zijn van een permanente staat van onmenselijke en vernederende behandeling niet is terug te lezen in het CPT-rapport. Verder heeft zij gewezen op de rechterlijke toetsing van de besluiten van de Minister voor Rechtsbescherming door de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). Uit de laatste beslissing van 19 juni 2023 van de RSJ is overwogen dat er tijdens de detentie van verdachte [verdachte] voldoende aandacht is voor zijn fysieke en mentale welbevinden.
Oordeel van de rechtbank
42. Ten aanzien van het verzoek om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het EHRM-arrest van 26 september 2023 inzake Yüksel Yalçinkaya v. Turkije geldt allereerst dat dit arrest dateert van bijna twee maanden geleden zodat de verdediging geacht mag worden dit arrest te hebben bestudeerd. Dat dit ook het geval is volgt wel uit het feit dat zij de rechtbank heeft gewezen op een specifieke overweging uit dat arrest waaruit volgens haar volgt dat de maatstaf van artikel 149a Sv flink wordt opgerekt. De rechtbank stelt verder vast dat na de datum van het wijzen van dit arrest een pro forma- en regiezitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2023. Ten behoeve van die zitting had de verdediging verzoeken en standpunten voorbereid en de rechtbank gaat ervan uit dat zij toen ook al standpunten over dit arrest heeft kunnen voorbereiden. De omstandigheid dat op de zitting van 6 oktober 2023 een wrakingsincident heeft plaatsgevonden waardoor de verzoeken niet meer aan de orde hebben kunnen komen, kan daar niet aan afdoen. Vervolgens heeft de rechtbank, toen zij van de verdediging op voorhand vernam dat zij graag over dit arrest aanvullend wilde pleiten, laten weten dat daartoe op deze zitting van 22 november 2023 gelegenheid zou zijn. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat het buitengewoon lastig is om een extra zitting te plannen. Niet valt in te zien waarom de verdediging niet in staat zou zijn om deze aanvulling op het pleidooi ter zitting van 22 november 2023 te doen. Dat daarvoor inzage in de Marengo-dataset nodig zou zijn, is niet onderbouwd en valt voorshands ook niet in te zien omdat het gaat om een juridische kwestie. De rechtbank kan de verdediging volgen waar zij stelt dat zij daarbij de verweren van de vorige raadsvrouw op dit punt wil bestuderen. Echter, daarvoor heeft zij, mede in achtgenomen dat het juridische verweren betreft en gezien het tijdsverloop, voldoende gelegenheid gehad. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om thans nog een extra zitting te plannen voor het verzochte aanvullende pleidooi en wijst het verzoek daartoe af.
43. Het voorgaande geldt ook voor het verzoek om aanvullend te pleiten over het CPT-rapport van 23 juni 2023 en de reactie van de Nederlandse Staat op dit rapport. De verdediging had, mede gelet op de datum van het CPT-rapport, haar standpunten en verweren hierover eerder kunnen voorbereiden en bepleiten. Daarvan heeft zij ook blijk gegeven op 22 november 2023 in het kader van het verzoek de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel te schorsen, of ten minste verdachte [verdachte] over te laten plaatsen. De voormalig raadsvrouw heeft overigens – onder andere in haar deelpleitnota ‘publieke berechting’ – al aandacht gevraagd voor de detentieomstandigheden van verdachte [verdachte] en de rechtbank zal hier, als zij daar aan toekomt, bij vonnis op ingaan. Daarbij zal zij dan ook betrekken de door de verdediging ter zitting van 22 november 2023 aangehaalde relevante inhoud van het CPT-rapport. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een extra zitting te plannen voor de verzochte aanvulling op het pleidooi en wijst het verzoek af.
Verzoek om het plannen van een regiezitting
44. Voor zover de verdediging het bij dupliek gedane verzoek van [voormalige raadsvrouw] om een regiezitting te plannen om het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en het Europees Hof van Justitie over de onderwerpen ‘kroongetuige’, ‘PGP’ en ‘levenslang’ te bespreken nog heeft gehandhaafd, wordt dit verzoek afgewezen. De rechtbank ziet in hetgeen daartoe destijds is aangevoerd geen grond hiervoor. Het verzoek beschouwt de rechtbank als een voorwaardelijk verzoek dat in het kader van het pleidooi is gedaan, voor het geval de verdediging niet wordt gevolgd in haar standpunten over deze kwesties. De rechtbank zal daarop in dat geval dan ook bij vonnis beslissen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een regiezitting te plannen zodat de verdediging kan betogen dat de zaak van verdachte [verdachte] moet worden aangehouden in verband met het onderzoek door de procureur-generaal bij de Hoge Raad naar kroongetuigen. Nu dit onderzoek ziet op getuigenbescherming en niet op individuele strafzaken, is onvoldoende onderbouwd dat de resultaten van dat onderzoek van belang zijn voor enig te nemen beslissing in deze strafzaak. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis
Standpunt van de verdediging
45. De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, subsidiair deze te schorsen en, meer subsidiair, om toepassing te geven aan artikel 78 lid 4 Sv en te bepalen dat de voorlopige hechtenis van verdachte [verdachte] in een andere penitentiaire inrichting ten uitvoer wordt gelegd dan (in afdeling E1) in de EBI in Vught. Daartoe is het volgende aangevoerd.
Voor verdachte is een aparte éénpersoonsafdeling op de EBI gemaakt, de afdeling E1. Het betreft een éénpersoons-cel die via een gang van anderhalve meter verbonden is met een zeer kleine recreatieruimte. Bij het overbrengen van de ene ruimte naar de andere ruimte wordt verdachte geboeid. Ook wordt hij geboeid bij alle overige bewegingen buiten zijn cel. Het telefonisch contact met zijn minderjarige kinderen wordt al jaren tegengehouden. Het bezoek van zijn zus vindt plaats in aanwezigheid van een tolk en een bewaarder en het bezoek kan elk moment worden onderbroken. Al deze gesprekken worden opgenomen en uitgewerkt. Het bezoek vindt plaats achter glas, evenals het bezoek van zijn advocaten. Verdachte mag al bijna vier jaar lang geen enkel contact hebben met medegedetineerden. De facto is volgens de verdediging sprake van een zeer verregaande vorm van ‘isolatiefolter’. Deze detentieomstandigheden leveren een onmenselijke en vernederende behandeling op die inmiddels een structureel en permanent karakter heeft gekregen. De verdediging wijst daarbij op paragraaf 126 en 129 van het rapport van het CPT van 23 juni 2023 waarin specifiek wordt ingegaan op de situatie van verdachte [verdachte] :
“126. The tenth person in the EBI unit was held under even greater restrictions and security measures in conditions akin to de facto solitary confinement with insufficient meaningful human contact since December 2019 (namely, two and a half years). At the time of the visit, he had been held in a separate wing on his own for more than eight months.
(…)
129. (…) Further, special efforts should be made to enhance the regime and provide sufficient meaningful human contact for those segregated from other persons to avoid that they are kept in conditions akin to de facto solitary confinement.”
Op grond van deze detentiesituatie is sprake van bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gelet op de verplichtingen die de Staat heeft op grond van het VN-antifolterverdrag, dient de rechtbank op grond van deze persoonlijke omstandigheden het verzoek tot opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis dan wel het verzoek hem uit (de afdeling E1 van) de EBI te plaatsen naar elders, toe te wijzen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
46. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
47. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen nog onverkort aanwezig zijn. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen. De gronden van de voorlopige hechtenis, waaronder de geschokte rechtsorde, verzetten zich voorts tegen de verzochte schorsing. De persoonlijke belangen van verdachte wegen niet op tegen deze belangen van strafvordering. Het subsidiaire gedane schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen.
48. Ten aanzien van het meer subsidiaire verzoek tot toepassing van artikel 78 lid 4 Sv overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 78 lid 4 Sv bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte de plaats kan vermelden waarin de voorlopige hechtenis wordt ondergaan. Daargelaten de vraag of de rechtbank de bevoegdheid toekomt om op grond van dit artikellid te oordelen over de plaatsing van verdachte in (afdeling E1 van) de EBI, ziet de rechtbank hiertoe ook geen aanleiding. Daartoe is redengevend dat de rechtbank niet beschikt over alle redengevende informatie en (veiligheids)afwegingen op basis waarvan hij in de EBI is geplaatst en op basis waarvan aan hem eventuele (aanvullende) maatregelen en/of beperkingen zijn opgelegd. De rechtbank kan die afwegingen en de daarbij betrokken informatie dan ook niet afwegen tegen de gestelde persoonlijke belangen. Bovendien stelt de rechtbank vast dat verdachte [verdachte] tegen de beslissingen van de minister voor Rechtsbescherming om hem in de EBI te plaatsen en deze plaatsing te verlengen beroep kan instellen bij een rechterlijke instantie, de RSJ. Verdachte [verdachte] heeft tegen het laatste besluit tot verlenging van de plaatsing in de EBI voor de duur van 12 maanden ook gebruik gemaakt van die mogelijkheid. De RSJ heeft dit beroep op 23 juni 2023 ongegrond verklaard. Ook tegen eventuele aanvullende maatregelen en/of beperkingen die ten aanzien van verdachte [verdachte] in de EBI worden opgelegd staat beklag en beroep bij de beroepscommissie van de RSJ open. Op grond van het voorgaande wijst de rechtbank ook het meer subsidiaire verzoek af.
Slotsom
49. De slotsom is dat de verzoeken worden afgewezen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑12‑2023
ECLI:NL:RBAMS:2022:3073, r.o. 52.
ECLI:NL:RBAMS:2022:3890, r.o. 36-41.
ECLI:CE:ECHR:1989:1219JUD000978382.
Uitspraak 09‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken van verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 3 in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 6 oktober 2023
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 6 oktober 2023
Procesverloop
1. Voorafgaand aan de pro forma- en regiezitting van 6 oktober 2023 heeft mr. S. Boersma namens verdachte [verdachte 2] bij e-mailbericht van 26 september 2023 onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 2 oktober 2023 schriftelijk op deze wensen gereageerd.
2. Mrs. R. van ’t Land en H.M. Dunsbergen hebben bij e-mailbericht van 4 oktober 2023 namens verdachte [verdachte 1] onderzoekswensen ingediend.
3. Ter zitting van 6 oktober 2023 heeft mr. Boersma nog een aanvullend verzoek gedaan. Namens verdachte [verdachte 3] heeft mr. L.E. Versluis, waarnemend voor mrs. G.N. Weski en F.M.H. van Mullekom, zich aangesloten bij de verzoeken die mr. Boersma heeft gedaan.
4. Ter zitting van 6 oktober 2023 heeft het Openbaar Ministerie gereageerd op de namens verdachte [verdachte 1] gedane verzoeken. Vervolgens is voor zover nodig gebruikt gemaakt van de geboden gelegenheid voor re- en dupliek over de onderzoekswensen. De rechtbank heeft vervolgens medegedeeld dat zo spoedig mogelijk zal worden beslist. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank.
Beslissingen
In de zaken van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3]
Verzoeken in verband met ‘onderzoek ten aanzien van moordcommando’
Verzoek van de verdediging
5. De verdediging heeft, onder verwijzing naar het interview met commando [naam commando] . in Het Parool van 26 augustus 2023, verzocht om het horen als getuige van commando [naam commando] . en (in ieder geval) de twee personen die kennelijk bij de bespreking met de officieren van justitie aanwezig waren en die [naam commando] . over (een deel van) de inhoud en aanwezigen bij die bijeenkomst hebben geïnformeerd. Daartoe is aangevoerd, samengevat, dat inmiddels concrete aanwijzingen bestaan dat er ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] opdrachten zijn uitgezet om de mogelijkheid te onderzoeken hem te ontvoeren of uit te schakelen (vermoorden). Volgens de verdediging zijn er overeenkomsten tussen de wijze waarop verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] en medeverdachte [medeverdachte] zijn ‘verkregen’ (de rechtbank begrijpt: naar Nederland zijn overgebracht), waarbij het doel kennelijk was – zo begrijpt de rechtbank – een met waarborgen omkleedde (uitleverings-)procedure te voorkomen. De verdediging acht daarom noodzakelijk te onderzoeken of dergelijke plannen rondom het ontvoeren en uitschakelen eveneens ter sprake zijn gekomen met betrekking tot verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] door het horen van de verzochte getuigen. De verdediging voegt daar nog aan toe dat uit het artikel blijkt dat [naam commando] . zeer actief was in Suriname en daar goede contacten had. De verdediging wenst hem dan ook te vragen of, en zo ja hoe, die contacten zijn ingezet in het kader van de aanhouding van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] in Suriname. De bijeenkomst vond volgens [naam commando] . bovendien 9 tot 10 maanden voorafgaand aan de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte] in december 2019 plaats en dus ook voor de aanhouding van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] (in mei 2019). Het horen van de getuigen is ook van belang voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en/of de strafmaat, ook waar het de zaak van medeverdachten betreft. Immers, als de beweringen van [naam commando] . juist zouden zijn, is vergaand gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde en is geen sprake van een de wet respecterend en betrouwbaar Openbaar Ministerie. In dit verband wijst de verdediging erop dat het Openbaar Ministerie heeft ontkend dat een dergelijke bijeenkomst überhaupt heeft plaatsgevonden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
6. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank stelt vast dat de verdediging al eerder verzoeken heeft gedaan in het kader van het door haar gewenste onderzoek naar het bestaan van een ‘moordcommando’, waaronder het horen van [naam commando] . Deze verzoeken heeft de rechtbank afgewezen bij beslissing van 7 juni 2023.1.De rechtbank heeft daarin overwogen dat de verdediging op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat met betrekking tot verdachten [verdachte 2] en/of [verdachte 3] mogelijk plannen hebben bestaan hen te ontvoeren dan wel te vermoorden. Waar aan het huidige verzoek dezelfde stelling ten grondslag is gelegd, geldt dat ook nu op geen enkele wijze is onderbouwd dat dergelijke plannen ten aanzien van verdachten [verdachte 2] en/of [verdachte 3] hebben bestaan. Het is gebleven bij het schetsen van scenario’s die zich in de ogen van de verdediging misschien wel hebben voorgedaan, maar waarvoor geen concrete onderbouwing is gegeven. De stellingen dat [naam commando] . goede contacten zou hebben gehad in Suriname en dat de bijeenkomst waarover hij in het interview spreekt zou hebben plaatsgevonden vóór de aanhouding van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] , zijn daartoe volstrekt onvoldoende. Het horen van de verzochte getuigen zou neerkomen op een zogenoemde ‘fishing expedition’. Hierin ziet de rechtbank dan ook niet het (materiële) verdedigingsbelang tot het horen van de verzochte getuigen.
8. Dat het horen van de getuigen van belang is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en/of de strafmaat in de zaak van (mede)verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] , acht de rechtbank evenmin voldoende onderbouwd. De verdediging heeft haar stelling in dit verband, dat uit de verklaringen van [naam commando] . zou zijn gebleken dat op verzoek van het Openbaar Ministerie een plan om verdachte [medeverdachte] te vermoorden zou zijn besproken, niet onderbouwd. De verdediging heeft nog gewezen op het verhoor van [getuige] als meegebrachte getuige op de zitting van 19 april 2023 in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] . Uit de verklaring van [getuige] valt echter hoogstens af te leiden dat informeel zou zijn gesproken met [naam commando] . en hem om advies zou zijn gevraagd of het eventueel mogelijk zou zijn om medeverdachte [medeverdachte] uit Iran of Dubai weg te halen of hem te ‘neutraliseren’. Er zijn geen aanwijzingen dat daadwerkelijk sprake is geweest van een plan om medeverdachte [medeverdachte] te ontvoeren of om het leven te brengen en/of dat daartoe uitvoeringshandelingen zijn verricht op instigatie van het Openbaar Ministerie. Uit de verklaring van [getuige] blijkt zelfs niet dat het informele ‘adviesgesprek’ met [naam commando] . zou hebben plaatsgevonden op verzoek of met medeweten van het Openbaar Ministerie. Dit staat evenmin in het interview in het Parool met [naam commando] ., waarin hij nog opmerkt dat het mogelijk ook brain farts kunnen zijn. De rechtbank leidt daar uit af dat [naam commando] . kennelijk ook niet weet of er een concreet plan was. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding de verzochte getuigen te horen nu niet is onderbouwd dat dit onderzoek van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Verzoek tot het houden van aanvullend pleidooi
Verzoek van de verdediging
9. De verdediging heeft verzocht om de gelegenheid te krijgen aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over geheimhouders van 2 mei 20232.(hierna: het Box-arrest), het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 20233.waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen over Encrochat en SkyECC heeft beantwoord en het arrest van het EHRM van 26 september 2023 in de zaak [naam zaak] tegen Turkije.4.De verdediging heeft er geen bezwaar tegen dat deze aanvulling schriftelijk wordt gedaan zoals het Openbaar Ministerie voorstelt, maar verzoekt een ruimere termijn dan de voorgestelde twee weken omdat dat voor haar niet haalbaar is. Na deze schriftelijke ronde zal dan misschien nog een kort debat op de zitting van 21 december 2023 of die van 14 februari 2024 nodig zijn.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
10. Het Openbaar Ministerie heeft er op gewezen dat de verdediging al eerder heeft aangekondigd te willen ‘napleiten’, dat zij daartoe ook is uitgenodigd door de rechtbank maar dat zij daar geen gebruik van heeft gemaakt. Wat het Openbaar Ministerie betreft is het niet aangewezen dat een (extra) zitting wordt gepland voor een aanvulling op het pleidooi, maar krijgt de verdediging een schriftelijke ronde – waarbij gedacht wordt aan een termijn van twee weken – om deze jurisprudentie onder de aandacht te brengen. Daarna kan het Openbaar Ministerie zo nodig nog schriftelijk reageren.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank heeft in de reeds aangehaalde beslissing van 7 juni 2023 het verzoek van de verdediging om een zitting te plannen voor een aanvulling op het pleidooi in verband met het Box-arrest en het (toen nog) te verwachten arrest van de Hoge Raad over de prejudiciële vragen met betrekking tot Encrochat en SkyECC, afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij zich voorstelt dat op de regiezitting van 14 juli 2023 aan de orde gesteld kan worden of in hoeverre er een aanvullend debat over het Box-arrest nodig is en zo ja, hoe dat in dat geval vorm te geven. De verdediging is hier voorafgaand aan de zitting van 14 juli 2023 noch op die zitting zelf op teruggekomen. Anders dan de verdediging thans stelt, heeft zij haar verzoeken toen ook niet gehandhaafd. Maar zelfs al zou de verdediging in de onjuiste veronderstelling verkeren dat zij dit wel heeft gedaan, dan zou de mededeling dat ‘het verzoek wordt gehandhaafd’ onvoldoende zijn geweest omdat uiterlijk op die zitting van 14 juli 2023 een toelichting werd verwacht over de vraag of en in hoeverre een aanvullend debat over het Box-arrest en het inmiddels gewezen arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2023 nodig was. Die toelichting is er niet gekomen waar dat wel verwacht mocht worden. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar haar vaststellingen hierover onder overweging 6 van haar beslissing van 19 juli 2023.5.
12. Zoals in de beslissing van 19 juli 2023 ook is overwogen (onder overweging 13) moet de term ‘regiezitting’ in het licht van de stand van de procedure worden bezien. De rechtbank heeft hierover eerder gezegd dat als zich nieuwe ontwikkelingen voordoen die aanleiding kunnen zijn voor verzoeken om aanvullend te mogen pleiten of om nieuwe onderzoekswensen te doen, dat dergelijke verzoeken op die pro forma- / regiezittingen aan de orde kunnen worden gesteld.
13. In het licht van het voorgaande betekent dit dat de rechtbank geen aanleiding ziet om een aanvulling op het pleidooi met een schriftelijke ronde en/of een zitting toe te staan over het Box-arrest en het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2023 aangezien dat geen nieuwe ontwikkelingen zijn. Het verzoek wordt in zoverre daarom afgewezen. Dit is anders voor het arrest van het EHRM van 26 september 2023. Dit arrest dateert immers van na de laatste pro forma- / regiezitting van 14 juli 2023 zodat de verdediging zich hierover niet eerder heeft kunnen uitlaten. De rechtbank zal de verdediging daarom de gelegenheid bieden om uiterlijk op 2 november 2023 schriftelijk naar voren te brengen wat zij over dit arrest wil bepleiten. Het Openbaar Ministerie kan, indien gewenst, daar vervolgens uiterlijk 23 november 2023 op reageren. De rechtbank zal afhankelijk van de schriftelijke reacties bepalen of daarna nog verder inhoudelijk debat over de gewisselde standpunten nodig is, al dan niet op een (extra) zitting. Alleen in zoverre wordt het verzoek van de verdediging toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 1]
Verzoek tot voortzetten van het verhoor van de kroongetuige
Verzoek van de verdediging
14. De verdediging heeft (opnieuw) verzocht het verhoor van de kroongetuige voort te zetten. Daartoe heeft zij gesteld dat de kroongetuige inmiddels weer een raadsman heeft. De kroongetuige kan nu bij een voortzetting van het verhoor in overleg met zijn advocaat bezien of en in hoeverre hij vragen kan beantwoorden. De bezwaren van de verdediging zoals die rezen tijdens het verhoor van de kroongetuige op 14 maart 2023, waar een onwerkbare situatie ontstond, zijn nu dus niet meer aan de orde. Omdat het vonnis nog maanden op zich laat wachten, is er geen tijdsdruk om in de tussentijd het verhoor alsnog af te ronden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
15. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
16. Aan het verzoek tot voortzetting van het verhoor van de kroongetuige is ten grondslag gelegd dat de verdediging tijdens het verhoor van de kroongetuige op 14 maart 2023 geconfronteerd is met een in haar ogen onwerkbare situatie waardoor haar verdedigingsrechten ex artikel 6 lid 3 (d) EVRM werden geschonden. De rechtbank stelt vast dat de verdediging deze stelling ook heeft ingenomen ter onderbouwing van een eerder verzoek tot het aanvullend horen van de kroongetuige. Dat verzoek is toen door de rechtbank afgewezen bij beslissing van 7 juni 2023. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat de kroongetuige geen raadsman meer had tijdens het aanvullende verhoor van 14 maart 2023 niet maakt dat de verdediging haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Ook heeft de rechtbank daarin overwogen dat zij de stelling van de verdediging, dat het onwerkbaar was de kroongetuige te ondervragen op de wijze zoals in die beslissing is beschreven, niet onderschrijft. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 34 tot en met 36 van die beslissing en ziet in het gestelde geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Nu de rechtbank op dit punt dan ook geen schending van artikel 6 lid 3 (d) EVRM ziet, bestaat ook geen grond om – in de woorden van de verdediging – deze schending te repareren met een voortzetting van het verhoor. Het verzoek wordt afgewezen.
Overige verzoeken
Verzoek van de verdediging
17. De verdediging heeft aandacht gevraagd voor het feit dat zij meerdere malen gemotiveerd heeft verzocht om – kort gezegd – het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepassing van de kroongetuigeregeling, de verkrijging van het psychologisch rapport over de kroongetuige en de verkrijging van onderliggende correspondentie over de uitlevering van verdachte uit Colombia en nadere informatie door de Colombiaanse autoriteiten. Ondanks de eerdere afwijzingen van de rechtbank worden deze verzoeken gehandhaafd ter verzekering van rechten in (een) eventuele vervolgprocedure(s) en wordt verzocht de gedane verzoeken (alsnog) toe te wijzen en uit te laten voeren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
18. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de (herhaalde) verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
19. De rechtbank stelt vast dat de verdediging opnieuw haar eerdere verzoeken heeft herhaald zonder daaraan nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag te leggen. De rechtbank wijst deze verzoeken om die reden opnieuw af onder verwijzing naar haar eerdere beslissingen, laatstelijk die van 19 juli 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑10‑2023
ECHR 26 september 2023 CASE OF [naam zaak] v. TÜRKİYE 15669/20.
Uitspraak 19‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 14 juli 2023
Partij(en)
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 14 juli 2023
1. Mr. G.N. Weski heeft bij e-mailbericht van 21 juni 2023 een onderzoekswens ingediend namens verdachte [verdachte 1] . Bij gelegenheid van dupliek in de zaak van verdachte [verdachte 1] op 13 juli 2023 is daar een aantal aanvullende onderzoekswensen aan toegevoegd. Het Openbaar Ministerie heeft op deze onderzoekswensen gereageerd respectievelijk bij e-mailbericht van 12 juli 2023 en ter zitting van 13 juli 2023.
2. Mrs. S.T. van Berge Henegouwen, A.S. van der Biezen en M.P.K. Ruperti hebben namens verdachte [verdachte 2] in hun inhoudelijk gelijkluidende stelbrieven van 29 juni 2023 regieverzoeken gedaan ten behoeve van de zitting van 14 juli 2023.
3. Mrs. R. van ’t Land en H.M. Dunsbergen hebben bij e-mailbericht van 7 juli 2023 en nader toegelicht en aangevuld bij e-mailbericht van 12 juli 2023, namens verdachte [verdachte 3] onderzoekswensen ingediend.
4. Mr. F.M.H. van Mullekom heeft bij e-mailbericht van 10 juli 2023 een onderzoekswens ingediend namens verdachte [verdachte 4] . Het Openbaar Ministerie heeft hier op 12 juli 2023 schriftelijk op gereageerd.
5. Naar aanleiding van de bij dupliek in de zaak van verdachte [verdachte 5] overgelegde arbeidsovereenkomst heeft het Openbaar Ministerie onderzoek laten verrichten. De resultaten daarvan staan in een aanvullend proces-verbaal dat recent is verzonden aan de verdediging en de rechtbank. Mr. C.J.M. den Blanken heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 6 juli 2023 gevraagd of dit proces-verbaal ex artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) relevante vragen oproept aan verdachte [verdachte 5] . Als dat het geval is, is verdachte bereid deze te beantwoorden, en zo niet, dan bespaart de verdediging zichzelf graag de moeite.
6. Mr. S. Boersma heeft ten behoeve van de vorige regiezitting op 17 mei 2023 namens verdachten [verdachte 6] en [verdachte 4] onder meer verzocht om uitstel van de termijn voor het indienen van onderzoekswensen op een andere, nader te bepalen, regiezitting. Ook heeft zij toen verzocht om een nadere zitting te plannen waarop de verdediging haar pleidooi kan aanvullen naar aanleiding van ontwikkelingen in de jurisprudentie en zij de relevantie van die jurisprudentie voor de zaken van verdachten kan toelichten. Daartoe is gewezen op het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 2 mei 2023 in de zogenoemde Box-zaak en het te verwachten arrest van de Hoge Raad naar aanleiding van de prejudiciële vragen rondom de Encrochat- en Sky-data. De rechtbank heeft deze verzoeken op 7 juni 20231.afgewezen en daarbij overwogen dat zij geen aanleiding ziet om een aparte regiezitting te plannen, omdat in de zaken van alle verdachten op 14 juli 2023 een regiezitting staat gepland en de verdediging ten behoeve van die zitting desgewenst onderzoekswensen kan indienen. Over het verzoek om een zitting te plannen voor aanvullend pleidooi is overwogen dat op dat moment alleen de wens bestaat om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het Box-arrest en de rechtbank zich daarom voorstelt dat op de regiezitting van 14 juli 2023 aan de orde kan worden gesteld of en in hoeverre er een aanvullend debat op zitting nodig is en zo ja, hoe dat in dat geval vorm te geven. De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad inmiddels op 13 juni 2023 arrest2.heeft gewezen in de zaak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de Encrochat- en Sky-data.
De rechtbank stelt verder vast dat mr. Boersma ten behoeve van de zitting van 14 juli 2023 bij e-mailbericht van 28 juni 2023 aan de rechtbank naar aanleiding van de gestelde termijn voor het indienen van onderzoekswensen uiterlijk op ‘donderdag 7 juli 2023’ opheldering heeft gevraagd of de uiterste termijn voor het indienen van onderzoekswensen donderdag 6 of vrijdag 7 juli 2023 betrof. De rechtbank heeft daarop laten weten dat de datumvermelding inderdaad een vergissing betrof en dat de juiste datum vrijdag 7 juli 2023 is. De rechtbank heeft uiteindelijk voorafgaand aan de zitting geen onderzoekswensen ontvangen.
7. Ter zitting van 14 juli 2023 heeft mr. G.N. Weski namens verdachten [verdachte 6] en [verdachte 4] verzocht zijn onderzoekswensen met betrekking tot het horen van een drietal getuigen in de zaak van verdachte [verdachte 1] ook te laten gelden in de zaken van verdachten [verdachte 6] en [verdachte 4] .
8. Ter zitting van 14 juli 2023 heeft mr. N.C.J. Meijering namens verdachte [verdachte 7] een tweetal onderzoekswensen geformuleerd.
9. Ter zitting van 14 juli 2023 heeft het Openbaar Ministerie op de onderzoekswensen waarop dat nog niet eerder was gebeurd, gereageerd en vervolgens heeft nog re- en dupliek plaatsgevonden. Ook heeft het een toelichting gegeven op het verstrekte proces-verbaal in de zaak van verdachte [verdachte 5] . Namens mr. Den Blanken heeft mr. S. Snelders ter zitting medegedeeld dat schriftelijk zal worden gereageerd op deze reactie van het Openbaar Ministerie.
10. Ter zitting van 14 juli 2023 zijn voorts door raadslieden van een aantal verdachten verzoeken gedaan met betrekking tot de voorlopige hechtenis.
11. Hieronder volgen de beslissingen op de onderzoeks- en regiewensen en de verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal nog niet beslissen op de nog openstaande onderzoekswensen in de zaak van verdachte [verdachte 2] omdat zijn verdediging, zoals ook ten tijde van de beslissing van 7 juni 2023 het geval was, nog gelegenheid krijgt te reageren op de reactie van het Openbaar Ministerie van 10 mei 2023 op die onderzoekswensen. De rechtbank zal hieronder daartoe wel een termijn stellen.
Onderzoeks- en regiewensen
In de zaken van alle verdachten
12. De rechtbank stelt voorop dat de inhoudelijke behandeling van de zaken in Marengo nagenoeg is afgerond. Het Openbaar Ministerie heeft in alle zaken een eis geformuleerd, de raadslieden hebben hun pleidooi gehouden, het Openbaar Ministerie heeft in alle zaken gerepliceerd en in alle zaken - met uitzondering van de zaak van verdachte [verdachte 8] die een laatste uitstel heeft verzocht en gekregen voor dupliek op 22 september 2023 - hebben de raadslieden gedupliceerd. Ook zijn er verdachten die vooralsnog geen gebruik hebben gemaakt van het geboden moment om het laatste woord te voeren. De rechtbank doelt hier op de mogelijkheid die daartoe in de planning, namelijk aansluitend op de dupliek in de zaken, stond vermeld. Vanzelfsprekend geldt dat als verdachten (nog of nogmaals) het laatste woord willen voeren, zij daartoe de gelegenheid krijgen. De zaak Marengo is dus zo goed als afgerond wat de behandeling betreft.
13. Hoewel de rechtbank in de verstrekte planning steeds de term ‘regiezitting’ naast ‘pro formazitting’ gebruikt, moet de term ‘regiezitting’ steeds in het licht van de stand van de procedure worden bezien. De rechtbank heeft hierover eerder gezegd dat als zich nieuwe ontwikkelingen voordoen die aanleiding kunnen zijn voor verzoeken om aanvullend te mogen pleiten of om nieuwe onderzoekswensen te doen, dat dergelijke verzoeken op die pro forma-/regiezittingen aan de orde kunnen worden gesteld.
14. De onderzoekswensen zal de rechtbank dan ook tegen deze achtergrond beoordelen. Dit betekent dat verzoeken in voorkomende gevallen, namelijk wanneer het niet gaat om nieuwe ontwikkelingen en/of als er sinds die nieuwe ontwikkelingen ruime tijd is verstreken zonder dat een verzoek is gedaan, worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de rechtbank de noodzaak daarvan is gebleken.
In de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 6] en [verdachte 4]
Verzoek horen [getuige 1] en twee slachtoffers in het onderzoek Loos
Verzoek van de verdediging
15. Mr. G.N. Weski heeft namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 6] en [verdachte 4] verzocht om een getuigenverhoor van [getuige 1] en de twee slachtoffers van de schietpartij in de plaats Noordeloos. Daartoe is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in de repliek een verbinding legt tussen de onderzoeken Loos en Zeilboot en stelt dat [getuige 1] in beide zaken de schutter zou zijn geweest en dat die slachtoffers in het onderzoek Loos niet uit zich zelf zouden verklaren dat zij eerder die dag [slachtoffer] hebben gepoogd te vermoorden en dit daarom ook niet aan hen is gevraagd. Dit verbaast de verdediging enorm. Blijkbaar houdt het Openbaar Ministerie rekening met de mogelijkheid dat zij de beoogde schutters waren. [getuige 1] kan verklaren of hij als schutter van verdachte [verdachte 1] het sein zou hebben gehad teneinde [slachtoffer] dood te schieten. [getuige 1] zit nog steeds vast in Brazilië, kan dus worden getraceerd en gehoord en er is tijd tot het vonnis.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
16. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Ten aanzien van [getuige 1] geldt dat niet te verwachten valt dat hij binnen redelijke termijn kan worden gehoord. Ten aanzien van de twee slachtoffers in het onderzoek Loos geldt dat het Openbaar Ministerie niet met dat onderzoek is gekomen, maar dat dit een reactie betrof op het pleidooi van de verdediging waarin was gesteld dat het onderzoek Loos geen verband heeft aangetoond tussen de slachtoffers van die schietpartij en de moord op [slachtoffer] . De verdediging heeft het dossier Loos ingezien en had, als er belang was bij het horen van deze getuigen, dat verzoek op een veel eerder moment kunnen doen. Het horen van deze getuigen is in de strafzaak tegen [verdachte 1] niet noodzakelijk. Dat het horen van de slachtoffers van belang zou zijn in de zaken van [verdachte 6] en [verdachte 4] is onvoldoende onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
17. De rechtbank stelt voorop dat de rechter-commissaris bij beslissing van 25 februari 2020 het verzoek van de verdediging van [verdachte 6] en [verdachte 4] (en [verdachte 9] ) om [getuige 1] als getuige te horen heeft afgewezen. Daarbij is overwogen dat onbekend is waar [getuige 1] verblijft en/of kan worden bereikt voor een oproep voor verhoor, zodat op dit moment niet te verwachten is dat hij binnen redelijke termijn als getuige gehoord zal kunnen worden, terwijl er ook geen aanknopingspunten zijn om dat te bewerkstelligen. Ook heeft de rechter-commissaris daarbij overwogen dat mocht er alsnog zicht komen op een verblijfplaats van deze getuige, de rechter-commissaris dat graag verneemt en dat dan een eventueel nader verzoek alsnog in behandeling kan worden genomen. Hierna is tijdens de pro forma- / regiezittingen van 18, 19, 27 en 28 mei 2020 namens verdachte(n) ( [verdachte 9] en) [verdachte 1] gesteld dat de verdediging zich niet kan vinden in de afwijzing van het verzoek door de rechter-commissaris en is de rechtbank verzocht om het horen van [getuige 1] als getuige. De rechtbank heeft dit verzoek bij beslissing van 4 juni 2020 afgewezen met de volgende motivering:
“Het verzoek tot het horen van getuige [getuige 1] wordt afgewezen. [getuige 1] is een voortvluchtige verdachte, die internationaal gesignaleerd staat. Kennelijk is hij op dit moment onvindbaar. Zolang hij niet is gevonden verenigt de rechtbank zich met de beslissing van de rechter-commissaris. Zodra de situatie wijzigt en [getuige 1] beschikbaar is voor een getuigenverhoor, kan er opnieuw een verzoek worden gedaan om hem als getuige te horen. De rechtbank begrijpt de beslissing van de rechter-commissaris zo, dat wanneer [getuige 1] beschikbaar is, het verzoek om hem als getuige te horen toegewezen zal worden.”
18. [getuige 1] is op 28 januari 2021 in het onderzoek Loos door de rechtbank Oost-Brabant bij verstek veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf en zijn gevangenneming is daarbij bevolen.3.Vast staat dat [getuige 1] nadien is aangehouden in Brazilië en hij daar sinds juli 2021 in uitleveringsdetentie zit ter uitlevering aan Nederland.
19. De rechtbank stelt vast dat de verdediging na het bekend worden van de aanhouding van [getuige 1] begin juli 2021 niet opnieuw heeft verzocht hem als getuige te horen terwijl de verdediging, als zij belang had gehecht aan het alsnog horen van hem als getuige, daar op dat moment al om had kunnen verzoeken. Inmiddels is meer dan twee jaar verstreken, zodat de rechtbank het verzoek toetst aan het noodzaakscriterium. Nu de noodzaak van het horen van [getuige 1] in de zaken van verdachten niet is gebleken, wijst de rechtbank het verzoek af.
20. Het verzoek tot het horen van de twee slachtoffers uit het onderzoek Loos wordt eveneens afgewezen. Dat verzoek is ten aanzien van [verdachte 6] en [verdachte 4] niet onderbouwd. Ten aanzien van verdachte [verdachte 1] is de rechtbank van oordeel dat de verdediging al eerder om het horen van deze getuigen had kunnen verzoeken maar dit heeft nagelaten. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat dit verzoek niet eerder kon of hoefde te worden gedaan omdat het Openbaar Ministerie eerst bij repliek heeft gesteld dat er een verband is tussen de poging moord in Noordeloos en de mogelijke poging moord op [slachtoffer] bij hotel CitizenM, volgt de rechtbank de verdediging daarin niet. Het dossier bevat immers al veel langer de verklaring van [getuige 2] , dat in opdracht van verdachte [verdachte 2] een moordpoging in de plaats Noordeloos is geweest op twee personen die geweigerd hadden [slachtoffer] te vermoorden toen hij zich in de omgeving van het CitizenM hotel bevond. Deze verklaring heeft het Openbaar Ministerie ook weergegeven in het requisitoir (pagina 737) in juni 2022. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in reactie op het pleidooi van de verdediging bij repliek nog is ingegaan op omstandigheden, zoals een (uitgebrande) Audi en een Seat in relatie tot de loods in Landsmeer, waaruit volgens het Openbaar Ministerie wél een verband kan worden gelegd tussen het onderzoek Loos en de poging moord op [slachtoffer] , kan er niet aan afdoen dat de verdediging eerder om het horen van deze getuigen had kunnen verzoeken. Dit klemt te meer nu de verdediging blijkens haar mededeling bij pleidooi op 26 en 28 september 2022 heeft gezegd dat zijzelf inzage heeft gehad in het onderzoek Loos. De rechtbank toetst het verzoek dan ook aan het noodzaakscriterium en wijst het verzoek af nu de noodzaak van het horen van deze getuigen niet is gebleken.
In de zaak van verdachte [verdachte 4] voorts
Verzoek horen getuige [getuige 3]
21. De verdediging van verdachte [verdachte 4] heeft verzocht om [getuige 3] als getuige te doen horen. Hij is eerder toegewezen als getuige maar hij is door de rechter-commissaris niet opgeroepen voor verhoor omdat hij via zijn advocaat had laten weten zich bij een verhoor volledig op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen. De verdediging stelt dat zij zeer recent bekend is geworden met het feit dat de strafzaak van [getuige 3] , in welk kader hij zich op zijn verschoningsrecht zou beroepen, inmiddels onherroepelijk is geworden. Dat maakt dat hij als getuige niet langer het recht heeft om zich te verschonen. Om die reden wordt verzocht hem nu als getuige op te roepen. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
22. De rechtbank stelt vast dat de verdediging van verdachten [verdachte 9] , [verdachte 6] en [verdachte 4] eerder bij de rechter-commissaris om het horen van deze getuige heeft verzocht. De rechter-commissaris heeft dat verzoek toegewezen bij beslissing van 25 februari 2020 en daarbij bepaald: “De rechter-commissaris bepaalt, mede op verzoek van de officieren van justitie, dat de getuige [getuige 3] , behalve in de zaken van [verdachte 4] en [verdachte 6] en [verdachte 9] ook gehoord zal worden in de zaken van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 10] , gelet op de verdenking van hun betrokkenheid bij de zaak Rudolf.” Op 13 mei 2020 heeft de rechter-commissaris laten weten dat [getuige 3] niet zal worden opgeroepen voor verhoor, aangezien hij via zijn raadsman heeft laten weten dat hij zich op zijn verschoningsrecht zal beroepen.
23. De rechtbank kan de verdediging niet volgen waar zij stelt dat zij pas zeer recent heeft vernomen dat de strafzaak waarin hij zich op zijn verschoningsrecht kon beroepen, onherroepelijk is geworden. [getuige 3] is door de rechtbank Midden-Nederland op 9 maart 20204.veroordeeld. Ter zitting van 11 augustus 2020 heeft het Openbaar Ministerie in zijn toelichting (op pagina 17) vermeld dat deze veroordeling inmiddels onherroepelijk is. Voor zover dit op dat moment al niet direct op het netvlies van de verdediging is komen te staan, geldt dat toch in ieder geval bij gelegenheid van dag 3 van het requisitoir in juni 2022 voor de verdediging duidelijk had kunnen zijn dat deze veroordeling onherroepelijk was omdat dat daar (onder punt 8.1) wederom met zoveel woorden is gezegd. Nu inmiddels meer dan een jaar is verstreken zonder dat de verdediging een nieuw verzoek tot het horen van deze getuige heeft gedaan en van nieuwe feiten of omstandigheden niet is gebleken, toetst de rechtbank het verzoek aan het noodzaakscriterium. De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak tot het horen van [getuige 3] thans niet is gebleken zodat het verzoek wordt afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 1] voorts
Verzoek horen getuige [getuige 4]
24. De verdediging heeft verzocht om de getuige [getuige 4] te horen omdat deze getuige van belang is voor de beoordeling in de zaaksdossiers Roos en Doorn. Inmiddels heeft de verdediging vernomen wie het contact met de naam ‘ [naam 1] ’ in de telefoon zou moeten betreffen. Die persoon kan dan ook verder bevestigen dat de gebruiker van de telefoon niet verdachte [verdachte 1] kan zijn geweest. De getuige kan voorts ook de vermeende mastgegevens duiden. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen een verhoor van deze getuige. De identiteit van de gevraagde getuige is inmiddels vastgesteld en zijn adresgegevens zijn bij de politie bekend.
Gelet op het feit dat deze getuige in het onderzoek niet eerder is gehoord heeft het Openbaar Ministerie voorgesteld dat dit verhoor bij de politie plaatsvindt, indien gewenst in aanwezigheid van de verdediging van [verdachte 1] en het Openbaar Ministerie. De verdediging heeft met deze wijze van verhoor ingestemd.
Oordeel van de rechtbank
25. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de verzochte getuige toe aangezien dit een nieuwe ontwikkeling is, het verdedigingsbelang daarbij voldoende is onderbouwd, de identiteit van de getuige is vastgesteld en het ook mogelijk is hem op aanvaardbare termijn te doen horen. Aangezien de verdediging akkoord is met het voorstel daartoe van het Openbaar Ministerie, bepaalt de rechtbank dat de getuige op de voet van artikel 177 Sv zal worden gehoord door de politie, desgewenst in aanwezigheid van de raadsman van verdachte [verdachte 1] , en het Openbaar Ministerie. De rechtbank wijst de zaak daarvoor terug naar de rechter-commissaris.
Verzoek opstellen rapport verdachten moord Marrakesh
Verzoek van de verdediging
26. De verdediging heeft de rechtbank verzocht de Verenigde Naties, de EU-rekenkamer of Amnesty International op te dragen een rapport op te stellen over de verdachten inzake de moord op de zoon van een rechter in Marrakesh op 2 november 2017. Daartoe is het volgende aangevoerd. De verdediging stelt dat [getuige 2] in Marokko in zijn strafzaak is gemarteld, althans in ieder geval onmenselijk is behandeld. In reactie daarop heeft het Openbaar Ministerie gewezen op de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 20235.waarbij het verzoek tot uitlevering van verdachte [verdachte 1] in verband met verdenking van betrokkenheid bij die moord is toegewezen. In die beslissing heeft de rechtbank volgens de verdediging als argument inzake de uitlevering gesteld dat omtrent de procedure van [getuige 2] in Marokko nimmer door enig gezaghebbende instantie is gerapporteerd. De verdediging vindt dit kortzichtig omdat nooit is aangekaart dat een dergelijk rapport diende te worden overgelegd en zij zich tegen dit ‘duveltje uit een doosje’ niet meer kan verweren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
27. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Het heeft alleen verwezen naar de uitspraak in de uitleveringszaak in reactie op verweren van de verdediging. Vaststaat dat er geen aanwijzingen zijn dat [getuige 2] tijdens zijn verklaring over [verdachte 2] zou zijn mishandeld. Dat is het enige deel van het onderzoek in Marokko dat voor Marengo relevant is.
Oordeel van de rechtbank
28. In de uitleveringsbeslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2023 inzake verdachte [verdachte 1] staat onder andere:
“Tegen meerdere medeverdachten van de opgeëiste persoon ([verdachte 1] , cursief rechtbank) heeft het Marokkaanse strafproces inmiddels tot een veroordeling geleid. In die Marokkaanse strafzaken is noch door NGO’s zoals Amnesty International, noch door andere internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, de EU rekenkamer en het VN antifoltercomité gerapporteerd dat sprake zou zijn geweest van veroordelingen gebaseerd op verklaringen die verkregen zouden zijn ten gevolge van bedreiging, mishandeling of marteling of dat sprake zou zijn geweest van het onthouden van rechtsbijstand.”
29. De rechtbank zal bij vonnis oordelen of de verklaring van [getuige 2] bruikbaar is voor het bewijs. In verband met die beoordeling bevat het dossier Marengo voorshands voldoende informatie. De rechtbank ziet in het aangehaalde citaat uit de overweging in de uitspraak op het uitleveringsverzoek geen noodzaak om ten behoeve van die beoordeling de verzochte rapportage te laten opstellen.
Herhaald verzoek horen Marokkaanse verbalisanten
30. De verdediging heeft opnieuw verzocht om de twee Marokkaanse verbalisanten die aanwezig waren bij het verhoor van [getuige 2] in Marokko als getuige te horen. De rechtbank heeft eerdere verzoeken daartoe afgewezen bij beslissingen van 4 juni 2020 (pagina 2) en 17 november 2020.6.Aangezien aan het huidige verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, wijst de rechtbank deze verzoeken af onder verwijzing naar die beslissingen.
Verzoek analyse overige foto’s en berichten Samsung telefoon
Verzoek van de verdediging
31. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie opdracht te geven de overige foto’s en berichten op de Samsung telefoon van verdachte [verdachte 1] , waarin een foto van [slachtoffer] is aangetroffen, te analyseren om zo vast te stellen of anderen naast verdachte [verdachte 1] die Samsung kunnen hebben gebruikt. Die foto was afkomstig uit de media en niet van een spotactiviteit. Bovendien stonden op de telefoon wel 10.970 foto’s en is niet uitgesloten dat [getuige 2] deze telefoon heeft gebruikt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
32. Het Openbaar Ministerie betoogt dat het verzoek moet worden afgewezen. De Samsung telefoon is op inhoud onderzocht. De verdediging heeft nu een alternatief scenario geschetst over hoe de foto’s van [slachtoffer] op deze telefoon kunnen zijn gekomen en stelt dat dit mogelijk door anderen kan zijn gedaan. Behalve de stelling van [verdachte 1] dat anderen die Samsung gebruikt kunnen hebben, is daar geen enkele onderbouwing van gegeven.
Oordeel van de rechtbank
33. De verdediging heeft bij pleidooi gesteld dat de foto van [slachtoffer] die op zijn telefoon is aangetroffen erop zal zijn gekomen na de aanhouding van [verdachte 11] toen verdachte [verdachte 1] op internet over de zaak, waar toen veel media aandacht voor was, heeft gelezen. In repliek heeft het Openbaar Ministerie daarover gesteld dat het geen verklaring van [verdachte 1] zelf betreft en dat de gegeven verklaring voor de foto op de telefoon niet kan kloppen omdat die telefoon al bij de aanhouding van [verdachte 11] in beslag was genomen. Daarop heeft de raadsman bij dupliek gesteld dat, gezien de datum van de inbeslagname van de telefoon, niet kan worden uitgesloten dat [getuige 2] die telefoon heeft gebruikt, aangezien bij [verdachte 11] wel meer spullen van [getuige 2] lagen en ook van andere gegevensdragers is vastgesteld dat zowel sporen van [verdachte 1] alsmede [getuige 2] hier op zijn aangetroffen. Het door de verdediging ingenomen standpunt zal in het kader van de beoordeling of de foto bruikbaar is voor het bewijs door de rechtbank worden gewogen. De noodzaak van het doen van het verzochte onderzoek is niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek identificatie gebruiker pgp-adres
34. De verdediging heeft ten aanzien van zaaksdossier Plato verzocht om de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres] te identificeren in verband met het duiden van de PGP-berichten over het installeren van een baken. De rechtbank stelt vast dat de desbetreffende PGP-berichten al zeer geruime tijd onderdeel uitmaken van het dossier en de verdediging dit verzoek dus veel eerder had kunnen doen. De noodzaak om de gebruiker van dit PGP-adres te achterhalen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad met betrekking tot de kroongetuigeregeling
35. De verdediging van verdachte [verdachte 3] heeft wederom verzocht om op grond van artikel 553 Sv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over, kort gezegd, de beschermingsovereenkomst ex artikel 226l Sv en de kroongetuigeovereenkomst ex artikel 226g Sv. De verdediging is het niet eens met de beslissing van de rechtbank van 7 juni 2023 waarin volgens haar niet, althans niet kenbaar, is meegenomen hetgeen in pleidooi naar voren is gebracht. Ook is in een bijlage verwezen naar een reeks publicaties over dit thema in vaktijdschriften en media wat bewijst dat het onderwerp velen bezighoudt, aldus de verdediging. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
36. De rechtbank wijst het herhaalde verzoek af. Aan het huidige verzoek zijn geen wezenlijke nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd, zodat de rechtbank het verzoek afwijst met verwijzing naar overwegingen 28 tot en met 31 van de reeds aangehaalde beslissing van 7 juni 2023.
Herhaald verzoek tot inzage in psychologische rapportage van c.q. over de kroongetuige
37. De verdediging heeft de rechtbank opnieuw verzocht om te bepalen dat de verdediging inzage krijgt in de van de kroongetuige opgemaakte psychologische rapportage. De rechtbank wijst dit herhaalde verzoek af onder verwijzing naar haar beslissingen van 10 november 2022, 7 december 2022, 20 februari 2023 en 7 juni 2023 waarin dit verzoek ook (steeds) is afgewezen.
(Herhaald) Verzoek om correspondentie en nadere informatie c.q. verduidelijking met betrekking tot de vraag of er voorwaarden zijn gesteld aan de uitlevering van verdachte vanuit Colombia
Verzoek van de verdediging
38. De verdediging heeft verzoeken gedaan tot het voegen in het dossier van correspondentie met Colombia en het in samenspraak met de verdediging en Openbaar Ministerie formuleren van aanvullende vragen aan Colombia met betrekking tot de vraag of een levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd. De verdediging heeft daarbij gewezen op het feit dat in de brieven van 17 januari 2022 en 15 februari 2022 door de Colombiaanse autoriteiten wordt gereageerd op verzoeken van de verbindingsofficier maar dat de inhoud van die verzoeken zelf niet bij de stukken zit. De verdediging wenst hierover te kunnen beschikken teneinde vast te stellen wat de exacte inhoud en strekking van de verzoeken is geweest. In dit verband wijst de verdediging er op dat in de Nederlandse vertaling van het verzoek in de brief van 15 februari 2022 staat vermeld: “hebben de Colombiaanse autoriteiten geen voorwaarden gesteld of garanties geëist” terwijl in de oorspronkelijk Spaanse tekst staat “para la entrega del senor [verdachte 3] las autoridades Colombianas interpusieron algún condicionamiento o exigieron alguna garantía.”. Aangezien ‘algun(a)’het Spaanse woord is voor sommige of enige en niet voor ‘geen’ is hier sprake van een verkeerde vertaling waardoor onduidelijk is of de Colombiaanse autoriteiten wel antwoord hebben kunnen geven op grond van de juiste en volledige informatie of dat er verwarring is ontstaan. In de latere vraagstelling, ook naar aanleiding van vragen van de rechtbank, is deze vertaalfout blijven staan zodat blijft staan dat bij de Colombiaanse autoriteiten verwarring kan zijn ontstaan bij beantwoording van de vragen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
39. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Wat er ook zij van die mogelijke vertaalfout in de brief van 15 februari 2022, uit de correspondentie die nadien is gevoerd, blijkt duidelijk dat er geen sprake is van enig misverstand. Ook in reactie op het rechtshulpverzoek dat in opdracht van de rechtbank is verstuurd, is het antwoord van de Colombiaanse autoriteiten duidelijk.
Oordeel van de rechtbank
40. De rechtbank stelt vast dat na de brieven van de Colombiaanse autoriteiten van 17 januari 2022 en 15 februari 2022 nog een derde keer is verzocht om informatie en dat daarop op 29 juni 2022 een antwoord is gekomen van de Colombiaanse autoriteiten. In die antwoorden staat steeds de vraag die de verbindingsofficier heeft gesteld geciteerd. Omdat het relevante deel van die brieven, namelijk de door de verbindingsofficier gestelde vraag, in zoverre dus al onderdeel uitmaakt van het dossier bestaat niet de noodzaak om de brieven van de verbindingsofficier toe te voegen aan het dossier. Dit wordt niet anders door de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een vertaalfout. Ook ziet de rechtbank in die stelling geen aanleiding om opnieuw om nadere informatie te vragen aan de Colombiaanse autoriteiten. Daartoe is het volgende redengevend.
41. Voor zover sprake zou zijn van een vertaalfout blijkt niet dat de Colombiaanse autoriteiten daardoor in verwarring zijn geraakt in de voortgezette correspondentie. In de eerste plaats niet omdat informatie wordt gevraagd over hun eigen beslissing en reeds daarom niet voor de hand ligt dat zij daarover in verwarring raken. Belangrijker is echter dat de rechtbank na ontvangst van de drie brieven uit Colombia bij beslissing van 7 oktober 20227.heeft bepaald dat opnieuw nadere vragen aan de Colombiaanse autoriteiten gesteld moesten worden om iedere mogelijke onduidelijkheid over het al dan niet bestaan van voorwaarden aan de uitlevering te vermijden. Bij die beslissing heeft de rechtbank ook bepaald dat haar beslissing vanaf overweging 4 (oordeel van de rechtbank) moet worden vertaald én dat waar in de overwegingen van de rechtbank citaten uit de stukken van de Colombiaanse autoriteiten worden weergegeven, de tekst van de originele Spaanstalige stukken dient te worden weergegeven. Vervolgens zijn de door de rechtbank geformuleerde vragen gesteld, en is daarop op 3 januari 2023 antwoord ontvangen van de Colombiaanse autoriteiten. Gelet op dit verdere verloop van vraagstelling, daarbij gebruikmakend van de originele Spaanstalige stukken, en de beantwoording daarop bestaat voorshands geen aanleiding te veronderstellen dat een mogelijke vertaalfout in de tweede brief zodanige doorwerking heeft gehad dat onduidelijkheid bestaat over de inhoud van de beantwoording. De verzoeken worden daarom afgewezen.
Verzoek met betrekking tot Samsung Tablet
Verzoek van de verdediging
42. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie opdracht te geven om na te gaan waar de Samsung tablet van verdachte [verdachte 3] waarover hij in zijn laatste woord heeft verklaard, is gebleven en ervoor te zorgen dat kennis kan worden genomen van de inhoud. Daartoe is aangevoerd dat verdachte [verdachte 3] in Colombia beschikte over een Samsung tablet, dat daarop foto’s staan die hij (de rechtbank begrijpt: met die tablet) heeft gemaakt van berichten die de kroongetuige hem tijdens diens detentie heeft gestuurd. Dit zouden berichten met foto’s zijn van delen uit dossiers waarover de kroongetuige beschikte. De kroongetuige heeft in zijn verhoor ter zitting van 1 november 2022 in de zaak van verdachte [verdachte 3] (pagina’s 82 en 84 van het proces-verbaal ter terechtzitting van 1 en 2 november 2022) verklaard dat verdachte niet heeft geweten dat hij (de kroongetuige) een iPhone in zijn bezit had en dat hij niet via WhatsApp of Signal met verdachte heeft gecommuniceerd. Verdachte [verdachte 3] stelt echter dat de kroongetuige wel degelijk met hem gecommuniceerd heeft via zijn iPhone (via Signal) en hem foto’s heeft gestuurd. Aangezien die tablet er was toen hij in Colombia werd aangehouden maar blijkens de beslaglijst niet in beslag is genomen, ligt de tablet ofwel nog bij de Colombiaanse autoriteiten ofwel is de tablet overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten maar niet geregistreerd (in Marengo). Onderzoek hiernaar kan de verklaring van verdachte [verdachte 3] bevestigen en die van de kroongetuige weerspreken, reden waarom kennis van de inhoud van de tablet in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de kroongetuige en diens afgelegde verklaringen noodzakelijk is.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
43. Het Openbaar Ministerie heeft allereerst de vraag opgeworpen hoe verdachte [verdachte 3] weet dat die berichten met een iPhone verzonden zouden zijn. Dat is niet kenbaar uit de enkele berichten zelf. In zijn laatste woord heeft hij geen periode genoemd waarin hij deze berichten van de kroongetuige zou hebben ontvangen. De enige devices die door Colombia aan Nederland zijn overgedragen, zijn allereerst de drie devices die op 3 september 2020 tijdens een doorzoeking in de cel van verdachte [verdachte 3] zijn aangetroffen. Verder is door de Colombiaanse autoriteiten op 8 mei 2020 nog een iPhone 7 bij hem in beslag genomen, die op 2 november 2020 door het onderzoeksteam is ontvangen. Naast deze vier devices, zijn er door Colombia geen devices aan Nederland verstrekt. Naar aanleiding van het laatste woord van verdachte [verdachte 3] is via het LIRC gevraagd of er bij zijn aanhouding in Colombia wellicht een tablet is aangetroffen. Via het LIRC is de reactie verkregen dat in Colombia tijdens een aanhouding van een persoon ter fine van uitlevering, geen huiszoekingen worden gedaan en dat als tijdens de aanhouding iets wordt aangetroffen bij de aangehouden persoon dat dit bij zijn overdracht wordt teruggegeven. Bij aankomst in Nederland had verdachte [verdachte 3] geen tablet of ander device bij zich. Dat hij destijds een tablet in zijn hand had toen hij van het balkon afsprong om zich aan zijn aanhouding te onttrekken, ligt ook niet voor de hand. Het Openbaar Ministerie heeft niet gevraagd om een huiszoeking nadat verdachte [verdachte 3] in Colombia is aangehouden, maar wel om een doorzoeking van zijn cel.
Oordeel van de rechtbank
44. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk heeft gereageerd op de vraag van de verdediging waar de tablet waarover verdachte [verdachte 3] voor het eerst en pas in zijn laatste woord heeft verklaard, is gebleven. Dit antwoord komt er op neer dat de tablet niet in Nederland is. Mogelijk klopt het wat hij zegt en lag de tablet in het appartement in Colombia waar hij verbleef toen hij naar beneden sprong. Aangezien er kennelijk in Colombia niet standaard een huiszoeking plaatsvindt als een persoon wordt aangehouden ter uitlevering lijkt het erop dat geen tablet in beslag genomen. De rechtbank acht de vragen van de verdediging voldoende beantwoord. In het gestelde ziet de rechtbank geen aanleiding om hier in dit stadium van de procedure verder onderzoek in Colombia naar te laten verrichten. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte [verdachte 3] veel eerder naar zijn tablet had kunnen vragen -namelijk sinds zijn aanhouding in Nederland op 7 december 2021 na te zijn uitgeleverd - en nader onderzoek in Colombia binnen aanvaardbare termijn had kunnen worden verricht. De verzoeken worden afgewezen.
Verzoek tot het aanvullend horen van de kroongetuige
Verzoek van de verdediging
45. De verdediging heeft opnieuw verzocht de kroongetuige (aanvullend) te horen. Daartoe heeft zij gewezen op haar eerdere betoog dat zij niet alle gelegenheid heeft gehad de kroongetuige op deugdelijke wijze te ondervragen. Naast de bekende onderwerpen (zoals financiële vergoedingen en de telefoon op cel) wenst de verdediging de kroongetuige daarnaast te confronteren met het laatste woord van verdachte [verdachte 3] en hem te vragen om een reactie op zijn verklaringen over de Samsung tablet en een reactie op zijn verklaring dat de kroongetuige hem heeft verteld dat hij betrokken is geweest bij de verdwijning van een man die nooit is teruggevonden. Hieraan voorafgaand heeft de verdediging het Openbaar Ministerie verzocht te laten weten of zij hier nog nader onderzoek naar laat doen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
46. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot het aanvullend horen van de kroongetuige moet worden afgewezen. Ten aanzien van het laatste woord van verdachte [verdachte 3] heeft het gewezen op een op 14 juli 2023 op Nu.nl verschenen artikel waarbij een verband wordt gelegd met de verdwijning van [naam 2] in 2012. Volgens het Openbaar Ministerie is opvallend dat in dit artikel informatie staat als zijnde afkomstig van verdachte [verdachte 3] , terwijl hij die informatie niet in zijn laatste woord heeft genoemd. Zo staat in het artikel dat het gesprek van de kroongetuige met verdachte [verdachte 3] in 2014 zou zijn geweest, terwijl hij op de zitting enkel heeft gezegd dat het om een gesprek van lang geleden ging. Een jaartal heeft hij daarbij echter niet genoemd. Wat daar ook van zij, het Openbaar Ministerie zal het laatste woord van verdachte [verdachte 3] in handen stellen van de rechercheofficier van justitie met het verzoek dat over te dragen aan het Openbaar Ministerie waar het onderzoek heeft gelopen of nog loopt. Daar dient eventueel nader onderzoek plaats te vinden en niet binnen Marengo. De verdwijning van [naam 2] staat niet op de tenlasteleggingen van één van de verdachten en valt buiten de periode van de criminele organisatie in Marengo. Mocht dat nadere onderzoek voor Marengo relevante informatie opleveren, dan zal dat met het zaaks-Openbaar Ministerie worden gedeeld. Nu het feit niet valt onder één van de feiten die in de overeenkomst met [verdachte 8] is opgenomen, het niet staat op de tenlasteleggingen van de verdachten in Marengo en valt buiten de periode van de criminele organisatie, is er geen enkele reden om de kroongetuige hierover in Marengo te horen als getuige of verdachte.
Oordeel van de rechtbank
47. De rechtbank wijst het verzoek tot het aanvullend horen van de kroongetuige over de - in de woorden van de verdediging - ‘bekende onderwerpen’ af. Aan dit herhaalde verzoek zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd, zodat de rechtbank verwijst naar haar eerdere beslissingen waarbij die verzoeken zijn afgewezen, laatstelijk in de aangehaalde beslissing van 7 juni 2023.
48. De rechtbank ziet op dit moment geen verdedigingsbelang bij een aanvullend verhoor van de kroongetuige over de twee onderwerpen waarover verdachte [verdachte 3] pas in zijn laatste woord heeft verklaard.
49. Over de communicatie met verdachte [verdachte 3] in detentie is de kroongetuige door de verdediging al ondervraagd op 1 november 2022. Dat was de gelegenheid bij uitstek voor verdachte [verdachte 3] de kroongetuige hiermee te confronteren. De enkele verder niet onderbouwde stelling van verdachte [verdachte 3] in zijn laatste woord, dat de kroongetuige wél met hem met de iPhone heeft gecommuniceerd en het (dus) niet klopt wat de kroongetuige heeft verklaard, maakt niet dat er, gelet op het stadium van de procedure thans aanleiding bestaat de kroongetuige daarmee te confronteren. Ook bestaat geen aanleiding de kroongetuige te confronteren met de verklaring van verdachte [verdachte 3] over de (mogelijke) betrokkenheid van de kroongetuige bij de verdwijning van een man lang geleden. Voor zover het verhaal inhoudelijk doet denken aan de verdwijning van [naam 2] in 2012 geldt dat dit buiten de tenlastegelegde periode valt zodat hierin geen verdedigingsbelang is gelegen om de kroongetuige aanvullend te horen. Ook geldt dat het op dit moment alleen een losse beschuldiging betreft aan het adres van de kroongetuige - hij zou weet hebben van de verdwijning van een man en daarbij mogelijk zelf betrokken zijn geweest - die op geen enkele wijze is onderbouwd. Niettemin wordt er, voor zover mogelijk, toch nader onderzoek gedaan binnen het onderzoek naar de verdwijning van [naam 2] . Voor zover dit voor Marengo relevante informatie oplevert zal dit worden toegevoegd aan het dossier. Op dit moment ziet de rechtbank dan ook niet het belang van de verdediging om te bepalen dat de kroongetuige hierover aanvullend wordt gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
In de zaak van verdachten [verdachte 7]
Verzoek tot aanvullend verhoor kroongetuige en verhoor van verdachte [verdachte 3] als getuige
50. De verdediging van verdachte [verdachte 7] heeft in aansluiting op de verzoeken van de verdediging van verdachte [verdachte 3] op dit punt verzocht om een aanvullend verhoor van de kroongetuige en om het horen als getuige van [verdachte 3] over de betrokkenheid van de kroongetuige bij de verdwijning van een man. De verdediging heeft in dit verband onder andere gewezen op het onderzoek Orinoco waar de kroongetuige heeft bekend op iemand te hebben geschoten. De kroongetuige wordt in die zaak echter niet vervolgd, wat de verdediging bij pleidooi heeft geduid als een extra prestatie. Als blijkt dat de kroongetuige ook betrokken is bij de verdwijning van een man en mogelijk ook bij moord, dan gaat het om een ernstig strafbaar feit waarvan niet aangaat dat hiervan wordt weggekeken en binnen Marengo geen onderzoek plaatsvindt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
51. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen en heeft daarbij gewezen op zijn reactie op het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 3] hierover.
Oordeel van de rechtbank
52. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft gesteld op dit moment niet het verdedigingsbelang om de kroongetuige te horen naar aanleiding van de verklaring van verdachte [verdachte 3] in zijn laatste woord. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor onder 49 is overwogen. Voor het horen van [verdachte 3] als getuige over zijn verklaring bestaat evenmin, om diezelfde reden, op dit moment een verdedigingsbelang. De verzoeken worden afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 2]
53. De verdediging van verdachte [verdachte 2] heeft een vijftal verzoeken gedaan. Op de verzoeken tot verstrekking van het dossier, processen-verbaal van zittingen en overige stukken heeft het Openbaar Ministerie en ook de rechtbank inmiddels gereageerd. Op dat punt hoeft dus geen beslissing meer te volgen. Hetzelfde geldt voor het verzoek met betrekking tot de toevoegingen van de nieuwe raadslieden, aangezien de verdediging heeft laten weten dat deze kwestie inmiddels is geregeld.
Verzoek met betrekking tot garanties bij dossieroverdracht
54. De verdediging heeft verder verzocht om in samenspraak met de rechtbank en in overleg met het Openbaar Ministerie te komen tot toezeggingen en/of garanties om de dossieroverdracht zo ordentelijk mogelijk te laten verlopen. De verdediging heeft gewezen op de complicatie die zich voor de verdediging voordoet bij de overdracht van het dossier en de specifieke dossierkennis. De voormalige raadsvrouw is als advocaat geschorst en als zodanig geen actuele geheimhouder meer (uiteraard wel van bestaande geheimen). Zij is nog steeds verdachte van deelname aan een criminele organisatie, waarvan verdachte [verdachte 2] dan ook nog medeverdachte zou zijn. Een overdracht van het dossier tijdens een bespreking bij een kop koffie lijkt derhalve niet zomaar mogelijk. De advocaten mogen hun beroepsgeheim tegenover haar niet schenden en er bestaat de kans dat het Openbaar Ministerie mee gaat luisteren. Er moet hiervoor een setting bedacht worden die ‘veilig’ voor iedereen is. Te denken valt aan een constructie waarbij een lid van de Raad van Toezicht (van Rotterdam) en een voormalig kantoorgenoot aanwezig zijn. Een en ander vergezeld van de toezegging van het Openbaar Ministerie dat het dit gesprek niet zal afluisteren. Een dergelijke bespreking is echt noodzakelijk om inzicht te krijgen in de afwegingen om bepaalde verweren (nog) niet of wel te voeren in relatie tot nieuwe aspecten in de procedure, waaronder de nog gedane onderzoekswensen.
Oordeel van de rechtbank
55. De overdracht van het dossier is iets dat de verdediging zelf zal moeten organiseren en zij mag in staat worden geacht een constructie voor de dossieroverdracht op korte termijn te realiseren. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft gesteld geen taak voor zichzelf weggelegd. De verdediging heeft nog vragen gesteld over het (ontbreken van) afleggen van verantwoording door het zaaks-Openbaar Ministerie met betrekking tot het tijdstip van aanhouding van [voormalige raadsvrouw] tijdens dit proces. Hieraan zijn echter geen verzoeken aan de rechtbank gekoppeld. Ook heeft het Openbaar Ministerie in reactie op vragen van de verdediging laten weten dat vanuit het onderzoek 26Palma geen informatie aan het onderzoek 26Marengo is verstrekt, ook niet nadat de beperkingen zijn opgeheven. Het Openbaar Ministerie heeft de verdediging daarbij voor specifieke vragen verwezen naar het onderzoek 26Palma. Ook hierin ziet de rechtbank geen taak voor zichzelf weggelegd.
Verzoek om aanhouding
56. De verdediging van verdachte [verdachte 2] heeft de rechtbank verzocht om een termijn van negen maanden om het dossier te bestuderen. Daarna dient een regiezitting bepaald te worden, waarop de verdediging onderzoekswensen kan indienen, aldus de raadslieden. Daartoe is erop gewezen dat een raadsvrouw van verdachte, [voormalige raadsvrouw] , op 21 april 2023 is aangehouden door de politie, en de verdediging heeft moeten neerleggen. Op 29 juni 2023 heeft een drietal nieuwe raadslieden zich gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank gevraagd om afwijzing van het verzoek van de verdediging.
Oordeel van de rechtbank
57. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de verdediging erop neerkomt dat de zaak van verdachte [verdachte 2] gedurende negen maanden dient te worden aangehouden, dat zij daarna nog de gelegenheid zouden moeten krijgen om regie- of onderzoekswensen in te dienen en dat de daadwerkelijke vertraging van de afronding van de inhoudelijke behandeling daarom nog groter zou zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de rechter bij de beoordeling van een dergelijk aanhoudingsverzoek een afweging maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
a. belang van verdachte: voorbereiding van de (algemene) verdediging door de raadslieden
58. Buiten kijf staat dat de nieuwe raadslieden in de gelegenheid moeten worden gesteld om verdachte [verdachte 2] adequaat bij te staan. Dat volgt ook uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In dit geval komt daar nog bij dat het dossier in het onderzoek Marengo omvangrijk is en dat verdachte [verdachte 2] wordt beschuldigd van buitengewoon ernstige feiten. De ernst van de zaak wordt onderstreept door de eis van levenslange gevangenisstraf tegen hem.
Kernvraag daarbij is wat adequate rechtsbijstand in de huidige stand van de procedure is. Op verzoek van de vorige raadslieden van verdachte [verdachte 2] is een zeer groot aantal onderzoekswensen ingediend, waarvan een aanzienlijk deel is toegewezen en uitgevoerd. Ook hebben zijn toenmalige raadslieden (na de eis van het Openbaar Ministerie) gedurende negen dagen verweer gevoerd bij pleidooi. Na repliek van het Openbaar Ministerie heeft zijn verdediging daarop gereageerd bij dupliek. Dat betekent dat de uitwisseling van standpunten op de terechtzitting in beginsel vrijwel is voltooid. Wat nog openstaat is de gelegenheid die verdachte [verdachte 2] heeft om gebruik te maken van het laatste woord.
belang van verdachte: voorbereiding van de repliek inzake ingediende onderzoekswensen
59. Verder heeft [voormalige raadsvrouw] bij het uitspreken van de dupliek nieuwe onderzoekswensen ingediend en deze mondeling onderbouwd. Het Openbaar Ministerie heeft daar schriftelijk op gereageerd op 10 mei 2023, maar dat was na de aanhouding van [voormalige raadsvrouw] , en namens verdachte [verdachte 2] is nog niet in tweede termijn gereageerd. De nieuwe raadslieden moeten de gelegenheid krijgen zich daarop voor te bereiden. Het gaat daarbij om het volgende:
Allereerst heeft de verdediging van [verdachte 2] verzocht om onderzoekshandelingen over - kort gezegd - een mogelijk moordplan betreffende verdachte [verdachte 2] , dat besproken zou zijn door overheidsfunctionarissen. Van dat onderwerp is een van de nieuwe raadslieden van verdachte [verdachte 2] , mr. Ruperti, echter goed op de hoogte; hij stond eerder een verdachte bij die daarover heeft verklaard en heeft over deze kwestie als getuige op 19 april 2023 een verklaring afgelegd in de strafzaak tegen verdachte [verdachte 2] . Het dossier Marengo bevat geen informatie over het beweerdelijke moordplan anders dan hetgeen [voormalige raadsvrouw] daarover heeft gemeld op basis van wat zij van mr. Ruperti heeft vernomen en de verklaring ter terechtzitting van de meegebrachte getuige [getuige 5] .
Verder heeft de verdediging verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en aan de Hoge Raad. Ook heeft de verdediging verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad inzake kroongetuigen. Dit zijn onderwerpen van overwegend juridisch-technische aard en zij vereisen geen diepe dossierkennis. Verder kunnen de nieuwe raadslieden zich tot kantoor [kantoornaam van de voormalige raadsvrouw] wenden voor informatie over deze onderzoekswensen.
Belang van verdachte: eventuele nieuwe onderzoekswensen
60. De verdediging van verdachte [verdachte 2] stelt verder tijd nodig te hebben om te bezien of nieuwe feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor nieuwe onderzoekswensen. Daarbij wijst de verdediging op het feit dat niet met de aanhouding van [voormalige raadsvrouw] is gewacht tot de sluiting van het onderzoek en dat eerder de communicatie van een andere advocaat met verdachte [verdachte 2] is vastgelegd door justitie. Het is aannemelijk dat het Openbaar Ministerie dezelfde werkwijze heeft gehanteerd in het onderzoek tegen [voormalige raadsvrouw] en daarbij kennis heeft genomen van strategische procesbesprekingen tussen haar en verdachte [verdachte 2] , aldus de verdediging. Ook daarbij gaat het echter om omstandigheden waar geen dossierkennis voor nodig is en die bovendien onderdeel kunnen zijn van de overdracht door kantoor [kantoornaam van de voormalige raadsvrouw] .
Andere belangen
61. Tegenover de belangen van verdachte [verdachte 2] om zijn zaak voor langere tijd aan te houden staat om te beginnen het belang dat de zaak wordt afgerond met een vonnis. Daarbij speelt mee dat de strafzaak tegen verdachte al sinds juli 2019 loopt. Verder worden ook de zaken van 16 medeverdachten (deels) gelijktijdig behandeld en bestaat het voornemen in alle zaken tegelijk uitspraak te doen. Dat vergroot het belang om geen langer uitstel toe te staan dan strikt noodzakelijk is. Weliswaar bestaat de mogelijkheid de zaak van verdachte [verdachte 2] los te koppelen van de andere zaken, maar dan zal mogelijk een andere rechterscombinatie de zaak moeten behandelen, wat weer aanleiding zal zijn tot forse vertraging in zijn zaak.
Conclusie
62. Al het voorgaande in aanmerking nemend wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging om een aanhouding van negen maanden waarna een regiezitting bepaald zou kunnen worden, af. De belangen van verdachte [verdachte 2] bij een dergelijk lang uitstel wegen gelet op het bovenstaande minder zwaar dan de belangen om de zaak in eerste aanleg zonder verdere vertraging af te ronden. De rechtbank heeft al aangekondigd dat zij de vonnisdatum van 20 oktober 2023 niet zal halen en zij verwacht na de zomer met een nieuwe vonnisdatum te komen. Dit zal naar verwachting een uitstel zijn van enkele maanden, uitzonderlijke nieuwe omstandigheden daargelaten. De raadslieden moeten in die periode in staat geacht worden om verdachte [verdachte 2] - in het licht van het beperkte kader van hetgeen thans nog aan de orde is - naar behoren bij te staan. Gelet daarop is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces.
63. Het bovenstaande neemt uiteraard niet weg dat zich nieuwe ontwikkelingen kunnen voordoen die maken dat alsnog meer voorbereidingstijd nodig blijkt of die anderszins dienen te leiden tot uitstel van de vonnisdatum. Daar kan de rechtbank nu echter niet op vooruitlopen. Op 6 oktober 2023 is een pro forma-/regiezitting waarbij in alle zaken geldt dat tegen die tijd wordt geïnventariseerd of er onderzoekswensen zijn naar aanleiding van nieuwe feiten of omstandigheden.
64. De rechtbank bepaalt dat de verdediging tot uiterlijk 15 september 2023 de gelegenheid krijgt schriftelijk te reageren op de Reactie OM op onderzoekswensen van 10 mei 2023. Na een reactie daarop van de zijde van het Openbaar Ministerie zal de rechtbank op deze wensen beslissen.
In de zaak van verdachte [verdachte 5]
65. De rechtbank ontvangt graag uiterlijk 15 september 2023 de toegezegde reactie van mr. Den Blanken op de toelichting van het Openbaar Ministerie op het aanvullende proces-verbaal met betrekking tot de overgelegde arbeidsovereenkomst van verdachte. Dit, indien en voorover daaraan bij de verdediging behoefte bestaat. In antwoord op de vraag van de verdediging kan de rechtbank op dit moment nog niet beoordelen of de inhoud van het proces-verbaal relevant is voor enig te nemen beslissing.
Voorlopige hechtenis
Inleiding
66. Diverse raadslieden hebben namens hun cliënten verzoeken gedaan tot opheffing, dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarbij is door alle raadslieden onder andere gesteld dat het tijdsverloop inmiddels zodanig is dat voortduren van de voorlopige hechtenis niet meer aanvaardbaar is. Dit klemt te meer nu de rechtbank heeft laten weten dat de geplande vonnisdatum van 20 oktober 2023 niet haalbaar is gebleken en ter zitting van 14 juli 2023 nog geen indicatie heeft kunnen geven van de termijn waarop het vonnis wel verwacht mag worden.
67. De rechtbank zal hierna ten aanzien van alle verdachten die het aangaat beslissen op de gedane verzoeken. Voorafgaand daaraan hecht de rechtbank er aan om ten aanzien van alle verdachten op te merken, zoals ook al bij de inleiding op 14 juli 2023 is gezegd, dat de rechtbank heeft moeten constateren dat de beslispunten die voorliggen zodanig talrijk en complex zijn, dat de eerder gecommuniceerde vonnisdatum van 20 oktober 2023 te ambitieus is gebleken. Die constatering ziet niet op een specifieke zaak of verdachte, maar op het geheel. De rechtbank is voornemens zo snel mogelijk, maar na de zomer, een nieuwe datum te geven waarop vonnis gewezen zal worden. Vanzelfsprekend geldt dat als de beraadslaging er toe leidt dat de rechtbank vindt dat de voorlopige hechtenis van een verdachte beëindigd of geschorst moet worden, zij daar zo snel mogelijk gevolg aan zal geven.
68. Verschillende raadslieden hebben nog gewezen op de vertraging die te verwachten is doordat verdachte [verdachte 2] drie nieuwe raadslieden heeft die zich moeten inlezen in de zaak, daartoe een verzoek om aanhouding hebben gedaan en mogelijk nog met aanvullende onderzoekswensen zullen komen. Ook is gewezen op het tweede uitstel van de dupliek van verdachte [verdachte 8] , waardoor vertraging zou optreden volgens de raadslieden. De rechtbank ziet dat anders. In de hiervoor onder 62 weergegeven beslissing van heden is het verzoek van de raadslieden van verdachte [verdachte 2] om aanhouding voor de verzochte termijn van negen maanden en het verzoek om een regiezitting te plannen voor het doen van onderzoekswensen afgewezen. De verdediging heeft wel tot uiterlijk 15 september 2023 de tijd gekregen om nog te reageren op de ‘Reactie OM op onderzoekswensen’ van 10 mei 2023. De dupliek van verdachte [verdachte 8] is voor een laatste keer uitgesteld tot uiterlijk 22 september 2023.
69. Het voorgaande betekent dat nu nog geenszins vaststaat dat het uitstel van de datum waarop vonnis kan worden gewezen buitengewoon lang zal zijn. De rechtbank weegt dit mee bij de beoordeling van de verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis.
In de zaak van verdachte [verdachte 10]
70. Namens verdachte [verdachte 10] is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. Verdachte [verdachte 10] zit al vier jaar in voorlopige hechtenis en er is geen enkel zicht op een eindvonnis terwijl hij zijn laatste woord al heeft gevoerd. De grond geschokte rechtsorde is door het tijdsverloop niet meer aan de orde en voor het recidivegevaar geldt dat dit zo nodig met een schorsing onder voorwaarden, zoals elektronisch toezicht en reclasseringscontact, kan worden ingeperkt. Subsidiair is namens verdachte [verdachte 10] verzocht zijn zaak af te splitsen omdat hij nu alleen maar zit te wachten terwijl in zijn zaak vonnis kan worden gewezen. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen de verzochte schorsing.
Oordeel van de rechtbank
71. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voor de voorlopige hechtenis, waaronder de geschokte rechtsorde, nog onverkort aanwezig zijn. Dit is niet anders geworden door het tijdsverloop. Afgezet tegen de ernstige bezwaren en gronden is de rechtbank ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Daarom wordt het schorsingsverzoek afgewezen.
Het subsidiaire verzoek tot het afsplitsen van de zaak van verdachte [verdachte 10] van de zaken van de overige verdachten wordt eveneens afgewezen. Bij de huidige stand van de procedure bestaat daarvoor onvoldoende aanleiding.
In de zaak van verdachte [verdachte 12]
72. Namens verdachte [verdachte 12] is verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a lid 3 Sv. Subsidiair is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd en meer subsidiair tot aan de datum van het vonnis. Verdachte [verdachte 12] zit al 4,5 jaar in voorlopige hechtenis en heeft de zogenoemde ‘GVM status hoog’, wat neerkomt op een ‘EBI light’-regime. Hij heeft zijn dochter alleen in gevangenschap gezien. Zijn echtgenote heeft paniekaanvallen omdat er maar geen duidelijkheid komt over een vonnis. Zij staat ook onder behandeling van een psycholoog. Verdachte heeft de wens om jongeren te gaan begeleiden en heeft afstand genomen van zijn criminele bestaan. In de Eris-zaak zijn verdachten die in eerste aanleg 20 en 18 jaar kregen onder voorwaarden geschorst door het gerechtshof, wat aantoont dat een schorsing mogelijk is. Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen geldt dat het maar op een klein deel ziet en voor de deelname aan de criminele organisatie geldt dat verdachte niet tot de organisatie van verdachte [verdachte 2] behoorde, maar zijn eigen ‘clubje’ had. De rechtbank heeft dit tijdens de inhoudelijke behandeling ook zo benoemt. Verdachte is bereid zich aan alle schorsingsvoorwaarden, met uitzondering van een contactverbod met zijn broer, te houden. Niet valt in te zien waarom de reclassering niets met verdachte zou kunnen beginnen, aangezien zij ook een voormalig lid van de Hofstadgroep (in een duo) kunnen begeleiden.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
73. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van artikel 67a lid 3 Sv zich thans niet voordoet, zodat het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. Ten aanzien van het schorsingsverzoek geldt dat de daarin genoemde persoonlijke omstandigheden niet nieuw zijn, behalve dat de rechtbank begrijpt dat deze steeds meer klemmen naarmate een vonnis op zich laat wachten. Afgezet tegen de ernstige bezwaren en gronden is de rechtbank echter ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Daarom wordt het schorsingsverzoek afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 7]
74. Namens verdachte [verdachte 7] is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis tot het eindvonnis. Daartoe is allereerst gewezen op hetgeen bij pleidooi is aangevoerd. Ook is opnieuw gewezen op de lange duur van het voorarrest, inmiddels (sinds december 2017) vijf jaar en zeven maanden. Het beeld ‘levenslang’ is door het Openbaar Ministerie zelf geschetst en dat is een scheef beeld, zoals de verdediging heeft bepleit. Nu een eindvonnis nog niet in zicht is, is er alle reden de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan het eindvonnis, waarbij de verdediging verwacht dat verdachte [verdachte 7] niet weer vast komt te zitten.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
75. De rechtbank is van oordeel dat de situatie zoals die was bij de beoordeling van het bij pleidooi gedane opheffings- en schorsingsverzoek -en waarover op de zitting van 18 januari 2023 nog re- en dupliek heeft plaatsgevonden- nu niet anders is. De rechtbank verwijst dan ook naar haar beslissing van 24 januari 2023 op die verzoeken. Het enkele tijdsverloop maakt op dit moment niet dat de persoonlijke belangen van verdachte zwaarder wegen dan de belangen van strafvordering. Het verzoek wordt afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 11]
76. Namens verdachte [verdachte 11] is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. De verdediging heeft gewezen op het tijdsverloop, verdachte heeft toegeleefd naar 20 oktober 2023 en zit al jaren, van 10 mei 2017 tot heden, in een zogenoemd HvB-regime. Aangezien er geen zicht is op een eindvonnis en er vertraging zal optreden door mogelijke onderzoekswensen van de nieuwe raadslieden van verdachte [verdachte 2] en onderzoek naar de beschuldigingen aan het adres van de kroongetuige door verdachte [verdachte 3] , kan het niet zo zijn dat verdachte [verdachte 11] blijft vastzitten in dat HvB-regime. Ondanks het bestaan van de grond geschokte rechtsorde kan een schorsing in dit geval toch plaatsvinden, nu die grond met het verstrijken van de tijd is afgekalfd. Het meest chique is om verdachte te schorsen tot de datum van het vonnis. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de reclassering onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheden van elektronische controle.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
77. De rechtbank is ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Het enkele tijdsverloop maakt dit nu niet anders. Daarom wordt het schorsingsverzoek afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding om de reclassering op te dragen de mogelijkheid van elektronische controle te laten onderzoeken. Ook het subsidiaire verzoek wordt daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 13]
78. Namens verdachte [verdachte 13] is primair verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis wegens het ontbreken van gronden. Er is geen sprake meer van een geschokte rechtsorde en verdachte is een first offender. Subsidiair is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd, althans tot aan het eindvonnis, althans tot aan de eerstvolgende zitting. Verdachte heeft zich vastgehouden aan de datum 20 oktober 2023, hij zou dan vijf jaar en twee weken in voorlopige hechtenis zitten. Het is schokkend en onaanvaardbaar dat er geen zicht kan worden geboden op een datum waarop vonnis wordt gewezen. Verdachte [verdachte 13] heeft zelf benadrukt dat hij geschorst wil worden tot 20 oktober 2023. Hij heeft onder andere gezegd dat hij sinds zijn aanhouding in stress leeft, dat zijn dochter is geboren toen hij in detentie zat, dat hij gerekend heeft op 20 oktober en dat het uitstel een teleurstelling is. Hij heeft slapeloze nachten van de eis van 26 jaar en 8 maanden, is gebroken en kan het niet meer aan.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
79. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voor de voorlopige hechtenis, waaronder de geschokte rechtsorde, nog onverkort aanwezig zijn. Dit is niet anders geworden door het tijdsverloop. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen. Afgezet tegen de ernstige bezwaren en gronden is de rechtbank ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Het schorsingsverzoek wordt daarom ook afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 9]
80. Namens verdachte [verdachte 9] is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de datum van het vonnis. Daartoe is aangevoerd dat de voorlopige hechtenis in relatie tot de verdenking disproportioneel lang duurt, te weten vijf jaar en drie maanden. De verdediging stelt dat geen sprake meer is van een geschokte rechtsorde, waarbij wordt verwezen naar de omstandigheid dat medeverdachten wel zijn geschorst en dit niet tot maatschappelijke onrust heeft geleid. Verdachte [verdachte 9] heeft een moeder die dementerend is en haar gezondheid gaat bergafwaarts. Verdachte wil de gelegenheid krijgen om nog op een waardige manier contact met haar te hebben als afsluiting. In dit verband heeft de verdediging subsidiair verzocht om een schorsing tot de volgende zitting, en (zo begrijpt de rechtbank) meer subsidiair dat de reclassering wordt opgedragen om onderzoek te doen of een schorsing tot de volgende zitting met dat doel onder zeer stringente voorwaarden met elektronisch toezicht mogelijk is.
Oordeel van de rechtbank
81. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voor de voorlopige hechtenis, waaronder de geschokte rechtsorde, nog onverkort aanwezig zijn. Dit is niet anders geworden door het tijdsverloop. De rol van de verdachten die wel geschorst zijn, beoordeelt de rechtbank voorshands als wezenlijk anders dan de rol van verdachte. Afgezet tegen de ernstige bezwaren en gronden is de rechtbank ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Het schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank heeft wel begrip voor de wens zijn moeder in (relatieve) vrijheid te kunnen zien, maar ziet desondanks geen aanleiding om de reclassering op te dragen de mogelijkheid van elektronische controle te laten onderzoeken. Ook dit verzoek wordt afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 1]
82. Namens verdachte [verdachte 1] is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de datum van het vonnis. Daartoe is aangevoerd dat de voorlopige hechtenis in relatie tot de verdenking disproportioneel lang duurt, te weten vijf jaar en drie maanden. De verdediging stelt dat geen sprake meer is van een geschokte rechtsorde, waarbij wordt verwezen naar de omstandigheid dat medeverdachten wel zijn geschorst en dit niet tot maatschappelijke onrust heeft geleid. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte [verdachte 1] is gewezen op het feit dat zijn vrouw en hij wel samen een Islamitisch huwelijk hebben gesloten maar dat zij twee dagen na zijn aanhouding voor de wet zouden gaan trouwen. Ook gaat de gezondheid van zijn oma, die hij in detentie éénmaal heeft gezien, achteruit.
Oordeel van de rechtbank
83. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voor de voorlopige hechtenis, waaronder de geschokte rechtsorde, nog onverkort aanwezig zijn. Dit is niet anders geworden door het tijdsverloop. De rol van de verdachten die wel geschorst zijn, beoordeelt de rechtbank voorshands als wezenlijk anders dan de rol van verdachte. Afgezet tegen de ernstige bezwaren en gronden is de rechtbank ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Het schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 6]
84. Namens verdachte [verdachte 6] is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de datum van het vonnis. Daartoe is aangevoerd dat de voorlopige hechtenis sinds zijn onrechtmatige uitzetting uit Suriname disproportioneel lang duurt. De verdediging stelt dat geen sprake meer is van een geschokte rechtsorde waarbij wordt verwezen naar de omstandigheid dat medeverdachten wel zijn geschorst en dit niet tot maatschappelijke onrust heeft geleid. De verdediging heeft voorts gewezen op het feit dat verdachte [verdachte 6] een gezin heeft en recht heeft op gezinsleven met hen.
Oordeel van de rechtbank
85. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voor de voorlopige hechtenis, waaronder de geschokte rechtsorde, nog onverkort aanwezig zijn. Dit is niet anders geworden door het tijdsverloop. De rol van de verdachten die wel geschorst zijn, beoordeelt de rechtbank voorshands als wezenlijk anders dan de rol van verdachte. Afgezet tegen de ernstige bezwaren en gronden is de rechtbank ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Het schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 4]
86. Namens verdachte [verdachte 4] is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de datum van het vonnis. Daartoe is aangevoerd dat de voorlopige hechtenis sinds zijn onrechtmatige uitzetting uit Suriname disproportioneel lang duurt. De verdediging stelt dat geen sprake meer is van een geschokte rechtsorde, waarbij wordt verwezen naar de omstandigheid dat medeverdachten wel zijn geschorst en dit niet tot maatschappelijke onrust heeft geleid. De verdediging heeft voorts gewezen op het feit dat verdachte [verdachte 4] een gezin heeft met vier kinderen en recht heeft op gezinsleven met hen.
Oordeel van de rechtbank
87. De rechtbank is van oordeel dat de gronden voor de voorlopige hechtenis, waaronder de geschokte rechtsorde, nog onverkort aanwezig zijn. Dit is niet anders geworden door het tijdsverloop. De rol van de verdachten die wel geschorst zijn, beoordeelt de rechtbank voorshands als wezenlijk anders dan de rol van verdachte. Afgezet tegen de ernstige bezwaren en gronden is de rechtbank ook nu nog van oordeel dat de belangen van strafvordering zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verdachte. Het schorsingsverzoek wordt daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 14]
88. Namens verdachte [verdachte 14] is opnieuw verzocht om het contactverbod met zijn twee broers, dat als voorwaarde voor zijn schorsing is gesteld, wordt opgeheven omdat het nu niet meer redelijk is dit in stand te laten. Het Openbaar Ministerie heeft zich verzet tegen de gevraagde wijziging van de schorsingsvoorwaarde.
Oordeel van de rechtbank
89. De rechtbank stelt vast dat de voorlopige hechtenis van verdachte [verdachte 14] al sinds 29 mei 2020 is geschorst. Niet is gebleken van enige nieuwe strafrechtelijke verdenking sinds de tijd dat hij op vrije voeten is. De rechtbank ziet hierin thans aanleiding om te bepalen dat het contactverbod met zijn broers dat nog als voorwaarde is verbonden aan zijn schorsing komt te vervallen. De rechtbank hecht eraan op te merken dat het vervallen van het contactverbod als schorsingsvoorwaarde onverlet laat dat de (directeuren van de) penitentiaire inrichtingen waar verdachten [verdachte 3] en [verdachte 7] verblijven hun eigen afweging maken over de vraag of, en zo ja op welke wijze, contact tussen hen en verdachte [verdachte 14] kan worden toegestaan. De beslissing tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden is afzonderlijk opgemaakt.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑07‑2023
AD00 (7e aanvulling op einddossier) p. 3181 – 3213.
Uitspraak 07‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken, besproken op de regiezitting van 17 mei 2023
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 17 mei 2023
1. Mr. I.N. Weski heeft op 19 april 2023 voorafgaand aan de dupliek een aantal regie- en onderzoekswensen ingediend namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] . Namens verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] heeft mr. S. Boersma bij e-mailbericht van 2 mei 2023 laten weten dat bij deze verzoeken wordt gepersisteerd. Verder heeft mr. Boersma daarbij verzocht om uitstel van de termijn voor het indienen van andere onderzoekswensen op een andere, nader te bepalen, regiezitting, zulks in verband met de recente aanhouding en verblijf in beperkingen van mr. I.N. Weski waardoor de verdediging niet in staat is die wensen nu te formuleren en te onderbouwen.
2. Mr. M.P.J.C. Heuvelmans heeft op 2 mei 2023 namens verdachte [verdachte 4] onderzoekswensen ingediend.
3. De rechtbank heeft een brief, gedateerd 3 mei 2023, ontvangen waarin [naam verdachte 3] onder meer schrijft dat hij persisteert bij de onderzoekswensen die zijn voormalige advocaat mr. I.N. Weski op de zitting van 19 april 2023 heeft gedaan. Na de zitting van 17 mei 2023 is nog een brief ontvangen van [naam verdachte 3] , gedateerd 12 mei 2023.
4. Mrs. R. van ’t Land en H.M. Dunsbergen hebben op 3 mei 2023 namens verdachte [verdachte 5] onderzoekswensen ingediend.
5. Het Openbaar Ministerie heeft op 10 mei 2023 schriftelijk op de onderzoekswensen gereageerd.
6. Mr. Boersma heeft bij brief van 15 mei 2023 namens verdachte [verdachte 1] medegedeeld dat zij hem nog steeds bijstaat maar dat zij verhinderd is ter zitting van 17 mei 2023 te verschijnen. In die brief heeft zij ook inhoudelijk gereageerd op de reactie van het Openbaar Ministerie van 10 mei 2023.
7. Mr. F.M.H. van Mullekom heeft zich bij e-mailbericht van 16 mei 2023 als opvolgend raadsman gesteld voor verdachte [verdachte 2] en daarbij medegedeeld dat hij eveneens verhinderd is ter terechtzitting van 17 mei 2023 te verschijnen. In het bericht heeft hij verder geschreven dat hij zich aansluit bij de reactie van mr. Boersma in haar brief van 15 mei 2023.
8. Ter zitting van 17 mei 2023 heeft re- en dupliek plaatsgevonden over de onderzoekswensen, behalve in de zaak van verdachte [verdachte 3] . De rechtbank zal op korte termijn met hem in gesprek gaan over zijn rechtsbijstand. Daarbij zal ook de mogelijkheid te reageren op de reactie van het Openbaar Ministerie van 10 mei 2023 aan de orde komen. De rechtbank zal daarom nu nog niet beslissen op de onderzoekswensen in de zaak van verdachte [verdachte 3] .
9. Hieronder volgen de beslissingen op de onderzoekswensen van de overige verdachten.
In de zaken van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2]
Verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen
10. Uit de brief van mr. Boersma van 15 mei 2023, waarbij mr. Van Mullekom zich heeft aangesloten, begrijpt de rechtbank dat de bij gelegenheid van dupliek gedane verzoeken in verband met het stellen van prejudiciële vragen over – kort gezegd – PGP-kwesties en de kwestie ‘levenslang’ en het daartoe aanhouden van de zaken, voorwaardelijke verzoeken betreffen waarop de rechtbank bij vonnis kan beslissen. Dit voor het geval de rechtbank de verdediging niet zou volgen in haar standpunten over deze kwesties. De rechtbank zal hierop dan ook nu niet beslissen.
Plannen van een regiezitting
11. Onder punt 2 van de dupliek van mr. I.N. Weski is mede namens verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] een verzoek gedaan om een aparte regiezitting (in mei 2023) te plannen. Dit om het stellen van prejudiciële vragen over de onderwerpen ‘kroongetuige’, ‘PGP’ en ‘levenslang’ te bespreken en eventuele aanvullende onderzoekswensen toe te lichten. Uit de brief van mr. Boersma van 15 mei 2023 maakt de rechtbank op dat dit verzoek zo moet worden begrepen dat het ziet op mogelijke onderzoekswensen. Door de onverwachte aanhouding van mr. I.N. Weski wenst de verdediging in de toekomst nog gelegenheid te krijgen deze mogelijke onderzoekswensen nader onderbouwd voor te leggen. De rechtbank ziet hierin op dit moment geen aanleiding om een aparte regiezitting te plannen. In de zaken van alle verdachten staat een pro forma- en regiezitting gepland op 14 juli 2023. Desgewenst kan de verdediging ten behoeve van die zitting onderzoekswensen indienen.
Verzoeken in verband met ‘onderzoek ten aanzien van moordcommando’
Standpunt van de verdediging
12. De verdediging heeft gepersisteerd bij de verzoeken die mr. I.N. Weski onder punt 4 van haar dupliek heeft gedaan in verband met, kort gezegd, een onderzoek naar het bestaan van een ‘moordcommando’. Het gaat dan om het horen als getuige van commando [getuige 1] , diens voormalig raadsman mr. M. Ruperti, de betreffende ‘vrouwelijke officier van justitie’, de leden van de AIVD, de Nationale Recherche, de MIVD, het SOCOM, de DSI en van het KCT en eventuele andere (internationale) diensten en ministeries, die bij deze besluitvorming, planning en uitvoering van plannen rond de opsporing, arrestatie, overbrenging en bij de opties van uitlevering, ontvoering en/of liquidatie van verdachte [verdachte 3] betrokken zijn geweest. De verdediging meent dat het horen van de getuigen ook relevant is in de zaken van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] omdat het hier gaat om de verdenking van misdrijven die worden gepleegd door leden van het Openbaar Ministerie in vereniging met enkele andere overheidsdiensten tegen verdachte [verdachte 3] , maar mogelijk ook tegen verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] . Daarnaast is verzocht om voeging in het dossier van diverse stukken uit de procedure bij de militaire rechtbank te Arnhem in de zaak tegen [getuige 1] Verder is (alsnog) verstrekking verzocht van de door de rechter-commissaris onthouden artikel 565 (oud) Sv BOB-stukken. Ook is verzocht om verstrekking van verslaglegging van communicatie met Suriname ten aanzien van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] voor zover met voornoemde inlichtingendiensten en militaire eenheden over opties als uitlevering, ontvoering of moord is gesproken en gepland. De zaken van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] moeten worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over deze kwestie, althans in afwachting van het door de verdediging aan de procureur-generaal verzochte onderzoek, althans in afwachting van de reactie van de hoofdofficier van justitie op de aangifte van verdachte [verdachte 3] , aldus tenslotte de verdediging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
13. Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken.
Oordeel van de rechtbank
14. Het verzoek tot het horen van de gevraagde getuigen heeft voornamelijk betrekking op stellingen die verdachte [verdachte 3] betreffen. De rechtbank zal, zoals hiervoor is vermeld, in zijn zaak op een later moment beslissen. Het standpunt van de verdediging dat het horen van de verzochte getuigen ook relevant is in de zaken van de verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] kan de rechtbank niet volgen. Daartoe is namelijk alleen gesteld dat met betrekking tot verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] mogelijk plannen hebben bestaan hen te ontvoeren en/of te ‘neutraliseren’ dan wel te vermoorden, maar die stelling is op geen enkele wijze concreet gemaakt. Daarmee is het verdedigingsbelang bij het horen van deze getuigen voor verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] onvoldoende onderbouwd. De verzoeken worden daarom afgewezen.
15. De verzoeken tot verstrekking van stukken uit de procedure bij de militaire kamer worden eveneens afgewezen. Onder verwijzing naar wat hiervoor onder 14 is overwogen is de noodzaak daartoe niet gebleken. Het verzoek tot verstrekking van eventueel bestaande verslaglegging van met Suriname besproken opties zoals uitlevering, ontvoering of moord ten aanzien van de verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] , wordt ook afgewezen. Dit verzoek is gebaseerd op diezelfde niet concreet gemaakte stelling dat mogelijk met betrekking tot hen van overheidswege ontvoerings- of moordplannen zouden hebben bestaan. De rechtbank merkt daarbij overigens op dat de rechtshulpverzoeken aan Suriname al onderdeel uitmaken van het dossier.
16. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding de zaken van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] aan te houden in afwachting van de resultaten van alle in de zaak van verdachte [verdachte 3] gedane verzoeken tot onderzoek naar het bestaan van een ‘moordcommando’.
17. De rechtbank begrijpt dat het herhaalde verzoek tot verstrekking van de door de rechter-commissaris onthouden 565 (oud) Sv BOB-stukken alleen is gedaan in de zaak van verdachte [verdachte 3] en zal in zijn zaak daarop later beslissen. In de zaken van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] is, zoals het Openbaar Ministerie ter zitting van 28 oktober 2020 heeft medegedeeld, geen sprake geweest van een zoektocht en heeft het Openbaar Ministerie alle BOB-stukken die in hun zaken zijn opgemaakt reeds gevoegd in het procesdossier.
Plannen van een nadere datum voor pleidooi/dupliek
18. De verdediging heeft verzocht een nadere zitting te plannen waarop de verdediging haar pleidooi kan aanvullen naar aanleiding van ontwikkelingen in de jurisprudentie en de relevantie van die jurisprudentie voor de zaken van verdachten kan toelichten. Daartoe is gewezen op het arrest van het Hof Den Bosch van 2 mei 2023 in de zogenoemde Box-zaak en heeft zij gesteld dat dit van belang is voor de beoordeling van de gevoerde verweren inzake ‘geheimhouders’. Ook is gewezen op het op 4 juli 2023 te verwachten arrest van de Hoge Raad naar aanleiding van de prejudiciële vragen rondom de Encro- en Sky-data. In die zaak spelen vraagstukken die ook relevant zijn voor de beoordeling van de verweren over de verkrijging en verwerking van de bulkdata van Ennetcom en PGP-safe. De verdediging wenst zich daar dan over uit te kunnen laten.
Oordeel van de rechtbank
19. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu reeds een zitting te plannen voor een aanvulling op het pleidooi en wijst het verzoek daartoe af. Op dit moment staat nog niet vast of de Hoge Raad ook op 4 juli 2023 arrest zal wijzen. Dat betekent dat nu alleen de wens bestaat om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het Box-arrest. Daarom stelt de rechtbank zich voor dat op de regiezitting van 14 juli 2023 aan de orde kan worden gesteld of en in hoeverre er een aanvullend debat op zitting nodig is en zo ja, hoe dat in dat geval vorm te geven.
In de zaak van verdachte [verdachte 4]
Verzoek om het opstellen van reclasseringsrapportage
Verzoek van de verdediging
20. De verdediging heeft opnieuw verzocht een reclasseringsrapportage op te doen maken. Zij heeft daartoe gewezen op de speciale aanpak ‘anoniem werken’ waarmee de reclassering advies en toezicht voor een specifieke kleine groep verdachten en veroordeelden mogelijk maakt. Hoewel het volgens de verdediging in geval van verdachte [verdachte 4] niet nodig is, maakt deze nieuwe aanpak dat opnieuw wordt verzocht om reclasseringsrapportage. De rapportage is van belang voor de beoordeling van de strafzaak tegen verdachte maar ook voor een op te stellen schorsingsverzoek. Dat de nieuwe aanpak nog niet daadwerkelijk is gestart maakt niet dat verdachte niet voor rapportage in aanmerking komt. Het kan niet zo zijn dat die mogelijkheid wordt onthouden enkel omdat hij ‘Marengo-verdachte’ is.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
21. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. De verdediging kan zelf een toelichting geven op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook is uit navraag bij de reclassering op 10 mei 2023 gebleken dat de situatie zoals die in september 2021 nog was, namelijk dat de reclassering geen mogelijkheid ziet te rapporteren in de zaak van verdachte, nog steeds geldt.
Oordeel van de rechtbank
22. De rechtbank is van oordeel dat geen noodzaak bestaat voor het opstellen van een reclasseringsrapportage. Het persoonsdossier van verdachte bevat reeds rapportages over zijn persoon en voor zover de verdediging daarop iets wil aanvullen kan de verdediging dat zelf doen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Voorwaardelijk verzoek om een psychologische en psychiatrische NIFP-rapportage
Verzoek van de verdediging
23. De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht om het opstellen van een NIFP-rapportage over verdachte. Dit voor het geval de rechtbank de verdediging niet zou volgen in het standpunt over het ‘omslagpunt’ in zijn leven en de rechtbank meer zou willen weten over zijn psychische gesteldheid ten tijde van de tenlastegelegde feiten en zijn agressiehuishouding. Het ‘omslagpunt’ is een psychisch proces en kan niet worden afgeleid uit het dossier, zodat een rapportage nodig is.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
24. Het Openbaar Ministerie heeft opgemerkt dat het bestaan van een ‘omslagpunt’ wordt weerlegd door de feiten uit het onderzoek, zoals beschreven in requisitoir en in repliek. Het voorwaardelijk verzoek dient daarom afgewezen te worden.
Oordeel van de rechtbank
25. De rechtbank begrijpt dat de verdediging dit voorwaardelijk verzoek reeds in het kader van de regiezitting doet omdat, als de rechtbank na debat in raadkamer nadere rapportage nodig vindt, deze ook tijdig beschikbaar is. De rechtbank ziet op dit moment echter niet de noodzaak tot het laten opstellen van een NIFP-rapportage. Het verzoek wordt afgewezen.
In de zaken van verdachten [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 5]
Verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad met betrekking tot de kroongetuigeregeling
Verzoek van de verdediging
26. De verdediging van verdachte [verdachte 5] heeft verzocht om op grond van artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over, kort gezegd, de beschermingsovereenkomst ex artikel 226l Sv en de kroongetuigeovereenkomst ex artikel 226g Sv. Ook na het arrest van de Hoge Raad in de zaak Passage zijn nog vele rechtsvragen onbeantwoord. De verdediging wijst daarbij met name op vragen over het causale verband tussen de financiële afspraken in de beschermingsovereenkomst ex artikel 226l Sv enerzijds en de verklaringsbereidheid van een kroongetuige in het kader van artikel 226g Sv anderzijds, zeker als die twee trajecten tegelijkertijd lopen in plaats van na elkaar. Verder wijst de verdediging op de onmogelijkheid om dit te kunnen toetsen waarbij de vraag is of zich dit verdraagt met artikel 6 EVRM. De verdediging van verdachten [verdachte 6] en [verdachte 7] heeft zich bij dit verzoek aangesloten.
Standpunt van het openbaar Ministerie
27. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Het heeft daartoe gewezen op de Passage-arresten en gesteld dat de Hoge Raad zich al heeft uitgelaten over de door de verdediging opgeworpen vragen. Deze vragen zijn gelijk aan de in Passage gevoerde verweren ten aanzien van beide kroongetuigen. Het Hof Amsterdam heeft die verweren verworpen en inhoudelijke beschouwingen gegeven (ECLI:NL:GHAMS:2017:2497, in het bijzonder rechtsoverwegingen 2.1.2.2.4 en 2.1.2.2.5). De Hoge Raad heeft die overwegingen in stand gelaten en de daartegen ingediende cassatiemiddelen afgewezen (ECLI:NL:HR:2019:600).
Oordeel van de rechtbank
28. Artikel 553 Sv luidt:
“1. De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een betrokken procespartij de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang.
2. Voordat de rechter de vraag stelt, worden de betrokken procespartijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over het voornemen om een vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag.
3. De beslissing waarbij de vraag wordt gesteld, vermeldt de relevante feitelijke en juridische context en de standpunten die door de betrokken procespartijen zijn ingenomen. Tevens bevat de beslissing een motivering dat met de beantwoording van de vraag wordt voldaan aan het eerste lid.
4. De griffier stelt de beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Hoge Raad.”
29. In de Memorie van Toelichting1.op artikel 553 Sv staat (op pagina 30) onder andere:
“De feitenrechter en de Hoge Raad zijn beide poortwachter voor het stellen dan wel ontvangen van prejudiciële vragen: zij moeten samen ervoor zorgen dat de hoeveelheid vragen beperkt en de kwaliteit van de vragen hoog blijft. De feitenrechter en de Hoge Raad moeten verder op basis van open wettelijke criteria een selectiebeleid kunnen voeren dat ook prioritering en beheersbaarheid van te beantwoorden rechtsvragen mogelijk maakt. Hierbij geldt geen motiveringsplicht voor de Hoge Raad voor zijn eventuele beslissing een prejudiciële vraag niet te ontvangen. De feitenrechter moet wel motiveren als deze een verzoek van de verdediging of een vordering van de officier van justitie tot het stellen van een vraag afwijst.”
En op de pagina’s 32 en 33 voorts:
“(…) Om de rechter enige houvast te bieden in welke gevallen het stellen van een vraag passend is, specificeert het eerste lid dat het antwoord op de vraag nodig is «om te beslissen» en «aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend», waarbij gelet moet worden «op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang». Deze specificering verduidelijkt dat de door de rechter te stellen rechtsvraag in beginsel voor meerdere zaken van belang is. Daarnaast moet aan de beantwoording van de vraag voldoende gewicht kunnen worden toegekend. Dit kan bijvoorbeeld liggen in de hoeveelheid zaken, de aard van de zaken en de omvang van de zaken waaraan het antwoord op de rechtsvraag kan bijdragen. Onderwerpen waarover vragen kunnen worden gesteld liggen onder meer in de sfeer van de uitleg van een bepaalde delictsomschrijving, de uitleg van een procesrechtelijke regel of uitleg van overgangsrecht. Dergelijke vragen zullen in verschillende procedures kunnen spelen en zijn van wezenlijk belang voor de vraag of een verdachte strafbaar heeft gehandeld en hoe het strafproces behoort te worden gevoerd. De beantwoording van dergelijke vragen door de Hoge Raad kan bijdragen aan de verdere rechtsontwikkeling, alsmede aan de effectiviteit van en de rechtsbescherming binnen het strafproces. Evenals in de civiele prejudiciële procedure is een verplichting opgenomen voor de rechter om het zaaksoverstijgende karakter te motiveren. Dit stelt de Hoge Raad in staat om te beoordelen of de vraag voor beantwoording in aanmerking komt. De Hoge Raad heeft de mogelijkheid desgewenst de vraag van de feitenrechter te herformuleren. Het is niet nodig dit in de wet te expliciteren. De rechter die voornemens is een vraag te stellen zal moeten beoordelen of en in hoeverre een rechtsvraag een zaaksoverstijgend belang heeft en of het, gelet op de omstandigheden van het geval, opportuun is om juist in deze zaak een vraag te stellen. In welke mate het antwoord kan bijdragen aan de proceseconomie, dat wil zeggen aan een voortvarende behandeling van de voorliggende zaak en van andere zaken waarin dezelfde rechtsvraag speelt, zal de rechter in zijn afwegingen moeten betrekken. Ook zal hij bij zijn afweging eventuele nadelen van de procedure, die met name liggen in verlenging en toenemende complexiteit van de procedure, moeten betrekken. Daarin speelt het belang om het strafproces binnen redelijke termijn, voortvarend te behandelen. Dit zal met name een zorgvuldige afweging vergen wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt op het moment van het stellen van de vraag. Het is in eerste instantie aan de rechter die voornemens is een vraag te stellen om deze afweging te maken. Uiteindelijk is het evenwel aan de Hoge Raad om te beslissen of inderdaad sprake is van een rechtsvraag van «bijzonder gewicht» (zie de toelichting bij artikel 554, eerste lid). In andere zaken waarin vergelijkbare rechtsvragen aan de orde zijn en waarin de rechter het noodzakelijk acht de antwoorden van de Hoge Raad af te wachten, kan de rechter beslissen om het onderzoek te schorsen (artikel 281).”
30. De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad in de Passage-arresten2.onder andere heeft overwogen:
“(…) Ook al kan de inhoud van de maatregelen die de minister voornemens is te treffen van belang zijn voor het al dan niet tot stand komen van de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak met een getuige, de toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige maken geen onderdeel uit van de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak. Ook het tweede lid van art. 226g Sv noopt niet tot het op schrift stellen en omschrijven van dergelijke toezeggingen. Toezeggingen die met het oog op de feitelijke bescherming van de getuige worden gedaan, kunnen ook niet worden beschouwd als afspraken in de zin van art. 226g, vierde lid, Sv. Een en ander brengt met zich dat de officier van justitie niet is gehouden de processen-verbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. (…)”
31. De verdediging heeft gesteld dat met het oordeel van de Hoge Raad in de Passage-arresten niet alle vragen zijn beantwoord. Zij doelt dan met name op vragen met betrekking tot het causale verband tussen beschermingsafspraken enerzijds en de bereidheid van een kroongetuige te verklaren anderzijds. Het bestaan van dit Hoge Raad-oordeel maakt echter op zichzelf al dat de rechtbank terughoudend is om hierover prejudiciële vragen te stellen. Daar komt bij dat de opgevoerde rechtsvraag (mede) gestoeld is op de (niet in rechte vaststaande) aanname dat omvangrijke financiële bijdragen – die verder gaan dan nodig voor de beveiliging – aan de kroongetuige zouden zijn toegezegd, dan wel door hem worden verwacht. De rechtbank zal daar bij vonnis een oordeel over geven en de gebruikelijke gang van zaken is dat als zich daarbij rechtsvragen voordoen, deze dan beantwoord worden. Aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen over deze kwestie aan de Hoge Raad is er bovendien niet, nu het zaaksoverstijgend belang daarbij maar beperkt aanwezig is. Er zijn immers maar heel weinig strafzaken waarin sprake is van een kroongetuige. De stelling van de verdediging, dat in de politiek en bij het Openbaar Ministerie geluiden zijn dat de kroongetuigeregeling moet worden uitgebreid naar meer verdenkingen en, zo begrijpt de rechtbank, er dus mogelijk meer kroongetuigenzaken zullen komen, ziet op een onzeker toekomstig scenario en niet op actuele strafzaken waar soortgelijke vragen aan de orde zijn.
Op grond van al het voorgaande, bezien tegen de achtergrond van de in de Memorie van Toelichting beschreven ‘poortwachtersrol’ van de rechter, ziet de rechtbank op dit moment onvoldoende aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 5]
Verzoek tot het aanvullend horen van de kroongetuige
Verzoek van de verdediging
32. De verdediging heeft verzocht de kroongetuige (aanvullend) te horen. Zij stelt daartoe dat zij onvoldoende in staat is gesteld om hem op deugdelijke wijze te ondervragen. Bij het vorige verhoor bleek dat de kroongetuige geen raadsman meer had en is toch besloten het verhoor aan te vangen. Al bij de eerste vragen werd duidelijk dat dit zoveel discussie opleverde dat een deugdelijk verhoor wat de verdediging betreft onmogelijk werd. De verdediging heeft na enige pogingen dan ook vooralsnog afgezien van het verder stellen van vragen. Deze vragen zijn er echter wel. De verdediging verwijst onder meer naar hetgeen de vorige keer naar voren is gebracht qua onderwerpen voor c.q. vragen aan de kroongetuige. Zijn verhoor is tevens van groot belang in het licht van wat over het stellen van prejudiciële vragen is aangevoerd. Zo nodig zal de kroongetuige bij het te houden verhoor bijgestaan dienen te worden door een raadsman, zodat dit een deugdelijk verhoor ten goede zal komen. Voor een juiste taakverdeling tussen procespartijen is dit van essentieel belang.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
33. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. De verdediging heeft op 14 maart 2023 besloten het verhoor af te breken en er dus zelf voor gekozen geen gebruik te maken van de effectieve verhoormogelijkheden die haar zijn geboden.
Oordeel van de rechtbank
34. De rechtbank stelt vast dat de verdediging de kroongetuige op de zittingen van 1 en 2 november 2022 heeft ondervraagd. Die ondervraging zag eerst op een – door de verdediging zo aangeduid – formeel gedeelte en vervolgens zijn vragen gesteld over de zaaksdossiers. Op de zitting van 2 november 2022 is aan het einde door de raadslieden medegedeeld dat zij op dat moment, behalve de twee op die zitting geparkeerde vragen, geen vragen meer had voor de kroongetuige. Over die twee geparkeerde vragen heeft de rechtbank bij beslissing van 10 november 20223.beslist. Die beslissing was dat de kroongetuige werd belet te antwoorden op de eerste vraag of hij in de detentielocatie vanwege zijn bijzondere positie gunsten had en dat de kroongetuige zich ten aanzien van de tweede vraag, hoe hij na de aanslag op [verdachte 7] kenbaar heeft gemaakt dat hij de BlackBerry weer naar binnen wilde hebben, op zijn verschoningsrecht kon beroepen en daarop geen antwoord hoefde te geven. Daarmee was het verhoor van de kroongetuige in feite afgerond. De verdediging heeft echter bij de regiezitting van 14 februari 2023 verzocht om een aanvullend verhoor van de kroongetuige over gemaakte afspraken rond de kroongetuige-overeenkomst, de klachtprocedure van de kroongetuige tegen zijn voormalige advocaat en vragen naar aanleiding van de inzage in de iPhone-berichten en het verificatiejournaal. De rechtbank heeft dit verzoek bij beslissing van 20 februari 20234.toegewezen en daarbij onder andere overwogen dat op voorhand geen aanleiding bestaat om de omvang van dit aanvullend verhoor te beperken in de door het Openbaar Ministerie voorgestane zin. Het Openbaar Ministerie stelde toen namelijk dat het verhoor niet zou moeten gaan over de getuigenbeschermingsovereenkomst, niet over de klachtprocedure en niet over het verificatiejournaal. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verhoor op dezelfde wijze kan plaatsvinden zoals dat op 1 en 2 november 2022 is gebeurd. Dit betekende dat in geval van een beroep op het verschoningsrecht of een beroep op de geheimhoudingsverplichting uit de beschermingsovereenkomst de desbetreffende vragen zouden worden geparkeerd en dat de rechtbank later zou beslissen of de kroongetuige deze vragen al dan niet zou moeten beantwoorden.
35. Bij gelegenheid van het aanvullende verhoor op 14 maart 2023 werd de kroongetuige niet langer bijgestaan door een raadsman. Dit vormt echter op zich geen beletsel voor het horen van een kroongetuige ter zitting. Met het verhoor van de kroongetuige is dan ook een aanvang gemaakt. Tijdens dit verhoor is de verdediging gestart met het stellen van vragen over zijn huidige rechtsbijstand en de veronderstelde inhoud van een tuchtklacht tegen een voormalige raadsman van de kroongetuige, ook wel de deal-advocaat genoemd. De kroongetuige heeft drie gestelde vragen toen niet willen beantwoorden met een beroep op de vertrouwelijkheid tussen hem en zijn advocaten, waarna de rechtbank die drie vragen heeft geparkeerd om daarop later te beslissen. De verdediging heeft tijdens dit verhoor, bij aanvang van het middaggedeelte, besloten te stoppen met het verhoor omdat zij meende dat doorgaan niet zinvol was. In het proces-verbaal van de zitting staat hierover (op pagina 33 en 34), voor zover hier van belang:
“(…) mr. Van ‘t Land en ik [hebben] geëvalueerd wat zich deze ochtend allemaal heeft afgespeeld. Wij hadden daar een opvatting over en die wilden wij zojuist bespreken met cliënt. (…) Cliënt bleek dezelfde opvatting te hebben als wij. Namelijk, dat het voor ons geen zin heeft om de kroongetuige op dit moment verder te ondervragen. Wij komen tot de conclusie dat wij vaker met uw rechtbank in discussie zijn, dan dat wij vragen stellen aan de kroongetuige. Wij vinden dat de situatie zodanig is dat hij zich zonder advocaten toch misschien wat sneller kan gaan beroepen op een verschoningsrecht, waarvan wij ons afvragen of dat wel zo is. Het levert vooral en voornamelijk geparkeerde vragen op en wij kunnen op deze manier gewoon geen effectieve verdediging voeren, vinden wij. Wij doen uitdrukkelijk geen afstand van de kroongetuige als getuige. Maar op dit moment gaan wij niet door met het stellen van vragen aan de kroongetuige, gezien deze stand van zaken.”
Bij beslissing van 16 maart 20235.heeft de rechtbank beslist dat de kroongetuige wordt belet de drie geparkeerde vragen te beantwoorden.
36. Gelet op de hiervoor onder 34 en 35 geschetste feitelijke gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat het verdedigingsbelang bij nog een aanvullend verhoor van de kroongetuige onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft met de verhoordagen van 1 en 2 november 2022 en 14 maart 2023 voldoende gelegenheid gehad de kroongetuige te ondervragen. Na de eerste twee zittingsdagen had de verdediging op dat moment geen vragen meer en het aanvullende verhoor van 14 maart 2023 is door henzelf beëindigd. Het feit dat de kroongetuige toen geen bijstand meer had van een raadsman maakt niet dat de verdediging haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Zij heeft haar vragen namelijk gewoon kunnen stellen. De omstandigheid dat vragen van de verdediging aan de kroongetuige naar diens rechtsbijstand en naar de tuchtklacht discussie heeft opgeleverd, doet daar niet aan af. Daarbij betrekt de rechtbank dat discussie over dergelijke vragen gerechtvaardigd was omdat deze veelal raakten aan de vertrouwelijkheid tussen de kroongetuige en zijn (voormalige) raadslieden. De drie vragen die de kroongetuige in verband met die vertrouwelijkheid niet heeft willen beantwoorden zijn geparkeerd en later heeft de rechtbank daarover een beslissing genomen. De stelling dat het onwerkbaar was om op deze manier de kroongetuige te ondervragen, onderschrijft de rechtbank dan ook niet. De keuze van de verdediging om te stoppen met het verhoor omdat zij meende dat verder horen geen zin had omdat de kroongetuige zich zonder advocaten misschien wat meer op zijn verschoningsrecht zou beroepen en het vooral en voornamelijk geparkeerde vragen op zou leveren, komt voor haar rekening. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat zij belang heeft bij een (nader) aanvullend verhoor van de kroongetuige. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.
Herhaald verzoek met betrekking tot financiële afspraken met de kroongetuige
37. De verdediging wil de navolgende vraag aan de kroongetuige stellen en heeft, voor zover het antwoord wordt belet, verzocht om het Openbaar Ministerie op te dragen deze te (laten) beantwoorden:
Is er met de kroongetuige op enig moment voorafgaande aan het tekenen van de overeenkomst ex art. 226g Sv d.d. 27 december 2017 gesproken over geld c.q. geldbedragen, dan wel vergoedingen, die al dan niet in het vooruitzicht zijn gesteld, dan wel zijn hierover (nadere) afspraken gemaakt?
38. De rechtbank heeft het verzochte nader aanvullend verhoor van de kroongetuige heden afgewezen, zodat de vraag daarom niet (opnieuw) aan de kroongetuige kan worden gesteld. Het verzoek om het Openbaar Ministerie op te dragen de geformuleerde vraag te (laten) beantwoorden is al meerdere keren gedaan en telkens afgewezen. Onder verwijzing naar de beslissingen van 10 november 20226., 7 december 20227.en 20 februari 20238.wordt het huidige herhaalde en niet wezenlijk nader onderbouwde verzoek opnieuw afgewezen.
Herhaald verzoek tot inzage in psychiatrische/psychologische rapportage van c.q. over de kroongetuige
39. De verdediging heeft de rechtbank opnieuw verzocht haar eerdere afwijzende beslissing van 7 december 2022 over dit onderwerp te heroverwegen. De rechtbank wijst dit herhaalde verzoek echter af onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde beslissingen van 10 november 2022, 7 december 2022 en 20 februari 2023.
Herhaald verzoek om nadere informatie c.q. verduidelijking met betrekking tot de vraag of er voorwaarden zijn gesteld aan de uitlevering van verdachte vanuit Colombia
40. De verdediging heeft opnieuw verzocht om nadere informatie c.q. verduidelijking te vragen aan de autoriteiten van Colombia met betrekking tot de uitlevering van verdachte [verdachte 5] . Ook dit is een verzoek dat eerder is gedaan en is afgewezen. Aan het huidige verzoek zijn geen wezenlijke nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd, zodat de rechtbank het verzoek opnieuw afwijst met verwijzing naar de reeds aangehaalde beslissing van 20 februari 2023.
Aansluitverzoek bij de verzoeken van mr. I.N. Weski in verband met ‘onderzoek ten aanzien van moordcommando’
Aansluitverzoek van de verdediging
41. Tijdens de zitting van 19 april 2023 (in de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] ) heeft de rechtbank een meegebrachte getuige gehoord in verband met het optreden van de overheid in relatie tot de mogelijke aanhouding van medeverdachte [verdachte 3] . Het is de verdediging niet bekend of de overheid eenzelfde ‘draaiboek’/scenario (de rechtbank begrijpt: de mogelijke inzet van een moordcommando) heeft toegepast op verdachte [verdachte 5] . De verdediging stelt dat het noodzakelijk is dat dit ook ten aanzien van hem wordt uitgezocht c.q. kan worden uitgesloten. Een dergelijk overheidsoptreden en met name de rol van het Openbaar Ministerie hierin raakt de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in haar vervolgingsrecht. De verdediging sluit zich daarom aan bij de verzoeken die mr. I.N. Weski over deze kwestie heeft gedaan.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
42. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De verdediging heeft geen enkele onderbouwing gegeven voor de stelling dat iets dergelijks zoals in de zaak van medeverdachte [verdachte 3] door diens verdediging is gesteld, aan de hand zou zijn ten aanzien van verdachte [verdachte 5] .
Oordeel van de rechtbank
43. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling, dat het door de verdediging van verdachte [verdachte 3] gedane verzoek tot het doen van onderzoek naar het bestaan van een ‘moordcommando’ ook voor verdachte [verdachte 5] van belang is. De enkele stelling dat haar niet bekend is of ten aanzien van verdachte [verdachte 5] eenzelfde draaiboek of scenario is toegepast, is daartoe onvoldoende. Het (aansluit)verzoek wordt daarom afgewezen.
Herhaald verzoek met betrekking tot getuigen [getuige 2] en [getuige 3]
44. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om haar beslissing van 20 februari 2023 te heroverwegen en alsnog de rechters-commissaris te gelasten om onderzoek te doen naar de mogelijkheden om de getuigen te horen. Dit verzoek is een herhaald verzoek zonder dat daartoe nieuwe argumenten zijn aangevoerd. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af onder verwijzing naar de beslissing van 20 februari 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑06‑2023
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 869, nr. 3.
ECLI:NL:HR:2019:600, rechtsoverweging 3.11.
Uitspraak 16‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de geparkeerde vragen in 26Marengo op de terechtzitting van 14 maart 2023 in de zaak van verdachte Said R.
Beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de geparkeerde vragen in 26Marengo op de terechtzitting van 14 maart 2023 in de zaak van verdachte [verdachte 1]
Inleiding
1. De kroongetuige heeft in zijn getuigenverhoor op de terechtzitting van 14 maart 2023 op een drietal vragen niet geantwoord. De raadslieden van verdachte [verdachte 1] hebben zich op het standpunt gesteld dat de kroongetuige daarop wel zou moeten antwoorden. De rechtbank heeft die vragen vervolgens geparkeerd en medegedeeld dat zij schriftelijk zal beslissen of de kroongetuige deze vragen al dan niet dient te beantwoorden.
Geparkeerde vragen
2. Bij de beoordeling van de drie geparkeerde vragen stelt de rechtbank voorop dat, zoals ook al in de beslissingen van 29 november 20211.en 10 november 20222.op eerder geparkeerde vragen is overwogen, zij op grond van artikel 293, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan beletten dat aan een gestelde vraag gevolg wordt gegeven. Deze bepaling heeft (onder meer) tot doel te voorkomen dat een getuige moet antwoorden op vragen die hem nadeel kunnen berokkenen.
3. De eerste geparkeerde vraag is:
- “Heeft u advies ingewonnen om hier als getuige zonder advocaat te zitten?”
4. De kroongetuige heeft deze vraag niet willen antwoorden. Hij heeft daarover gezegd dat hij daar geen uitspraken over doet. Volgens hem gaat het namelijk niemand wat aan wat hij met een eventuele advocaat bespreekt omdat dit volgens hem vertrouwelijk is.
5. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag de kroongetuige nadeel kan berokkenen omdat het antwoord mogelijk raakt of kan raken aan de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen hem en een eventuele advocaat. De vertrouwelijkheid tussen raadsman en cliënt is een groot goed. Daarbij past niet dat de kroongetuige gedwongen zou worden de vertrouwelijkheid van die communicatie te doorbreken. Om die reden belet de rechtbank dat de kroongetuige de vraag beantwoordt.
6. De tweede geparkeerde vraag is:
- “Was de afgelegde verklaring door uw toenmalige advocaat (ter terechtzitting ook wel genoemd: de deal-advocaat) op 9 november 2022 bij de rechter-commissaris de reden voor uw tuchtklacht tegen hem?”
7. De kroongetuige heeft deze vraag niet willen beantwoorden. Hij heeft daarover gezegd dat hij zich niet uitlaat over de tuchtklacht omdat dit gaat over zijn toenmalige advocaat. Hij wil geen uitlatingen doen over advocaten omdat dit vertrouwelijk is.
8. De verdediging van verdachte [verdachte 1] stelt zich op het standpunt dat de kroongetuige de vraag wel dient te beantwoorden omdat deze relevant is voor de waardering van het bewijs. De kroongetuige zegt over de totstandkoming van de deal en de toezeggingen die toen zijn gedaan namelijk iets anders dan de deal-advocaat in zijn verhoor bij de rechter-commissaris. Het gaat de verdediging om de inhoud van die verklaring, die kennelijk aanleiding is geweest voor de tuchtklacht.
9. De rechtbank begrijpt dat de verdediging vragen heeft over de inhoud van de verklaring van de voormalige advocaat (de deal-advocaat) bij de rechter-commissaris in het verhoor van 9 november 2022 in relatie tot het standpunt dat namens verdachte [verdachte 2] in zijn strafzaak is ingenomen over toezeggingen die (wel) zouden zijn gedaan. De vraag zoals die nu is gesteld ziet echter op de aanleiding en mogelijke inhoud van de tuchtklacht en raakt daarmee aan de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen raadsman en cliënt. Als de kroongetuige daarop moet antwoorden kan dit hem nadeel berokkenen omdat hij daarmee in een positie wordt gebracht waarin hij de vertrouwelijkheid van die communicatie moet schenden. De omstandigheid dat de kroongetuige zijn advocaat ten behoeve van dat verhoor heeft ontslagen uit diens geheimhoudingsverplichting, zoals de verdediging nog heeft gesteld, maakt dat niet anders. Een dergelijke beslissing heft het fundamentele beginsel van vrij verkeer tussen raadsman en cliënt niet op. De rechtbank belet daarom het antwoord op deze vraag.
10. De derde geparkeerde vraag is:
- “Ik lees hierin dat uw voormalige raadsman weigert stukken te geven. Gaat het hier om die e-mails en Whatsappjes?”
Als inleiding op deze vraag heeft de verdediging van verdachte [verdachte 1] het volgende geciteerd uit de publicatie ‘Kroongetuige [naam kroongetuige] . dient tuchtklacht in tegen voormalige advocaat’ in NRC Handelsblad van 7 december 2022: “Volgens [naam kroongetuige] . weigert (naam van de deal-advocaat) bovendien het complete dossier met al het mail- en WhatsAppverkeer over te dragen aan de huidige advocaten van [naam kroongetuige] ., Peter Schouten en Onno de Jong”.
11. De kroongetuige heeft geweigerd antwoord te geven op deze vraag omdat hij over de klacht niets wil zeggen.
12. De verdediging van verdachte [verdachte 1] stelt dat de kroongetuige deze vraag wel dient te beantwoorden. De kroongetuige heeft vandaag verklaard dat hij nog stukken mist en gezegd ‘dat dat nog loopt’. Als in een openbare bron dan staat dat de kroongetuige nog niet alle mails en Whatsappjes heeft gekregen wil de verdediging kunnen toetsen of het om die stukken gaat waar de kroongetuige op wacht. Het gaat de verdediging niet om de inhoud van de tuchtklacht.
13. De rechtbank is van oordeel dat ook deze vraag raakt aan de vertrouwelijkheid tussen de kroongetuige en zijn voormalige raadsman (de deal-advocaat). Het zou de kroongetuige nadeel kunnen berokkenen als hij gedwongen wordt deze vertrouwelijkheid te doorbreken. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. Aan het voorgaande doet niet af dat de veronderstelde inhoud van de tuchtklacht in een openbare bron wordt vermeld. De rechtbank belet daarom ook het antwoord op deze vraag.
Slotsom
14. De slotsom is dat de kroongetuige wordt belet de drie geparkeerde vragen te beantwoorden.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑03‑2023
ECLI:NL:RBAMS:2021:6680.
Uitspraak 07‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 22 februari 2023
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 22 februari 2023
1. Bij e-mailberichten van 8 december 2022 heeft mr. I.N. Weski namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] een aantal onderzoekswensen ingediend. De verdediging van verdachte [verdachte 4] heeft zich bij e-mailbericht van 9 december 2022 bij deze onderzoekswensen aangesloten. Het Openbaar Ministerie heeft in een schriftelijke reactie van 9 december 2022 op deze onderzoekswensen gereageerd. De verdediging van verdachte [verdachte 5] heeft zich bij e-mailbericht van 12 december 2022 eveneens aangesloten bij de onderzoekswensen van mr. I.N. Weski. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat deze onderzoekswensen kunnen worden besproken en toegelicht op de regiezitting van 22 februari 2023.
2. Ter zitting van 22 februari 2023 heeft mr. I.N. Weski de reeds ingediende onderzoekswensen verder toegelicht. De verdediging van verdachten [verdachte 5] , [verdachte 4] en [verdachte 6] heeft zich (opnieuw) daarbij aangesloten. Op die zitting heeft mr. I.N. Weski namens verdachten [verdachte 1] en [verdachte 3] tevens een tweetal aanvullende, bij e-mailbericht van 17 februari 2023 aangekondigde, onderzoekswensen toegelicht. Het Openbaar Ministerie heeft ter zitting aan de hand van een schriftelijk stuk op de (aanvullende) onderzoekswensen gereageerd.
3. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken.
In de zaken van verdachten [verdachte 5] , [verdachte 4] , [verdachte 6] , [verdachte 1] , [verdachte 2] , en [verdachte 3]
Verzoeken om informatie en het horen van getuigen naar aanleiding van perspublicatie
Verzoek van de verdediging
4. De verdediging heeft naar aanleiding van de publicatie ‘Kroongetuige [kroongetuige] . dient tuchtklacht in tegen voormalig advocaat’ in dagblad NRC van 7 december 2022 verzocht aan de verdediging te verstrekken (ter eventuele voeging in het dossier) alle door de deal-officier van justitie en andere leden van het Openbaar Ministerie gevoerde correspondentie en verslaglegging, zoals onder andere WhatsApp-berichten, over de kroongetuige, diens deal, bijkomende afspraken over strafvermindering al of niet in de executiefase, beslissingen tot niet vervolging, gunsten, alsmede de door de ‘ [bijnaam directeur] ’ opgestelde notitie over de aan de kroongetuige ter beschikking gestelde/aangetroffen telefoon(s) en eventuele andere activiteiten rond de kroongetuige en zijn communicatiemiddelen, zoals ook de dongel, de X-box, de televisie enzovoorts en de betrokkenheid daarbij van overheidsdienaren en/of derden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om het horen, bij voorkeur ter zitting onder ede, van de officier van justitie mr. [naam officier van justitie] (hierna: [naam officier van justitie] ) en eventueel andere betrokken leden van het Openbaar Ministerie, mr. [naam advocaat] (hierna: [naam advocaat] ), de directeur ( [bijnaam directeur] ) van de desbetreffende penitentiaire inrichting, de partner van de kroongetuige en de kroongetuige. De verdediging wenst deze personen te horen over de aard en omvang van al dan niet aan de kroongetuige buiten de deal om gedane toezeggingen/gunsten betreffende de WWM-zaak en het gebruik van telefoons, de aard en omvang en achtergrond van de gebreken in de verslaglegging en discrepanties in de getuigenverklaringen van [naam officier van justitie] en [naam advocaat] in het dossier tot op heden, de gang van zaken rond de herkomst, het gebruik en het aantreffen en afvoeren van de aan de kroongetuige tijdens diens detentie ter beschikking staande telefoons en andere communicatiemiddelen en de verslaglegging en de zorgplicht daaromtrent en de gebleken betrokkenheid daarbij van de verzochte getuigen.
5. De verdediging heeft daartoe gesteld dat het Openbaar Ministerie steeds heeft volgehouden dat er buiten de overeenkomst geen andere afspraken met de kroongetuige zijn gemaakt of sprake is geweest van gunstbetoon maar dat uit het artikel in NRC is gebleken dat de verslaglegging onvolledig is. Bovendien roept de in dat artikel beschreven communicatie tussen [naam officier van justitie] en [naam advocaat] vragen op over de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaringen bij de rechter(s)-commissaris en, in geval van [naam officier van justitie] , ook in zijn schriftelijke verslaglegging. De verdediging heeft in dit verband gewezen op de navolgende passages in dat artikel:
“Kroongetuige [kroongetuige] . heeft bij de deken van de Orde van Advocaten in Amsterdam een tuchtklacht ingediend tegen zijn voormalig advocaat [naam advocaat] . Dit is gebeurd nadat een poging tot bemiddeling tussen de kroongetuige en zijn voormalig raadsman op niets is uitgelopen. [kroongetuige] . verwijt [naam advocaat] , die eind 2018 de verdediging heeft neergelegd, dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden in recent contact met de officier van justitie die de besprekingen over de kroongetuigendeal heeft gevoerd. De inhoud van de klacht wordt onderbouwd in documenten die NRC en onderzoeksplatform Follow the Money hebben ingezien. Volgens [kroongetuige] . weigert [naam advocaat] bovendien het complete dossier met al het mail- en WhatsAppverkeer over te dragen aan de huidige advocaten van [kroongetuige] ., Peter Schouten en Onno de Jong. [kroongetuige] . is kroongetuige in het Marengo-proces tegen topcrimineel [verdachte 3] en 16 medeverdachten.”
En:
“De tuchtklacht tegen [naam advocaat] is de culminatie van oplopende spanning tussen [kroongetuige] . en zijn raadsman die teruggaat naar eind 2017. Tijdens de behandeling van de strafzaak Marengo is gebleken dat [kroongetuige] . toen al op zoek was naar een andere advocaat. Hij zoekt in die tijd contact met Onno de Jong, een advocaat die al vaker kroongetuigen heeft bijgestaan. Maar de overstap gaat op dat moment niet door. Uit een bericht dat [naam advocaat] in april 2018 stuurt aan de ‘dealofficier’ blijkt dat die spanning voortduurt. „We zijn (nog) niet ontslagen”, appt [naam advocaat] . „Ondanks daartoe strekkende adviezen van het thuisfront hebben we zelf de handdoek ook nog niet in de ring gegooid....” [kroongetuige] . heeft altijd het idee gehad dat [naam advocaat] niet hard genoeg heeft onderhandeld over de kroongetuigendeal met het OM. [kroongetuige] . zag dat vermoeden bevestigd in recent opgedoken WhatsApp-berichten tussen [naam advocaat] en de dealofficier. „Beste (....)”, appt [naam advocaat] aan de vooravond van de openbare presentatie van de kroongetuigendeal met [kroongetuige] op 23 maart 2018. „Een bijzondere dag morgen. Zonder jouw openheid, duidelijkheid wanneer nodig en meebewegen wanneer mogelijk was dat niet tot stand gekomen. Veel respect en waardering daarvoor!” „Beste [naam advocaat] , co-vader, dat gevoel is geheel wederzijds!”, antwoordt de officier. „Bij toekomstige deals [gaan we] met weemoed terugdenken aan deze. Ik heb diep respect voor de wijze waarop jij je verantwoordelijkheid in dit traject hebt genomen, zowel richting [kroongetuige] , als richting zijn familie als richting ons. Mijn dank is groot.” Uit communicatie tussen [naam advocaat] en de dealofficier leidt [kroongetuige] . af dat die kwestie niet serieus is genomen. „Ben wel even klaar met mensen die qua veiligheid en afscherming hun eigen (waan)ideeen willen doordrukkken”, appt de officier laat op de avond voor een afspraak met enkele familieleden van [kroongetuige] . „Is het nog iets dat ik ze ergens ophaal en dan naar bunker rijd?”, vraagt [naam advocaat] de volgende ochtend. „Ik stuur de laatste mail net aan je door. Hierbij is [naam getuige] een peulenschil.” Hij doelt op [naam getuige] die in die periode getuigt in de strafzaak tegen haar broer [naam broer] .”
En:
“Uit het berichtenverkeer tussen [naam advocaat] en de dealofficier komt nog een saillant element naar boven over een veelbesproken kwestie in het Marengo-proces: de telefoons waarover [kroongetuige] . kon beschikken in het complex waar hij tijdens de dealbesprekingen gedetineerd was. Het is nooit duidelijk geworden hoe en van wie [kroongetuige] . een van die telefoons heeft gekregen. De directeur van de gevangenis, een voormalig militair die ‘ [bijnaam directeur] ’ wordt genoemd, heeft over die kwestie een notitie gemaakt, zo blijkt uit appberichten. „Wel handig als wij het gedoe met de [bijnaam directeur] even goed afronden. Nu staat er volgens mij in zijn interne verslag/p-v [proces-verbaal] dat wij de telefoon naar binnen hebben gebracht,” appt [naam advocaat] aan de dealofficier. „Team getuigenbescherming gaat volgende week bij hem langs om het verhaal op te tekenen”, appt die officier terug. „Ok, goed! [naam 1] en ik willen liever niet nog voor de tuchtrechter verschijnen”, appt [naam advocaat] met een smiley erachter. De dealofficier reageert daarop: „Ik kom volgende week nog even op de lijn over ander dingetje. Dan ga ik jullie verdedigen. No worries.””
En:
“De meest concrete grief van [kroongetuige] . is dat [naam advocaat] zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Daarbij gaat het onder meer over contact tussen [naam advocaat] en een officier van justitie over een straf van zeven maanden die [kroongetuige] . heeft gekregen voor verboden wapenbezit. Dat hangt samen met de aanhouding van [kroongetuige] . begin 2017 vanwege een wapen. Die werd geënsceneerd, blijkt achteraf, om de ware aard van de arrestatie te verhullen. In een overdrachtmemo dat [naam advocaat] bij zijn vertrek schreef voor zijn opvolgers staat dat deze straf „niet in de deal zit” maar dat er „is afgesproken dat de tijd wordt verdisconteerd” bij het uitvoeren van zijn straf. De afspraken hierover staan „deels op schrift”. [naam advocaat] heeft deze gang van zaken in gesprekken met de huidige advocaten van [kroongetuige] . bevestigd, zo blijkt uit gespreksnotities die onderdeel zijn van de tuchtklacht tegen [naam advocaat] . Ook uit handgeschreven notities van [naam 1] over de wapenzaak kan worden afgeleid dat er toezeggingen zijn gedaan op dit punt. „Nog 35 dagen voor WWM-zaak [de wapenzaak]”, schrijft [naam 1] in gespreksnotities. Dat is aanzienlijk minder dan de straf die werd opgelegd. Tijdens het Marengo-proces hebben advocaten van andere verdachten vragen gesteld over deze toezegging. Daarna heeft de officier van justitie met wie [naam advocaat] heeft onderhandeld in juni van dit jaar laten weten dat „er naast de deal geen andere afspraken zijn”. Hierover heeft de betrokken dealofficier ook contact gezocht met [naam advocaat] , zo blijkt uit die brief. Tijdens dat gesprek heeft [naam advocaat] gezegd dat hij geen herinnering heeft aan andere afspraken en geeft hij toestemming om hem op dat punt te citeren. Door met de betrokken officier over deze kwestie te spreken zonder vooraf toestemming te vragen aan zijn cliënt [kroongetuige] . heeft [naam advocaat] zijn geheimhoudingsplicht geschonden, aldus de klacht. [naam advocaat] is recent ook als getuige gehoord over deze kwestie in een besloten verhoor in de Marengozaak. In dat verhoor heeft hij herhaald wat hij tegen de officier heeft gezegd.”
6. Uit deze passages concludeert de verdediging dat er wel degelijk meer afspraken zijn gemaakt en op schrift staan in relatie tot de wapenzaak, namelijk in het kader van de executiefase, en dat die afspraken kennelijk buiten het zicht van de rechtbank gehouden moesten worden. [naam officier van justitie] en [naam advocaat] hebben hierover niet volledig en mogelijk niet naar waarheid verklaard en verslag gedaan. Verder blijkt hieruit dat er al in een vroeg stadium contact is geweest tussen het Openbaar Ministerie en de penitentiaire inrichting ( [bijnaam directeur] ) over de herkomst en het gebruik van communicatiemiddelen door de kroongetuige tijdens zijn detentie, wat in tegenspraak is met de verklaring van [naam officier van justitie] tegenover de rechter-commissaris dat er geen verslaglegging van de gang van zaken over het ontdekken van de telefoon is opgemaakt en er geen contact meer met de raadslieden van de kroongetuige is geweest na de aanvankelijke communicatie over het weg zijn van de telefoon. Ook verklaart [naam officier van justitie] niets over een directeur of een notitie en, sterker, verklaart hij dat hij geen controle in de penitentiaire inrichting naar dat verdwijnen van die telefoon heeft gedaan. Ook zegt hij niets over enig werkelijk onderzoek naar de herkomst van de telefoon of over het afdekken daarvan. Uit het artikel blijkt verder dat het Openbaar Ministerie hiervan afwist. Het lijkt er zelfs op dat de telefoons wellicht vanuit justitie of de penitentiaire inrichting zijn geregeld en dat [naam advocaat] lijkt te willen voorkomen dat de indruk door de [bijnaam directeur] wordt gewekt dat [naam advocaat] en mr. [naam 1] de telefoons zouden hebben geregeld. Bovendien blijkt uit het artikel dat er kennelijk ook afspraken zijn gemaakt over de familie van de kroongetuige in het kader van de dealafspraken. Bij dit alles neemt de verdediging aan, dat een van de zaaksofficieren van justitie in de periode waar dit artikel over gaat, deelnam aan het kroongetuigetraject. Dit volgt uit de verklaringen van [naam officier van justitie] tegenover de rechter-commissaris, aldus ten slotte de verdediging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
7. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. De feiten en omstandigheden over de WWM-zaak die in het artikel worden genoemd zijn niet nieuw. Waar het artikel ziet op het gebruik van telefoons en het invoeren daarvan, geldt dat – als juist is wat er wordt geschreven – dit geen aanwijzingen oplevert dat het Openbaar Ministerie hierover niet de waarheid heeft gesproken. Uit het geciteerde WhatsApp-verkeer tussen [naam advocaat] en [naam officier van justitie] valt hoogstens af te leiden dat [naam advocaat] gevraagd heeft om een correctie van een onjuiste aantekening die mogelijk zou zijn gemaakt op de toenmalige detentielocatie van de kroongetuige. Niet valt in te zien hoe nader onderzoek op dit punt relevant is voor enige beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het Openbaar Ministerie stelt verder dat de betrokkenheid van het zaaks-Openbaar Ministerie alleen zag op het traject van de toetsing van de overeenkomst in de strafzaak. Het is niet betrokken bij het (van de strafzaak gescheiden) getuigenbeschermingstraject en is evenmin betrokken geweest bij de overleggen tussen de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG-officier van justitie) en de officier van justitie van het Team Getuigenbescherming met de verdediging van de kroongetuige.
Oordeel van de rechtbank
Aftrek van de detentie van de ‘wapenzaak’
8. De laatste aangehaalde passage uit het NRC-artikel over, kort gezegd, de ‘aftrek van de detentie van de wapenzaak’ bevat geen nieuwe feiten of omstandigheden ten opzichte van de al eerder door de verdediging van verdachte [verdachte 5] overgelegde informatie. Deze informatie heeft zij ten grondslag gelegd aan een aantal onderzoekswensen die zagen op haar stellingen dat bij verdachte [verdachte 5] het vertrouwen is gewekt dat de detentie in de ‘wapenzaak’ (acht maanden) zou worden verrekend en dat het mislopen van detentiefasering zou worden gecompenseerd. De rechtbank heeft deze onderzoekswensen afgewezen bij beslissingen van 3 juni 20221.en (laatstelijk) 28 september 2022.2.In hetgeen door de verdediging van verdachte [verdachte 5] is overgelegd en waarvan de relevante inhoud in de aangehaalde beslissingen is geciteerd, heeft de rechtbank toen wel aanleiding gezien om ambtshalve in de zaken van alle verdachten nader onderzoek te (laten) doen. Dit onderzoek zag toe op hoe de gestelde afspraak zich verhoudt tot hetgeen in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken is opgenomen over niet toelaatbare toezeggingen, in het bijzonder in artikel 5 onder 6. In dit ambtshalve onderzoek heeft [naam officier van justitie] op 17 juni 2022 een schriftelijke reactie gegeven. Vervolgens heeft eveneens in het kader van dat door de rechtbank bevolen ambtshalve onderzoek op 9 november 2022 een verhoor van [naam advocaat] door de rechters-commissaris plaatsgevonden.
De reactie van [naam officier van justitie] en het proces-verbaal van verhoor van [naam advocaat] zijn toegevoegd aan het dossier. Dat dossier bevat reeds de verhoren van [naam officier van justitie] bij de rechter-commissaris van 9 en 15 januari 2020. De duiding van en het debat over de inhoud van de verklaringen kan door de verdediging en het Openbaar Ministerie bij pleidooi (door de verdediging van verdachte [verdachte 4] ), re- en dupliek (door de verdediging van alle verdachten) plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat het dossier over dit onderwerp voorshands voldoende informatie bevat voor de beoordeling van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv en wijst de verzoeken op dit punt daarom af.
Communicatiemiddelen in detentie
9. De rechtbank ziet in de aangehaalde passages over (een) telefoon(s) in detentie in het NRC-artikel geen aanleiding de verzoeken toe te wijzen. Over dit onderwerp bevat het dossier al de nodige informatie, waaronder een verhoor van [naam officier van justitie] bij de rechter-commissaris van 15 januari 2020. Uit de aangehaalde passage uit het NRC-artikel begrijpt de rechtbank dat mogelijk door de directeur van de penitentiaire inrichting waar de kroongetuige destijds verbleef een intern verslag is gemaakt over de (invoer van deze) PGP-telefoon en dat de toenmalige raadslieden van de kroongetuige aan [naam officier van justitie] te kennen zouden hebben gegeven dat zij op dat interne verslag een correctie wilden maken. Dat [naam officier van justitie] hierover mogelijk niet naar waarheid of onvolledig zou hebben verklaard, zoals de verdediging stelt, is de rechtbank voorshands niet gebleken. Eventuele interne verslaglegging door de (directeur van de) penitentiaire inrichting is in dat verhoor niet ter sprake gekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te (laten) doen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het hebben van een telefoon in detentie voorshands niet als gunstbetoon kan worden aangemerkt. Ook anderszins ziet de rechtbank vooralsnog niet hoe de omstandigheid dat op de desbetreffende detentielocatie destijds een intern verslag is gemaakt waar een correctie op zou zijn verzocht, relevant kan zijn voor de beoordeling van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De verzoeken over andere communicatiemiddelen, zoals de dongel, de X-box en de televisie, zijn herhaalde verzoeken zonder nadere onderbouwing. Het dossier is op dit punt naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank van 13 juli 20213.al aangevuld met een proces-verbaal van 19 september 2021 van de TBG-officier van justitie. Nieuwe verzoeken naar aanleiding van dat proces-verbaal heeft de rechtbank afgewezen bij beslissing van 8 november 2021.4.De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af met verwijzing naar die laatste beslissing.
Afspraken over de familie van de kroongetuige
10. De rechtbank begrijpt uit de aangehaalde passages uit het NRC-artikel dat tussen [naam advocaat] en [naam officier van justitie] WhatsApp-berichten zouden zijn gestuurd waarin [naam officier van justitie] zijn respect uitspreekt over de wijze waarop [naam advocaat] ‘in dit traject’ zijn verantwoordelijkheid heeft genomen in de richting van onder andere de familie van de kroongetuige en hem daarvoor bedankt. Ook lijkt daarin naar voren te komen dat er bij de familie zorgen zijn over hun veiligheid. Die zorgen worden beschreven in de context van hun komst en/of vervoer naar een afspraak. De vermelding ‘dit traject’ slaat mogelijk op het traject waarbinnen de kroongetuigeovereenkomst tot stand is gekomen. In deze passages leest de rechtbank echter geen bevestiging van de stelling van de verdediging dat over de familie van de kroongetuige in het kader van de kroongetuigeovereenkomst afspraken zijn gemaakt. Ook hierin ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om de verzoeken toe te wijzen.
11. Het voorgaande betekent dat de verzoeken worden afgewezen.
In de zaken van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 3]
Verzoeken naar aanleiding van aanvullende PGP-berichten in zaaksdossier Tennis
Standpunt van de verdediging
12. De verdediging heeft naar aanleiding van het proces-verbaal van 11 januari 2023, waarin een aantal aanvullende PGP-berichten is weergegeven, verzocht het Openbaar Ministerie opdracht te geven aan te geven uit welke (selectie uit de) brondata (van de oorspronkelijk gekopieerde servers verkregen bestanden) en aan de hand van welke selectiecriteria en door wie deze aanvullende PGP-berichten zijn geselecteerd en met wiens toestemming dit heeft plaatsgevonden. Verder heeft de verdediging opnieuw verzocht, kort gezegd, om de brondata alsnog op toegankelijke wijze aan de verdediging ter beschikking te stellen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
13. Het Openbaar Ministerie stelt dat de 24 aanvullende PGP-berichten in het proces-verbaal afkomstig zijn uit de Marengo-dataset. Deze zijn toegevoegd naar aanleiding van een stelling van de verdediging in het pleidooi van 20 december 2022 in de zaak van verdachte [verdachte 3] waarin onder andere is gesteld dat “onmogelijk kan (…) volgen dat [naam 3] bij ‘de criminele organisatie van client’ hoort, en dat hij dan dus in opdracht van cliënt ook die SD-kaartjes moet hebben aangenomen van de kroongetuige.” De berichten zijn gevoegd om de rol van [naam 3] zoals die in het requisitoir is geduid nader te onderbouwen. Voor zover het de wens is om van deze aanvullende berichten de metadata te verkrijgen, kan het Openbaar Ministerie daarvan gelet op de beperktheid van het aantal berichten desgewenst een uitdraai uit Hansken in het dossier voegen.
Oordeel van de rechtbank
14. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie heeft uitgelegd dat de nieuwe PGP-berichten afkomstig zijn uit de Marengo-dataset en dus niet uit de in De Vink en Sassenheim veiliggestelde brondata. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij bovendien uiteengezet wat de reden is dat deze berichten nu zijn gevoegd. De rechtbank acht de vragen van de verdediging daarmee afdoende beantwoord. Het verzoek om de brondata ter beschikking gesteld te krijgen wordt afgewezen. Dit verzoek is eerder gedaan en afgewezen. De rechtbank verwijst naar de beslissing van 1 april 2021.5.In hetgeen de verdediging naar aanleiding van de voeging van de 24 aanvullende berichten heeft betoogd ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover thans anders te beslissen.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoek om informatie in verband met publicatie(s) over de vermeende Iran-connectie van verdachte [verdachte 3]
Standpunt van de verdediging
15. De verdediging heeft gewezen op de recente publicatie van uitspraken van journalist [naam journalist] in het boek van [naam 2] waarin [naam journalist] zegt: “….toen het gerucht de ronde deed dat [verdachte 3] regelmatig vanuit Dubai op en neer ging naar het decadente vakantie-eiland Kish voor de kust van Iran. Het beeld bleek niet te kloppen: 's lands meest gezochte crimineel kwam tijdens zijn laatste periode in vrijheid zelden nog naar buiten.” Naar aanleiding van deze passage heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie opdracht te geven een groot aantal vragen te laten beantwoorden in een proces-verbaal. Deze vragen betreffen onder meer hoe het Openbaar Ministerie op de hoogte is gekomen van de publicatie van het artikel van [naam journalist] , of die informatie is geverifieerd voordat werd beslist om de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de VAE) op die publicatie te wijzen, hoe het Openbaar Ministerie op de hoogte is gekomen van de onjuistheid van de informatie zoals [naam journalist] in het boek aangeeft en of, en zo ja wanneer, de autoriteiten van de VAE geïnformeerd zijn over de onjuistheid van de bewering over de banden van verdachte [verdachte 3] met Iran in die publicatie en zo nee, waarom niet. Volgens de verdediging heeft Nederland het nodig gevonden om Dubai over het artikel te informeren maar was op dat moment wellicht al bekend dat de inhoud onjuist was. Het verstrekken van deze desinformatie is volgens de verdediging tekenend voor en onderdeel van het willens en wetens in strijd handelen met de eisen voor een zorgvuldige, rechtmatige en integere opsporing. Onder verwijzing naar wat in de (deel)pleidooien al naar voren is gebracht, stelt de verdediging dat de verzochte nadere informatie noodzakelijk is voor de beoordeling door de rechtbank.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
16. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek om informatie moet worden afgewezen. Er zijn al veel onderzoekwensen gedaan over Iran en de vermeende mededelingen die door of namens het Openbaar Ministerie zouden zijn gedaan met als doel om de aanhouding en overbrenging van verdachte [verdachte 3] op oneigenlijke wijze te versnellen. Deze wensen van de verdediging zijn eerder afgewezen. Het Openbaar Ministerie herhaalt dat er geen opsporingsinformatie is gedeeld die inhield dat verdachte [verdachte 3] banden met Iran zou hebben of dat hij naar Iran zou reizen. Er is slechts gewezen op een artikel dat op 27 oktober 2019 in De Telegraaf is verschenen. Reeds daarom valt niet in te zien waarom het onderzoek dat de verdediging vraagt, van belang zou kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv.
Oordeel van de rechtbank
17. De rechtbank stelt vast dat het desbetreffende artikel van [naam journalist] in De Telegraaf is verschenen en dat de liaison officer de autoriteiten van Dubai destijds over het aankomende verschijnen van dat artikel heeft geïnformeerd. Deze liaison officer heeft in het verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op 10 november 2021 over (onder meer) dit onderwerp geantwoord op vragen van de verdediging. In de omstandigheid dat [naam journalist] later in een boek zegt dat het beeld van het gerucht waarover in het Telegraaf-artikel is geschreven niet bleek te kloppen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Hieruit valt voorshands namelijk niet af te leiden dat vanuit de Nederlandse autoriteiten welbewust aan de autoriteiten van Dubai onjuiste informatie zou zijn verstrekt. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑03‑2023
Uitspraak 20‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in de zaak van verdachte Said R., besproken op de regiezitting van 14 februari 2023
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in de zaak van verdachte [verdachte 1] , besproken op de regiezitting van 14 februari 2023
1. De verdediging heeft op 13 februari 2023 ten behoeve van de regiezitting namens verdachte [verdachte 1] haar onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft diezelfde dag een schriftelijke reactie op deze wensen verzonden aan de rechtbank en de verdediging. Op de regiezitting van 14 februari 2023 zijn de onderzoekswensen nog nader toegelicht tijdens de repliek van de verdediging. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens gedupliceerd.
2. De verdediging heeft bij e-mailbericht van 9 december 2022 laten weten dat zij zich aansluit bij de door mr. I.N. Weski namens verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] en [verdachte 4] bij e-mailberichten van 8 december 2022 gedane onderzoekswensen. Ter terechtzitting van 14 februari 2023 heeft zij dit aansluitverzoek herhaald waarna de rechtbank heeft bepaald dat deze wensen (en de reeds ontvangen reactie van het Openbaar Ministerie op die wensen van
9 december 2022) zullen worden besproken op de regiezitting in de zaken van alle verdachten op 22 februari 2023. Hierop volgt nu (dus) nog geen beslissing.
3. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de overige gedane onderzoekwensen.
Verzoek met betrekking tot het verificatiejournaal
Standpunt van de verdediging
4. De verdediging heeft verzocht om voeging aan het dossier van het verificatiejournaal van het Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG) waarin de verdediging inzage heeft gekregen. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging tijdens de inzage van het 26Koper-dossier op het politiebureau heeft bemerkt dat dit proces-verbaal van 89 pagina’s dat ook op de laptop stond, geen deel uitmaakt van het dossier Marengo maar wel relevante informatie bevat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. Het betreft immers het verificatieonderzoek naar de verklaringen van de kroongetuige, waarbij onder meer diens verklaringen in TGO Roos en TGO Kreta worden besproken. De omstandigheid dat deze verificatie later tactisch nog eens is gedaan en de resultaten daarvan wél in het dossier zijn gevoegd, maakt niet dat er geen belang meer is bij voeging van dit proces-verbaal. Het voegen van dit verificatiejournaal is goed voor het totaalbeeld ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
5. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Het gaat om het verificatiejournaal dat is opgemaakt tijdens het kluisverklaringentraject. Hierover heeft de rechtbank eerder beslist dat de verdediging inzage mag krijgen in het samengevatte, deels gezwarte, verificatiejournaal, de samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden en de vordering van het Openbaar Ministerie, op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze. Het verificatiejournaal is vervolgens in alle zaken op dezelfde wijze, namelijk door inzage te bieden op het politiebureau, ter inzage gegeven, dus ook aan de verdediging van verdachte. Alle geverifieerde punten uit het verificatiejournaal zijn door het tactisch onderzoek bevestigd. De resultaten van dat tactisch verificatieonderzoek zijn gevoegd in het procesdossier.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat ter zitting van 14 februari 2023 is opgehelderd dat de verdediging inderdaad doelt op het verificatiejournaal dat tijdens het kluisverklaringentraject is opgemaakt. Mede namens verdachte (die toen werd bijgestaan door zijn toenmalige raadslieden mrs. Meijering en Flokstra) is over dit verificatiejournaal een verzoek gedaan tijdens de regiezittingen van 13, 14 en 15 januari 2021. Daarover heeft de rechtbank in haar beslissing van 29 januari 20211.overwogen:
“Naar het oordeel van de rechtbank is de door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie omtrent de inhoud en status van het verificatiejournaal lange tijd weinig helder geweest. (…) Pas op 28 oktober 2020 is expliciet melding gemaakt van het zeer precaire karakter van onder andere in het verificatiejournaal opgenomen zogenoemde ‘dubbel-nul informatie’. Het aantal tactische aanwijzingen, al dan niet verifieerbaar, is voor het eerst bekend geworden uit de vordering van 29 december 2020. In deze vordering is het eerder gedane aanbod van het Openbaar Ministerie concreet uitgewerkt, in die zin dat er een samengevat, deels gezwart, verificatiejournaal ter beschikking kan worden gesteld en daarnaast samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden. De rechtbank heeft in haar beslissing van 17 november 2020 onderkend dat de delen van dit journaal met enig afbreukrisico afgeschermd dienen te blijven, maar dat doet er niet aan af dat de verdediging er belang bij kan hebben om de overige in dit journaal onderzochte tactische aanwijzingen te kennen, al was het maar omdat zij mogelijk in staat is deze (al dan niet (deels) niet geverifieerde aanwijzingen) te ontkrachten. Die afschermingsbelangen zijn thans ondervangen.”
Vervolgens heeft de rechtbank beslist dat de verdediging inzage mag krijgen in het samengevatte, deels gezwarte, verificatiejournaal, de samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden en de vordering van het Openbaar Ministerie, op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze.2.Het Openbaar Ministerie heeft ter zitting van 12 maart 2021 medegedeeld dat inzage vanwege de gevoeligheid van de gegevens in een gecontroleerde omgeving moet plaatsvinden en dat er om die reden voor is gekozen die inzage te bieden op het politiebureau.
7. De rechtbank stelt vast dat het hier om gevoelige gegevens gaat. Het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld dat alle punten uit het verificatiejournaal later tactisch herhaald zijn en de resultaten daarvan (wel) gevoegd zijn in (de verificatie- en falsificatiedossiers in) het Marengo-dossier. Van de verdediging mag dan verwacht worden dat zij concreet duidt welke informatie uit dat verificatiejournaal nog ontbreekt in het Marengo-dossier én dat die informatie ook van belang is voor de beoordeling van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze onderbouwing is uitgebleven. De enkele en algemene stelling die erop neerkomt dat voeging nodig zou zijn om een totaalbeeld te krijgen, is onvoldoende. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Verzoek tot aanvullend verhoor van de kroongetuige
Standpunt van de verdediging
8. De verdediging heeft gesteld dat zij naar aanleiding van hetgeen is besproken op de laatste regiezitting van 30 november 2022 en op basis van tussentijds beschikbaar gekomen nieuwe informatie belang heeft bij een aanvullend verhoor van de kroongetuige. Het gaat om vragen met betrekking tot de gemaakte afspraken rond de kroongetuige-overeenkomst, de klachtprocedure van de kroongetuige tegen zijn voormalig advocaat en vragen naar aanleiding van de inzage in de iPhone-berichten en inzage in het verificatiejournaal.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
9. Het Openbaar Ministerie verzet zich niet tegen een aanvullend verhoor van de kroongetuige
voor zover het verzoek ziet op vragen over de overeenkomst die in de strafzaak is gesloten. Ook verzet het zich niet tegen een aanvullend verhoor over de iPhone-berichten binnen de kaders die de rechtbank eerder heeft gegeven. Voor zover de vragen zien op de getuigenbeschermingsovereenkomst verzet het Openbaar Ministerie zich wél tegen toewijzing van het verzoek. Het verzet zich ook tegen toewijzing van het verzoek voor zover het ziet op het stellen van vragen over een klachtprocedure die zou zijn gestart tegen de voormalige advocaat van de kroongetuige, omdat dit niet van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Bovendien is dat verzoek onvoldoende onderbouwd omdat het uitgaat van aannames, zoals dat het betrekking zou hebben op de inhoud van het recente verhoor bij de rechter-commissaris van die advocaat. Tenslotte geldt dat de relatie tussen de kroongetuige en zijn (voormalig) raadsman onderworpen is aan het verschoningsrecht. Over het aanvullend horen van de kroongetuige over punten uit het verificatiejournaal heeft het Openbaar Ministerie opgemerkt dat alle punten die hierin zijn vervat al deel uitmaken van het verificatie- en falsificatieonderzoek en het dus geen nieuwe informatie betreft.
Oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank wijst het verzoek om de kroongetuige aanvullend te horen toe nu het belang daarbij voldoende is onderbouwd. Bij eerdere verhoren heeft de kroongetuige bepaalde vragen niet beantwoord met een beroep op zijn verschoningsrecht of met een beroep op zijn geheimhoudingsverplichting uit de beschermingsovereenkomst. De rechtbank heeft deze vragen toen geparkeerd en later beslist of de kroongetuige deze vragen (toch) diende te beantwoorden. Een aanvullend verhoor kan op diezelfde wijze plaatsvinden. Er bestaat dan ook geen aanleiding om op voorhand de omvang van dit aanvullend verhoor te beperken in de door het Openbaar Ministerie voorgestane zin. Dit geldt ook voor vragen over de andere door de verdediging genoemde onderwerpen.
11. De rechtbank stelt zich voor dat dit nadere verhoor plaatsvindt op de eerstvolgende gereserveerde (reserve-)zittingsdag, te weten 14 maart 2023. Ter terechtzitting had de verdediging niet paraat of de verzochte aanvullende ondervraging al of niet (deels) betrekking heeft op nog niet aan het dossier toegevoegde iPhone-berichten. Daar waar het gaat om nog niet aan het dossier toegevoegde iPhone-berichten dient de verdediging uiterlijk maandag 27 februari 2023, maar zo mogelijk eerder, de vindplaats van deze berichten aan het Openbaar Ministerie te laten weten. Dan is er voldoende tijd om deze berichten voor het verhoor op 14 maart 2023 waar nodig te anonimiseren ter voeging in het dossier van verdachte [verdachte 1] (en later in de dossiers van alle verdachten).
Verzoek om nadere informatie c.q. verduidelijking met betrekking tot de vraag of er voorwaarden zijn gesteld aan de uitlevering van verdachte vanuit Colombia.
Inleiding
12. De rechtbank heeft bij beslissing van 7 oktober 20223.aan de Colombiaanse autoriteiten nadere uitleg gevraagd over de vraag of het, gelet op de inhoud van de beslissing tot uitlevering, is toegestaan om (bij eventuele strafoplegging aan verdachte) aan verdachte een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft de rechtbank de volgende twee concrete vragen gesteld die zijn voorgelegd aan de Colombiaanse autoriteiten. Daarbij is de beslissing van de rechtbank vertaald in het Spaans ten behoeve van de Colombiaanse autoriteiten, dit overeenkomstig de opdracht van de rechtbank ter voorkoming van eventuele onduidelijkheden over de achtergronden van de vraagstelling. De vragen luidden:
1. Hebben de Colombiaanse autoriteiten aan het Besluit tot uitlevering van 18 augustus 2021 (na hoger beroep bekrachtigd op 27 oktober 2021) de voorwaarde verbonden dat aan verdachte [verdachte 1] geen levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd?
2. In het geval het antwoord op de vorige vraag ‘nee’ is: Hoe verhoudt dit zich tot de in dit Besluit geciteerde overweging van 7 juli 2021 van de Hoge Raad, met de onder 4.1 opgesomde voorwaarden, en artikel 3 van dit Besluit?
13. Op deze vragen is inmiddels op 3 januari 2023 antwoord ontvangen.
Het antwoord op vraag 1 luidt:
“Wij wijzen in dit verband nogmaals op hetgeen gesteld werd in onze berichten MJD-OFI22-0004070 van 15 februari 2022 en MJD-OFI22-0023498 van 29 juni 2022, namelijk dat nu het een Nederlands staatsburger betreft die aan zijn eigen land wordt uitgeleverd, de Colombiaanse regering heeft verordend dat er geen enkele voorwaarde wordt gesteld aan de uitlevering van de heer [verdachte 1] .”
Het antwoord op vraag 2 luidt:
“De beschikking van de cassatiekamer voor strafzaken van het Hooggerechtshof dient als rechtsgrondslag voor het besluit van de Colombiaanse regering over de uitlevering.
Dit niettegenstaande is het de Colombiaanse regering die aan de uitlevering de voorwaarden kan stellen die zij gepast acht.
In het onderhavige geval wees de cassatiekamer voor strafzaken de Colombiaanse regering in haar beschikking van 7 juli 2022 over de uitlevering van de heer [verdachte 1] op de verplichting om de uitlevering van de buitenlandse staatsburger afhankelijk te stellen van de voorwaarden voorzien in artikel 494 van Wet 906/2004 (overweging 4.1), waaronder de voorwaarde dat de betrokkene niet wordt veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.
De Colombiaanse regering hield zich in Uitvoeringsbesluit nr. 177 van 18 augustus 2021, bekrachtigd bij Uitvoeringsbesluit nr. 238 van 27 oktober 2021, aan de rechtspraak van het Hooggerechtshof door te wijzen op dit aspect, maar stelde de uitlevering niet afhankelijk van de voorwaarde dat de betrokkene niet tot levenslang zal worden veroordeeld.
Zoals aangegeven in onze berichten MJD-OFI22-0004070 van 15 februari 2022 en MJDOFI22-0023498 van 29 juni 2022, is het in gevallen waarin de Colombiaanse regering instemt met uitlevering van een buitenlands staatsburger aan zijn land van herkomst, zoals in het geval van de heer [verdachte 1] , niet geëigend dat de Colombiaanse staat het Koninkrijk der Nederland verplicht tot toepassing van bepalingen uit de Colombiaanse grondwet, zoals het verbod tot oplegging van levenslange gevangenisstraf.
Wij wijzen er nogmaals op dat de Colombiaanse staat zich niet mengt in de berechting, noch in de straftoemeting van een Nederlands staatsburger overeenkomstig zijn eigen rechtssysteem.”
Verzoek van de verdediging
14. De verdediging heeft verzocht de eerder geformuleerde onderzoekswensen alsnog toe te wijzen. Bij repliek heeft zij verzocht opnieuw vragen aan de Colombiaanse autoriteiten te stellen en de verdediging te betrekken bij het opstellen van die vragen. Daartoe is aangevoerd dat ook met het antwoord van de Colombiaanse autoriteiten van 3 januari 2023 nog altijd onduidelijkheid bestaat over de vraag in hoeverre het de Nederlandse rechter vrij staat een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Het lijkt erop dat de regering ervoor heeft gekozen niet een keiharde voorwaarde op te leggen aan Nederland maar de Nederlandse autoriteiten wel heeft gewezen op de wettelijke verplichtingen zoals verwoord door de Hoge Raad in Colombia. De verdediging vraagt zich af of het feitelijk en juridisch niet op hetzelfde neerkomt en het gezien moet worden als een diplomatieke manier van communiceren. Heeft het wijzen op de Hoge Raad uitspraak inclusief de daarin opgesomde voorwaarden voor uitlevering en daarmee de rechtsgrondslag vormend voor de uitlevering niet dezelfde waarde als het stellen van voorwaarden? En, gaat de Colombiaanse regering er in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit dat de Nederlandse autoriteiten het wettelijk systeem en daaruit voortvloeiende verplichtingen zal respecteren en naleven? De verdediging wijst er ten slotte op dat de Colombiaanse raadsman van verdachte over deze kwestie desgevraagd heeft laten weten:
- De Colombiaanse regering is verplicht zich te houden aan de uitspraak welke is gedaan door het hoogste gerecht in Colombia. Dit wordt bevestigt door de twee uitgebrachte resoluties.
- De regering heeft de uitspraak geaccepteerd en overgenomen. Zij hebben dit voorzien van een toelichting in de uitlevering.
- Client heeft weliswaar niet de Colombiaanse nationaliteit, maar ook in Colombia geldt het gelijkheidsbeginsel, waaruit volgt dat iedereen gelijk is voor de wet en de grondwet. Die bepalingen gelden dus ook voor hem.
- De Colombiaanse rechter adviseert de regering. De regering is de uitvoerende macht. Hij kan geen uitspraak doen over de vraag of het niet houden aan de voorwaarden/wettelijke verplichtingen van invloed zou zijn geweest op de uitkomst van de uitleveringsprocedure.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
15. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de reactie van de Colombiaanse autoriteiten volstrekt helder is: de Colombiaanse autoriteiten leggen geen beperkingen op ten aanzien van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf indien de uitlevering ziet op een vreemdeling die aan het land van herkomst wordt uitgeleverd. Nu het gaat om een Nederlander die aan Nederland wordt uitgeleverd, acht Colombia het niet geëigend om de eigen grondwet aan Nederland op te leggen en staat de Colombiaanse grondwet dus niet aan de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in de weg. In reactie op de antwoorden van de Colombiaanse advocaat van verdachte heeft het Openbaar Ministerie gewezen op het vertrouwensbeginsel dat voorschrijft dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de mededelingen van buitenlandse justitiële autoriteiten. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
16. De rechtbank is voorshands van oordeel dat de thans in de strafzaak van verdachte beschikbare informatie over deze kwestie voldoende is voor de beoordeling. Het door de verdediging geschetste mogelijke verschil in interpretatie tussen het “stellen van voorwaarden” en “het wijzen op verplichtingen” is in de vraagstelling van 7 oktober 2022 aan de Colombiaanse autoriteiten al aan bod gekomen. Daarbij betrekt de rechtbank bovendien dat de beslissing (vanaf rechtsoverweging 4) integraal is vertaald zodat voor de autoriteiten duidelijk moet zijn geweest wat de achtergrond van die vraagstelling was. Het opnieuw vragen van nadere uitleg aan de Colombiaanse autoriteiten zou daarom een herhaling van zetten zijn. Het verzoek om nadere vragen te stellen aan de Colombiaanse autoriteiten wordt daarom afgewezen. Verder debat over dit onderwerp kan plaatsvinden bij pleidooi en repliek (en dupliek). Voor zover de verdediging haar oorspronkelijke verzoeken tot het verstrekken van correspondentie en het horen van getuigen nog heeft gehandhaafd, worden deze eveneens afgewezen omdat deze (herhaalde) verzoeken, mede in het licht van het op 3 januari 2023 ontvangen antwoord, niet nader zijn onderbouwd.
Herhaald verzoek met betrekking tot financiële afspraken met de kroongetuige
Standpunt van de verdediging
17. De verdediging heeft de rechtbank verzocht haar eerdere beslissing van 7 december 2022 over dit onderwerp te heroverwegen. Daartoe is gesteld dat de verdediging wel degelijk heeft gesteld dat sprake is c.q. kan zijn van sterke aanwijzingen voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie zoals door het gerechtshof in het Passage-arrest wordt genoemd. De verdediging heeft daarbij gewezen op de inhoud van de iPhone-berichten die door de kroongetuige zijn verstuurd c.q. ontvangen. Dit verhoudt zich volgens haar niet met diens verklaring ter zitting waarin hij zegt dat er nul komma nul is gesproken over geld. De berichten, die de verdediging inmiddels ook zelf heeft kunnen bekijken, bevestigen dat het onderwerp ‘geld’ op zijn minst ter sprake is geweest en dit staat haaks op de ontkenning van de kroongetuige. Daarom dient hierover absolute duidelijkheid te worden verkregen. Hier komt bij dat door het Openbaar Ministerie althans de TBG-officier van justitie eenvoudig kan worden bevestigd of ontkend of er gesproken is over financiële tegemoetkomingen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
18. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een herhaald verzoek betreft zonder dat nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
19. De onderbouwing van de verdediging is in de kern gelijk aan die van de eerdere verzoeken over dit onderwerp. Daarop heeft de rechtbank reeds eerder beslist op 10 november 20224.en (laatstelijk op) 7 december 20225.. Bij die beslissingen is al betrokken dat uit de iPhone-berichten blijkt dat de kroongetuige met anderen over geld spreekt en hij ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij geen financiële afspraken heeft gemaakt, er geen financiële toezeggingen zijn gedaan en hij niets, nul komma nul, heeft ontvangen. De rechtbank wijst het verzoek daarom wederom af onder verwijzing naar die beslissingen.
Verzoeken met betrekking tot een psychiatrische of psychologische rapportage over of ten behoeve van de kroongetuige
Standpunt van de verdediging
20. De verdediging heeft opnieuw verzocht om het Openbaar Ministerie opdracht te geven om de vraag te (laten) beantwoorden of er een psychiatrische of psychologische rapportage (of anderszins een rapportage omtrent de persoon) is opgemaakt over of ten behoeve van de kroongetuige. Voor zover dit verzoek nog steeds wordt afgewezen, verzoekt de verdediging opnieuw om de voormalige (anonieme) raadsman van de kroongetuige te horen. Volgens de verdediging heeft de rechtbank miskend dat de verdediging de betrouwbaarheid van de kroongetuige ter discussie wil kunnen stellen aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat alle informatie die gaat over de persoon van de kroongetuige in combinatie met het traject dat hij is ingegaan van belang is voor beoordeling van zowel de betrouwbaarheid van diens persoon en de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Het is immers justitie zelf die een psychologisch onderzoek laat uitvoeren met betrekking tot de vraag of de persoon het traject van getuigenbescherming wel aan zou kunnen. Niet valt in te zien waarom diezelfde informatie vervolgens niet van belang kan zijn voor beoordeling van de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Als het rapport er is, dan kan de verdediging beoordelen of de inhoud relevant is.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
21. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht zodat de verzoeken nogmaals afgewezen moeten worden.
Oordeel van de rechtbank
22. Aan de herhaalde verzoeken van de verdediging zijn geen wezenlijke nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd. De rechtbank wijst het verzoek om vragen over het bestaan van een psychiatrische of psychologische rapportage te (laten) beantwoorden alsook het subsidiaire (herhaalde) verzoek om de voormalige anonieme raadsman van de kroongetuige te horen, af. Verwezen wordt naar de reeds aangehaalde beslissingen van
10 november 2022 en 7 december 2022.
Verzoek met betrekking tot het als getuige horen van de partner van de kroongetuige
Standpunt van de verdediging
23. De verdediging heeft wederom verzocht opdracht te geven tot het alsnog horen van de partner van de kroongetuige. Het betreft een toegewezen getuige. Op geen enkel moment is verdachte noch diens verdediging in de feitelijke gelegenheid gesteld om zelf uitvoering te geven aan het ondervragingsrecht. Dit is in strijd met het recht op een eerlijk proces, waaronder het effectief kunnen horen van getuigen. Het belang voor het horen van deze getuige is reeds vastgesteld. Hetgeen eerder is voorgevallen en heeft geleid tot een proces-verbaal van verhoor van deze getuige doet hier niets aan af.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
24. De verdediging heeft ten opzichte van de verzoeken van 30 juni 2022, 12 september 2022 en 23 november 2022 niets nieuws aangevoerd. Het Openbaar Ministerie heeft, met verwijzing naar haar eerdere reacties waaronder met name die van 15 september 2022, gesteld dat het verzoek opnieuw moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
25. De onderbouwing van het huidige herhaalde verzoek tot het horen als getuige van de partner van de kroongetuige, is wederom gelijk aan de onderbouwing van het verzoek dat heeft geleid tot de beslissing van 8 juli 20226.. In die beslissing is de rechtbank ingegaan op de door de verdediging aangevoerde argumenten. De rechtbank volstaat dan ook met verwijzing naar haar beslissing van 8 juli 2022, in het bijzonder naar de overwegingen 20 – 24 en 27 van die beslissing en wijst het verzoek wederom af.
Verzoek met betrekking tot getuigen [getuige 1] en [getuige 2]
Inleiding
26. Bij beslissing van 28 september 20227.heeft de rechtbank over het verzoek van de verdediging tot het horen van deze getuigen geoordeeld dat het verdedigingsbelang daarbij voldoende was onderbouwd. De rechtbank heeft daarbij wel overwogen dat het de vraag is of deze getuigen binnen redelijke termijn kunnen worden gehoord aangezien van de getuigen geen actuele adresgegevens beschikbaar zijn. De rechtbank heeft het verzoek daarom in zoverre toegewezen dat deze getuigen worden gehoord door de rechters-commissaris indien hun adresgegevens, na onderzoek daarnaar door de rechters-commissaris, bekend worden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat hoewel ten aanzien van de getuige [getuige 1] in 2021 al onderzoek daarnaar is verricht, de rechtbank zich voorstelt dat een herhaalde poging wordt gedaan diens adresgegevens te achterhalen.
27. De rechtbank is bij e-mailbericht van 2 december 2022 van de rechters-commissaris geïnformeerd dat getuige [getuige 1] onvindbaar is en dat het verhoor van getuige [getuige 2] is gepland voor 10 januari 2023. Bij e-mailbericht van 17 januari 2023 hebben de rechters-commissaris aan de rechtbank geschreven:
“Het op 10 januari 2023 geplande verhoor van de heer [getuige 2] heeft geen doorgang gevonden aangezien ons was gebleken dat de heer [getuige 2] zich niet in Nederland bevindt. Hij heeft de griffier telefonisch laten weten niet in Nederland te verblijven en voorlopig niet naar Nederland te zullen komen. Hij wilde het land en adres waar hij nu verblijft niet doorgegeven en het telefoonnummer waarmee hij belde was naar zijn zeggen van iemand anders. Het nummer is gecontroleerd en lijkt een niet meer bestaand nummer. Dit bericht van de heer [getuige 2] over verblijf in het buitenland is bevestigd door de advocaat van de getuige en door bevindingen van de politie. De heer [getuige 2] is tot slot niet op het van hem bekende adres in Nederland aangetroffen in de dagen voorafgaand aan de geplande verhoordatum en de laatste maanden ook niet in de buurt gesignaleerd. Wij zien al met al geen mogelijkheid dit verhoor binnen afzienbare termijn opnieuw te organiseren, maar zullen het laten weten indien ons een bericht bereikt dat de omstandigheden zijn veranderd.”
Standpunt van de verdediging
28. De verdediging heeft verzocht de rechters-commissaris te gelasten alsnog onderzoek te doen naar de mogelijkheden de getuigen te horen. Ten aanzien van [getuige 1] is geen recente informatie beschikbaar. Het laatste bericht dateerde van 12 oktober 2022 (de rechtbank leest: 2021) en was afkomstig van de griffier. Er waren geen adresgegevens beschikbaar en navraag bij diens advocaat heeft niets opgeleverd. Het is niet bekend wat er dan is nagevraagd bij de advocaat. Ook is niet bekend of men in de tussengelegen maanden nog gekeken heeft of er adresgegevens bekend zijn, hij gedetineerd zat, dan wel er politieregistraties zijn over hem. De verdediging heeft vernomen dat hij mogelijk gewoon in de omgeving van Utrecht verblijft. Hoewel hij wellicht niet ingeschreven staat, heeft hij familie met wie hij mogelijk in contact staat en heeft de politie wellicht ook nadere informatie over een verblijfplaats. De rechters-commissaris dienen dan ook alsnog, al dan niet in samenspraak met het Openbaar Ministerie, nader onderzoek te laten doen naar de verblijfplaats van de getuige.
Ten aanzien van de getuige [getuige 2] geldt dat het eerder geplande verhoor van de getuige hem kennelijk wel heeft bereikt aangezien hij zelf contact heeft opgenomen en heeft medegedeeld dat hij niet zou komen. Ook heeft deze getuige een advocaat met wie gecommuniceerd is. Voor deze getuige zijn er dan ook wel degelijk mogelijkheden om met hem in contact te komen en in overleg te kijken naar een planning voor verhoor. Uit het
e-mailbericht blijkt niet of en zo ja op welke wijze dit gebeurd is. Volgens de verdediging staat dus nog niet vast dat alle mogelijkheden zijn benut om beide personen te kunnen horen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
29. Het Openbaar Ministerie heeft verwezen naar het verslag van de rechters-commissaris. Daaruit blijkt van ruime inspanning om de getuigen te traceren.
Oordeel van de rechtbank
30. Ten aanzien de getuige [getuige 1] gaat de rechtbank ervan uit dat de rechters-commissaris uitvoering hebben gegeven aan de beslissing van 28 september 2022 om, ondanks de inspanningen uit oktober 2021, een herhaalde poging te doen de gegevens van deze getuige te achterhalen. De griffier heeft immers op 2 december 2022 laten weten dat deze getuige (de rechtbank begrijpt daaruit: nog steeds) onvindbaar is. Mochten de adresgegevens van deze getuige op enig moment beschikbaar komen, dan kan de getuige alsnog gehoord worden. Als de verdediging over concrete gegevens beschikt – zij stelt dat de getuige mogelijk in de omgeving van Utrecht verblijft – dan kan de verdediging deze informatie ook zelf aandragen.
Ten aanzien van de getuige [getuige 2] blijkt uit het e-mailbericht van 17 januari 2023 welke inspanningen zijn verricht om een verhoor van deze getuige mogelijk te maken. Dat dit tot heden niet is gelukt en het er in dit geval feitelijk op neerkomt dat de ‘regie’ bij de getuige ligt, zoals de verdediging in repliek stelt, is in zoverre juist. Deze getuige wenst kennelijk niet naar Nederland te komen voor verhoor en het is onbekend in welk land hij verblijft. Met die vaststellingen hebben de rechters-commissaris voldoende inspanningen verricht maar zijn er eenvoudigweg onvoldoende gegevens bekend om het er toe te leiden dat hij als getuige wordt gehoord. Ook hier geldt dat een verhoor alsnog kan plaatsvinden zodra adresgegevens van de getuige bekend zijn. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet de rechtbank op grond van het voorgaande geen aanleiding te gelasten dat de rechters-commissaris opnieuw onderzoek doen naar de mogelijkheden de getuigen te horen. Het verzoek wordt afgewezen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑02‑2023
Die zittingen hebben in de zaak van verdachte op tegenspraak plaatsgevonden, zoals de rechtbank in de beslissing van 17 december 2021 heeft vastgesteld (ECLI:NL:RBAMS:2021:7401 onder 3.5 en 6).
Uitspraak 15‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 6 december 2022
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 6 december 2022
1. Ten behoeve van de regiezitting van 6 december 2022 heeft mr. I.N. Weski namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] op 2 december 2022 onderzoekswensen ingediend. Ter zitting van 6 december 2022 heeft het Openbaar Ministerie aan de hand van een schriftelijk stuk op deze onderzoekswensen gereageerd. Daarna heeft re- en dupliek plaatsgevonden.
2. Ter terechtzitting van 6 december 2022 hebben enkele raadslieden en het Openbaar Ministerie verzoeken gedaan naar aanleiding van het verzoek van de rechters-commissaris aan de rechtbank van 31 oktober 2022 inzake, kort gezegd, de mogelijkheden met betrekking tot een verhoor (in Marokko) van getuige [getuige 1] .
3. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken.
In de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3]
Herhaald verzoek inzake tegen verdachte [verdachte 3] ingezette BOB-middelen en de volledigheid van het dossier
Verzoek van de verdediging
4. De verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] verzoekt opnieuw, kort gezegd, om (inzage ter) voeging van informatie over ingezette hackactiviteiten bij de opsporing van verdachte [verdachte 3] , al of niet vanuit de eigen bevoegdheden, dan wel in samenwerking met een inlichtingendienst. Ook verzoekt de verdediging opnieuw om (inzage ter) voeging van de tot heden onthouden BOB-stukken.
5. De verdediging stelt daartoe, kort samengevat, dat inmiddels veel meer bekend is geworden over de betrokkenheid van de AIVD, de MIVD en andere inlichtingendiensten bij de opsporing van verdachte [verdachte 3] en de omstandigheid dat daarbij bijzondere opsporingsmiddelen al of niet in samenwerking met Amerikaanse diensten zijn ingezet, zoals de hacksoftware Pegasus of Predator. Gelet daarop mag de rechtbank geen genoegen meer nemen met de mededeling van het Openbaar Ministerie, dat het geen opdracht heeft gegeven voor de inzet van die opsporingsmiddelen maar dient daarover verantwoording in het dossier te worden afgelegd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
6. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de onderbouwing van de herhaalde verzoeken feitelijk niet anders is dan de twee voorgaande keren dat deze verzoeken werden gedaan. Onder verwijzing naar de eerdere reacties op deze verzoeken herhaalt het Openbaar Ministerie dat de AIVD en de MIVD niet door het Openbaar Ministerie of de politie zijn ingezet in het kader van het strafrechtelijk onderzoek ter aanhouding van verdachte [verdachte 3] , dat er vanuit het Openbaar Ministerie geen bijstandsverzoek op grond van artikel 95 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (hierna: Wiv 2017) is gedaan en dat de AIVD en de MIVD niet belast zijn geweest met de opsporing van strafbare feiten/ter aanhouding in opdracht van het Openbaar Ministerie. De AIVD is wel op de hoogte gehouden op grond van de artikelen 93 en 94 van de Wiv 2017. Dit is echter de kern van hun werk en betreft geen inzet ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Op het moment dat de AIVD over informatie beschikt die relevant is voor de opsporing van strafbare feiten kan dit via een ambtsbericht ex artikel 66 Wiv 2017 worden gedeeld met het Openbaar Ministerie, zoals dat is gebeurd met de devices uit Dubai. Die zijn via het ambtsbericht van 14 januari 2020 met het Openbaar Ministerie gedeeld. Ten aanzien van de verwijzing door de raadsvrouw naar de samenwerking met het Cyber Intel/Info Cel (hierna: CIIC) stelt het Openbaar Ministerie dat het CIIC nog niet bestond toen verdachte [verdachte 3] in december 2019 werd aangehouden en ook overigens een volstrekt ander doel heeft dan de raadsvrouw veronderstelt. Het CIIC is namelijk expliciet ingesteld voor cyberdreigingen en niet om voortvluchtige verdachten op te sporen. Het Openbaar Ministerie meent dan ook dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor de herhaalde verzoeken om verstrekking van de nog onthouden artikel 565 (oud) Sv BOB-stukken. Aan die verzoeken zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd, zodat ook deze moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank stelt vast dat de verdediging voor de derde keer het verzoek doet om
informatie over de rol die de inlichtingendiensten zouden hebben gespeeld bij de opsporing en informatieverzameling ten aanzien van verdachte [verdachte 3] en de inzet daarbij van (onder andere) de hacksoftware Pegasus. Ook is eerder verzocht om (inzage ter) voeging van niet verstrekte BOB-stukken betreffende de opsporing van verdachte [verdachte 3] . De rechtbank heeft deze eerdere verzoeken afgewezen bij beslissingen van 3 juni 20221.en 8 juli 20222..
8. De huidige verzoeken komen in de kern op hetzelfde neer. De raadsvrouw stelt echter dat de aanwijzingen voor betrokkenheid van de inlichtingendiensten inmiddels verder zijn toegenomen. Daarbij heeft zij onder andere gewezen op:
- een rapport van het Europees Parlement uit mei 2022 over Pegasus;
- een op 8 november 2022 gehouden persconferentie door Europarlementariër [naam Europarlementariër] over het gebruik van Pegasus;
- het rapport 2021-23 van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) over de opsporing, vervolging en het tegenhouden van cybercriminaliteit en de oprichting van het CIIC;
- een persbericht van 10 mei 2022 over de samenwerkingsbesprekingen met Marokko en de beantwoording op 4 juli 2022 van Kamervragen daarover.
9. Deze door de raadsvrouw gedane verwijzingen vormen naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzing voor betrokkenheid van inlichtingendiensten bij het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte [verdachte 3] . Waar het gaat om de samenwerking binnen het CIIC geldt bovendien dat dit samenwerkingsverband nog niet bestond toen verdachte [verdachte 3] in december 2019 in Dubai werd aangehouden. Onder verwijzing naar haar eerdere beslissing van 8 juli 2022 wijst de rechtbank het verzoek om (inzage ter) voeging van de verzochte nadere informatie dan ook af.
10. De rechtbank stelt verder vast dat de artikel 565 (oud) Sv BOB-stukken reeds ter inzage zijn verstrekt aan de verdediging en dat enkele stukken inmiddels ook deel uitmaken van het dossier. Voor zover het verzoek om (inzage ter) voeging ziet op de (nog steeds) met machtiging van de rechter-commissaris onthouden stukken wordt het verzoek afgewezen. De rechtbank verwijst in dit verband eveneens naar haar beslissing van 8 juli 2022.
11. De verzoeken ontberen overigens enige onderbouwing ten aanzien van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] . In hun zaken is die omstandigheid al een reden om de verzoeken af te wijzen.
Verzoek met betrekking tot getuige [getuige 1]
Inleiding en verzoek van de rechters-commissaris
12. Het verhoor van de getuige [getuige 1] is bij beslissing van de rechtbank naar aanleiding van de pro formazitting van juli 2019 toegewezen in de zaken van de verdachten in het onderzoek Ster (verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] , [verdachte 1] en [verdachte 3] ).
13. Deze getuige is gedetineerd in Marokko. Hoewel al in januari 2020 een rechtshulpverzoek is uitgestuurd naar dat land, heeft het getuigenverhoor nog niet plaatsgevonden, kort gezegd wegens problemen bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek. De rechtbank heeft daaromtrent in haar beslissing3.in de zaak van verdachte [verdachte 9] van 28 september 2022 het volgende opgemerkt:
“(…) gelet op het tijdsverloop ziet de rechtbank wel aanleiding de rechters-commissaris te gelasten om (via de AIRS) navraag te doen of de hierboven weergegeven problemen bij de uitvoering van het verhoor ook nu nog bestaan, dan wel of een verhoor nu wel mogelijk is. Indien wel een verhoor kan worden gepland, dient dat mede in de zaak van verdachte gehouden te worden.”
14. De rechters-commissaris hebben de rechtbank bij e-mailbericht van 31 oktober 2022 laten weten dat zij op 18 oktober 2022 aan de betrokken procespartijen hebben medegedeeld:
“Met betrekking tot het verhoor van getuige [getuige 1] heeft de rechter-commissaris navraag gedaan bij AIRS. Dit heeft opgeleverd:
- het horen via videoverbinding is nog steeds niet mogelijk. De Marokkaanse autoriteiten hebben deze mogelijkheid nog niet in de nationale wetgeving verwerkt. Er wordt gewerkt aan een conceptwet maar het is lastig aan te geven wanneer de nieuwe wet in werking zal treden;
- tijdelijke overbrenging van de getuige is niet mogelijk: dat kan alleen indien de persoon uitgeleverd zou kunnen worden en dat kan niet nu getuige (ook) de Marokkaanse nationaliteit heeft en Marokko levert geen eigen onderdanen uit;
- het zou wel mogelijk kunnen zijn om de heer [getuige 1] te horen als getuige in Marokko, maar dan alleen op navolgende manier:
Het verhoor wordt door een Marokkaanse rechter-commissaris afgenomen;
Er mogen geen Nederlandse advocaten deel uitmaken van de bezoekende delegatie; bij het verhoor zijn voor Marokko alleen welkom de Nederlandse rechter-commissaris, tolk en griffier (en de Nederlandse officier van justitie, maar de rechter-commissaris zal de officier van justitie niet uitnodigen mee te gaan naar het verhoor);
Het rechtshulpverzoek dient meteen opgave te doen van de schriftelijk vragen voor de getuige van procespartijen, anders wordt het niet beoordeeld. Opgave van vragen kan dus niet achteraf.
- Met betrekking tot de termijn waarbinnen dit verzoek door Marokko zou kunnen worden uitgevoerd: het is lastig aan te geven, dit lijkt per verzoek te verschillen. Er zijn recent gesprekken met Marokko gevoerd over het weer oppakken van de samenwerking. De rechtshulprelatie met Marokko lijkt dus wel enigszins te verbeteren. Over het algemeen wordt 9-12 maanden aangehouden voor uitvoering, maar aan dit onderhavige verzoek kan hoogste prioritering worden gegeven, zodat licht optimisme dat het verhoor sneller, bijvoorbeeld binnen een paar tot zes maanden, kan plaatsvinden op zijn plaats is.
Gelet op deze berichten kan de rechter-commissaris proberen een verhoor binnen aanvaardbare termijn te laten plaatsvinden. U wordt daartoe verzocht op kortst mogelijke termijn, uiterlijk 25 oktober 2022, uw schriftelijke vragen voor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris in te dienen, zodat het rechtshulpverzoek snel daarna kan worden ingezonden.”
15. In datzelfde e-mailbericht hebben de rechters-commissaris de hierop ontvangen reacties van mr. I.N. Weski, mede namens mr. G.N. Weski alsmede die van mr. Splinter, mrs. Dunsbergen en Van ’t Land en de reactie van het Openbaar Ministerie beschreven. Alleen in de reactie van mr. I.N. Weski zijn (naast verzoeken en te stellen voorwaarden aan een verhoor van de getuige) vragen geformuleerd. Mr. Splinter heeft laten weten geen vragen in te dienen. Mrs. Dunsbergen en Van ’t Land hebben laten weten rond eind november 2022 hun vragen in te kunnen dienen en hebben verzocht om de mogelijkheid te onderzoeken om tijdens het verhoor in Marokko ruggenspraak met de rechter-commissaris te kunnen hebben zodat vervolg- en verduidelijkingsvragen kunnen worden gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft laten weten op korte termijn met vragen te zullen komen.
16. Verder staat in dat e-mailbericht dat door de rechters-commissaris nogmaals navraag bij AIRS is gedaan en dat dit heeft opgeleverd, voor zover hier van belang:
“(…) Indien een getuige gedetineerd is zal hoogstwaarschijnlijk geen toestemming gegeven worden door de Marokkaanse autoriteiten om buitenlandse advocaten in de gevangenis toe te laten om vanuit een andere kamer met de Nederlandse rechter-commissaris ruggenspraak te kunnen voeren met betrekking tot het verhoor. AIRS heeft ook laten weten dat de manier waarop de schriftelijke vragen worden geformuleerd invloed kan hebben op de snelheid waarmee het verzoek wordt opgepakt. Met betrekking tot de rechtsbijstand bij een verhoor heeft AIRS aan de rechter-commissaris laten weten dat Marokko alleen in geval van een verhoor als verdachte toestaat dat de verdachte wordt bijgestaan door een advocaat en dat mag alleen een Marokkaanse advocaat zijn. Ingeval van verhoor als getuige - zoals hier het geval is - wordt rechtsbijstand of aanwezigheid van een Marokkaanse advocaat evenmin toegestaan, tenzij daarvoor speciale toestemming is gegeven door het ministerie van justitie. Toestemming om een Marokkaanse advocaat aanwezig te laten zijn bij het verhoor van een getuige zou zeer uitzonderlijk zijn en mogelijk ook tot vertraging kunnen leiden.”
17. In genoemd e-mailbericht concluderen de rechters-commissaris vervolgens:
“(…) dat de eerder gesignaleerde problemen bij de uitvoering van een ‘normaal’ verhoor van getuige [getuige 1] in Marokko, met gelegenheid tot rechtstreekse ondervraging door de verdediging, ook nu nog bestaan. Het horen van [getuige 1] is niet mogelijk via videoverbinding met Marokko en een verzoek tot tijdelijke overbrenging van de getuige wordt niet gehonoreerd. Er is slechts de mogelijkheid, zoals ook al door de vorige rechter-commissaris was geconstateerd, vooraf opgestelde schriftelijke vragen aan getuige te laten stellen in een verhoor door een Marokkaanse rechter-commissaris. Het enige verschil ten opzichte van het verleden is dat AIRS nu de kans van slagen van een verzoek een gedetineerde getuige te horen in Marokko als ‘licht optimistisch’ inschat. Dan wordt wel bedoeld een eenvoudig verzoek met opgave van schriftelijke vragen, die diplomatiek zijn geformuleerd, waarbij geen aanvullende eisen en verzoeken worden geformuleerd die als ‘lastig’ kunnen worden ervaren. Deze factoren staan aan een voortvarende aanpak in de weg. De rechter-commissaris wijst er ook op dat, als het verzoek al in behandeling wordt genomen, de regie volledig in handen ligt van de Marokkaanse autoriteiten. Een Marokkaanse functionaris neemt het verhoor af en deze functionaris bepaalt ook of, en zo ja in welke mate, bijvoorbeeld aan de Nederlandse rechter-commissaris gelegenheid wordt gegeven om überhaupt aanvullende vragen te mogen stellen.”
18. In het e-mailbericht schrijven de rechters-commissaris vervolgens dat gelet op de ontvangen reacties een eventueel rechtshulpverzoek niet vóór 1 december 2022 naar Marokko kan worden verstuurd en dat aanvullende voorwaarden zijn gesteld en/of verzoeken geformuleerd waarvan volgens AIRS uitvoering erg lastig en/of onmogelijk is en in ieder geval vertraging gaat opleveren in de uitvoering. De rechters-commissaris zien hierin, tegen de achtergrond van de huidige stand van het geding, reden te concluderen dat het niet mogelijk is een verhoor van de getuige binnen aanvaardbare termijn te organiseren.
19. De rechters-commissaris hebben de rechtbank daarop verzocht, kort gezegd, om het hen te laten weten als de rechtbank dat anders ziet. Indien de rechtbank verlangt dat het rechtshulpverzoek in december 2022 wordt uitgestuurd is gevraagd binnen welke kaders een dergelijk verhoor zou moeten plaatsvinden, alsmede of de rechtbank daarbij een indicatie kan geven van de termijn waarbinnen dit verhoor zou moeten plaatsvinden wil dat voor de rechtbank nog aanvaardbaar zijn.
20. Ten slotte hebben de rechters-commissaris bij e-mailbericht van 17 november 2022 aan de rechtbank, de betrokken raadslieden en het Openbaar Ministerie ter informatie doorgestuurd het op 15 november 2022 van de raadsman van de getuige ontvangen bericht:
“Inmiddels heb ik cliënt, de heer [getuige 1] , uitvoerig kunnen spreken. Naar verwachting zal eind 2022 de beslissing in het hoger beroep van de lopende procedure in Marokko tegen o. [getuige 1] worden uitgesproken. Nadat dit is geschied, wenst [getuige 1] a.s.a.p. naar Nederland te worden overgedragen i.h.k.v. de WOTS. Zoals u weet is [getuige 1] bipatride en zijn er op dat vlak mogelijkheden.
Eerst nadat hij terug zal zijn in Nederland is [getuige 1] bereid te verklaren, e.e.a. gelet op het feit dat hij zich - zolang hij in Marokko verblijft - niet vrij voelt om naar waarheid te verklaren.
Kortom, de bereidheid te verklaren is er wel, maar eerst nadat hij gerepatrieerd is naar Nederland. Een verhoor in Marokko zal hoe dan ook geen “in vrijheid” afgelegde verklaring opleveren.”
Verzoek van de verdediging
21. De verdediging van verdachten, [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] heeft de navolgende vragen gesteld en verzoeken gedaan:
“ “a. Op basis van welke informatie het AIRS de kans van slagen van een verhoor van [getuige 1] als “licht optimistisch” acht.
“ b. Of en in welke zin het AIRS daaromtrent en dus over het horen van [getuige 1] contact met Marokkaanse autoriteiten heeft gehad. De verdediging verzoekt u daarbij te bepalen, dat ook de onderliggende correspondentie wordt verstrekt aan de verdediging ter eventuele voeging in het dossier
“ c. Op basis van welke concrete feiten en omstandigheden het AIRS stelt: Het enige verschil ten opzichte van het verleden is dat AIRS nu de kans van slagen van een verzoek een gedetineerde getuige te horen in Marokko als ‘licht optimistisch’ inschat. Dan wordt wel bedoeld een eenvoudig verzoek met opgave van schriftelijke vragen, die diplomatiek zijn geformuleerd, waarbij geen aanvullende eisen en verzoeken worden geformuleerd die als ‘lastig’ kunnen worden ervaren. Deze factoren staan aan een voortvarende aanpak in de weg.
d. De verdediging wijst op de aangehaalde recente ontwikkelingen omtrent de samenwerkingsverbanden tussen Nederland in het kader van rechtshulp met Marokko en verzoekt in dat kader dat de rechter-commissaris aangeeft of die ontwikkelingen zijn
meegenomen bij de pogingen tot het effectief bevragen van [getuige 1] . Zo niet, dat dit alsnog gebeurt en daarvan verslag wordt gevoegd in het dossier
e. De verdediging verzoekt de rechtbank te bepalen:
1. dat [getuige 1] pas gehoord wordt nadat hij is overgebracht naar Nederland, zoals diens raadsman als modaliteit beargumenteert,
2. althans, dat hij wordt gehoord wordt nadat hij overeenkomstig het met Marokko geldende rechtshulpverdrag naar Nederland is overgebracht als verdachte onder vrijgeleide van het openbaar ministerie om aanwezig te zijn bij diens berechting als verdachte, waarbij hij tevens kan worden gehoord als getuige ( zoals het Arnhemse hof in een andere zaak zoals u weet, heeft bepaald)
3. althans dat [getuige 1] wordt gehoord onder de door de verdediging hierboven bedoelde voorwaarden en condities.”
Ter onderbouwing van de verzoeken is – kort samengevat – gewezen op aanwijzingen dat de getuige in Marokko zou zijn gemarteld.
22. Op de regiezitting van 6 december 2022 heeft mr. Poelmeijer namens verdachte [verdachte 10] opgemerkt dat de wijze van verhoren van de getuige die de rechters-commissaris voorstellen hem niet heel werkbaar lijkt, omdat er dan geen sprake is van adequate ondervraging. Mr. Dunsbergen heeft namens verdachte [verdachte 9] aangegeven dat hij te maken heeft met dezelfde problematiek en dat de getuige in Marokko toch niet de waarheid gaat verklaren en mogelijk op korte termijn aan Nederland zal worden overgedragen. Mr. G.N. Weski heeft, namens verdachte [verdachte 4] , aangegeven dat hij het niet eens is met de gang van zaken betreffende (naar de rechtbank begrijpt) het verhoor van de getuige omdat hij niet de vragen kan stellen die hij wil stellen. Hij kan echter niet zeggen dat hij het getuigenverhoor niet wil op deze wijze en heeft daarom voor de vorm vragen ingediend.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
23. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Tegen een verhoor op de door de rechters-commissaris voorgestelde wijze heeft het Openbaar Ministerie geen bezwaar, mits het verhoor op een redelijke termijn vóór eindvonnis zou kunnen plaatsvinden.
Oordeel van de rechtbank
24. Uit het bericht van de rechters-commissaris volgt dat het op dit moment niet te verwachten is dat de raadslieden zelf bij het verhoor in Marokko aanwezig kunnen zijn en mondeling vragen kunnen stellen, zoals zij wensen. De rechtbank heeft begrip voor die wens. Verder volgt uit het bericht van de raadsman van de getuige dat deze pas bereid is te verklaren nadat hij naar Nederland zal zijn overgebracht, en dat hij in Marokko niet – of niet naar waarheid – zal verklaren. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank nu geen aanleiding om voort te gaan met het rechtshulpverzoek aan Marokko. Als de getuige op enig moment aan Nederland is overgedragen ontstaat een nieuwe situatie en kunnen nadere verzoeken worden ingediend. Voor zover meer of anders is verzocht wordt dit, bij gebrek aan belang voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, afgewezen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑12‑2022
Uitspraak 07‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in de zaak van verdachte Said R., besproken op de regiezitting van 30 november 2022
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in de zaak van verdachte [verdachte] , besproken op de regiezitting van 30 november 2022
Inleiding
1. De verdediging heeft op 23 november 2022 ten behoeve van de regiezitting namens verdachte [verdachte] haar onderzoekswensen aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie gestuurd. Het Openbaar Ministerie heeft op 29 november 2022 schriftelijk op deze wensen gereageerd. Op de regiezitting heeft vervolgens re- en dupliek plaatsgevonden. De rechtbank heeft medegedeeld dat zij schriftelijk zal beslissen op de verzoeken.
2. Hieronder volgen, voor zover nog nodig, de beslissingen op de verzoeken.
Beslissingen
3. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk heeft gereageerd op het verzoek van de verdediging (onder punt 5 van het schriftelijk stuk) om inzage in de gegevens van de iPhone van de kroongetuige voor zover dit betreft de communicatie via of middels Signal. Ook de bij repliek gestelde vragen van de verdediging op dit punt zijn ter zitting door het Openbaar Ministerie beantwoord. De rechtbank gaat er daarom van uit dat hierover geen beslissing meer nodig is.
4. Hetzelfde geldt voor de (eveneens onder punt 5 van het schriftelijk stuk vermelde) verzoeken om informatie over de aan verdachte [verdachte] toegeschreven telefoons (in Colombia) en de verzoeken om informatie met betrekking tot afluisteren in de EBI. Hierop heeft het Openbaar Ministerie eveneens inhoudelijk gereageerd, zodat de rechtbank ook ten aanzien van deze verzoeken ervan uitgaat dat geen beslissing meer nodig is.
Verzoek met betrekking tot financiële afspraken
5. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het Openbaar Ministerie op te dragen de navolgende vraag ter beantwoording voor te leggen aan de betrokken TBG-officier van justitie:
Is er met de kroongetuige op enig moment voorafgaande aan het tekenen van de overeenkomst ex art. 226g van het Wetboek van Strafvordering d.d. 27 december 2017 gesproken over geld c.q. geldbedragen, dan wel vergoedingen, die al dan niet in het vooruitzicht zijn gesteld, dan wel zijn hierover (nadere) afspraken gemaakt?
Oordeel van de rechtbank
6. Op de terechtzitting van 2 november 2022 heeft de verdediging over hetzelfde onderwerp al vragen opgeworpen die door de TBG-officier van justitie zouden moeten worden beantwoord. Het huidige verzoek is, aldus de verdediging, een herhaling van het eerdere verzoek.
7. Op het verzoek van de verdediging van 2 november 2022 heeft de rechtbank in haar beslissing van 10 november 20221.het volgende beslist:
“15. De rechtbank stelt vast dat de kroongetuige ter terechtzitting van 2 november 2022 op een vraag van de verdediging heeft geantwoord dat hem geen financiële beloning is gegeven om te verklaren. Op de vraag van de verdediging of er financiële afspraken zijn gemaakt in het kader van de getuigenbeschermingsovereenkomst heeft de kroongetuige gezegd dat hij deze vraag op grond van de beschermingsovereenkomst niet mag beantwoorden. Hij heeft daar vervolgens op aangevuld dat hij geen financiële afspraken heeft gemaakt, dat er geen financiële toezeggingen zijn gedaan en dat hij niets, nul komma nul, heeft ontvangen.
16. Reeds omdat de kroongetuige de gestelde vragen heeft beantwoord, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging geen belang meer heeft bij haar verzoek deze vragen ter beantwoording voor te leggen aan de TBG-officier van justitie. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding deze vragen ter beantwoording voor te leggen aan de TBG-officier van justitie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen van het gerechtshof Amsterdam in de zaak Passage (onder 2.1.2.2.5.2). De enkele verwijzing van de verdediging naar de aangehaalde iPhone-berichten is onvoldoende om het Openbaar Ministerie op te dragen de verzochte openheid over eventuele financiële afspraken in het kader van de beschermingsovereenkomst te laten geven. Zoals de rechtbank in de beslissing van 13 juli 2021 in de zaken van medeverdachten over deze iPhone-berichten reeds heeft overwogen, lijkt het er in die berichten op dat de kroongetuige spreekt over wat hij wenst in het kader van de (onderhandelingen over de) getuigenbescherming en blijkt daaruit niets over waar het Openbaar Ministerie mee akkoord is gegaan en wat uiteindelijk met de kroongetuige ten aanzien van de getuigenbescherming is overeengekomen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.”
8. De verdediging heeft nu nog aangevoerd dat (in eerste instantie) alleen wordt gevraagd of er in de onderhandelingen met betrekking tot de beschermingsovereenkomst is gesproken over geld en of er een (en zo ja welke) vergoeding in de overeenkomst is opgenomen. Niet nodig is dat wordt uitgelegd hoe dit bedrag tot stand is gekomen en waarvoor het bestemd is. De antwoorden op de te stellen vragen raken niet de veiligheid van de kroongetuige, aldus de verdediging.
9. De rechtbank ziet in de toelichting van de verdediging geen aanleiding om nu anders te oordelen dan op 10 november 2022. In het eerdergenoemde Passage-arrest van het gerechtshof Amsterdam2.is overwogen dat in de wettelijke regeling geen toetsing aan de (straf)rechter is opgedragen van de rechtmatigheid (doelmatigheid daarvan in dit verband mede begrepen) van maatregelen die zijn getroffen voor de feitelijke bescherming van de getuige. Daarop heeft het gerechtshof een (mogelijke) nuancering aangebracht voor het geval “waarin blijkt van feiten en omstandigheden die zodanig sterke aanwijzingen opleveren voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie, dat geoordeeld moet worden dat dit onder het mom van bescherming van de getuige afspraken maakt met of toezeggingen doet die redelijkerwijs niet met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht doch wel strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren.”
10. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van dergelijke sterke aanwijzingen voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie als door het gerechtshof genoemd. De rechtbank wijst het verzoek daarom wederom af.
Verzoeken met betrekking tot een psychiatrische of psychologische rapportage over of ten behoeve van de kroongetuige
11. De verdediging heeft opnieuw verzocht om het Openbaar Ministerie opdracht te geven om al dan niet via de TBG-officier van justitie de vraag te beantwoorden of er een psychiatrische of psychologische rapportage (of anderszins een rapportage omtrent de persoon) is opgemaakt over of ten behoeve van de kroongetuige. Bij de eerdere afwijzing van dit verzoek heeft de rechtbank een onjuist toetsingskader gehanteerd. Nu de beweringen van de voormalig advocaat over de iPhone ook bleken te kloppen en ook in de klachtprocedure bij de Raad van Discipline tegen deze voormalig advocaat is uitgegaan van het bestaan van een psychologische rapportage, is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van zijn uitlating hieromtrent. Mocht de rechtbank twijfelen aan het bestaan van een dergelijk rapport dan ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om daar uitsluitsel over te geven.
12. Ervan uitgaande dat dit rapport er is, verzoekt de verdediging inzage in dit rapport en in het verlengde daarvan voeging. De inhoud van dit rapport zegt zowel iets over de persoon van de kroongetuige als zijn denkwijzen en denkpatronen. Nu het Openbaar Ministerie niet voor niets dit rapport heeft laten opmaken valt niet in te zien waarom kennisneming van de inhoud niet van belang zou zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De toetsing van de betrouwbaarheid aan de hand van de persoon van de kroongetuige is van eminent belang voor de bewijswaardering en als reeds duidelijk was dat sprake is van een onbetrouwbare kroongetuige raakt dit ook de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
13. Voor zover de rechtbank deze verzoeken afwijst wordt (voorwaardelijk) verzocht de hiervoor genoemde voormalig advocaat als getuige te horen omtrent zijn kennis van het bestaan van de psychologische rapportage waarover hij heeft gesproken, of hij de beschikking hierover heeft gehad, hoe hij weet dat het bestaat en of hij weet wat in het rapport staat met betrekking tot de persoon van de kroongetuige en waarom de kroongetuige laaiend was over de inhoud van dit rapport.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
14. Het Openbaar Ministerie geeft aan dat het zaaks-Openbaar Ministerie geen rapport over [verdachte 1] heeft laten opmaken in zijn strafzaak en dat, als er in een ander verband rapportages over hem zijn opgemaakt, deze niet relevant zijn voor de strafzaak. Het eerste verzoek is een herhaald verzoek op dezelfde gronden, dat eerder is afgewezen. Het verzoek moet daarom ook nu worden afgewezen. Dat geldt ook voor de twee daaraan gekoppelde verzoeken.
Oordeel van de rechtbank
15. Het eerste verzoek van de verdediging is een herhaald verzoek, waarop de rechtbank op 10 november 2022 afwijzend heeft beslist.3.De nieuwe onderbouwing, die overigens grotendeels een herhaling van zetten is en veelal speculatief van aard, leidt thans niet tot een ander oordeel. Uitgangspunt is en blijft dat de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige dient te onderzoeken aan de hand van het dossier. Het verzoek wordt daarom op dezelfde gronden afgewezen. Dit leidt eveneens tot afwijzing van het verzoek om inzage in dan wel voeging van die eventuele rapportage en het verzoek om de voormalige advocaat als getuige te horen, nu hieraan dezelfde onderbouwing ten grondslag is gelegd.
Verzoek ten aanzien van de inzage in iPhone-berichten
16. De verdediging heeft verzocht om opnieuw, kortdurend, inzage te kunnen krijgen in de iPhone-berichten van de kroongetuige op de wijze zoals dat eerder is gefaciliteerd, namelijk door plaatsing van die berichten op het aan de verdediging ter beschikking gestelde MacBook.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
17. Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat in alle zaken voor de inzage op het eigen kantoor een termijn is verleend van 19 weken, namelijk van 22 juli 2021 tot 1 december 2021. Alleen in de zaak van verdachte [verdachte 2] is die termijn destijds langer geweest. De rechtbank heeft die termijn toen verlengd tot 1 februari 2022 waarmee de inzage in totaal 28 weken heeft geduurd. De overweging van de rechtbank was dat het verdedigingsbelang bij het zeer grondig bekijken van de chatgesprekken vanwege de destijds bestaande vriendschap tussen verdachte [verdachte 2] en de kroongetuige begrijpelijk was en dat het aannemelijk was dat dit buitengewoon tijdrovend is. Het Openbaar Ministerie heeft zich op 26 januari 2022 niet verzet tegen een verlenging van de inzagetermijn in de zaak van verdachte [verdachte] tot maximaal 25 weken (tot 1 mei 2022) omdat het zich kon voorstellen dat deze situatie tot op zekere hoogte ook in zijn zaak speelde. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij het aanbod gedaan dat de verdediging die verlenging ook op een later moment kon inzetten en de rechtbank heeft overeenkomstig beslist. De verdediging heeft van die laatste mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt en vraagt nu toch zonder onderbouwing om een nieuwe termijn van inzage te verlenen op het eigen kantoor. Onder verwijzing naar de beslissingen van de rechtbank over de noodzaak de periode van inzage op kantoor te beperken (zie beslissingen van 4 oktober 20214.en 20 december 20215.) stelt het Openbaar Ministerie dan ook dat het verzoek moet worden afgewezen. Daarbij merkt het op dat inzage op het politiebureau en in de EBI al die tijd mogelijk is geweest en nog steeds mogelijk is.
Oordeel van de rechtbank
18. De rechtbank heeft eerder in de door het Openbaar Ministerie aangehaalde beslissingen overwogen, kort samengevat, dat vanwege de precaire aard van de berichten aanleiding bestaat de termijn van inzage op het eigen kantoor door plaatsing op een MacBook niet langer te laten duren dan voor een adequate verdediging noodzakelijk is. De nu gegeven motivering van de verdediging om een nieuwe inzagetermijn op het MacBook te verlenen is, tegen de achtergrond van de reeds geboden en nog altijd bestaande inzagemogelijkheden die het Openbaar Ministerie heeft geschetst, summier. Desondanks kan de rechtbank het belang van de verdediging bij het verzoek, namelijk dat zij de kroongetuige recent ter zitting heeft ondervraagd, het proces-verbaal van die verhoren ter zitting recent is verstrekt en de verdediging de berichten op kantoor met de verklaringen van de kroongetuige erbij nog eens goed wil nalezen om zo ‘de puntjes op de i’ te kunnen zetten, begrijpen. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe en bepaalt dat de iPhone-berichten voor de duur van vier weken ter inzage aan de verdediging van verdachte [verdachte] worden versterkt door plaatsing van die berichten op het MacBook.
Verzoek om een getuigenverhoor van de vriendin van de broer van de kroongetuige
19. De verdediging heeft opnieuw verzocht de vriendin van de broer van de kroongetuige als getuige te horen. Daartoe is gesteld dat het geplande verhoor van deze getuige door de rechter-commissaris op 18 november 2022 is geannuleerd om redenen betreffende de gezondheid van de getuige. Het is voor de verdediging noch voor andere procespartijen mogelijk om de juistheid van deze beslissing te kunnen toetsen. De verdediging is ook niet gevraagd om een standpunt voorafgaand aan deze beslissing. Voor zover de veiligheid en/of gezondheid van de getuige ter discussie staat is een nadere onderbouwing middels medische stukken noodzakelijk. De verdediging heeft subsidiair verzocht nadere informatie bij de rechter-commissaris op te vragen en aan de verdediging te doen verstrekken zodat partijen hierover een standpunt kunnen innemen alvorens een beslissing wordt genomen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
20. De rechtbank heeft eerder dit verhoor toegewezen. De rechter-commissaris heeft bericht dat is vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van de getuige ernstig in gevaar kan worden gebracht indien door deze getuige een getuigenverklaring zou moeten worden afgelegd. Overigens heeft de rechter-commissaris meegewogen het door de advocaat van de getuige aangekondigde beroep op het verschoningsrecht (dat haar als verdachte toekomt) ten aanzien van alle vragen. Bij deze stand van zaken dient het verzoek van de verdediging tot het alsnog horen van de getuige te worden afgewezen. Ook het verzoek om meer informatie ten aanzien van de gezondheid van de getuige dient te worden afgewezen. Het is ingevolge de wet aan de rechter-commissaris om deze informatie te wegen. Daarbij is het inwinnen van een standpunt van partijen niet noodzakelijk of voorgeschreven.
Oordeel van de rechtbank
21. Op grond van artikel 264, eerste lid, onder b, Sv kan de oproeping van een getuige worden geweigerd indien de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen.
22. De rechter-commissaris heeft op basis van de aan haar verstrekte concrete informatie over de gezondheid van de getuige, waaronder een schriftelijk stuk van haar behandelaars, geconcludeerd dat de gezondheid en het welzijn van de getuige in gevaar kan worden gebracht door de ondervraging. Ook heeft de rechter-commissaris blijk gegeven van een belangenafweging tussen de belangen van de getuige en waarborging van het ondervragingsrecht van de verdachte. Daarmee heeft een onafhankelijke rechterlijke autoriteit geoordeeld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 264, eerste lid, onder b, Sv zich voordoet. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht geen aanleiding een nader onderzoek in te stellen. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek overweegt de rechtbank dat de wet niet voorschrijft dat de verdediging recht heeft op de onderliggende informatie om zelf te kunnen toetsen. Evenmin is vereist dat de verdediging voorafgaand aan de beslissing tot weigering daarover gehoord moet worden.
23. De rechtbank wijst het herhaalde verzoek om deze getuige te horen en het subsidiaire verzoek om nadere informatie af.
Verzoek tot het horen van de partner van de kroongetuige
24. De verdediging heeft opnieuw verzocht om het horen van de partner van de kroongetuige als getuige en gesteld dat zij op geen enkel moment in de procedure in de gelegenheid is gesteld deze toegewezen getuige vragen te stellen. Dit maakt inbreuk op het ondervragingsrecht. Het feit dat het Openbaar Ministerie, dat wel aanwezig was bij het verhoor, het proces-verbaal van verhoor aan de procespartijen heeft verstrekt vormt geen compensatie voor deze tekortkoming. Dit raakt het recht op een eerlijk proces in ernstige mate.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
25. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een herhaald verzoek op dezelfde gronden dat eerder is afgewezen. Het verzoek moet daarom ook nu worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
26. De rechtbank stelt vast dat de verdediging aan het herhaald verzoek om de partner van de kroongetuige als getuige te horen geen nieuwe argumenten ten grondslag heeft gelegd. Onder verwijzing naar haar eerdere beslissingen van 8 juli 20226.en 28 september 20227.wijst de rechtbank het verzoek dan ook af.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑12‑2022
ECLI:NL:GHAMS:2017:2497 (in de beslissing van 10 november 2022 staat abusievelijk een onjuist ECLI-nummer, namelijk dat van een arrest van een andere verdachte in de zaak Passage).
Uitspraak 10‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank ten aanzien van geparkeerde vragen en op een verzoek, gedaan op de terechtzittingen van 1 en 2 november 2022 in de zaak van verdachte Said R.
Beslissingen van de rechtbank ten aanzien van geparkeerde vragen en op een verzoek, gedaan op de terechtzittingen van 1 en 2 november 2022 in de zaak van verdachte [verdachte]
Inleiding
1. De kroongetuige is op de terechtzittingen van 1 en 2 november 2022 door de verdediging van verdachte [verdachte] ondervraagd. Tijdens het verhoor heeft de kroongetuige twee vragen niet beantwoord. De rechtbank heeft die vragen geparkeerd. Daarnaast hebben de raadslieden van verdachte [verdachte] de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een tweetal andere vragen ter beantwoording voor te leggen aan de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG-officier van justitie).
De rechtbank heeft medegedeeld dat zij schriftelijk zal beslissen op de geparkeerde vragen en het verzoek.
Geparkeerde vragen
2. De eerste geparkeerde vraag is:
- “ “Had u in de detentielocatie vanwege uw bijzondere positie gunsten?”
3. De kroongetuige heeft deze vraag niet willen beantwoorden met een beroep op de geheimhoudingsplicht die op hem rust op grond van de beschermingsovereenkomst die hij heeft gesloten met De Staat.
4. De verdediging van verdachte [verdachte] heeft gesteld dat de kroongetuige zich bij deze vraag niet kan beroepen op de beschermingsovereenkomst. Volgens de verdediging gaat het bij maatregelen op grond van artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) om de feitelijke bescherming van de kroongetuige. Daarom moet bij elke weigering op die grond een vraag te beantwoorden, worden nagegaan of de veiligheid van de kroongetuige in het geding is. Dat is volgens de verdediging niet het geval bij beantwoording van vragen naar gunsten in de detentielocatie, ex artikel 226g, vierde lid, Sv. Of iemand op cel de beschikking heeft over goederen en internet zegt namelijk niets over locatie en veiligheid. De verdediging wil kunnen onderzoeken of de kroongetuige, anders dan andere gedetineerden, goederen – en dat is breder dan alleen ‘de dongel’ – op zijn cel mocht hebben omdat dit mogelijk zijn verklaringsbereidheid kan hebben beïnvloed. Dit soort vragen moet dus worden beantwoord om de rechtmatigheid van de kroongetuige-overeenkomst te kunnen toetsen, aldus de verdediging.
5. De tweede geparkeerde vraag aan de kroongetuige is:
- “ “Hoe heeft u, na de aanslag op [medeverdachte 1] , kenbaar gemaakt dat u de BlackBerry weer naar binnen wilde hebben?”
6. De kroongetuige heeft deze vraag niet willen beantwoorden met een beroep op zijn verschoningsrecht. Ter terechtzitting van 2 november 2022 is verduidelijkt dat de kroongetuige zich ten aanzien van deze vraag op zijn verschoningsrecht beroept omdat hij door de vraag te beantwoorden zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de eerste vraag
7. De rechtbank verwijst allereerst naar haar beslissing van 29 november 20211.. Daarin heeft de rechtbank onder andere gewezen op de mogelijkheid dat de rechtbank op grond van artikel 293, eerste lid, Sv belet dat de getuige vragen beantwoordt. Daarbij is overwogen dat deze bepaling er onder meer toe strekt te voorkomen dat de getuige moet antwoorden op vragen die hem nadeel kunnen berokkenen.
8. De rechtbank heeft in die beslissing overwogen dat zij ervan uitgaat dat de beschermingsovereenkomst een geheimhoudingsclausule bevat, nu beide contractspartijen dat stellen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 2 november 2022 herhaald dat de kroongetuige op grond van die geheimhoudingsclausule niet mag verklaren over de detentieomstandigheden en getuigenbescherming. De rechtbank heeft in die beslissing verder gewezen op artikel 1.6 van de kroongetuige-overeenkomst waarin een geheimhoudingsclausule is opgenomen. De rechtbank heeft overwogen dat zij er rekening mee moet houden dat de kroongetuige nadeel zal lijden als hij vragen beantwoordt in strijd met die geheimhoudingsverplichting omdat De Staat in dat geval de beschermingsovereenkomst kan beëindigen. De rechtbank heeft verder overwogen dat zij in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 23 april 20192.voorshands niet ziet hoe vragen die betrekking hebben op de beschermingsmaatregelen en op (de totstandkoming van) de beschermingsovereenkomst van belang kunnen zijn voor de uiteindelijk door de rechtbank te nemen beslissingen in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv. Vervolgens heeft de rechtbank een groot aantal vragen van de verdediging van medeverdachten geschaard onder de vragen waarvan de rechtbank de beantwoording door de kroongetuige belet. Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat onder vragen die betrekking hebben op beschermingsmaatregelen ook vallen al die vragen die in den brede raken aan de detentieomstandigheden.
9. De rechtbank is van oordeel dat de thans geparkeerde vraag valt in deze in de beslissing van 29 november 2021 beschreven categorie vragen waarvan de rechtbank er rekening mee houdt dat de kroongetuige nadeel zal lijden als hij deze in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting beantwoordt. De rechtbank ziet in het betoog van de verdediging geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. In reactie op dat betoog wijst de rechtbank er nog op dat het hier, anders dan de verdediging stelt, niet gaat om een per vraag uit te voeren toets of de veiligheid van de kroongetuige bij beantwoording concreet in het geding kan zijn, nog daargelaten dat de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om zo’n toets te kunnen maken. Het gaat er om of voorstelbaar is dat de kroongetuige zijn geheimhoudingsverplichting schendt als hij de vraag wél beantwoordt. De rechtbank acht dat in dit geval voorstelbaar omdat de geparkeerde vraag naar gunsten in detentie raakt aan de detentieomstandigheden van de kroongetuige. De beantwoording van die vraag wordt daarom door de rechtbank belet.
Ten aanzien van de tweede vraag
10. De rechtbank stelt vast dat de verdediging, nadat op 2 november 2022 is verduidelijkt om welk verschoningsrecht het ging, niet (meer) heeft gesteld dat en waarom de kroongetuige de tweede vraag zou moeten beantwoorden. Voor zover hierover nog een beslissing door de rechtbank nodig is, oordeelt de rechtbank dat de kroongetuige ten aanzien van deze vraag een beroep op zijn verschoningsrecht toekomt. Deze vraag ziet namelijk mogelijk op een door hem gepleegd misdrijf waarbij gedacht kan worden aan omkoping, afdreiging of afpersing. Daarom moet er ten aanzien van deze vraag – bij marginale toetsing – van worden uitgegaan dat de kroongetuige zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen als hij deze zou beantwoorden. De kroongetuige hoeft deze vraag dus niet te beantwoorden.
Het verzoek
11. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het Openbaar Ministerie op te dragen de navolgende twee vragen ter beantwoording voor te leggen aan de betrokken TBG-officier van justitie:
1. Zijn er financiële afspraken gemaakt met de kroongetuige in het kader van de getuigenbeschermingsovereenkomst? Zo ja, over welk bedrag of welke bedragen gaat het?
12. De verdediging heeft daartoe gesteld, samengevat, dat het alleen benoemen of er een financiële afspraak is gemaakt in het kader van de getuigenbeschermingsovereenkomst buiten de reikwijdte van de laatste zin van artikel 1.6 van de overeenkomst ex artikel 226g Sv valt. De hoogte van een bedrag zegt niets over de veiligheid of methodieken van de bescherming maar kan wel een rol spelen in de vraag in hoeverre er verklaringsbereidheid was en dat daarmee de kroongetuige juist geprikkeld werd om verklaringen te gaan afleggen, wat nu juist niét de bedoeling van de wetgever is geweest. De verdediging wijst in dit verband op het bericht uit de iPhone van de kroongetuige, waarin staat: Dit gaat de grootste zaak ook worden kwa liqui. Mogen we dan ook het maximale eruit halen? Hun krijgen bonussen en nieuwe functies en wij? Wegtrappen en klaar? No way helemaal uitzuigen. Tot de laatste cent. Homo's hebben genoeg gezien.”. Het is evident dat een financiële prikkel invloed kan hebben op de (inhoud van) de verklaringen van de kroongetuige, hetgeen in direct causaal verband staat met de (on)betrouwbaarheid daarvan. Daarmee is het van belang voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 Sv (de rechtmatigheid van de kroongetuige-overeenkomst) en artikel 350 Sv (bewijswaardering), aldus de verdediging.
2. Is er op enig moment in de periode van 14 januari 2017 tot en met 11 maart 2020 een psychologisch onderzoek uitgevoerd over de kroongetuige?
- -
Zo ja, wanneer?
- -
Zo ja, bent u bereid dat rapport dan, desnoods onder embargo, te verstrekken aan
de verdediging of de verdediging de gelegenheid te geven dit in te zien?
13. De verdediging heeft gewezen op het interview met een voormalig raadsman van de kroongetuige in het Algemeen Dagblad op 4 juli 2020. Deze raadsman heeft aan het Algemeen Dagblad verteld: “Het OM had een psychologisch rapport laten uitbrengen over [kroongetuige] . Daar las hij uit voor en over de uitkomsten was hij laaiend. Hij voelde zich enorm genaaid door het OM. Voor hem was dat het toppunt. Hij was er helemaal klaar mee”.
14. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de verdediging gesteld, samengevat, dat de psychologische rapportage inzicht kan geven in de (on)betrouwbaarheid van de kroongetuige, omdat die een belangrijk inzicht geeft in hoeverre zijn persoonlijkheid de verklaringen zou beïnvloeden. Dit raakt direct de vraag inzake bewijswaardering in de zin van artikel 350 Sv. Bovendien valt verstrekking of inzage van dat eventuele rapport buiten de reikwijdte van de laatste zin van artikel 1.6 van de overeenkomst ex artikel 226g Sv, nu die veiligheid noch methodieken van beveiliging blootleggen, aldus de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vragen onder 1.
15. De rechtbank stelt vast dat de kroongetuige ter terechtzitting van 2 november 2022 op een vraag van de verdediging heeft geantwoord dat hem geen financiële beloning is gegeven om te verklaren. Op de vraag van de verdediging of er financiële afspraken zijn gemaakt in het kader van de getuigenbeschermingsovereenkomst heeft de kroongetuige gezegd dat hij deze vraag op grond van de beschermingsovereenkomst niet mag beantwoorden. Hij heeft daar vervolgens op aangevuld dat hij geen financiële afspraken heeft gemaakt, dat er geen financiële toezeggingen zijn gedaan en dat hij niets, nul komma nul, heeft ontvangen.
16. Reeds omdat de kroongetuige de gestelde vragen heeft beantwoord, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging geen belang meer heeft bij haar verzoek deze vragen ter beantwoording voor te leggen aan de TBG-officier van justitie. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding deze vragen ter beantwoording voor te leggen aan de TBG-officier van justitie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen van het gerechtshof Amsterdam in de zaak Passage3.(onder 2.1.2.2.5.2). De enkele verwijzing van de verdediging naar de aangehaalde iPhone-berichten is onvoldoende om het Openbaar Ministerie op te dragen de verzochte openheid over eventuele financiële afspraken in het kader van de beschermingsovereenkomst te laten geven. Zoals de rechtbank in de beslissing van 13 juli 20214.in de zaken van medeverdachten over deze iPhone-berichten reeds heeft overwogen, lijkt het er in die berichten op dat de kroongetuige spreekt over wat hij wenst in het kader van de (onderhandelingen over de) getuigenbescherming en blijkt daaruit niets over waar het Openbaar Ministerie mee akkoord is gegaan en wat uiteindelijk met de kroongetuige ten aanzien van de getuigenbescherming is overeengekomen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van de vragen onder 2.
17. De beoordeling die de rechtbank moet maken van de betrouwbaarheid van de kroongetuige betreft zijn verklaringen over aan de medeverdachten tenlastegelegde feiten. Deze verklaringen zal de rechtbank moeten toetsen aan de hand van wat het dossier verder bevat en niet aan de hand van de mogelijke uitkomsten van een eventueel uitgevoerd psychologisch onderzoek. Hierin ziet de rechtbank dan ook niet het belang van de verdediging om de vragen ter beantwoording voor te leggen aan de TBG-officier van justitie.
18. Voor zover de verdediging aan het verzoek nog ten grondslag heeft gelegd dat zij in algemene zin inzicht wenst te krijgen in de persoonlijkheid van de kroongetuige, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat dit van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Slotsom
19. Ten aanzien van de geparkeerde vragen is de slotsom dat de kroongetuige wordt belet de eerste vraag te beantwoorden en dat hij zich ten aanzien van de tweede vraag op zijn verschoningsrecht kan beroepen.
Het verzoek om de twee vragen aan de TBG-officier van justitie voor te leggen wordt afgewezen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑11‑2022
ECLI:NL:RBAMS:2011:6880.
Uitspraak 07‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de terechtzitting van 15 september 2022
Beslissing van de rechtbank op verzoeken in de zaak van verdachte [verdachte] met betrekking tot de kwestie levenslang, besproken op de regiezitting van 15 september 2022
Verzoeken van de verdediging
1. De verdediging heeft naar aanleiding van de op 5 september 2022 door het Openbaar Ministerie verstrekte correspondentie met de Colombiaanse autoriteiten verzocht om een aantal getuigen te horen alsmede om het verstrekken van stukken. Volgens de verdediging kan er op basis van de uitleveringsbeslissing geen misverstand over bestaan dat verdachte is uitgeleverd onder de voorwaarde dat hem geen levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd. Echter, is er – zo blijkt uit de op 5 september 2022 verstrekte stukken – nadien correspondentie met de Colombiaanse autoriteiten gevoerd waaruit het Openbaar Ministerie nu concludeert dat er geen voorwaarden aan de uitlevering zijn gesteld. De verdediging wijst op het antwoord van de Colombiaanse autoriteiten van 15 februari 2022 waarin staat dat zij de uitlevering hebben gelast ‘zonder aan zijn uitlevering voorwaarden te verbinden, onverminderd de waarschuwingen die in dezelfde beslissing zijn gegeven en ten aanzien waarvan het de verantwoordelijkheid van het verzoekende land is om de rechten van zijn onderdaan in het kader van het respectieve proces en overeenkomstig zijn interne regelgeving te waarborgen (…)’. In dat antwoord wordt gesteld dat de Colombiaanse autoriteiten zich hierin niet kunnen mengen en hun regelgeving niet kunnen opleggen. Dit standpunt wordt nog eens herhaald in de brief c.q. het ambtsbericht van 29 juni 2022.
2. De verdediging heeft allereerst verzocht om het horen van de verbindingsofficier van de recherche van het Koninkrijk der Nederlanden. De verdediging wenst deze getuige te bevragen over, kort samengevat, wat de aanleiding is geweest voor het versturen van deze correspondentie en of daaraan voorafgaand overleg, en zo ja met wie, is geweest. Aangezien de brieven van de verbindingsofficier van justitie ontbreken, verzoekt de verdediging om verstrekking van de schriftelijke stukken die als eerste aan de Colombiaanse autoriteiten zijn verstuurd. Subsidiair wordt verzocht om inzage in de volledige correspondentie en communicatie tussen Colombia en Nederland aangaande het uitleveringsverzoek van verdachte. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om het horen als getuige van [naam 1] , directeur internationale juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Colombia, en [naam 2] , directeur internationale zaken. Zij zijn respectievelijk ontvanger en afzender van de brief van 29 juni 2022. De verdediging wenst hen te bevragen over de totstandkoming van deze brief; waarom werd deze brief verzonden gelet op het eerdere bericht? De verdediging wenst hen te kunnen bevragen teneinde de waarde van de mededeling te kunnen toetsen. Kernvraag is uiteindelijk: Zou Colombia verdachte ook hebben uitgeleverd wanneer zij op dat moment wist dat in Nederland een levenslange gevangenisstraf zal worden geëist en ook kan worden opgelegd? De verdediging stelt dat dit niet het geval zou zijn geweest. In dat geval zou een uitlevering immers in strijd komen met hun eigen grondwet. Tenslotte wenst de verdediging de advocaat van verdachte in zijn Colombiaanse uitleveringsprocedure en een Colombiaans deskundige op het gebied van uitlevering (uitleveringsrecht) te horen. De verdediging wenst deze getuigen eveneens de aangehaalde kernvraag voor te leggen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
3. Het Openbaar Ministerie heeft op vragen van de verdediging geantwoord dat de verstrekte correspondentie is gevoerd naar aanleiding van vragen van het zaaks-Openbaar Ministerie aan het LIRC om een nadere toelichting op de tekst van de uitleveringsbeslissing van 18 augustus 2021. De vragen die in dat kader via het LIRC/AIRS aan de Colombiaanse autoriteiten zijn gesteld zijn opgenomen in de stukken die op 5 september 2022 per mail zijn toegezonden.
De antwoorden op die vragen zijn duidelijk: de Colombiaanse autoriteiten hebben geen voorwaarden verbonden aan de uitlevering van verdachte en Nederland is vrij om te bepalen welke straf zij aan haar eigen onderdanen, zoals verdachte, oplegt – zelfs als dat een levenslange gevangenisstraf is. Daarover laten de brieven van de Colombiaanse autoriteiten geen twijfel bestaan. Overigens is in het uitleveringsverzoek ook expliciet opgenomen dat ten aanzien van maar liefst drie van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd. Er is dan ook geen enkele onderbouwing voor de stelling van de verdediging dat Colombia verdachte niet zou hebben uitgeleverd als zij zouden hebben geweten dat er in Nederland een levenslange gevangenisstraf kon worden opgelegd. In het verlengde hiervan wijst het Openbaar Ministerie er nog dat op grond van het vertrouwensbeginsel als uitgangspunt geldt de juistheid van de mededelingen die worden gedaan door de buitenlandse justitiële autoriteiten. Het verhoren van deze autoriteiten om te vragen naar de totstandkoming van een brief of de inhoud daarvan druist in tegen dit beginsel. Het Openbaar Ministerie ziet dan ook geen aanleiding voor het horen van de Colombiaanse ambtenaren [naam 1] en [naam 2] , of de Colombiaanse uitleveringsadvocaat of een Colombiaanse deskundige op het gebied van het uitleveringsrecht. Deze verzoeken moeten worden afgewezen. Subsidiair, voor het geval de rechtbank toch aanleiding ziet om op dit punt nadere vragen te stellen, stelt het Openbaar Ministerie voor deze vragen schriftelijk aan de autoriteiten van Colombia te stellen.
Oordeel van de rechtbank
4. In het persoonsdossier van verdachte bevinden zich onder andere de beslissing van de Colombiaanse autoriteiten van 18 augustus 2021 op het uitleveringsverzoek van verdachte (pagina 266 en verder) en de beslissing van de Colombiaanse autoriteiten op het door verdachte tegen die beslissing ingestelde hoger beroep van 27 oktober 2021 (pagina 274 en verder). In de beslissing van 18 augustus 2021, staat – in de Nederlandse vertaling en voor zover hier van belang – :
“Overwegende (…)
6. Dat de Strafrechtkamer van de Hoge Raad op 7 juli 2021* een uitspraak heeft gedaan, waarin aangegeven werd dat is voldaan aan alle voorwaarden die in de op deze zaak toepasbare rechtsregels worden gesteld, reden waarom de HR het verzoek tot uitlevering van de Marokkaans-Nederlandse burger [verdachte] inwilligt.
* verzoek daartoe ingesteld door het Ministerie van Justitie en Recht van 28 juli 2021
Toelichting van de Raad:
“4. Oordeel van de Strafrechtkamer:
Gelet op de voorgaande overwegingen geeft de Strafrechtkamer van de Hoge Raad een gunstig advies af met betrekking tot het door de Nederlandse Regering uitgebrachte verzoek tot uitlevering van de Nederlandse burger [verdachte] , (…)
4.1
Voorwaarden
Aangezien de uit te leveren persoon een buitenlands burger is, rust op de regering van Colombia de plicht om bij het toestaan van de uitlevering te bedingen dat de persoon in kwestie in geen geval wordt berecht voor andere feiten dan die welke het uitleveringsverzoek motiveren (dat wil zeggen de feiten die zich tussen 16 juli 2015 en 14 januari 2017 in Nederland hebben afgespeeld), dat er bij de strafoplegging in het verzoekende land rekening wordt gehouden met de tijd die de uit te leveren persoon hier gedurende het verloop van de procedure in detentie heeft doorgebracht, en voorts dat hij niet het slachtoffer zal worden van gedwongen verdwijning, foltering, wrede, onmenselijke of vernederende straffen of behandeling, verbanning, levenslange gevangenisstraf of confiscatie. (…)
7. Dat gelet op de uitspraak van de Strafrechtkamer van de Hoge Raad (…) toestemming wordt gegeven voor de uitlevering van Marokkaans-Nederlandse burger [verdachte] (…)
9. Dat de Colombiaanse Regering op basis van het bepaalde in artikel 494 van Wet 906 van 2004 verplicht is om de Nederlandse Regering erop te wijzen dat de burger om wiens uitlevering verzocht wordt niet kan worden berecht op grond van eerder begane feiten, anders dan die welke het uitleveringsverzoek motiveren, en dat hij niet het slachtoffer mag worden van gedwongen verdwijning, foltering, wrede, onmenselijke of vernederende straffen of behandeling, verbanning, levenslange gevangenisstraf of confiscatie.
(…)
BESLUIT:
Op grond van het hierboven uiteengezette:
ARTIKEL ÉÉN: de uitlevering van Marokkaans-Nederlandse burger [verdachte] (…) toe te staan (…)
ARTIKEL DRIE: de Nederlandse Regering erop te wijzen dat de burger om wiens uitlevering verzocht wordt niet kan worden berecht op grond van eerder begane feiten, anders dan die welke het uitleveringsverzoek motiveren, en dat hij niet het slachtoffer mag worden van gedwongen verdwijning, foltering, wrede, onmenselijke of vernederende straffen of behandeling, verbanning, levenslange gevangenisstraf of confiscatie, één en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 494 van Wet 906 van 2004.”
5. Bij beslissing van 27 oktober 2021 op het ingestelde hoger beroep is de beslissing van 18 augustus 2021 bekrachtigd. Hierin staat, voor zover hier van belang:
“(…) Tot slot is het – geelet op het feit dat de uit te leveren persoon een buitenlands burger is – van belang eraan te herinneren dat de Nederlandse Regering er in de administratieve akte waartegen beroep is aangetekend op gewezen wordt dat de uit te leveren persoon niet berecht mag worden voor feiten voorafgaand en anders dan die welke het uitleveringsverzoek motiveren, dat hij niet het slachtoffer mag worden van gedwongen verdwijning, foltering, wrede, onmenselijke of vernederende straffen of behandeling, verbanning, levenslange gevangenisstraf of confiscatie, en dat hij er recht op heeft dat men in de verzoekende staat rekening houdt met de periode die hij hier in verband met de uitleveringsprocedure heeft vastgezeten (…)
en BESLUIT
gelet op het voorgaande:
ARTIKEL ÉÉN: Uitvoeringsbeschikking 177 van 18 augustus 2021 te bekrachtigen, volgens welke het Koninkrijk der Nederlanden toestemming kreeg voor uitlevering van de Marokkaans-Nederlandse burger [verdachte] (…)”
6. De recent door het Openbaar Ministerie verstrekte correspondentie betreft onder meer een drietal brieven (met vertaling) van de Colombiaanse autoriteiten, te weten van [naam 2] , directeur internationale zaken, aan [naam 1] , directeur internationale juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze brieven zijn steeds door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Colombia aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt.
6.1.
In de (eerste) brief van 17 januari 2022 wordt (eerst) de vraag van de verbindingsofficier van justitie vermeld, namelijk:
“In het document wordt bepaald dat [verdachte] niet kan worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, en wordt verwezen naar een artikel uit de Colombiaanse wet. Is het mogelijk hierover uitleg te krijgen? Waarom is dit een totaal verbod op een levenslange gevangenisstraf of is dit een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating?”
Als antwoord wordt in de brief gegeven:
“Om antwoord te geven op deze vragen moet erop worden gewezen dat het volgens de Colombiaanse wetgeving verboden is een levenslange gevangenisstraf op te leggen zonder hierbij een strafmodaliteit te bepalen, of aan te geven of deze straf levenslang is of niet. De grondslag voor dit verbod ligt verankerd in artikel 34 van de Colombiaanse Grondwet, waarin het volgende wordt bepaald: “Artikel 34. De straffen verbanning, levenslange gevangenisstraf en inbeslagname zijn verboden.”
Daarnaast is in artikel 494 van het Colombiaanse Wetboek van Strafvordering, met betrekking tot uitlevering, bepaald dat de uitgeleverde persoon (….) niet mag worden onderworpen aan (…) levenslange gevangenisstraf. In het geval van de heer [verdachte] heeft de Colombiaanse overheid, middels Uitvoeringsbesluit nr. 177 van 18 augustus 2021, ingestemd met de uitlevering en opdracht gegeven de heer [verdachte] uit te leveren aan het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij wordt gewezen op hetgeen is beschreven in de hiervoor genoemde wet.”
6.2
In de tweede brief van 15 februari 2022 wordt (eerst) de vraag van de verbindingsofficier van justitie vermeld, namelijk:
“(…) Om [verdachte] uit te leveren, hebben de Colombiaanse autoriteiten geen voorwaarden gesteld of garanties geëist. Het voorgaande in aanmerking nemende dat de Nederlandse autoriteiten in hun wettelijke voorschriften de gedraging waarvan [verdachte] wordt beschuldigd, kunnen bestraffen met een levenslange gevangenisstraf. Dit is van zeer groot belang voor de Nederlandse autoriteiten”.
Vervolgens wordt in de brief geciteerd uit de beslissing van 18 augustus 2021 en aansluitend het volgende vermeld, voor zover hier van belang:
“ARTIKEL DRIE: De verzoekende Staat te waarschuwen dat de uitgeleverde onderdaan niet mag worden berecht voor een eerdere en andere daad dan die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt, en evenmin mag worden onderworpen aan gedwongen verdwijning, foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, verbanning, levenslange gevangenisstraf of confiscatie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 494 van wet 906 van 2004.
Onderstreping en vet buiten de tekst
Uit het voorgaande blijkt dat de Colombiaanse regering, aangezien het een door zijn land van herkomst gevraagde onderdaan betreft, de overlevering van [verdachte] heeft gelast zonder aan zijn overlevering voorwaarden te verbinden, onverminderd de waarschuwingen die in dezelfde beslissing zijn gegeven en ten aanzien waarvan het de verantwoordelijkheid van het verzoekende land is om de rechten van zijn onderdaan in het kader van het respectieve proces en overeenkomstig zijn interne regelgeving te waarborgen; hierin kan de Colombiaanse Staat zich niet mengen en evenmin kan hij de specifieke inhoud van de Politieke Grondwet van Colombia aan de andere Staat opleggen, zoals door het Hooggerechtshof is geformuleerd voor uitleveringen van vreemdelingen (Concepten van 7 september 2011, Rad. 36818 en 24 april 2013, Rad. 40489).”
6.3.
In de (derde) brief van 29 juni 2022 wordt (eerst) de vraag van de Nederlandse autoriteiten weergegeven:
“Is het mogelijk om de Nederlandse autoriteiten een toelichting te verstrekken aangaande artikel 3, conform hetgeen vermeld wordt in de brief van 15 februari 2022, in verband met de levenslange gevangenisstraf en de uitlevering van de Nederlandse burger, dhr. [verdachte] ? En zou een mogelijke veroordeling tot levenslange gevangenisstraf van de Nederlandse burger dhr. [verdachte] , in Nederland, indruisen tegen de Colombiaanse wetgeving?”
Het antwoord dat in de brief vervolgens wordt gegeven luidt:
“Met betrekking tot dit punt zou dit Ministerie graag willen herhalen dat uiteen is gezet in ons ambtsbericht (…) van 15 februari 2022, namelijk dat de Colombiaanse regering geen enkele voorwaarde heeft gesteld aan de uitlevering van de heer [verdachte] , omdat het om een staatsburger gaat wiens uitlevering is verzocht door zijn land van herkomst. Dit is de interpretatie die het Hooggerechtshof heeft gegeven aan zaken betreffende de uitlevering van buitenlandse burgers waarvan de uitlevering is verzocht door hun land van herkomst, waarbij is gepreciseerd dat de specifieke bepalingen van onze Politieke Grondwet in dergelijke gevallen niet kunnen worden opgelegd aan de verzoekende staat [Concepten van 7 september 2011 (Kenmerk 36818) en van 24 april 2013 (Kenmerk 40489)].
In reactie op de gestelde vragen, wordt hierbij aangegeven dat indien een land, in dit geval: het Koninkrijk der Nederlanden, een persoon opeist van de nationaliteit van dat land (de Nederlandse), de berechting en de eventuele veroordeling van die persoon toekomt aan het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden, aangezien het voor de Colombiaanse staat niet mogelijk is om in dergelijke gevallen de Colombiaanse regelgeving op te leggen.
Gezien het voorstaande zijn de beperkingen van de Colombiaanse wetgeving niet van toepassing, waardoor het land zelf (dat wil zeggen, het Koninkrijk der Nederlanden) kan bepalen welke straf moet worden opgelegd aan de burger met de nationaliteit van dat land, met inbegrip van de genoemde sanctie conform de bepalingen van de wetgeving van dat land. (…)”
7. De bewoordingen van de hiervoor onder 4. en 5. weergeven citaten uit de beslissingen op het uitleveringsverzoek hebben bij de rechtbank de indruk gewekt dat de Colombiaanse autoriteiten aan de uitlevering de voorwaarde hebben verbonden dat verdachte niet bestraft mag worden met een levenslange gevangenisstraf. Dat die indruk aanvankelijk ook bij het Openbaar Ministerie bestond zou kunnen worden afgeleid uit het feit dat in eerste instantie, in het licht van de in Nederland gevoerde discussie over de levenslange gevangenisstraf, aan de Colombiaanse autoriteiten onder andere is gevraagd of zij met ‘levenslang’ bedoelen ‘levenslang zonder kans op vervroegde vrijlating’. In de later gevolgde correspondentie, zoals onder 6. weergegeven, wordt, met verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, echter geschreven dat de Colombiaanse autoriteiten geen voorwaarden hebben verbonden aan de uitlevering.
8. De rechtbank acht voor de (eventuele) beantwoording van de vraag welke straf aan verdachte kan worden opgelegd van belang dat over de bovengenoemde (mogelijke) tegenstelling aan de Colombiaanse autoriteiten (nogmaals) uitleg wordt gevraagd. Daarbij speelt een rol dat de gevolgen van het al dan niet bestaan van een dergelijke voorwaarde zeer groot kunnen zijn voor verdachte en dat de rechtbank daarom iedere mogelijke onduidelijkheid op dit punt wil vermijden. Daarom wenst de rechtbank van de Colombiaanse autoriteiten te vernemen of het, gelet op de inhoud van de beslissing tot uitlevering, toegestaan is om aan verdachte een levenslange gevangenisstraf op te leggen. De concrete vragen die daarbij dan aan de Colombiaanse autoriteiten dienen te worden gesteld zijn:
1. Hebben de Colombiaanse autoriteiten aan het Besluit tot uitlevering van 18 augustus 2021 (na hoger beroep bekrachtigd op 27 oktober 2021) de voorwaarde verbonden dat aan verdachte [verdachte] geen levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd?
2. In het geval het antwoord op de vorige vraag ‘nee’ is: Hoe verhoudt dit zich tot de in dit Besluit geciteerde overweging van 7 juli 2021 van de Hoge Raad, met de onder 4.1 opgesomde voorwaarden, en artikel 3 van dit Besluit?
9. De rechtbank draagt het Openbaar Ministerie op deze vragen op de gebruikelijke wijze (via AIRS) aan de Colombiaanse autoriteiten voor te leggen ter beantwoording. Ter voorkoming van eventuele onduidelijkheden over de (achtergrond van de) vraagstelling draagt de rechtbank het Openbaar Ministerie tevens op om deze beslissing ten behoeve van de Colombiaanse autoriteiten te laten vertalen vanaf overweging 4 (Oordeel van de rechtbank). Waar in de overwegingen citaten uit de stukken van de Colombiaanse autoriteiten worden weergegeven, dient de tekst van de originele Spaanstalige stukken te worden weergegeven.
10. De rechtbank wijst het verzoek tot verstrekking van de gevraagde correspondentie af. Aangezien de vragen van de Nederlandse autoriteiten zijn weergegeven in de beantwoording van de vragen door de Colombiaanse autoriteiten, acht de rechtbank het belang van de verdediging bij verstrekking van de gevraagde stukken onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor het subsidiaire verzoek tot inzage in de verzochte correspondentie.
11. De rechtbank wijst eveneens het horen van de verzochte getuigen af, nu voorshands volstaan kan worden met het schriftelijk beantwoorden van de hiervoor geformuleerde vragen.
Uitspraak 04‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de terechtzitting van 19 september 2022
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de terechtzitting van 19 september 2022
In de zaak van verdachte [verdachte 1]
Verzoeken ten aanzien van de uitzending op Videoland van “ [naam documentairemaker] : mee met de zware jongens”
1. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie de volgende vragen te doen beantwoorden:
- Is door het Openbaar Ministerie toestemming gegeven voor het maken van opnames tijdens het vervoer door het BOT-team van verdachte [verdachte 1] ?
- Is door het Openbaar Ministerie toestemming gegeven, dat [naam documentairemaker] en eventuele anderen, zoals de medewerkers van het TV programma, kennis nemen van de persoonsgegevens en overige (strafrechtelijke) gegevens van deze verdachte, zoals huis van bewaring, foto, wijze van vervoer, enz.
- Zo ja, op grond waarvan is deze toestemming verleend en in hoeverre is de veiligheid, privacy en onschuldpresumptie van hem meegenomen in deze overweging?
- Zo nee, is het Openbaar Ministerie bekend met de documentaire en heeft zij overwogen om de uitzending van die documentaire te doen stoppen?
- Kan het Openbaar Ministerie hoe dan ook, thans op de hoogte van de documentaire vanuit haar functie in het kader van de bejegening van de in detentie verkerende en de zorg ex art 2 en 3 EVRM in dat kader bewerkstelligen, dat het item betreffende verdachte [verdachte 1] uit de uitzending wordt geschrapt.
2. De verdediging heeft daarnaast verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen dat het zich voortaan onthoudt van het verschaffen van toegang tot of verstrekken van gegevens, beeltenissen of ander materiaal uit deze strafprocedure omtrent verdachte [verdachte 1] aan derden uit media of anderen.
3. De verdediging heeft aangevoerd dat [naam documentairemaker] in de genoemde uitzending meeloopt met het Bijzondere Ondersteuningsteam (BOT) van het ministerie van Justitie tijdens een transport van verdachte [verdachte 1] . Diens voornaam en de plek waar hij thans gedetineerd is, wordt aan het begin van de uitzending tijdens de briefing genoemd. Zijn foto is bovendien voor de aanwezigen in die briefing getoond. In de uitzending is deze wat geblurd, maar kennelijk was deze wel zichtbaar voor [naam documentairemaker] . In de uitzending wordt bovendien door het BOT ingegaan op allerlei beschuldigingen tegen deze verdachte als zou hij over onder andere macht en middelen beschikken en een vertrouweling zijn van, en hoog in de boom zitten in relatie tot [verdachte 2] . Er werd ook gerefereerd aan reëel ontsnappingsgevaar van de verdachte.
Verdachte heeft geen toestemming gegeven voor deze uitzending en was daarvan ook niet op de hoogte. Niet alleen wordt zijn privacy ernstig geschonden, de vermelding van zijn huidige detentielocatie is zeer gevaarzettend voor hem. Ook het uitzenden van (belasterende) informatie over hem, terwijl hij bovendien slechts verdachte is, is naast een schending van zijn privacy ook in strijd met de onschuldpresumptie. Bovendien dient de inzet van het BOT-team ook ter bescherming van de verdachte. Met het blootleggen van de wijze van vervoer en het noemen van zijn persoonlijke gegevens, wordt hij juist in gevaar gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft de zorgplicht voor de waarborgen ex artikel 2, 3 en 8 EVRM bij de executie van de voorlopige hechtenis en de integriteit van het onderzoek en eerlijkheid van het proces ex art 6 EVRM.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
4. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Eerder zijn er op de zitting al discussies gevoerd over publicaties in de media. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie telkens aangegeven dat vragen over dit soort publicaties niet thuishoren in deze strafzaak. Als de verdediging bezwaren heeft tegen berichtgeving in de media, dan zijn daar andere kanalen voor. Het Openbaar Ministerie ziet daar geen zorgplicht. Het zaaks-Openbaar Ministerie inzake Marengo wist niet van deze documentaire.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank wijst de verzoeken af. De vragen opgesomd onder 1. zijn beantwoord door het zaaks-Openbaar Ministerie inzake Marengo met de mededeling dat zij niet van de documentaire afwist. De rechtbank ziet dan geen belang meer bij verdere beantwoording van de vragen. De totstandkoming van de documentaire en de uitzending daarvan op Videoland, of enig ander (televisie)kanaal, valt buiten het bestek van deze strafprocedure. Er bestaat dan ook geen aanleiding de gevraagde opdracht aan het Openbaar Ministerie te verstrekken. Indien de verdediging een punt wil maken van de media-aandacht en de rol van het Openbaar Ministerie daarbij, dan kan dat bij pleidooi.
In de zaak van verdachte [verdachte 2]
Verzoeken ten aanzien van een artikel in De Telegraaf
6. De verdediging heeft naar aanleiding van een artikel in De Telegraaf van 17 september 2022 van [naam verslaggever] omtrent verdachte [verdachte 2] verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen:
- De vier brieven, die verdachte [verdachte 2] aan [naam 1] . heeft verzonden aan de verdediging te verstrekken, zodat de verdediging de mogelijkheid heeft deze te publiceren en eventueel te laten voegen in het dossier.
7. De verdediging heeft daarnaast verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de volgende vragen te beantwoorden:
- Of, en zo ja, in welke zin het Openbaar Ministerie enigerlei informatie heeft gedeeld met media, zoals De Telegraaf en/of met Kamerleden zoals U. Ellian, omtrent de betrokkenheid van verdachte [verdachte 2] bij enigerlei agressieve actie jegens prinses Amalia en/of Rutte. Zo ja, op grond van welke gegevens en beweegredenen.
- Of, en zo ja, het Openbaar Ministerie enigerlei informatie heeft gedeeld met media, zoals De Telegraaf en/of Kamerleden zoals U. Ellian, omtrent de betrokkenheid van verdachte [verdachte 2] bij of gevaren omtrent jihadistische contacten, al of niet met [naam 1] .
- Of en in welke zin het Openbaar Ministerie op de hoogte is omtrent de briefcontacten met [naam 1] . en of het klopt dat deze altijd werden gecontroleerd en goedgekeurd door de controlerende instanties.
- Of, en zo ja, in welke zin het Openbaar Ministerie heeft kennis genomen voor of na deze voorliggende publicatie van De Telegraaf. Zo ja, of er informatie daarbij is verstrekt omtrent verdachte [verdachte 2] en, zo ja, welke en of, en zo ja, wijzigingen of suggesties omtrent de tekst zijn gegeven en wat de overwegingen daarbij zijn geweest.
8. De verdediging verzoekt tevens het Openbaar Ministerie op te dragen aan te geven of ten aanzien van het genoemde artikel voorafgaand met De Telegraaf overleg is geweest en zo ja in welke zin over het moment van verschijnen van dit artikel.
9. De verdediging verzoekt voorts het Openbaar Ministerie op te dragen om vanuit haar functie in het kader van de bejegening van de in detentie toevertrouwde en de zorg ex art 2 en 3 EVRM en de eerlijkheid van het proces ex art 6 EVRM en de onschuldpresumptie in dat kader een onderzoek te verrichten naar de wijze waarop kennelijk vanuit de EBI allerlei zeer persoonlijke, mogelijk opzettelijk onjuiste gevaarzettende informatie omtrent geloof, briefwisselingen, detentie-omstandigheden en contacten worden verstrekt aan daartoe niet bevoegden, zoals de hier bedoelde Telegraaf-journalist en U. Ellian. De verdediging verzoekt de resultaten van dat onderzoek te verstrekken ter eventuele voeging in het dossier.
10. De verdediging verzoekt daarnaast het Openbaar Ministerie op te dragen om vanuit haar functie in het kader van de bejegening van de in detentie toevertrouwde en de zorg ex art 2 en 3 EVRM en de eerlijkheid van het proces ex art 6 EVRM en de onschuldpresumptie in dat kader een rectificatie te bewerkstelligen van de kennelijk onjuiste beschuldigingen jegens verdachte [verdachte 2] in dat artikel en toekomstige schendingen te voorkomen.
11. De verdediging heeft aangevoerd dat in het artikel verdachte [verdachte 2] in een zeer suggestief verband wordt gebracht met voorbereidingen op een aanslag op prinses Amalia en premier Rutte en connecties met jihadisten. Het artikel zou zijn gebaseerd op bronnen als politie en het Openbaar Ministerie. Tweede Kamerlid U. Ellian figureert zeer prominent in het artikel en stelt allerlei, overigens onjuiste, informatie als afkomstig uit de EBI omtrent verdachte [verdachte 2] te weten. Zo zou verdachte [verdachte 2] niet stoppen met zijn moorddadige en misdadige activiteiten en is het daarom van het grootste belang om ervoor te zorgen dat hij zo min mogelijk kan communiceren vanuit detentie. [naam verslaggever] stelt hier over in het artikel dat men binnen opsporingskringen blij is met het initiatief van Ellian daaromtrent. De verdediging begrijpt hieruit dat dit soort desinformatie wordt gesteund door opsporingskringen. Het artikel bevat bovendien aanvullend nog een grote hoeveelheid onjuiste informatie, kennelijk met het doel de detentie en het strafproces van verdachte [verdachte 2] te benadelen. Door dit soort mediaberichten ontstaat groot gevaar voor verdachte en zijn naasten en vooral ook voor beïnvloeding van de rechtbank.
De verdediging meent dat dit soort ernstig suggestieve berichtgeving kennelijk dient (steeds weer) ter verstoring van het strafproces tegen verdachte [verdachte 2] gelet op het verschijnen ervan rond de tijd dat zittingen plaatsvinden. De vrees is dat uiteindelijk de rechtbank in het zicht van al deze intimiderende berichten niet meer eerlijk volgens het geldend recht zal durven te berechten. De verdediging wijst er verder op dat het verblijf in de EBI van verdachte [verdachte 2] is omgeven met strenge ordemaatregelen en dat deze verder zijn verscherpt na de betreffende publicatie. De verdediging wil het gevraagde ter onderbouwing van de onzorgvuldigheid waarmee het Openbaar Ministerie de al benoemde zorgplicht voor de eerlijkheid van dit proces en de privacy en veiligheid van verdachte [verdachte 2] bejegent in het kader van de daaromtrent door de rechtbank te nemen beslissingen ex artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
12. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Eerder zijn er op de zitting al discussies gevoerd over publicaties in de media. Daarbij is telkens aangegeven dat vragen over dit soort publicaties naar het oordeel van het Openbaar Ministerie niet thuishoren in deze strafzaak. Het Openbaar Ministerie ziet daar geen zorgplicht.
Het klopt dat er zicht is op de correspondentie van verdachte [verdachte 2] . De verdediging heeft gesteld dat de maatregel die afgelopen zaterdag is genomen (in de EBI) gebaseerd zou zijn op onjuiste informatie uit de media en het krantenartikel. Het Openbaar Ministerie merkt op dat de maatregelen die ten aanzien van communicatie of verdachte [verdachte 2] zelf zijn genomen, altijd worden onderbouwd met de informatie die tot de maatregel die is opgelegd hebben geleid. Dat geldt ook voor de maatregel die afgelopen zaterdag aan verdachte [verdachte 2] is opgelegd. Mocht hij of de verdediging van mening zijn dat die informatie de oplegging van de maatregel niet rechtvaardigt, dan is daar een andere procedure voor.
Oordeel van de rechtbank
13. De rechtbank heeft inmiddels vastgesteld, middels (media)berichtgeving, dat de hier bedoelde brieven tussen verdachte [verdachte 2] en [naam 1] . kennelijk in handen van de verdediging zijn gekomen en door haar openbaar zijn gemaakt. De verdediging heeft daarom geen belang meer bij een beslissing op het verzoek onder 6.
De rechtbank wijst de (overige) verzoeken onder 7. tot en met 10. af. De totstandkoming van een artikel en publicatie ervan, zoals het bedoelde krantenartikel van [naam verslaggever] , valt buiten het bestek van deze strafprocedure. Er bestaat dan ook geen aanleiding de gevraagde opdrachten te geven aan het Openbaar Ministerie. Indien de verdediging een punt wil maken van de media-aandacht en de rol van het Openbaar Ministerie daarbij, zoals bij de onderbouwing van het verzoek is aangekondigd, dan kan dat bij pleidooi.
Uitspraak 28‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 13 september 2022
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 13 september 2022
1. Aan de regiezitting van 13 september 2022 is een schriftelijke ronde voorafgegaan. Mrs. Schouten en De Jong hebben namens verdachte [verdachte 1] bij e-mailberichten van 25 juli 2022 en 5 september 2022 hun onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 12 september 2022 schriftelijk op deze onderzoekswensen gereageerd.
2. Mr. I.N. Weski heeft namens verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] op 20 augustus 2022 en op 22 augustus 2022 (alleen namens verdachte [verdachte 5] ) onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 30 augustus 2022 schriftelijk op deze onderzoekswensen gereageerd.
3. Mr. G.N. Weski heeft namens verdachte [verdachte 2] op 25 augustus 2022 en (aanvullend op) 12 september 2022 schriftelijk onderzoekswensen ingediend. Hierop heeft het Openbaar Ministerie op 12 september 2022 schriftelijk gereageerd.
4. Mr. Meijering heeft namens verdachte [verdachte 6] een verzoek gedaan tot voeging van een schriftelijk stuk aan de processtukken, welk stuk hij al eerder, namelijk bij e-mailbericht van 15 juni 2022, had toegezonden aan het Openbaar Ministerie en de rechtbank. Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk op dit verzoek gereageerd op 12 september 2022.
5. Op 13 september 2022 heeft ter openbare zitting de mondelinge bespreking van de onderzoekswensen plaatsgehad en heeft re- en dupliek plaatsgevonden. Mr. I.N. Weski heeft zich bij die gelegenheid aangesloten bij het verzoek van mr. Meijering.
6. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane onderzoekwensen.
7. De onderzoekswensen van de verdediging van verdachte [verdachte 7] zijn besproken op de alleen in zijn zaak gehouden regiezitting van 15 september 2022. Op het merendeel van die onderzoekswensen is door de rechtbank heden afzonderlijk beslist. De beslissing op het restant van de onderzoekswensen volgt later.
In de zaak van verdachte [verdachte 1]
Herhaald verzoek met betrekking tot het horen van getuigen in verband met de aftrek van de detentie van de ‘wapenzaak’
Inleiding
8. De rechtbank heeft bij beslissing van 3 juni 20221.de verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen afgewezen. Dat verzoek werd gedaan ter onderbouwing van de stelling, dat bij verdachte [verdachte 1] het vertrouwen is gewekt dat de detentie in de ‘wapenzaak’ (acht maanden) zou worden verrekend en dat het mislopen van de detentiefasering zou worden gecompenseerd. De rechtbank heeft wel aanleiding gezien om ambtshalve onderzoek te (laten) doen naar hoe de gestelde afspraak zich verhoudt tot hetgeen in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken is opgenomen over niet toelaatbare toezeggingen, in het bijzonder in artikel 5 onder 6.
9. Dit ambtshalve onderzoek hield in het horen van [naam 1] bij de rechters-commissaris over zijn reactie in een e-mail op een berekening die hem door de huidige raadslieden van verdachte [verdachte 1] was voorgehouden. Die reactie hield in, kort gezegd, dat [naam 1] zich de berekening herinnert als wat [naam 2] hem had verteld en dat hij meent dat [naam 2] in dit verband ook nog zei dat het een ‘gentlemen’s agreement’ was met [naam 3] . Als de rechters-commissaris daartoe aanleiding zouden zien diende daarna [naam 3] als getuige te worden gehoord. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in het geval [naam 1] zich op zijn verschoningsrecht beroept en dat beroep wordt gehonoreerd, dat de desbetreffende passage ter reactie wordt voorgelegd aan [naam 3] .
10. Desgevraagd door de rechters-commissaris heeft [naam 1] aan hen op 12 juni 2022 laten weten dat hij geen vragen uit eigen wetenschap kan beantwoorden omdat hij niet bij de deal betrokken was, hij zich op zijn verschoningsrecht zal beroepen en geen enkele vraag zal beantwoorden. De rechters-commissaris hebben vervolgens afgezien van een oproep voor verhoor van [naam 1] en [naam 3] verzocht schriftelijk te reageren. [naam 3] heeft op 17 juni 2022 schriftelijk gereageerd. Bij die reactie is de brief van 22 februari 2022 aan de raadslieden van verdachte [verdachte 1] , waar de rechtbank nog niet over beschikte, gevoegd.
11. De reactie van [naam 3] komt er op neer, kort gezegd, dat er in aanvulling op de schriftelijke overeenkomst geen nadere afspraken zijn gemaakt. De enige uitzondering betreft de afspraak ten aanzien van de mogelijke wijziging van de VI-regeling. [naam 3] schrijft verder dat hij de notitie (waarin de berekening stond, cursief rechtbank) nooit heeft gezien en ook niet kan plaatsen in enig gesprek dat hij met [naam 2] en/of zijn cliënt (verdachte [verdachte 1] , cursief rechtbank) heeft gehad, dat wat [naam 1] daarover heeft gezegd voor zijn rekening komt en dat [naam 1] op geen enkele manier bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken is geweest. De enige ‘gentlemen’s agreement’ die er volgens [naam 3] tussen partijen was, ziet op de genoemde VI-kwestie. [naam 3] heeft ten slotte geschreven dat [naam 4] , destijds als advocaat betrokken bij de totstandkoming van de overeenkomst, geconfronteerd met voornoemde notitie, recentelijk aan hem, [naam 3] , heeft bevestigd dat er ook in zijn beleving en herinnering geen aanvullende afspraken zijn gemaakt in de thans door de raadslieden van de kroongetuige gesuggereerde zin en verder dat [naam 4] ervan op de hoogte is en ermee instemt dat hij, [naam 3] , dit in deze brief kenbaar maakt.
12. De raadslieden van verdachte [verdachte 1] hebben hierop aan de rechters-commissaris laten weten dat verdachte [verdachte 1] [naam 1] ontslaat uit zijn beroepsgeheim/verschoningsrecht voor zover het gaat om zijn wetenschap omtrent de inhoud van hetgeen is besproken en afgesproken door zijn voormalige raadslieden met het Openbaar Ministerie. Desgevraagd door de rechters-commissaris of de mededeling namens verdachte [verdachte 1] een verandering brengt in het standpunt aangaande het verschoningsrecht heeft [naam 1] laten weten dat hij is gebonden aan zijn beroepsgeheim, dat de beoordeling of hij al dan niet gebruik wil maken van het verschoningsrecht enkel aan hem toekomt en dat hij geen vragen zal beantwoorden.
Verzoek van de verdediging
13. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft thans (opnieuw) verzocht om het horen als getuige van [naam 4] , voormalig raadsman van verdachte [verdachte 1] . Daartoe heeft de verdediging gesteld, samengevat, dat wat [naam 3] in zijn brief van 17 juni 2022 schrijft in strijd is met de inhoud van het gesprek dat de verdediging van verdachte [verdachte 1] op 17 maart 2022 heeft gevoerd met [naam 4] . Van dat gesprek is door de verdediging een verslag gemaakt dat ook aan [naam 4] is voorgelegd en welk verslag hij van zijn commentaar heeft voorzien. De verdediging heeft het verslag niet overgelegd maar (alleen) de volgende citaten vermeld:
pagina 1 [naam 4] : “Ik heb dat ook al op papier gezet. Alle gesprekken met [naam 3] , de officier verantwoordelijk voor de deal) zijn op basis van goed vertrouwen geweest. De WWM-zaak heeft als cover gediend. Wij hebben daar geen concrete, nadere afspraken over gemaakt. Wel is er een intentie geweest.”
Opmerking PS: Daarbij is volgens [naam 4] gesproken over wanneer de straf begint. [naam 4] : “Wanneer begint-ie?”)
[naam 4] : “De v.i. hebben we wel meegenomen in die gesprekken. Vanuit het vertrouwen dat we er wel over zouden praten en het zouden oplossen. Ik was ook aan het onderhandelen over de toekomst. Dat [verdachte 1] daar iets mee moest. In [plaatsnaam] had ik bijvoorbeeld op enig moment een wereldkaart meegenomen.” [naam 4] legt uit dat daarop een aantal landen werden aangewezen waar [verdachte 1] mogelijk naartoe kon gaan, als idee om naar de toekomst te kijken.
OdJ: “De aanhouding was een toneelstuk.”
Pagina 3 PS: “Waarom is het dan niet vastgelegd?”
[naam 4] : “Er was geen onherroepelijke uitspraak in de WWM-zaak. Het was zo dat wij in het vertrouwen handelden dat dit allemaal verdisconteerd zou worden. Ik communiceer niet alles op papier. Daar zouden we wel uitkomen. Er is geen afspraak gemaakt, het was de verwachting van ons allemaal (van de personen die aan de besprekingen deelnamen), dat het wel zou worden opgelost, samen met de andere onderdelen van de toekomst.”
OdJ: kan ik het zo samenvatten dat er onder alle deelnemers aan de gesprekken, dus [naam 4] , [naam 2] , [naam 3] , [voormalig officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen], consensus bestond dat er volledige verrekening van de WWM zaak moest plaatsvinden?
[naam 4] : Ja, volgens mij wel.
pagina 4PS: “Wat bedoel je precies, het is niet per se in het belang van [verdachte 1] ?”
[naam 4] : “Je loopt het risico dat de RC zegt: ‘dat kan niet, want dan kom je boven de 50%.’ Dus dan had je het in de deal moeten zetten.”
PS: “Maar de v.i. werd toch ook op deze manier afgesproken en bij de RC neergelegd?’
[naam 4] : “De v.i. was makkelijker. Met de mogelijke verandering van de v.i. kon je überhaupt nog niets concreets, want het was een wetswijziging die er nog niet door was. Met de WWM-zaak kun je het naar de executieve schuiven, want dat begint vanaf het moment dat je begint met hem vast te houden op 14 januari 2017. Dan kun je de voorlopige hechtenis vanaf dat moment aftrekken.”
Opmerking [naam 4] na lezing concept-verslag: Verwijder “De v.i. was makkelijker.”
PS: “Dan ben je afhankelijk van de lankmoedigheid van de rechtbank?”
OdJ: “Ja, wij krijgen niet te horen en merken juist niet dat het OM bereid is er in de eis rekening mee te houden of dat het getuigen-OM ook maar zal aangeven wat er voor vertrouwen is gewekt hierover. Ze willen er niet eens over praten.”
pagina 5 [naam 4] : “Ik ben wel bereid te kijken of ik daar iets aan kan doen. Het was het vertrouwen dat dit in de straf verdisconteerd zou worden. Ik vind het geen probleem om [naam 3] erover te bellen.”
OdJ: “Dat moet hij dan aan ons beide vertellen en ook aan de zaaks-OvJ. [naam 3] moet het dan wel daarheen leiden dat wij een bevestiging van het Zaaks-OM krijgen dat de WWM zaak in de eis wordt verdisconteerd. Wij kunnen dan in pleidooi ook bepleiten waarom dat rechtvaardig en juridisch juist is.”
[naam 4] : “Ja ik ga kijken wat ik kan doen.”
en verderop pagina 5OdJ: “Wat is er in [plaatsnaam] besproken over het mislopen van de detentiefasering?”
[naam 4] : Ja, dat is daar besproken. [voormalig officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen] heeft daarover op een bepaald moment gezegd dat het mislopen van de detentiefasering betekent dat dat je er eerder uit gaat. Dat hebben wij ook bij anderen gedaan dat-ie er eerder uit mag.” Hij noemde daarbij [naam 5] of [naam 6] . Dat heb ik niet scherp.
OdJ: “Dat is gelogen.” (.............)
[naam 4] : “Je detentiefasering loop je mis en daar moet iets tegenover staan. Zo is dat besproken, zo is dat gegaan. Eind 2017, denk ik. Ik weet het in ieder geval van [voormalig officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen]. Ik heb het niet meer helder of ik het ook met [naam 3] heb besproken. Het toekomstdeel heb ik in [plaatsnaam] vooral besproken met [voormalig officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen] en [verdachte 1] .
Opmerking [naam 4] na concept-verslag: “Zo is dat besproken, zo is dat gegaan” wijzigen in “Zo is dat genoemd.”
14. De verdediging wenst [naam 4] nadere vragen te stellen en hem te vragen of zij het goed ziet dat hij tegen hen iets anders zegt dan tegen [naam 3] . Tevens wil de verdediging hem vragen naar het gesprek dat hij kennelijk met [naam 3] heeft gehad. Het verdedigingsbelang is dat als de rechtbank straks bij strafoplegging dient te bepalen of en in hoeverre er bij de strafmaat rekening moet worden gehouden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het van belang kan zijn welk vertrouwen door het Openbaar Ministerie jegens verdachte [verdachte 1] is gewekt. De verdediging verzoekt voorwaardelijk, namelijk als het verhoor van mrs. [naam 4] en [naam 3] daartoe aanleiding geeft, mrs. [voormalig officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen] en [naam 1] te doen horen als getuige.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
15. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het getuigenverzoek moet worden afgewezen. Het heeft daartoe verwezen naar zijn reactie van 20 mei 2022 op het eerdere verzoek van de verdediging met dezelfde motivering.
Oordeel van de rechtbank
16. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de verzochte getuigen om te kunnen onderbouwen dat door het Openbaar Ministerie jegens verdachte [verdachte 1] het vertrouwen is gewekt dat volledige verrekening zou plaatsvinden van de detentie in de ‘wapenzaak’, af. De rechtbank verwijst daartoe naar de beslissing van 3 juni 2022. Daarin heeft de rechtbank het volgende geoordeeld:
“(…) Het al dan niet bestaan van een afspraak tussen het Openbaar Ministerie en verdachte [verdachte 1] met betrekking tot aftrek voor zijn wapenzaak en/of het gemis aan detentiefasering acht de rechtbank voorshands niet van belang voor de eventuele straftoemeting. Wat betreft de veroordeling van verdachte [verdachte 1] in de wapenzaak dient de rechtbank, als het tot strafoplegging komt, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Zij is daarbij niet gebonden aan enige afspraak, zo deze al zou bestaan. Het staat de verdediging vrij om daarover bij pleidooi al hetgeen zij nodig vindt voor de strafmaat naar voren te brengen. (…)”
De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging thans heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De verzoeken worden daarom afgewezen.
Ambtshalve in de zaken van alle verdachten
17. De rechtbank ziet in de aangehaalde citaten uit het gespreksverslag wel aanleiding nog aanvullend ambtshalve onderzoek te (laten) doen naar de vraag of de afspraak is gemaakt dat de detentie in de ‘wapenzaak’ (volledig) zou worden verrekend en dat is genoemd dat er iets moet staan tegenover het mislopen van de detentiefasering. De mededeling in de brief van [naam 3] , dat hij met instemming van [naam 4] kenbaar maakt dat ook in de beleving en herinnering van [naam 4] geen aanvullende afspraken zijn gemaakt in de door de raadslieden van de kroongetuige gesuggereerde zin, lijkt vooralsnog niet goed te rijmen met de weergegeven citaten van [naam 4] in het gespreksverslag. Uit die citaten lijkt te volgen dat volgens [naam 4] tussen alle bij de overeenkomst betrokken personen consensus was dat er volledige verrekening van de detentie van de ‘wapenzaak’ moest plaatsvinden, dat het vertrouwen er was dat dit in de straf verdisconteerd zou worden en dat er iets moest staan tegenover het mislopen van detentiefasering. Als dergelijke afspraken zijn gemaakt, is het de vraag hoe zich dat verhoudt met hetgeen in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken is opgenomen over niet toelaatbare toezeggingen, in het bijzonder in artikel 5 onder 6. Daarmee is deze kwestie mogelijk van belang in de zaken van alle verdachten. De rechtbank bepaalt daarom ambtshalve in de zaken van alle verdachten dat [naam 4] zal worden gehoord door de rechters-commissaris waarbij hem opheldering gevraagd dient te worden over de mogelijke tegenstelling tussen wat [naam 3] namens [naam 4] in zijn brief van 17 juni 2022 schrijft en wat [naam 4] op 17 maart 2022 blijkens het gespreksverslag tegenover de raadslieden van verdachte [verdachte 1] zou hebben gezegd.
18.De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om ook [naam 3] dan wel mr. [voormalig officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen] te (doen) horen. Mochten de rechters-commissaris daartoe naar aanleiding van de beantwoording van vragen door [naam 4] aanleiding zien, dan kunnen zij daartoe alsnog besluiten. Voor een verhoor van [naam 1] ziet de rechtbank geen aanleiding (meer), nu voorshands is gebleken dat hij over dit onderwerp niet uit eigen wetenschap kan verklaren. Hij schrijft immers dat hij niet bij de deal betrokken was en dit wordt bevestigd door [naam 3] .
De rechtbank laat het aan de rechters-commissaris over op welke wijze het toegewezen getuigenverhoor plaats zal vinden.
In de zaken van de verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5]
Verzoek ten aanzien van de forensische waarde van de in het dossier gevoegde ontsleutelde berichten en PGP-data
19. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een proces-verbaal van bevindingen op te stellen met een analyse van alle berichten die zouden zijn aangetroffen in servers/onderschept en toegerekend worden aan een bepaald mailadres en eventueel persoon, met vermelding hoeveel van die berichten in absolute zin en procentuele zin werden ontsleuteld.
20. De verdediging voert daartoe aan dat hetgeen op de servers is aangetroffen slechts een miniem deel is van hetgeen potentieel in de jaren dat zij functioneerden op deze servers heeft gestaan, dat bijvoorbeeld veel eenzijdige communicatie (slechts berichten van de ontvanger of de verzender) is aangetroffen of dat de communicatie slechts gedeeltelijk kon worden ontsleuteld. Ook ontbreken hele periodes in de communicatie terwijl die wel zouden moeten bestaan. Het verzochte proces-verbaal kan een meer volledig beeld geven van de aard en vooral de omvang van de incompleetheid van de door het Openbaar Ministerie gestelde communicatie tussen verdachten in de verschillende zaaksdossiers. Met name kunnen de conclusies van het Openbaar Ministerie over de betekenis en dus context van de berichtencommunicatie en het toeschrijven van mailadressen aan verdachten forensisch verantwoord en dus objectiveerbaar op begrijpelijkheid en betrouwbaarheid getoetst worden. De verdediging verwijst daarbij naar het onderzoek Lithium, waarin het Openbaar Ministerie een proces-verbaal van bevindingen met een dergelijke analyse heeft gevoegd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
21. Het Openbaar Ministerie concludeert tot afwijzing van het verzoek, nu de door de verdediging aangesneden kwestie in het onderzoek Marengo niet speelt. Waar berichten van en aan Ennetcom- en PGP-safe gebruikers vrijwel steeds tweezijdig kunnen worden ontsleuteld met de private key van één van de deelnemers aan het gesprek, levert een private key van een gebruiker bij SKY-ECC berichten een eenzijdige ontsleuteling op, te weten de berichten die zijn ontvangen door het account waarvan de private key beschikbaar is. De berichten die dat account heeft verzonden blijven echter versleuteld. De Marengo-dataset bevat geen SKY-ECC adressen die aan een van de verdachten wordt toegeschreven. Anders dan bij SKY-ECC waren in de onderzoeken 26DeVink en 26Sassenheim op een enkele na de private keys beschikbaar, zodat de op de servers opgeslagen berichten konden worden ontsleuteld. De vraag welk percentage van de berichten ontsleuteld is en welke niet heeft geen enkele invloed op de forensische waarde van de berichten die wel versleuteld zijn.
Oordeel van de rechtbank
22. De rechtbank acht voorshands onvoldoende onderbouwd dat het gevraagde proces-verbaal van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. Daartoe is het volgende redengevend. Het staat buiten kijf dat de Marengo-dataset een grote hoeveelheid eenzijdige conversaties bevat, waarbij slechts de berichten van één van de bij de conversatie betrokken e-mailadressen is weergegeven, maar die van de ander ontbreken. Ook wil de rechtbank aannemen dat ook overigens een grote hoeveelheid communicatie tussen de van belang zijnde e-mailadressen ontbreekt en dat deze omstandigheden de duiding van die communicatie bemoeilijken. Dit brengt met zich dat de rechtbank hoe dan ook behoedzaam moet omgaan met het eventueel gebruiken van de berichten. Anders dan bij SKY-ECC, waar een groot deel van de chats wel beschikbaar maar (nog) niet ontsleuteld is, zijn volgens het Openbaar Ministerie bij de onderzoeken 26DeVink en 26Sassenheim nagenoeg alle van de servers gekopieerde chats ontsleuteld. De rechtbank heeft voorshands geen reden om aan te nemen dat dat niet juist is. Het ontbreken van delen van de communicatie ligt bij die aanbieders derhalve niet aan de omstandigheid dat deze niet ontsleuteld is, maar aan het gegeven dat deze chats niet (meer) op de originele servers stonden, dan wel (in het geval van PGP-safe) niet gekopieerd zijn bij de uitvoering van de rechtshulpverzoeken. In dat licht acht de rechtbank het belang van de verdediging bij haar verzoek onvoldoende onderbouwd. De verdediging geeft immers niet aan hoe de gevraagde cijfers en percentages tot een betere toetsing van de berichten leiden. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Verzoek ten aanzien van de volledigheid van het dossier betreffende de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1]
23. De verdediging heeft verzocht aan haar de volledige (ontzwarte) verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] te verstrekken, nu niet is uit te sluiten dat de rechtbank, die de gehele verklaringen wel kent, de te onthouden delen ten nadele van verdachten meeneemt. Naar aanleiding van het antwoord van het Openbaar Ministerie, dat alle verklaringen die medeverdachte [medeverdachte 1] als verdachte in het onderzoek Marengo bij de politie heeft afgelegd, zijn gevoegd in het procesdossier en dat er met hem in het onderzoek Marengo geen afspraken zijn gemaakt over zijn aanhouding, de grondslag daarvan of de omvang van zijn tenlastelegging, heeft de verdediging aangegeven te willen vernemen of verklaringen zijn afgelegd of afspraken zijn gemaakt in een ander kader. Naar aanleiding van het antwoord van het Openbaar Ministerie dat Marokko uiteindelijk geen uitleveringsverzoek heeft ingediend heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen te beantwoorden waarom het uitleveringsverzoek niet is doorgezet, of er vanuit de Nederlandse justitie activiteiten zijn ontplooid of afspraken zijn gemaakt om die uitlevering niet door te zetten en of het al dan niet doorzetten van die uitlevering een rol heeft gespeeld in de proceshouding en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] .
Standpunt van het Openbaar Ministerie
24. Het Openbaar Ministerie stelt dat er in het onderzoek Marengo geen afspraken zijn gemaakt met medeverdachte [medeverdachte 1] over zijn aanhouding, de grondslag daarvan of de omvang van zijn tenlastelegging en dat de vraag waarom Marokko niet om zijn uitlevering heeft gevraagd alleen door Marokko beantwoord kan worden. Daarmee zijn de door de verdediging opgeworpen vragen afdoende beantwoord. Voorts is er geen reden om de gezwarte delen van het proces-verbaal van de raadkamerzitting van medeverdachte [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen aan de verdediging, nu deze niet zien op het onderzoek Marengo, maar vooral op zijn persoonlijke omstandigheden en voorwaarden van een eventuele schorsing.
Oordeel van de rechtbank
25. Het Openbaar Ministerie heeft de vragen van de verdediging over vermeende afspraken die met medeverdachte [medeverdachte 1] zouden zijn gemaakt en over de omstandigheid dat Marokko geen uitleveringsverzoek voor hem heeft ingediend bij Nederland, naar het oordeel van de rechtbank afdoende beantwoord. Het verzoek van de verdediging om kennis te mogen nemen van het gehele (ongezwarte) proces-verbaal van de raadkamerzitting van 23 juni 2021 in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] is een herhaald verzoek, zonder nieuwe argumenten. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in haar beslissing van 14 januari 20222.onder 25 en 26 en wijst dit verzoek af.
In de zaak van verdachte [verdachte 5]
Verzoek ten aanzien van een vermeende herkenning van een foto
26. In een telefoon die het Openbaar Ministerie aan verdachte [verdachte 5] toerekent staat een foto waarop zijn zus te zien zou zijn. In het strafdossier zit een proces-verbaal van herkenning van een verbalisant die stelt de zus van verdachte [verdachte 5] te hebben herkend op basis van een rijbewijsfoto van de zus van verdachte [verdachte 5] . De foto en het proces-verbaal zijn in het persoonsdossier van verdachte [verdachte 5] gevoegd, maar in de laatste aanvulling zijn deze abusievelijk verspreid onder alle raadslieden, een aanvulling die (voor wat betreft een ander gedeelte) inmiddels al gelekt is naar de pers. Verdachte [verdachte 5] herkent zijn zus niet op de foto en zowel hij als zijn familie zijn bereid dit te verklaren bij de rechters-commissaris. Het is voor hem van belang dat de fotoherkenning door een deskundige wordt onderzocht. Het verspreiden van een foto van een familielid van verdachte [verdachte 5] is voor haar gevaarzettend. Daar komt bij dat de persoon op de foto te zien is met een onbekende man, niet zijnde haar echtgenoot. Om te voorkomen dat dit een eigen leven gaat leiden, wenst verdachte [verdachte 5] bevestigd te hebben dat het niet zijn zus betreft op de foto. De verdediging verzoekt daarom om een onderzoek door een herkenningsdeskundige.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
27. De foto heeft geen betrekking op de tenlastegelegde periode en nader onderzoek daarnaar is niet relevant in het kader van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zodat het verzoek moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
28. De omstandigheid dat het proces-verbaal met de pasfoto van de zus van verdachte [verdachte 5] abusievelijk (tijdelijk) verspreid is onder de raadslieden van de medeverdachten, is ongelukkig te noemen. De vraag of de herkenning juist is, zou naar het oordeel van de rechtbank slechts van belang kunnen zijn in de strafzaak, als de telefoon in kwestie – en de vraag of deze aan verdachte [verdachte 5] kan worden toegerekend – een rol zou spelen in de strafzaak tegen verdachte [verdachte 5] . Daarvan is echter vooralsnog geen sprake. De door de verdediging genoemde belangen zijn, hoewel te begrijpen, geen belangen die een rol spelen bij de door de rechtbank te beantwoorden vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek.
In de zaak van verdachte [verdachte 2]
Verzoeken met betrekking tot ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’
29. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de identiteit vast te stellen van de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] , alsmede de [gebruikersnaam] zodat die persoon als getuige kan worden gehoord. De gebruiker van dat telefoonnummer en SKY-ID zou luisteren naar de naam ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ en in de periode 2019/2020 contact hebben gehad met medeverdachten [verdachte 7] en [verdachte 5] . Verdachte [verdachte 2] zou geïdentificeerd zijn als ‘ [bijnaam 2 verdachte 2] ’ en in het proces-verbaal van identificatie wordt tevens een verbinding gelegd met de bijnaam ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’. Verdachte [verdachte 2] heeft steeds ontkend ‘ [bijnaam 2 verdachte 2] / [bijnaam 1 verdachte 2] ’ te zijn geweest en daarom is het in het belang van de waarheidsvinding deze nieuw opgedoken ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ te identificeren en vervolgens te horen als getuige omtrent de vraag of hij eventueel de in het zaaksdossier Ster figurerende ‘ [bijnaam 2 verdachte 2] ’ zou zijn. Het feit dat er aldus nog een ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ is, maakt dat niet kan worden uitgesloten dat die ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ mogelijk de gebruiker is van de aan verdachte [verdachte 2] toegeschreven Ennetcom-emailadressen. Deze omstandigheid kan verdachte [verdachte 2] in zeer sterke mate ontlasten.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
30. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Samengevat komt het er op neer dat uit niets blijkt dat de gebruiker van het [gebruikersnaam] (uitsluitend) de bijnaam ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ zou gebruiken. Wat betreft de gebruiker van het genoemde telefoonnummer deelt het Openbaar Ministerie de conclusie niet dat verdachte [verdachte 2] deze ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ niet kan zijn. Ook in detentie is het mogelijk om op heimelijke wijze met een mobiel device te communiceren. In het onderzoek Marengo zijn verschillende processen-verbaal opgemaakt waarin is gerelateerd dat verdachte [verdachte 2] gebruik heeft gemaakt van de bijnaam [bijnaam 2 verdachte 2] / [bijnaam 3 verdachte 2] / [bijnaam 1 verdachte 2] . De identificatie van verdachte [verdachte 2] als gebruiker van de betreffende lijnen is in de processen-verbaal uitvoerig uiteengezet. Bij deze stand van zaken zijn de verzoeken onvoldoende onderbouwd en moeten zij worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
31. In (de aanvulling van) het dossier bevinden zich enkele Signal-chats uit juni 2020 tussen ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ (gebruiker van het telefoonnummer + [nummer] ) en een telefoonlijn die door de politie wordt toegerekend aan medeverdachte [verdachte 7] . In het dossier bevinden zich verder processen-verbaal van identificatie waarin de (bij)naam [bijnaam 2 verdachte 2] / [bijnaam 1 verdachte 2] wordt toegeschreven aan verdachte [verdachte 2] . Verdachte heeft steeds ontkend deze bijnamen te hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging er belang bij dat enig onderzoek naar dit telefoonnummer wordt gedaan. Op dit moment volstaat het dat het Openbaar Ministerie onderzoek laat doen naar de tenaamstelling dan wel de gebruiker van het betreffende telefoonnummer in de betreffende maand. Het verzoek wordt in zoverre toegewezen. Als dit onderzoek persoonsgegevens oplevert kan een nieuw verzoek om een getuigenverhoor worden gedaan. Vooralsnog acht de rechtbank het verzoek om deze thans nog onbekende persoon als getuige te horen prematuur. Dat verzoek wordt dan ook afgewezen.
32. In de berichten van/aan de gebruiker [gebruikersnaam] is de enkele vermelding in berichten van een mogelijke (bij)naam ‘ [bijnaam 1 verdachte 2] ’ onvoldoende om het gevraagde onderzoek te gelasten. In relatie tot [gebruikersnaam] zijn ook vermeldingen in berichten van andere mogelijke (bij)namen zoals ‘ [bijnaam 1] ’, ‘ [bijnaam 2] …en [bijnaam 3] ’, ‘ [bijnaam 4] ’ enz. Voor zover al aangenomen zou worden dat het telkens om (bij)namen van personen gaat, is daarmee nog niet aannemelijk dat de genoemde naam van de gebruiker van het betreffende SKY-ID is. Het verzoek de identiteit te achterhalen van de gebruiker van [gebruikersnaam] wordt daarom afgewezen.
Verzoek met betrekking tot het als getuige horen van medeverdachte [medeverdachte 2]
33. De raadsman van verdachte [verdachte 2] heeft verzocht om medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te (doen) horen. Het Openbaar Ministerie heeft daartegen geen bezwaar, maar heeft wel gevraagd het verhoor niet te houden op de openbare terechtzitting, maar bij de rechter-commissaris, en aansluitend verdachte [verdachte 2] te verhoren als verdachte, een en ander met het oog op de waarheidsvinding.
34. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de getuige toe. Zij bepaalt dat het verhoor zal plaatsvinden op de openbare terechtzitting, zodat ook de rechtbank de getuige kan ondervragen. Een verdachte heeft in beginsel het recht om aanwezig te zijn bij een dergelijk getuigenverhoor en de rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan in dit geval af te wijken. Wel zal verdachte [verdachte 2] aansluitend aan het getuigenverhoor worden verhoord in zijn eigen zaak.
In de zaak van verdachte [verdachte 6]
Verzoek met betrekking tot het voegen van een stuk
35. De verdediging van verdachte [verdachte 6] heeft verzocht om voeging in zijn dossier van een stuk dat volgens de verdediging een kopie van een civielrechtelijke dagvaarding betreft die is uitgebracht namens een kroongetuige in een andere zaak, [naam 6] . De verdediging wenst in haar pleidooi aandacht te besteden aan dit stuk, omdat het inzicht geeft in de manier waarop in het kader van het beschermingstraject afspraken worden gemaakt met de kroongetuige. Mr. I.N. Weski, raadsvrouw van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] , heeft opgemerkt zich aan te sluiten bij het verzoek.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
36. Het Openbaar Ministerie betoogt dat het verzoek moet worden afgewezen, nu het gerechtshof Amsterdam in de zaak Passage heeft overwogen dat het niet zal treden in de beoordeling van de wijze waarop getuigenbescherming inhoud en vorm heeft gekregen. Dat is volgens het gerechtshof alleen anders als er voldoende sterke aanwijzingen bestaan dat het Openbaar Ministerie door middel van de beschermingsovereenkomst (verboden) toezeggingen heeft gedaan aan een kroongetuige. Die aanwijzingen zijn er ten aanzien van [verdachte 1] echter niet, aldus het Openbaar Ministerie. De afspraken die de kroongetuige over zijn bescherming heeft gemaakt zijn daarom niet relevant voor de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Subsidiair – voor het geval de rechtbank het verzoek toewijst – heeft het Openbaar Ministerie verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om deze stukken op veiligheidsbelangen te laten checken, zodat er niet onverhoopt namen van derden in het Marengo-dossier opgenomen worden.
Oordeel van de rechtbank
37. De rechtbank wijst het verzoek toe. De verdediging komt grote vrijheid toe om ter onderbouwing van haar standpunten stukken in het geding te brengen bij het pleidooi. Dat geldt ook in dit geval, waarin de raadsman er (uit het oogpunt van zorgvuldigheid) voor kiest om het stuk niet aan zijn pleitnota te hechten omdat er namen in worden genoemd en hij daarom voeging in het dossier wenst. De door het Openbaar Ministerie genoemde uitspraken in de zaak Passage maken niet dat de discussie die de raadsman wil voeren bij pleidooi, geen belang kan hebben voor het strafproces. De rechtbank bepaalt verder dat het stuk wordt gevoegd in de zaken van alle verdachten, gelet op de algemene aard ervan.
De rechtbank staat het Openbaar Ministerie, zoals verzocht, toe het stuk vóór de voeging te controleren op namen van derden, en die namen waar nodig te verwijderen.
Overige verzoeken en vragen
38. Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende regiezitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑09‑2022
Uitspraak 08‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissing van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 30 juni 2022
Beslissing van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 30 juni 2022
Procesverloop
1. In de zaak van verdachte [verdachte 1] stond een regiezitting gepland voor 30 juni 2022 waar de verdediging haar onderzoekswensen kon indienen. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft voorafgaand aan deze zitting bij e-mailbericht van 23 juni 2022 echter laten weten daartoe (nog) niet in staat te zijn. Daarbij heeft zij vermeld dit naar verwachting wel te kunnen op de geplande regiezitting van september 2022. Ter zitting van 30 juni 2022 heeft de rechtbank medegedeeld dat zij de (eventuele) onderzoekswensen op de regiezitting van 15 september 2022 verwacht. De rechtbank merkt daarbij op dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van de eerder door de rechtbank gegeven termijnen voor het indienen van onderzoekswensen die een rechtshulpverzoek (naar Colombia) noodzakelijk maken en die te maken hebben met technische aspecten rond de PGP-berichten.
2. Bij beslissing van 3 juni 20221.heeft de rechtbank bepaald dat op de regiezitting van 30 juni 2022 aan de orde zal komen de vraag of de partner van de kroongetuige nog een keer als getuige gehoord moet worden. Daartoe is de raadslieden van de verdachten die dit aangaat ( [verdachte 2] , [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] ) verzocht uiterlijk 23 juni 2022 schriftelijk aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie de onderbouwing van het verdedigingsbelang dat zij nog menen te hebben bij een nader verhoor van de partner van de kroongetuige te doen toekomen.
3. Van de raadslieden van verdachte [verdachte 1] is de verzochte onderbouwing verstrekt bij e-mailbericht van 23 juni 2022. Namens verdachte [verdachte 3] is bij e-mailbericht van 24 juni 2022 een onderbouwing verstrekt. Namens verdachte [verdachte 2] is bij e-mailbericht van 24 juni 2022 medegedeeld dat de verdediging nog steeds belang heeft bij het verhoor en dat indien noodzakelijk en gewenst op de zitting van 30 juni 2022 een toelichting zal worden verstrekt.
4. Van de raadsvrouw van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] is op 23 juni 2022 een onderbouwing verstrekt. In datzelfde e-mailbericht is een tweetal andere onderzoekswensen gedaan die nader zijn aangevuld bij e-mailbericht van 27 juni 2022.
5. De raadslieden van verdachte [verdachte 7] hebben bij e-mailbericht van 24 juni 2022 laten weten dat wat hen betreft niet opnieuw een verhoor van de partner van de kroongetuige hoeft plaats te vinden. Zij verzoeken daarin voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank besluit dat de partner wel opnieuw moet worden gehoord, te bepalen dat de partner ook in de zaak van verdachte [verdachte 7] zal worden gehoord.
6. Ter zitting van 30 juni 2022 zijn de standpunten met betrekking tot het verhoor van de partner van de kroongetuige nader toegelicht. Het Openbaar Ministerie heeft daarop gereageerd. Ook zijn de aanvullende onderzoekswensen van de raadsvrouw van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] verder toegelicht. Het Openbaar Ministerie heeft ook daarop gereageerd.
7. Hieronder volgen de beslissingen op de gedane verzoeken.
In de zaken van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 2] , [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]
Verzoek met betrekking tot het horen van de partner van de kroongetuige als getuige
Inleiding
8. De rechtbank verwijst allereerst naar haar beslissingen van 26 april 20222.en 3 juni 20223.waarin zij (nogmaals) de achtergrond heeft geschetst van de toewijzing van het verzoek tot het horen van de partner van de kroongetuige. In de beslissing van 3 juni 2022 is ook het verdere verloop beschreven. Dit komt erop neer, kort gezegd, dat het verhoor van de partner van de kroongetuige alleen in de zaak van verdachte [verdachte 7] heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022, nadat de rechter-commissarissen waren gewraakt door meerdere raadslieden. Het wrakingsverzoek is afgewezen.
9. Na de regiezitting van 20 mei 2022 heeft de rechtbank het proces-verbaal van het getuigenverhoor van de partner van de kroongetuige van 12 mei 2022 in de zaak van verdachte [verdachte 7] ontvangen. In een e-mailbericht van 27 mei 2022 van de rechter-commissarissen hebben zij verzocht te bepalen dat daarmee genoegzaam is voldaan aan de opdracht de partner van de kroongetuige te horen. Dit omdat alle door de rechtbank geformuleerde vragen zijn beantwoord en het opnieuw organiseren van een dergelijk verhoor wederom vergaande beveiligingsmaatregelen met zich brengt. De verdediging van de verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft op 28 mei 2022 verzocht het e-mailbericht van de rechter-commissarissen niet bij de besluitvorming te betrekken. De rechtbank heeft in de beslissing van 3 juni 2022 bepaald dat het onderwerp op een openbare zitting opnieuw aan de orde diende te komen. Dat is op 30 juni 2022 gebeurd.
Standpunt verdediging
- Verdachte [verdachte 1]
10. De raadslieden van verdachte [verdachte 1] voeren aan dat het buiten aanwezigheid van de verdediging horen van de partner van de kroongetuige in (alleen) de zaak van verdachte [verdachte 7] , het weigeren van de toegang tot dat verhoor en overleg daarover, het daaropvolgende verzoek van de rechter-commissarissen aan de rechtbank om af te zien van een nieuw of nader verhoor en het voegen van het proces-verbaal van verhoor van 12 mei 2022 door het Openbaar Ministerie met de stelling dat het belang aan het verhoor is komen te ontvallen, om meerdere redenen in strijd is met de wet, de beginselen van een goede procesorde en het recht op een eerlijk proces. Het door laten gaan van het verhoor zonder aanwezigheid van de verdediging, maar met aanwezigheid van het Openbaar Ministerie is in strijd met het beginsel van equality of arms. Het gaat hier immers om een toegewezen getuige in de zaak van verdachte [verdachte 1] . Dat de getuige in de zaak van een medeverdachte is gehoord, doet hieraan niets af. Hier komt bij dat het ondervragingsrecht als neergelegd in artikel 6 lid 3 onder d van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces. Hieraan wordt niet voldaan wanneer een toegewezen getuige wordt gehoord in de zaak van een medeverdachte. Het feit dat de getuige vragen heeft beantwoord die liggen binnen het kader van de opdracht van de rechtbank doet hieraan niet af omdat het tevens gaat over de volledigheid van het verhoor en een beoordeling van de betrouwbaarheid en de verdediging dit zelf moet kunnen toetsen.
11. Verder stelt de verdediging dat de rechter-commissarissen buiten de opdracht van de rechtbank vragen hebben gesteld over de relatie tussen de kroongetuige en verdachte [verdachte 8] . De verdediging heeft hier geen enkele invloed op kunnen uitoefenen, heeft hier niet op kunnen doorvragen en is hiermee op achterstand gezet.
12. Ten slotte stelt de verdediging dat zij steeds heeft laten weten nu nog niet in staat te zijn onderzoekswensen te formuleren. Na verdere lezing van het dossier en voorbereiding zal de verdediging in september 2022 naar verwachting het verzoek doen tot het horen van de partner van de kroongetuige waarbij zal worden ingegaan op de inhoud van de berichten op de iPhone. De verdediging gaat ervan uit dat in dat geval een breder scala aan onderwerpen zal worden toegestaan dan nu het geval is.
- Verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]
13. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] voert aan dat zij de partner van de kroongetuige (nader) wenst te horen over de communicatiemiddelen die de kroongetuige in zijn cel heeft gehad. Het verhoor heeft nu in afwezigheid van de verdediging plaatsgevonden, wat zich niet verdraagt met de beginselen van een behoorlijke procesorde en het ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM. Bovendien hebben de rechter-commissarissen de bevraging naar communicatiemiddelen beperkt tot de PGP-telefoon. De verdediging wil nadere vragen stellen over alle mogelijke communicatiemiddelen in 2017. Voor de waarheidsvinding is relevant of de kroongetuige uit eigen waarneming en wetenschap heeft verklaard of dat zijn kennis is gevoed door externe bronnen zoals media of contact met derden via die (heimelijke) communicatiemiddelen. Daarnaast is van belang te weten of de kroongetuige met die communicatiemiddelen contact met derden heeft kunnen onderhouden ten behoeve van voor hem functionerende getuigen en of, zoals door verdachte [verdachte 8] is verklaard, daarmee een aanslag op verdachte [verdachte 8] is geregisseerd. Ook wijst de verdediging op het bestaan van encryptie applicaties op die communicatiemiddelen waarvan de inhoud niet bewaard is gebleven. De verdediging wenst dan ook nadere vragen te stellen over op welke wijze, met welke toestellen, in welke periode en via welke applicaties er communicatie tussen de partner en de kroongetuige heeft plaatsgevonden tijdens detentie en wat de partner weet over de dongel die de kroongetuige in detentie tot zijn beschikking heeft gehad.
14. Verder wijst de verdediging erop dat de rechter-commissarissen, buiten de opdracht van de rechtbank, hebben gevraagd naar de relatie tussen de kroongetuige en verdachte [verdachte 8] . Nu dit dan toch is gevraagd en beantwoord, acht de verdediging van belang hier nadere vragen over te stellen. De verklaring van de partner over de vermeende vertrouwensrelatie tussen de kroongetuige en verdachte [verdachte 8] , en de wetenschap die de kroongetuige daaruit pretendeert te hebben over de strafbare feiten en rollen die verdachten worden verweten, wenst te verdediging te kunnen toetsen.
15. Aanvullend geldt dat de verdediging de partner van de kroongetuige ook wenst te horen in het kader van de door de kroongetuige gemaakte berekeningen over een netto straf van 5 of 5,5 jaar. Volgens de verdediging is zeker niet uit te sluiten dat de partner als getuige meer wetenschap heeft omtrent de aard en omvang en gang van zaken rond dit gunstbetoon.
- Verdachte [verdachte 3]
16. De raadsman van verdachte [verdachte 3] voert aan dat de verdediging haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren en effectief geen enkele vraag heeft kunnen stellen aan de partner van de kroongetuige. De verdediging wil de getuige nadere vragen stellen naar aanleiding van de verklaring van de kroongetuige dat verdachte [verdachte 3] wel eens bij zijn partner (thuis) is geweest. De vraag die de verdediging onder meer wil stellen is of het klopt dat zij verdachte [verdachte 3] ontmoet heeft en zo ja, met welk doel en wat er is besproken.
- Verdachte [verdachte 2]
17. De verdediging van verdachte [verdachte 2] voert aan dat zij nog steeds belang heeft bij het verhoor van de partner van de kroongetuige. Daarbij wijst zij op de omstandigheid dat de rechter-commissarissen in het verhoor van 12 mei 2022 hebben gevraagd naar de relatie tussen verdachte [verdachte 8] en de kroongetuige. Daarover wenst de verdediging nadere vragen te stellen, nu dit van belang is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige in de zaak van verdachte [verdachte 2] .
Standpunt Openbaar Ministerie
18. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt, kort samengevat, dat het verdedigingsbelang bij het nader horen van deze getuige is komen te vervallen. De partner van de kroongetuige is bevraagd over de door de rechtbank toegewezen onderwerpen. Zij heeft alle vragen beantwoord en heeft geen beroep gedaan op het haar toegekende familiaire verschoningsrecht. De verzoeken om de partner van de kroongetuige te horen over aanvullende onderwerpen zijn onvoldoende onderbouwd. Het staat de verdediging van verdachte [verdachte 1] vrij om na verdere bestudering van het dossier gemotiveerd te verzoeken om het horen van de partner van de kroongetuige als getuige, aldus ten slotte het Openbaar Ministerie.
Oordeel van de rechtbank
19. De rechtbank is van oordeel dat de standpunten van de verdediging zich grotendeels lenen voor gezamenlijke bespreking.
20. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank de verdediging voorshands niet kan volgen waar zij kennelijk meent dat een (nader) verhoor van de partner van de kroongetuige plaats zou moeten vinden reeds omdat anders sprake zou zijn van strijd met de wet, de beginselen van een goede procesorde en/of een schending zou opleveren van het ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM en het recht op een eerlijk proces. De daaraan ten grondslag liggende stelling, dat het hier gaat om een getuige die is toegewezen in de zaken van de betreffende verdachten en de verdediging van die verdachten nog geen vragen heeft kunnen stellen, is daartoe in dit geval onvoldoende. Daartoe is het volgende redengevend.
21. Het verzoek om het horen van een getuige wordt getoetst aan het verdedigingsbelang (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496) en in dat verband mag van de verdediging worden verlangd dat een verzoek naar behoren wordt gemotiveerd. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2021 (ECLI:HR:2021:1931) volgt dat de motiveringseis ook na het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 januari 2021 (ECLI:CE: ECHR:2021:0119, JUD000220516 (Keskin t. Nederland)) is blijven gelden voor een getuigenverzoek als hier aan de orde.
22. De rechtbank brengt in herinnering, zoals ook al in de beslissing van 3 juni 2022 is vermeld, dat het verzoek om de partner van de kroongetuige als getuige te doen horen ter zitting in augustus 2020 is toegelicht door de verdediging van verdachte [verdachte 8] , met een motivering die op zijn zaak was toegesneden. Het verzoek is toen, niet onderbouwd, mede gedaan namens de andere verdachten die op dat moment door raadslieden verbonden aan het kantoor Ficq&Partners werden bijgestaan. De rechtbank heeft het verzoek ten aanzien van die verdachten dan ook alleen toegewezen over de op de zaak van verdachte [verdachte 8] toegesneden twee onderwerpen. Recente verzoeken tot aansluiting van andere raadslieden waren evenmin gemotiveerd, maar heeft de rechtbank toch toegestaan. De verdediging van verdachte [verdachte 8] heeft het oorspronkelijke verzoek om de getuige te horen later ingetrokken. Het verhoor zou desalniettemin doorgang vinden omdat het indertijd door de verdediging van verdachte [verdachte 8] geschetste verdedigingsbelang bij het horen van de getuige over die twee onderwerpen niet was veranderd. De rechtbank heeft de omvang van het verhoor duidelijkheidshalve nogmaals vermeld (onder rechtsoverweging 18) in haar beslissing van 26 april 2022, toen namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] om aansluiting bij dit verhoor was verzocht.
23. Kortom: het verhoor van de partner van de kroongetuige zou weliswaar plaatsvinden in de zaken van de genoemde verdachten, maar zonder dat daarvoor door de verdedigingen van die verdachten enige onderbouwing was gegeven. In het licht van het hiervoor geschetste kader voor de beoordeling van getuigenverzoeken kan de rechtbank dan ook voorshands niet inzien dat de verdediging reeds recht zou hebben op een nader verhoor van de getuige enkel omdat het een getuige is die mede in hun zaken is toegewezen. De omstandigheid dat de verdediging het oneens is met de (proces)beslissingen van de rechter-commissarissen rondom dat verhoor van 12 mei 2022 levert evenmin grond op voor een nader verhoor.
24. De partner van de kroongetuige is inmiddels als getuige gehoord in de zaak van verdachte [verdachte 7] over de door de rechtbank bepaalde onderwerpen en het proces-verbaal van dit verhoor is gevoegd in de zaken van alle verdachten. De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag of er – in het licht van wat de partner van de kroongetuige reeds verklaard heeft in de zaak van verdachte [verdachte 7] over de onderwerpen waarover het verhoor diende te gaan – thans nog enig verdedigingsbelang bestaat om haar als getuige te horen in de andere zaken.
PGP-telefoons en communicatiemiddelen
25. Ten aanzien van de stelling van de verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] dat zij de getuige aanvullend wenst te ondervragen over de communicatiemiddelen die de kroongetuige in detentie tot zijn beschikking had, acht de rechtbank het verdedigingsbelang onvoldoende onderbouwd. De partner van de kroongetuige is door de rechter-commissarissen voorgehouden, samengevat, dat er vanuit de rechtbank interesse is in het antwoord op de vraag of de kroongetuige in 2017 beschikt heeft over een PGP-toestel en zo ja, hoeveel PGP-toestellen dat zijn geweest en of de getuige daarover iets kan zeggen. Daarop heeft de getuige geantwoord dat zij weet van één PGP-toestel dat hij tot zijn beschikking had (tegen het einde van het jaar 2017). Daarnaast heeft de rechter-commissaris de getuige voorgehouden dat een vraag van de rechtbank ook is welke communicatiemiddelen de kroongetuige in december 2017 tot zijn beschikking heeft gehad en haar gevraagd of zij daar iets van weet. Daarop heeft de getuige geantwoord dat hij, voor zover zij weet, op dat moment een iPhone tot zijn beschikking had. Op de vraag ‘Verder nog andere communicatiemiddelen?’ heeft de getuige geantwoord: “Ik weet niet of hij in december 2017 die PGP-telefoon heeft gebruikt, dat weet ik niet. En verder weet ik het niet.”
26. De stelling van genoemde verdediging dat de vragen van de rechter-commissarissen zich hebben beperkt tot één PGP-telefoon mist gezien het bovenstaande feitelijke grondslag. Het belang van de verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] om de getuige nog nader te ondervragen over communicatiemiddelen in het (gehele) jaar 2017, waaronder mogelijke applicaties op telefoons en ‘de dongel’, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
27. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft nog wel gesteld dat zij zelf de volledigheid van het verhoor en de betrouwbaarheid wil kunnen toetsen, maar heeft naar aanleiding van het proces-verbaal van verhoor niet concreet gesteld dat en waarom het verhoor onvolledig en/of de beantwoording niet betrouwbaar zou zijn geweest. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft ook gewezen op het voorbehoud dat zij heeft gemaakt, dat zij niet in staat is een volledig verhoor te laten plaatsvinden, aangezien zij nog bezig was met het inlezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit er niet aan afdoen dat de verdediging op 12 mei 2022 aanwezig was voor het verhoor over de toegewezen onderwerpen en ook nu (nog) niet heeft gesteld welk concreet belang zij heeft bij een (nader) verhoor over deze onderwerpen.
Vragen relatie verdachte [verdachte 8] en de kroongetuige
28. De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissarissen de getuige enkele vragen hebben gesteld over de relatie tussen de kroongetuige en [verdachte 8] voordat de kroongetuige gedetineerd werd en dat de getuige deze vragen heeft beantwoord. Anders dan de verdediging meent betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat daardoor een verdedigingsbelang ontstaat om de getuige over de vertrouwensrelatie (nader) te bevragen. In de beslissing van 26 april 2022 heeft de rechtbank (onder rechtsoverweging 19) overwogen dat de bevraging van de getuige over de twee onderwerpen wellicht mede licht kan werpen op het wel of niet aannemelijk zijn van de door verdachte [verdachte 7] gestelde vertrouwensrelatie tussen hem en verdachte [verdachte 8] , die dat betwist. Tegen deze achtergrond bevreemden de gestelde vragen niet. Verder geldt dat over het al dan niet bestaan van een vertrouwensrelatie en de betrouwbaarheid van de persoon van de kroongetuige reeds getuigen zijn gehoord op verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 8] . Het belang van de verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] om de getuige in zijn algemeenheid nog te bevragen over de vertrouwensrelatie is in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd.
29. Ten aanzien van verdachte [verdachte 3] geldt dat niet is onderbouwd dat en waarom het antwoord op de vragen of het klopt dat de getuige verdachte [verdachte 3] ontmoet heeft en zo ja, met welk doel en wat er besproken is, van belang is voor enig te nemen beslissing in het kader van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Gunstbetoon
30. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht de getuige te horen over haar wetenschap over gunsten die aan de kroongetuige zouden zijn gedaan en heeft daarbij gewezen de door de kroongetuige gestelde toezegging over de netto uit te zitten straf. De enkele stelling van de verdediging dat zeker niet is uit te sluiten dat zij meer weet over de toezegging waar de kroongetuige over spreekt, acht de rechtbank onvoldoende om het verdedigingsbelang aan te nemen. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat zij naar aanleiding van de stellingen van verdachte [verdachte 7] hieromtrent bij beslissing van 3 juni 2022 ambtshalve onderzoek heeft uitgezet bij de rechter-commissarissen.
Slotsom
31. De slotsom is dat het verdedigingsbelang van het (nader) horen van de partner van de kroongetuige onvoldoende is onderbouwd, zodat de rechtbank deze verzoeken afwijst. Gelet op deze beslissing hoeft de rechtbank niet te beslissen op het voorwaardelijke verzoek van de raadslieden van verdachte [verdachte 7] om bij een (wel) toe te wijzen verhoor daarbij te mogen aansluiten.
In de zaak van verdachte [verdachte 6]
Verzoek om informatie over de rol van de AIVD en MIVD
Voorgeschiedenis
32. De verdediging van verdachte [verdachte 6] heeft op de regiezitting van 20 mei 2022 (kort gezegd) verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen informatie te verstrekken over de rol die de AIVD en (eventueel) de MIVD hebben gespeeld bij de opsporing en informatieverzameling ten aanzien van verdachte [verdachte 6] . Het Openbaar Ministerie heeft in reactie daarop medegedeeld dat de AIVD en de MIVD niet door het Openbaar Ministerie of de politie zijn ingezet in het kader van het strafrechtelijk onderzoek (ter aanhouding) van verdachte [verdachte 6] , dat er vanuit het Openbaar Ministerie geen bijstandsverzoek ex artikel 95 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (hierna: Wiv 2017) is gedaan en dat de AIVD en de MIVD niet belast zijn geweest met de opsporing van strafbare feiten/ter aanhouding in opdracht van het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft in haar beslissing van 3 juni 20224.het verzoek afgewezen, mede gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie.
Verzoek
33. De verdediging van verdachte [verdachte 6] verzoekt de rechtbank het Openbaar Ministerie op te dragen om alsnog informatie te verschaffen omtrent:
- -
de aard en omvang van de rol van de AIVD en eventueel de MIVD bij de opsporing/informatie verzameling ten aanzien van verdachte [verdachte 6] ;
- -
welke opsporingsmiddelen/inlichtingenmiddelen daarbij zijn ingezet zoals dus bijvoorbeeld Pegasus;
- -
en welke resultaten dit heeft gegenereerd voor de opsporing van verdachte [verdachte 6] en al of niet via een derde-partij voor het tactische team;
- -
in welke zin overleg/samenwerking met het tactische onderzoeksteam in het onderzoek naar verdachte [verdachte 6] eventueel via tussenkomst van een derde partij heeft plaats gevonden;
- -
met welke landen/diensten van die landen, daarbij door deze inlichtingendiensten werd samengewerkt en;
- -
of en in welke zin daarbij rechtshulpverkeer heeft plaatsgevonden.
34. Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raadsvrouw dat er inmiddels sterke aanwijzingen zijn dat de AIVD wel een rol heeft gehad bij de opsporing van verdachte [verdachte 6] . Daartoe wijst zij op een artikel uit de Volkskrant van 2 juni 2022, getiteld ‘De AIVD gebruikt omstreden hacksoftware van de Israëlische leverancier NSO Group’. Volgens de schrijver van het artikel ( [naam schrijver] ) heeft de inlichtingendienst deze software onder meer ingezet om de telefoon van verdachte [verdachte 6] in 2019 te hacken. De reactie van het Openbaar Ministerie op het verzoek van 20 mei 2022 is volgens de verdediging strijdig met deze informatie en onbegrijpelijk.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
35. Het Openbaar Ministerie verwijst naar haar eerdere reactie en merkt op dat de vraag of anderen dan het Openbaar Ministerie eventueel een opdracht hebben gegeven, niet thuishoort in de strafzaak.
Oordeel van de rechtbank
36. Het Openbaar Ministerie heeft, kort samengevat, steeds aangegeven dat de AIVD en/of de MIVD niet door het Openbaar Ministerie of de politie zijn ingeschakeld om verdachte [verdachte 6] op te sporen. Naar het oordeel van de rechtbank zou er slechts aanleiding kunnen zijn om informatie op te vragen over een eventueel onderzoek van de AIVD naar verdachte [verdachte 6] , in geval van aanwijzingen dat de AIVD – ondanks deze herhaalde ontkenning van de zijde van het Openbaar Ministerie – wel degelijk betrokken is geweest bij het strafrechtelijk onderzoek.
37. De raadsvrouw heeft in dat verband gewezen op de volgende omstandigheden:
- -
Toenmalig minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid zou volgens het krantenartikel na de moord op [naam slachtoffer] in 2019 een oproep hebben gedaan aan de inlichtingendiensten om te helpen bij de opsporing van verdachte [verdachte 6] ;
- -
Het toenmalige hoofd van de AIVD zou volgens het krantenartikel hebben opgemerkt dat de Nederlandse politie de hulp van de geheime dienst nodig had om de meest gezochte crimineel van het land te pakken;
- -
Medewerkers van de AIVD zijn in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) geweest en de autoriteiten van de VAE hebben gegevensdragers overhandigd aan medewerkers van de AIVD, die deze weer hebben overgedragen aan het politieteam.
38. De laatste omstandigheid, waaromtrent overigens verantwoording is afgelegd in het strafdossier, levert hiervoor geen enkele aanwijzing op. Over de twee andere omstandigheden (wat daar verder van zij) merkt de rechtbank eerst het volgende op.
39. De rechtbank kan in het kader van een strafproces bezwaarlijk de inhoud van een krantenartikel beoordelen. De rechtbank heeft wel de volgende vraag onder ogen gezien: als de twee genoemde omstandigheden correct zijn weergegeven in het krantenartikel, levert dat dan een aanwijzing op dat het Openbaar Ministerie hierover (mogelijk) niet de waarheid heeft verteld.
40. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze twee omstandigheden passen bij een scenario waarbij de AIVD op grond van haar eigen taken en bevoegdheden heeft gehandeld.
De AIVD heeft op grond van artikel 8 lid 2 van de Wiv 2017 in het belang van de nationale veiligheid immers onder meer tot taak het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. De Wiv 2017 kent de AIVD ter uitvoering van die taak ook eigen bevoegdheden toe. De toepassing van dergelijke bevoegdheden valt buiten het kader van het strafrechtelijk onderzoek.
41. Een nader onderzoek onder deze omstandigheden komt neer op een fishing expedition. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Verzoek met betrekking tot stukken uit onderzoek Cape Coral
42. De verdediging van verdachte [verdachte 6] wenst (inzage ter) voeging van de stukken uit het onderzoek Cape Coral waarvan inzage (nog steeds) wordt geweigerd met machtiging van de rechter-commissaris. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen het verzoek.
43. Aan het verzoek wordt ten grondslag gelegd dat uit de nieuwe informatie met betrekking tot de inzet van hacksoftware volgt dat door de AIVD kennelijk een buitenwettelijk en oncontroleerbaar opsporingsmiddel (mogelijk het door NSO Group geleverde Pegasus) is ingezet, terwijl de AIVD geen strafrechtelijke opsporingsdienst is. De verzochte stukken kunnen mogelijk inzicht verschaffen in de vermeende inzet van Pegasus-software en in de beantwoording van de vraag of de Nederlandse autoriteiten niet al eerder dan 19 december 2019 naar Dubai waren vertrokken om verdachte [verdachte 6] op te halen.
44. De rechtbank wijst het verzoek af. De door de verdediging veronderstelde inhoud van de gevraagde stukken is geheel speculatief. In het licht van de bovenstaande overwegingen van de rechtbank over de (eventuele) rol van de AIVD is het belang van de verdediging bij voeging of inzage onvoldoende onderbouwd.
Uitspraak 26‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de (regie)zitting van 22 april 2022 in de zaken 3 verdachten.
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de (regie)zitting van 22 april 2022 in de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3]
Procesverloop
1. Voorafgaand aan de (regie)zitting van 22 april 2022 heeft mr. I.N. Weski namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] schriftelijke onderzoekswensen ingediend bij e-mailbericht van 17 april 2022. Op 22 april 2022 heeft mr. I.N. Weski een door verdachte [verdachte 3] ondertekende versie van het schriftelijk stuk met enkele aanpassingen gezonden aan de rechtbank, ter vervanging van haar eerdere versie. De rechtbank zal uitgaan van het op 22 april 2022 ingediende stuk.
2. Het Openbaar Ministerie heeft op 21 april 2022 schriftelijk gereageerd op de onderzoekwensen van de verdediging.
3. Op de (regie)zitting van 22 april 2022 heeft de verdediging haar wensen (nader) toegelicht en daarop heeft het Openbaar Ministerie gereageerd.
4. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken. Daarbij wordt de volgorde van de verdediging aangehouden.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoek met betrekking tot inzage in artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken
Verzoek van de verdediging
5. De verdediging heeft verzocht om alle artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken op digitaal toegankelijke wijze te verstrekken aan de raadsvrouw en aan verdachte [verdachte 3] . De huidige wijze van inzage – op een politiebureau voor alleen de raadsvrouw, zonder gebruik te mogen maken van een laptop en zonder de mogelijkheid om (digitaal) aantekeningen te maken – volstaat niet. Het is vanwege uitpuilende agenda’s niet haalbaar gebleken om binnen kantooruren ook nog afspraken te maken op politiebureaus, nog los van de gebrekkige financiering en het principiële argument van ‘equality of arms’ ten aanzien van het kunnen beschikken over bronmateriaal, aldus de verdediging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
6. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Een eerder verzoek van de verdediging met deze strekking is reeds afgewezen door de rechtbank bij beslissing van 21 mei 2021 en er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aan het verzoek ten grondslag gelegd. Inzage is al ruim een jaar mogelijk. Sinds kort kunnen ook de recent (in maart 2022) vrijgegeven aanvullende artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken door de verdediging worden ingezien.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat het verzoek een herhaling betreft van het verzoek dat eerder door de verdediging is gedaan en waarop de rechtbank op 21 mei 20211.heeft beslist. De rechtbank heeft daarin overwogen, kort gezegd, dat het bij de artikel 565 (oud) BOB-stukken niet gaat om processtukken maar om stukken die voor de verdediging ter inzage zijn om te beoordelen of er specifieke stukken zijn die zij gevoegd zou willen zien aan de processtukken. Verder heeft de rechtbank daarin overwogen dat de wet niet voorschrijft dat ten behoeve van die beoordeling aan de verdachte en zijn advocaat een afschrift van die stukken zou moeten worden verstrekt. Verwezen wordt naar rechtsoverwegingen 77 tot en met 79 van die beslissing.
8. De stelling van de verdediging dat inzage ter beoordeling van eventuele verzoeken om voeging praktisch gezien onvoldoende mogelijk is gebleken en de omstandigheid dat (zo begrijpt de rechtbank) de verdediging daarin nu enige tijdsdruk ervaart, geeft de rechtbank geen aanleiding om het verzoek om praktische redenen toe te wijzen. Daartoe is redengevend dat de inzage al ruim een jaar (sinds maart 2021) mogelijk is, dat – na de zitting van 16 april 2021 – een index is verstrekt wat de inzage vergemakkelijkt en dat de verdediging nog steeds inzage heeft in deze stukken. Ook in de recent vrijgegeven aanvullende artikel 565 (oud) BOB-stukken heeft de verdediging inmiddels inzage. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging daarmee voldoende gelegenheid heeft (gehad) om de desbetreffende stukken in te zien. Wat de inzage voor verdachte zelf betreft brengt de rechtbank in herinnering dat die inzage is verleend zodat de verdediging de mogelijkheid heeft om te kunnen controleren of bij de zoektocht naar verdachte [verdachte 3] binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit is gebleven. Dit is bij uitstek een toets die de raadsvrouw zelf kan maken.
Het voorgaande betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
In de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3]
Verzoek met betrekking tot het verhoor van de partner van de kroongetuige
Inleiding
9. De rechtbank heeft bij beslissing van 29 september 20202.het verzoek van de verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 8] om de partner van de kroongetuige te horen toegewezen. De onderwerpen van dat toegewezen verhoor zijn: de telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017 en haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit de zaaksdossiers Roos/Doorn.
10. Op de regiezitting van 16 april 2021 heeft de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] de rechtbank verzocht te bepalen dat de partner van de kroongetuige mag worden ondervraagd over de inhoud van de door hem gebruikte iPhone. Op deze regiezitting is eenzelfde verzoek gedaan door de verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] en [verdachte 7] . Andere raadslieden hebben zich toen bij dat verzoek aangesloten. De rechtbank heeft deze verzoeken – en de verzoeken van de andere raadslieden om bij dat verhoor te mogen aansluiten afgewezen.3.
11. In haar beslissing van 14 januari 20224.heeft de rechtbank overwogen dat de kroongetuige inmiddels (op de terechtzitting van 22 september 2021) is verhoord over algemene onderwerpen, waaronder over de inhoud van berichten uit de iPhone en dat de rechtbank zich voorstelde dat op de eerstvolgende regiezitting een eventueel debat zou kunnen plaatsvinden over de vraag of de partner van de kroongetuige ook over de inhoud van de iPhone bevraagd zou mogen worden. Op 1 maart 2022 heeft die regiezitting plaatsgevonden. Op de regiezitting van 1 maart 2022 heeft de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] geen zelfstandig verzoek gedaan tot het horen van de partner van de kroongetuige, noch is aangesloten bij het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 7] om deze getuige ook te mogen horen over de inhoud van de iPhone. De verdediging van verdachte [verdachte 9] heeft zich wel aangesloten bij dit verzoek.
12. Bij beslissing van 23 maart 20225.heeft de rechtbank bepaald dat de partner van de kroongetuige over de twee eerder toegewezen onderwerpen (zie onder 9.) zal worden gehoord door de rechter-commissaris in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 8] , zoals de rechtbank op 29 september 2020 heeft beslist. Het verzoek om deze getuige over de inhoud van de iPhone te mogen horen is afgewezen omdat de verdediging van [verdachte 7] dit slechts heeft onderbouwd met de stelling dat het belang wel voldoende zou zijn gebleken uit de inhoud van de berichten. Deze motivering schiet in het licht van de daaraan te stellen eisen tekort.
Verzoek van de verdediging
13. Op de terechtzitting van 22 april 2022 heeft de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] verzocht de partner van de kroongetuige te mogen horen omtrent de twee, bij beslissing van 29 september 2020, eerder toegewezen onderwerpen. Daarnaast is gevraagd deze getuige ook te kunnen horen over haar contacten met de kroongetuige in relatie tot onderwerpen als diens uitspraken en iPhone-berichten tegenover deze getuige over:
- -
“o.a. de onderhandelingen met het openbaar ministerie in het kader van diens status als kroongetuige;
- -
het verkrijgen van inzage in PGP berichten door de kroongetuige van het openbaar ministerie in verschillende stadia van diens contacten met justitie en de onderhandelingen over de bedreigde straf;
- -
alsmede in het kader van de communicatie met telefoons, die buiten het zicht van het openbaar ministerie zou hebben plaats gevonden;
- -
voorts zijn nog andere onderwerpen relevant voor de verdediging bij het bevragen van deze getuige in het licht van de betrouwbaarheid van de uitspraken van de kroongetuige en de mogelijkheid van beïnvloeding, die ongecontroleerde contacten van de kroongetuige op diens verklaringen heeft kunnen plaats vinden;
- -
zoals ook het bevragen van deze getuige over de onder de kroongetuige in detentie in beslag genomen goederen, zoals vermeend een dongel, welke goederen zouden zijn terug gegeven. zij kan een rol bij die teruggave hebben gespeeld.”
Oordeel van de rechtbank
14. De rechtbank toetst het verzoek om de partner van de kroongetuige ook te horen over haar contacten met hem in relatie tot de hiervoor genoemde onderwerpen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang, zoals al uitvoerig uiteen is gezet in haar beslissing van 23 maart 2022. De rechtbank stelt vast dat de verdediging in het huidige verzoek slechts een opsomming heeft gegeven van onderwerpen waarover zij de getuige wil bevragen. Enige onderbouwing van het verdedigingsbelang is niet gegeven. Het verdedigingsbelang is zonder de onderbouwing ook niet evident. Daarom wordt dit verzoek door de rechtbank afgewezen.
15. De verdediging heeft evenmin onderbouwd welk belang zij heeft bij de bevraging van de getuige over de onderwerpen, toegewezen bij de beslissing van de rechtbank van 29 september 2020, te weten: de telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017 en haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit de zaaksdossiers Roos/Doorn.
16. De rechtbank zal dit onderdeel van het verzoek echter toewijzen om de navolgende redenen. De getuige zal binnen afzienbare tijd over deze onderwerpen worden gehoord en de rechtbank heeft ook de verdediging van verdachte [verdachte 9] toegestaan zich (alsnog) bij dit getuigenverhoor aan te sluiten, omdat de raadsman in de veronderstelling verkeerde zich bij alle onderdelen van dit getuigenverhoor te hebben aangesloten. Uit de standpunten van de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] leidt de rechtbank af dat zij ook in die veronderstelling verkeerde. De fase vóór het requisitoir in het onderzoek Marengo loopt ten einde en alles afwegend acht de rechtbank het om proceseconomische redenen wenselijk de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] ook de gelegenheid te bieden bij dit verhoor aan te sluiten.
17. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de verdediging van verdachte [verdachte 7] het oorspronkelijke verzoek, leidend tot de beslissing van de rechtbank van 29 september 2020, heeft ingetrokken. Het indertijd aangenomen verdedigingsbelang bij het horen van deze getuige over genoemde twee onderwerpen is echter niet veranderd. De destijds gegeven motivering van de verdediging van verdachte [verdachte 7] is het kader van het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris. Een andere motivering is door geen van de andere verdedigingen aangevoerd.
18. Kort samengevat gaat het dan om het volgende:
A. telefoons (mogelijk) in de cel van verdachte [verdachte 10] in 2017
- -
heeft verdachte [verdachte 10] (in 2017) beschikt over een andere/tweede PGP-toestel, en zo ja, is deze wellicht via de getuige naar binnen gebracht?
- -
welke communicatiemiddelen heeft verdachte [verdachte 10] in december 2017 tot zijn beschikking gehad?
- -
heeft verdachte [verdachte 10] in december 2017 vanuit detentie met een tweede PGP-toestel contact opgenomen met verdachte [verdachte 7] ?
Het voorgaande (mede) in het licht van de vraag of verdachte [verdachte 10] enige bemoeienis heeft gehad met de aanslag op verdachte [verdachte 7] in de nacht van 17 op 18 december 2017, in het bijzonder of verdachte [verdachte 10] hem vanuit detentie in de val heeft gelokt, zoals door verdachte [verdachte 7] is gesteld.
Heeft de getuige enige wetenschap over de betrokkenheid van verdachte [verdachte 10] in de onderzoeken Roos en Doorn?
19. De bevraging van de getuige over deze onderwerpen kan wellicht mede licht werpen op het wel of niet aannemelijk zijn van de door verdachte [verdachte 10] gestelde vertrouwensrelatie tussen hem en verdachte [verdachte 7] , die dat betwist.
20. Met inachtneming van het voorgaande wordt het verzoek om de getuige over deze twee onderwerpen te horen toegewezen.
Verzoek om [zus getuige] als getuige te doen horen
21. Namens de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] is verzocht om [zus getuige] – de zus van getuige [naam getuige] – als getuige te doen horen. De verdediging voert daartoe aan dat getuige [naam getuige] tot op heden niet gehoord kon worden over de door hem aan [zus getuige] verstrekte brieven en de op hem uitgeoefende psychische en lichamelijke dwang bij het afleggen van zijn verklaringen. [zus getuige] heeft voortdurend contact met haar broer gehouden en dient nader te worden bevraagd omtrent hetgeen zij exact weet (wat, wanneer, onder welke omstandigheden enzovoorts), en op grond waarvan zij haar wetenschap heeft verkregen betreffende de bejegening van haar broer tijdens diens detentie en diens verhoren door de Marokkaanse en Nederlandse politie. Daarover zijn aan [zus getuige] geen vragen gesteld in haar politieverhoor, althans er is onvoldoende doorgevraagd.
22. Het Openbaar Ministerie vindt dat het verzoek dient te worden afgewezen, nu alle vragen die de verdediging opwerpt al door deze getuige zijn beantwoord in haar politieverhoor.
Oordeel van de rechtbank
23. De rechtbank heeft in eerdere beslissingen6.overwogen dat de verklaringen van getuige [naam getuige] zeer belastend zijn voor verschillende verdachten, dat de verdediging hem tot op heden niet als getuige heeft kunnen ondervragen en dat er aanleiding is (enig) nader onderzoek te doen naar de omstandigheden van deze verhoren, omdat de bruikbaarheid van verklaringen voor het bewijs kan wegvallen als bij de verkrijging daarvan sprake was van foltering of van onmenselijke of vernederende behandeling, vgl. EHRM 5 november 2020, 31454/10 (Ćwik tegen Polen).
24. De rechtbank heeft daarom de eerdere verzoeken van de verdediging om de verbalisanten en de tolk die aanwezig waren bij deze verhoren te doen horen toegewezen. Het verzoek om [zus getuige] als getuige te doen horen wordt om dezelfde reden toegewezen, nu ook daarmee compensatie voor het niet kunnen horen van getuige [naam getuige] kan worden geboden. Omdat de zaak van verdachte [verdachte 11] op de terechtzitting van 22 april 2022 niet aan de orde was kon bovengenoemd verzoek niet in zijn zaak worden gedaan. De rechtbank ziet echter reden om deze getuige ambtshalve eveneens in zijn zaak toe te wijzen.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoek met betrekking tot informatie over de detentie van verdachte [verdachte 8] in Spanje
25. De verdediging heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie opdracht te geven om bij de Spaanse autoriteiten na te gaan of verdachte [verdachte 8] van 8 september 2008 tot en met 18 juni 2009 gedetineerd is geweest in Spanje. De officier van justitie heeft ter terechtzitting bij dupliek laten weten dat het inmiddels de bevestiging heeft gekregen dat deze informatie klopt. Gelet daarop is een beslissing van de rechtbank op dit verzoek niet meer nodig.
Verzoek met betrekking tot verblijfplaatsen van verdachte [verdachte 3] in de periode van 2006 tot en met 2012
Verzoek van de verdediging
26. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen onderzoek te doen naar de verblijfplaatsen van verdachte [verdachte 3] in de periode van 2006 tot en met 2012. Daarmee zou de betrouwbaarheid van de kroongetuige worden gefalsificeerd, in het bijzonder waar hij verklaart verdachte [verdachte 3] te kennen, hem te hebben ontmoet en hem soms dagelijks gesproken te hebben. Ook wenst de verdediging dat onderzoek wordt gedaan naar de vliegbewegingen van verdachte [verdachte 3] . De verdediging heeft ter onderbouwing een door haar gemaakte tijdlijn in het geding gebracht betreffende de verblijfplaatsen van verdachte [verdachte 3] in de periode van 2004 tot en met 2014. Ook zijn verschillende stukken ingebracht, waaronder een kopie van een Nederlands paspoort op naam van verdachte [verdachte 3] dat geldig was van februari 2008 tot februari 2013.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
27. Het Openbaar Ministerie vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het gevraagde onderzoek betreft niet de feiten die in de overeenkomst van de Nederlandse Staat met de kroongetuige staan en bovendien zal het gevraagde onderzoek niet kunnen bevestigen dat de kroongetuige en verdachte [verdachte 3] elkaar nooit hebben ontmoet.
Oordeel van de rechtbank
28. In de beslissing van de rechtbank van 29 september 20207.is al vooropgesteld dat het bij het toetsen van de betrouwbaarheid van de kroongetuige in eerste instantie gaat om de verklaringen die hij heeft afgelegd over de ten laste gelegde feiten. Het verzoek van de verdediging betreft echter (gestelde) contacten van de kroongetuige met verdachte [verdachte 3] die volgens de kroongetuige jaren vóór de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden.
Daarnaast is van belang dat de kroongetuige geen specifieke data heeft gegeven van de ontmoetingen maar vrij ruime tijdvakken heeft aangeduid waarin die ontmoetingen zouden hebben plaatsgevonden. Verder volgt uit de tijdlijn van de verdediging dat verdachte [verdachte 3] Nederland heeft bezocht in 2006, 2007, 2010, 2011 en 2012. De kopieën van het paspoort van verdachte [verdachte 3] bevatten wel in- en uitreisstempels van de autoriteiten van Marokko en daarnaast stempels uit Brazilië en de Dominicaanse Republiek, maar geen stempels van de Nederlandse overheid. Bovendien sluiten de in- en uitreisstempels niet op elkaar aan waardoor er hiaten in de tijdlijn zijn. Bij die stand van zaken kan het gevraagde onderzoek, voor zover dit al mogelijk is, nooit volledig bevestigen of uitsluiten dat verdachte [verdachte 3] niet de ontmoetingen kan hebben gehad met de kroongetuige waarover deze heeft verklaard. De rechtbank ziet daarom onvoldoende verdedigingsbelang bij het verzoek. Dit wordt dan ook afgewezen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑04‑2022
ECLI:NL:RBAMS:2021:2585, r.o. 77 – 79.
ECLI:NL:RBAMS:2020:4764, pag. 8.
ECLI:NL:RBAMS:2021:2585, r.o. 15.
ECLI:NL:RBAMS:2022:132, r.o. 41 en 42.
Beslissingen van 17 november 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5585, pag. 11) en 21 mei 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:2585, r.o. 68).
ECLI:NL:RBAMS:2020:4764, pag. 6.
Uitspraak 23‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissing van de rechtbank op een verzoek in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 1 maart 2022 en na een schriftelijke ronde.
Beslissing van de rechtbank op een verzoek in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van
1 maart 2022 en na een schriftelijke ronde
Verzoek met betrekking tot het verhoor van de partner van de kroongetuige
Inleiding
1. De rechtbank heeft bij beslissing van 29 september 2020 het verzoek van de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] om de partner van de kroongetuige te horen toegewezen. De onderwerpen van dat toegewezen verhoor zijn: de telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017 en haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit de zaaksdossiers Roos/Doorn.
2. Op de regiezitting van 16 april 2021 heeft de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] en [verdachte 4] de rechtbank verzocht te bepalen dat de partner ook mag worden ondervraagd over de inhoud van de door hem gebruikte iPhone. Andere raadslieden hebben zich toen bij dat verzoek aangesloten. De verdediging van verdachten [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 8] heeft op die zitting ook een eigen verzoek gedaan de partner van de kroongetuige op dit punt te horen. De rechtbank heeft deze verzoeken – en de verzoeken van de andere raadslieden om bij dat verhoor te mogen aansluiten – afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de beslissing of de verdediging daarbij belang heeft pas kan worden genomen nadat de kroongetuige zelf over de inhoud van de iPhone is gehoord, en dat de verdediging daartoe het verzoek opnieuw zou kunnen doen als het verhoor van de kroongetuige over de inhoud van de iPhone daartoe aanleiding zou geven. In haar beslissing van 14 januari 2022 heeft de rechtbank overwogen dat de kroongetuige inmiddels (op de terechtzitting van 22 september 2021) is verhoord over algemene onderwerpen, waaronder over de inhoud van berichten uit de iPhone en dat de rechtbank zich voorstelde dat op de eerstvolgende regiezitting een eventueel debat zou kunnen plaatsvinden over de vraag of de partner van de kroongetuige ook over de inhoud van de iPhone bevraagd zou mogen worden. Op 1 maart 2022 heeft die regiezitting plaatsgevonden.
Verzoek van de verdediging
3. Op de regiezitting van 1 maart 2022 heeft de verdediging van verdachte [verdachte 4] opnieuw verzocht de partner van de kroongetuige ook te horen over de inhoud van de iPhone. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat het belang daarbij inmiddels wel voldoende is gebleken uit alle berichten. De raadsman van verdachte [verdachte 9] heeft zich bij dit verzoek aangesloten. Door of namens de overige raadslieden is niet opnieuw verzocht om het horen van de partner van de kroongetuige over dit onderwerp. De verdediging van verdachte [verdachte 4] heeft verder aanvullend verzocht het verhoor van de partner van de kroongetuige te houden op de openbare terechtzitting. Verdachte [verdachte 4] wil zelf namelijk ook vragen kunnen stellen aan de partner van de kroongetuige en dit is niet mogelijk wanneer zij bij de rechter-commissaris wordt gehoord.
Schriftelijke ronde
4. Ter terechtzitting van 1 maart 2022 heeft het Openbaar Ministerie niet meer kunnen reageren op de verzoeken van de verdediging. Daarom is aldaar met het Openbaar Ministerie en de verdediging van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 9] overeengekomen dat op dit onderdeel nog een schriftelijke ronde zou plaatsvinden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
5. Bij e-mailberichten van 15 maart 2022 heeft het Openbaar Ministerie laten weten geen bezwaar te hebben tegen een uitbreiding van het verhoor van de partner van de kroongetuige, met als onderwerp de inhoud van de berichten van de iPhone van de kroongetuige. Daarbij heeft het wel opgemerkt dat ten aanzien van de partner van de kroongetuige beschermingsmaatregelen zijn getroffen en zij ten aanzien van deze maatregelen een geheimhoudingsplicht heeft. Het verhoor van de partner van de kroongetuige dient naar het oordeel van het Openbaar Ministerie plaats te vinden bij de rechter-commissaris, zoals de rechtbank eerder al beslist heeft. Dit met het oog op het welzijn van de getuige en gelet op het feit dat er ten aanzien van deze getuige beschermingsmaatregelen zijn getroffen.
Standpunt van de verdediging
6. In reactie op het standpunt van het Openbaar Ministerie is namens verdachte [verdachte 4] bij e-mailbericht van 15 maart 2022 gepersisteerd bij de verzoeken. Volgens de verdediging is van het grootste belang dat verdachte ook (direct) vragen kan stellen. Het welzijns-argument is niet nader onderbouwd en de veiligheid kan evenals bij de kroongetuige gediend worden in de bunkerrechtbank, aldus de verdediging.
7. De verdediging van verdachte [verdachte 9] heeft niet gereageerd op het standpunt van het Openbaar Ministerie.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank toetst het verzoek om de partner van de kroongetuige ook te horen over de inhoud van de iPhone aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1496) in dit verband heeft overwogen mag van de verdediging worden verlangd dat een dergelijk verzoek naar behoren wordt gemotiveerd. De Hoge Raad overweegt dat afwijzing van het verzoek goed denkbaar is als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Ook gaat de Hoge Raad in dit arrest in op getuigenverzoeken die zijn gedaan op een pro forma- of regiezitting. De Hoge Raad overweegt:
“2.33. Ingeval de rechter ten tijde van de pro forma-zitting of de regiezitting over onvoldoende gegevens meent te beschikken om een verantwoorde beslissing te geven op een verzoek van de verdediging tot het oproepen van getuigen, ligt het niet voor de hand dat de rechter het verzoek “in voorlopige zin” afwijst. Mede met het oog op de vereiste duidelijkheid van de verdere procesvoering verdient het de voorkeur dat de rechter in een dergelijk geval de beslissing op het verzoek aanhoudt.
2.34. Dat laat onverlet dat de rechter ingeval het verzoek wordt afgewezen, in de motivering van die beslissing tot uitdrukking kan brengen dat hij zich op basis van wat bij gelegenheid van de pro forma-zitting of de regiezitting ter tafel ligt – waaronder begrepen hetgeen de verdediging ter motivering van het verzoek heeft aangevoerd – onvoldoende ingelicht acht om, ongeacht het toepasselijke criterium, het verzoek te kunnen toewijzen omdat pas bij de latere behandeling van de zaak de voor de beoordeling van het verzoek relevante belangen in hun volle omvang gewogen kunnen worden. Indien de verdediging het na een dergelijke afwijzing van het verzoek op de pro forma-zitting of regiezitting wenselijk acht dat de desbetreffende getuigen alsnog worden gehoord, zal hij die wens voorafgaand aan de nadere terechtzitting aan de officier van justitie of tijdens de inhoudelijke behandeling aan de rechtbank kenbaar moeten maken door een daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Indien de verdediging zulks niet doet, behoeft de rechter niet ambtshalve te beslissen over de vraag of het eerder afgewezen verzoek alsnog voor toewijzing in aanmerking komt.”
9. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2021 (ECLI:HR:2021:1931) volgt dat de motiveringseis ook na het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 januari 2021 (ECLI:CE: ECHR:2021:0119, JUD000220516 (Keskin t. Nederland)) is blijven gelden voor een getuigenverzoek als hier aan de orde.
10. De rechtbank heeft, zoals in de inleiding geschetst, het verzoek tot het horen van de partner van de kroongetuige over de inhoud van de iPhone afgewezen. Daarbij heeft zij overeenkomstig de hiervoor aangehaalde overweging 2.34 van de Hoge Raad in de motivering van die beslissing tot uitdrukking gebracht dat pas bij de latere behandeling van de zaak, namelijk in dit geval nadat de kroongetuige zelf over de berichten zou zijn ondervraagd, de voor de beoordeling van het verzoek relevante belangen in hun volle omvang gewogen kunnen worden.
11. De rechtbank stelt vast dat de verdediging het huidige verzoek slechts heeft onderbouwd met de stelling dat het belang wel voldoende zou zijn gebleken uit de inhoud van de berichten. Deze motivering schiet in het licht van de daaraan te stellen eisen tekort. Voor zover de verdediging heeft willen verwijzen naar haar eerdere stellingen dat uit de berichten blijkt dat de kroongetuige op meerdere momenten heeft gelogen en het horen van belang is in verband met het toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige, is dit onvoldoende motivering. De kroongetuige zelf is inmiddels immers over de berichten ondervraagd. Het had op de weg van de verdediging gelegen om thans concreet te onderbouwen waarin het verdedigingsbelang is gelegen om ook de partner van de kroongetuige over de inhoud van de berichten te horen. Dit klemt te meer nu de verdediging in de beslissing van 14 januari 2022 uitdrukkelijk is uitgenodigd om deze kwestie opnieuw aan de orde te stellen op 1 maart 2022. Nu die onderbouwing is uitgebleven, is de rechtbank niet gebleken van een verdedigingsbelang bij het horen van de partner van de kroongetuige over de inhoud van de berichten op de iPhone. Dit verzoek in de zaken van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 9] wordt daarom afgewezen.
Verzoek met betrekking tot het horen als getuige ter terechtzitting
12. De rechtbank wijst ook het verzoek om de partner van de kroongetuige (over de twee reeds toegewezen onderwerpen) op een openbare terechtzitting te horen af. Ten aanzien van de partner van de kroongetuige zijn beschermingsmaatregelen getroffen zodat alleen al daarom een verhoor bij de rechter-commissaris in de rede ligt. De vergelijking met de situatie van de kroongetuige die wel op de terechtzitting door de rechtbank wordt gehoord gaat niet op. De partner van de kroongetuige heeft, anders dan de kroongetuige zelf, geen belastende verklaringen afgelegd in dit onderzoek. De wens van verdachte [verdachte 4] om de partner van de kroongetuige zelf vragen te kunnen stellen maakt dit niet anders.
Conclusie en vervolg
13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de partner van de kroongetuige over de twee eerder toegewezen onderwerpen zal worden gehoord door de rechter-commissaris in de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] , zoals de rechtbank op 29 september 2020 heeft beslist. De rechtbank geeft de rechter-commissaris opdracht dit verhoor thans te gaan plannen.
Uitspraak 08‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 1 maart 2022
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 1 maart 2022
1. De rechtbank heeft voorafgaand aan de regiezitting van 1 maart 2022 geen schriftelijke onderzoekswensen ontvangen. Een eerste schriftelijke ronde, zoals die bij eerdere regiezittingen plaatsvond, heeft nu dan ook niet plaatsgevonden.
2. Namens verdachte [verdachte 1] is door mrs. Dunsbergen en Van ’t Land ter terechtzitting van 1 maart 2022 toegelicht dat zij nog niet in staat zijn onderzoekswensen te formuleren. Wel hebben zij laten weten dat eventuele onderzoekswensen naar verwachting in ieder geval zullen zien op het horen van de kroongetuige, de aanloop naar en omstandigheden rond de aanhouding van verdachte [verdachte 1] en (technische aspecten rond) de PGP-berichten.
3. Namens verdachte [verdachte 2] heeft mr. Meijering ter terechtzitting van 1 maart 2022 een aantal onderzoekswensen gedaan waarop het Openbaar Ministerie heeft gereageerd.
4. Namens verdachte [verdachte 3] heeft mr. G.N. Weski ter terechtzitting van 1 maart 2022 een verzoek gedaan waarop het Openbaar Ministerie heeft gereageerd.
5. Het Openbaar Ministerie heeft ter terechtzitting van 1 maart 2022 eveneens een aantal (regie)verzoeken gedaan waarop de raadslieden hebben kunnen reageren.
6. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken. De rechtbank heeft naar aanleiding van het besprokene ter terechtzitting van 1 maart 2022 een verdere invulling gemaakt van de zittingsdagen voor de komende zittingsperiode. Een invulling van de periode van september tot en met december 2022 zal de rechtbank zo spoedig mogelijk met de procespartijen delen.
7. Ter terechtzitting van 1 maart 2022 heeft het Openbaar Ministerie nog niet de gelegenheid gehad te reageren op het (aanvullende) verzoek van de verdediging met betrekking tot het horen van de partner van de kroongetuige over de inhoud van de iPhone. Hierover volgt nog een schriftelijke ronde. Op dit verzoek zal de rechtbank daarom later beslissen.
In de zaak van verdachte [verdachte 1]
Verzoek tot het stellen van termijnen voor onderzoekswensen
8. Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank verzocht de verdediging een termijn te stellen voor het indienen van aangekondigde mogelijke onderzoekswensen over de aanloop naar en omstandigheden rond de aanhouding van verdachte [verdachte 1] en technische aspecten rond de PGP-berichten.
Oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank stelt voorop dat onderzoek naar de aanloop naar en omstandigheden rond de aanhouding van verdachte [verdachte 1] zou kunnen betekenen dat een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van Colombia moet worden gedaan. In verband met de benodigde tijd daarvoor is het wenselijk dat de verdediging zo spoedig als mogelijk dergelijke onderzoekswensen indient. Zij is daartoe overigens ook bereid. Waar het gaat om onderzoekswensen over de feitelijke aanhouding kan verdachte [verdachte 1] zijn raadslieden zelf informeren. Voor het overige geldt dat de verdediging van verdachte [verdachte 1] nu nog niet beschikt over het artikel 565 Sv (oud) BOB-dossier. Het Openbaar Ministerie heeft hierover medegedeeld dat dit dossier ter inzage kan worden verstrekt zodra de beslissing van de rechter-commissaris op een ingediende vordering om een machtiging tot permanente onthouding is ontvangen. Het komt de rechtbank voor dat de verdediging binnen één maand nadat zij inzage krijgt in dit dossier in staat zou moeten zijn op dit punt haar onderzoekswensen in te dienen. Zodra het Openbaar Ministerie dit dossier ter inzage verstrekt verneemt de rechtbank dit dan ook graag. De rechtbank zal verder op de terechtzitting van 21 maart 2022 met de verdediging en het Openbaar Ministerie bespreken wat op dit punt de stand van zaken is en hoe dit praktisch zal worden afgewikkeld.
10. Ten aanzien van mogelijke onderzoekwensen over de technische aspecten rond de PGP-berichten is de rechtbank van oordeel dat het voor de verdediging mogelijk zou moeten zijn om dergelijke verzoeken uiterlijk op 13 mei 2022 in te dienen. De rechtbank verwacht dan ook van de verdediging dat zij dit uiterlijk op de terechtzitting van 13 mei 2022 doet. De rechtbank wijst de verdediging erop dat het Openbaar Ministerie bereid en in staat is geweest om ook buiten de terechtzittingen om oplossingen te bieden voor praktische problemen bij de inzage in de PGP-berichten en vragen omtrent PGP-kwesties te beantwoorden.
11. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft verder medegedeeld dat zij naar het zich laat aanzien de kroongetuige wenst te horen en dat zij daartoe op een later moment een gemotiveerd verzoek zal doen. De rechtbank wijst de verdediging erop dat het verzoek tot het horen van de kroongetuige ook in de zaak van verdachte [verdachte 1] al is toegewezen. De kroongetuige is al eerder mede in de zaak van verdachte [verdachte 1] gehoord en zal verder worden gehoord, onder andere op de reeds geplande zittingsdagen op 10 en 13 mei 2022 waarop de zaaksdossiers met verdachte [verdachte 1] worden besproken. De verdediging hoeft dan ook niet opnieuw te verzoeken om het horen van de kroongetuige.
In de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 2] en [verdachte 1]
Het horen van (twee) zussen van de kroongetuige bij de politie
Standpunt van het Openbaar Ministerie
12. Het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld dat het van de politie heeft vernomen dat de zussen van de kroongetuige hebben aangegeven dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden niet in staat zijn om te worden verhoord. Om die reden heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank verzocht de eerdere opdracht van de rechtbank te wijzigen en te bepalen dat het verhoor zal worden afgenomen door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris kan voorafgaand aan een dergelijk verhoor beoordelen of de persoonlijke omstandigheden in de weg staan aan een getuigenverhoor en zo ja, hoe lang die verhindering aanwezig moet worden geacht. Tevens wordt verzocht te bepalen dat de rechter-commissaris zich voor het verhoor kan laten bijstaan door de politie en dat het verhoor buiten aanwezigheid van procespartijen (Openbaar Ministerie en verdediging) plaatsvindt, zoals ook het geval zou zijn geweest bij een verhoor door de politie.
Standpunt van de verdediging van verdachte [verdachte 2]
13. In reactie op de verzoeken van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging van verdachte [verdachte 2] aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het voorstel van het Openbaar Ministerie. De rechtbank begrijpt dat de verdediging zelf wenst te kunnen toetsen of de gestelde persoonlijke omstandigheden van voldoende gewicht zijn om van een verhoor af te zien en dat de verdediging de twee zussen, als zij wel als getuige gehoord kunnen worden, ook zelf vragen wil kunnen stellen.
Oordeel van de rechtbank
14. De rechtbank stelt voorop dat zij destijds afwijzend heeft beslist op het verzoek tot het als getuige horen van de twee zussen van de kroongetuige die meegewerkt hebben aan de vierdelige documentaireserie ‘De jacht op de Mocro-Maffia’. De rechtbank achtte alleen in het kader van verificatie en falsificatie enig onderzoek door de politie gerechtvaardigd. Verwezen wordt naar overweging 13 van de beslissing van 29 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4764). Deze overweging luidt:
“De verdediging (toevoeging rechtbank: van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 2] en [verdachte 1] ) heeft verzocht deze twee zussen van de kroongetuige te doen horen als getuige. Voor zover de grondslag van dat verzoek ziet op de totstandkoming van de overeenkomst met de kroongetuige en de beweerde mededeling van een overheidsfunctionaris dat de dood van de broer van de kroongetuige aan de kroongetuige te wijten was, kan de rechtbank niet inzien welk verdedigingsbelang daarmee gemoeid kan zijn. De verdediging heeft verder gewezen op passages uit de documentaire ‘De jacht op de Mocro-Maffia’ waaruit zou volgen dat de kroongetuige (mogelijk) met zijn familie heeft gesproken over de feiten uit de zaaksdossiers Roos en Doorn. De rechtbank is van oordeel dat de aanwijzingen in de citaten uit de documentaire geen uitsluitsel geven over hetgeen de kroongetuige inhoudelijk over die zaken heeft verteld, maar wel enig nader onderzoek op dit punt rechtvaardigen. De officier van justitie wordt opgedragen om, in het kader van verificatie en falsificatie, de beide zussen te doen verhoren door de politie. Indien daartoe aanleiding bestaat kan de verdediging naar aanleiding van de processen-verbaal die van die verhoren worden opgemaakt, een nader verzoek doen tot het horen van hen als getuige.”
15. Bij gelegenheid van de regiezittingen die na deze beslissing hebben plaatsgevonden heeft het Openbaar Ministerie medegedeeld dat de twee zussen hebben aangegeven om persoonlijke redenen niet in staat te zijn te worden verhoord. Hoewel ter terechtzitting van 12 maart 2021 en laatstelijk ter terechtzitting van 20 december 2021 door het Openbaar Ministerie is medegedeeld dat de verhoren bij de politie op korte termijn zouden worden ingepland, moet de rechtbank nu vaststellen dat een verhoor van de zussen door de politie gewoonweg niet is gelukt. De rechtbank ziet, tegen de achtergrond van haar eerdere beslissing dat het gaat om enig onderzoek in het kader van verificatie en falsificatie en bij gebreke van een nadere onderbouwing door de verdediging, geen aanleiding om te bepalen dat de twee zussen thans als getuige bij de rechter-commissaris zouden moeten worden gehoord. De rechtbank ziet evenmin aanleiding hen te laten horen door de rechter-commissaris op de door het Openbaar Ministerie voorgestane wijze. De verzoeken van het Openbaar Ministerie en de verdediging van verdachte [verdachte 2] worden daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 2]
Verzoek met betrekking tot rechtshulpverzoeken
16. De verzoeken van de verdediging tot voeging in het dossier van het rechtshulpverzoek aan het Verenigd Koninkrijk en het aanvullend rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) worden afgewezen. De rechtbank ziet hiervoor in de gegeven onderbouwing geen reden. Ten aanzien van het aanvullend rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de VAE geldt overigens dat de door de rechtbank in de beslissing van 8 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:6338) geformuleerde vragen volgens het Openbaar Ministerie één op één zijn overgenomen in dat aanvullende rechtshulpverzoek.
Verzoek met betrekking tot het horen van ‘ [bijnaam 1] ’ als getuige
17. Bij beslissing van 14 januari 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:132) heeft de rechtbank het verzoek van verdachte [verdachte 2] om in de zaak Raspvijl als getuige op te roepen de tussenpersoon met wie de kroongetuige volgens diens verklaring contact heeft gehad over het leveren van semtex en die als ‘ [bijnaam 1] ’ in de telefoon van de kroongetuige zou staan, toegewezen. De verdediging is daarbij opgedragen binnen een maand na die beslissing aan de rechter-commissaris de (identificerende) gegevens van de getuige op te geven zodat deze kan worden opgeroepen. De rechter-commissaris heeft inmiddels laten weten dat de getuige niet kan worden opgeroepen omdat door de verdediging geen (identificerende) gegevens beschikbaar zijn gesteld.
Standpunt van de verdediging
18. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om de identificerende gegevens van deze getuige aan de kroongetuige (eventueel via de raadslieden van de kroongetuige) te vragen en hem te wijzen op zijn verplichting te zeggen wie deze persoon is. Volgens de verdediging mag de kroongetuige op grond van de overeenkomst niet weigeren te antwoorden op deze vraag.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
19. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens de kroongetuige maakt ‘ [bijnaam 1] ’ geen deel uit van de criminele organisatie die zich bezighoudt met het plegen van moorden. Het enkele feit dat de kroongetuige deze persoon heeft benoemd en er volgens de rechtbank mogelijk een belang zou zijn om deze persoon als getuige te horen, maakt nog niet dat het doorgeven van die personalia onder de verklaringsplicht uit hoofde van de overeenkomst valt.
Oordeel van de rechtbank
20. De rechtbank wijst het verzoek af. Het gaat bij het horen van ‘ [bijnaam 1] ’ als getuige om het verifiëren dan wel falsificeren van de verklaringen van de kroongetuige over deze persoon. Het staat de raadsman vrij om ter terechtzitting aan de kroongetuige te vragen naar de identificerende gegevens van deze persoon. Een (eventueel daar op volgend) debat over de vraag of de kroongetuige moet antwoorden op deze vragen dient op de terechtzitting te worden gevoerd.
Het staat overigens verdachte [verdachte 2] vrij om de hem bekende bijnamen van ‘ [bijnaam 1] ’ via zijn raadsman aan het Openbaar Ministerie mee te delen. Wellicht kan aan de hand van deze bijnamen de persoon alsnog worden geïdentificeerd.
Verzoek om voeging van aanvullende berichten van de iPhone van de kroongetuige en geplande verhoordagen
21. Ter terechtzitting van 1 maart 2022 heeft de verdediging van verdachte [verdachte 2] aandacht gevraagd voor de in de beslissing van 13 juli 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3586) neergelegde werkwijze met betrekking tot verzoeken tot voeging van aanvullende berichten uit de iPhone van de kroongetuige in het dossier. De verdediging wil voorafgaand aan de geplande verhoordagen van de kroongetuige niet dat de kroongetuige al kennis heeft kunnen nemen van een eventuele aanvullende selectie door de verdediging. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verdediging ook kan verzoeken berichten vooralsnog alleen te voegen in de zaak van verdachte [verdachte 2] . Het volstaat daartoe dat de verdediging het Openbaar Ministerie het nummer van het desbetreffende bericht opgeeft met vermelding van de lijn waar het om gaat.
22. De rechtbank wil zich ook goed kunnen voorbereiden op deze geplande verhoordagen (vanaf 31 maart 2022) en vindt het daarom noodzakelijk dat zij tijdig, uiterlijk op 21 maart 2022, beschikt over eventuele aanvullende iPhone-berichten die op verzoek van de verdediging worden gevoegd in het dossier van verdachte [verdachte 2] . Voor zover dat nog niet is gebeurd, wordt de raadsman daarom verzocht zodanig tijdig aan het Openbaar Ministerie te laten weten welke berichten hij gevoegd wenst te zien, zodat deze termijn ook gehaald kan worden.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoek met betrekking tot verkeersgegevens van telefoons
23. Het Openbaar Ministerie heeft aan de verdediging van verdachte [verdachte 3] een overzicht van verkeersgegevens van twee telefoons (* [nummer 1] ) en (* [nummer 2] ) over de periode oktober 2016 tot en met maart 2017 ter inzage verstrekt. Het gaat om een overzicht in een Excelbestand waarin, naar de rechtbank begrijpt, wel zendmastnummers staan vermeld, maar niet de bijbehorende adressen.
24. De raadsman heeft thans verzocht om een volledig overzicht van de historische verkeersgegevens van beide telefoons over deze periode. Het belang daarbij is er volgens de raadsman in gelegen bevestigd te krijgen dat deze nummers niet van verdachte zijn maar van iemand anders. Het Openbaar Ministerie heeft bij repliek toegelicht dat en waarom het verzochte onderzoek zeer arbeidsintensief is. Het heeft de verdediging verzocht om een nadere concretisering en aanduiding van specifieke momenten van welke verkeersgegevens de verdediging de bijbehorende zendmastlocaties zou willen weten. Hierop heeft de raadsman in dupliek geantwoord dat hij met verdachte [verdachte 3] zal bespreken waar verdachte [verdachte 3] in welke periode is geweest. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de raadsman zich desgewenst met een concreter verzoek rechtstreeks tot het Openbaar Ministerie wendt zodat hierop nu geen beslissing van de rechtbank hoeft te volgen.
In de zaken van alle verdachten
Overige verzoeken en vragen
25. Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende zitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.
Uitspraak 04‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen op verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis, gedaan op de regiezitting inzake 26Marengo van 1 maart 2022
Beslissingen op verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis, gedaan op de regiezitting inzake 26Marengo van 1 maart 2022
Inzake verdachte [verdachte 1]
Namens verdachte [verdachte 1] heeft zijn raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel deze te schorsen. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden ook nu nog onverkort aanwezig zijn. Zij verwijst daartoe naar haar beslissing over de voorlopige hechtenis van verdachte van 24 december 2021.
De raadsman heeft ten aanzien van de ernstige bezwaren nog betoogd dat uit de telefoongegevens in het dossier (ten onrechte) zou worden afgeleid dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 8 januari 2017 een (spotters)team hebben gevormd, gelet op de telefoonmasten die werden aangestraald. [medeverdachte 1] kent verdachte echter niet. Kennelijk was de aan verdachte toegeschreven telefoon op dat moment dus niet in zijn bezit, aldus de raadsman. Het betoog van de raadsman doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de ernstige bezwaren. De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen dat [medeverdachte 1] en (andere) spotters op de betreffende datum als een team samenwerkten. [medeverdachte 1] heeft in zijn verklaring van 30 januari 2017 (zie Dossier verhoren [medeverdachte 1] , pagina 258) verklaard dat hij op het moment dat hij informatie wilde doorgeven over de aanwezigheid van [slachtoffer] in de lounge een bericht kreeg waaruit bleek dat er al spotters op [slachtoffer] zaten. Dat wijst er voorshands eerder op dat [medeverdachte 1] en de spotters los van elkaar werkten en niet als team.
Verder heeft de raadsman (wederom) aangevoerd dat er geen sprake is van vluchtgevaar. Dat verdachte een ontsnappingspoging heeft gedaan staat niet vast en is enkel gebaseerd op de stelling van het Openbaar Ministerie, dat het informatie heeft van die strekking, maar die (onderliggende) informatie is niet verstrekt. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie die onderliggende informatie wel dient in te brengen.
De rechtbank verwijst naar haar beslissing van 24 december 2021, waarin staat vermeld wat er volgens de informatie van het Openbaar Ministerie is gebeurd. Verdachte heeft op dat punt geen verklaring afgelegd. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het scenario van het Openbaar Ministerie. Het vluchtgevaar is dan ook nog aanwezig. Ten behoeve van eventuele toekomstige discussie over dit onderwerp vindt de rechtbank het wel wenselijk dat het Openbaar Ministerie (conform het gedane aanbod) de GRIP-informatie die het heeft geciteerd, door het GRIP op schrift laat stellen, ter voeging in het dossier.
Mede gezien het hierboven overwogene doet zich naar het oordeel van de rechtbank ook op dit moment niet de situatie voor als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. Ook in dit stadium wegen de strafvorderlijke belangen zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte bij invrijheidstelling.
Inzake verdachte [verdachte 2]
De raadsman van verdachte heeft verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis tot aan de einduitspraak. Hij heeft hiertoe aangevoerd, kort gezegd, dat er voor verdachte ontlastend materiaal naar voren is gekomen, met name in de zaak Zeilboot. Volgens de raadsman moet dit meegewogen worden bij de afweging van de persoonlijke belangen van verdachte en de belangen van strafvordering. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de lange tijd die verdachte inmiddels in voorlopige hechtenis verblijft.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten waarvoor ernstige bezwaren aanwezig zijn, is de rechtbank van oordeel dat het persoonlijk belang van verdachte niet opweegt tegen het belang van strafvordering. Het recent gevoegde proces-verbaal met de uitwerking van een telefoongesprek dat verdachte [verdachte 2] vanuit detentie heeft gevoerd, waar de raadsman op heeft gewezen, maakt dit niet anders. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt dan ook afgewezen.
Inzake verdachte [verdachte 3]
Namens verdachte is primair verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis, wegens het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de aan hem toegeschreven PGP-lijnen en dat uit de in het dossier genoemde tijdstippen met betrekking tot een PGP-bericht blijkt dat de PGP-data niet betrouwbaar zijn. Nu de voorlopige hechtenis al heel lang voortduurt, dient de rechtbank strenger te toetsen of er sprake is van voldoende bewijs, aldus de raadsvrouw.
De officier van justitie van justitie heeft, in reactie op het opheffingsverzoek van de verdediging, een uitleg gegeven omtrent de tijdstippen van het genoemde PGP-bericht. Op basis van deze uitleg is de rechtbank van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden onverkort aanwezig zijn. Ook doet zich niet de situatie voor als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv. Het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.
Subsidiair is door de verdediging verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. De raadsvouw heeft aangevoerd dat verdachte al heel lang in detentie verblijft en dat de gezondheid van zijn moeder verder achteruit gaat. De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering ook op dit moment zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verdachte. De rechtbank verwijst hierbij naar de motivering van haar beslissing van 23 september 2021, die ook nu nog steeds geldt. Het verzoek wordt afgewezen.
De raadsvrouw heeft meer subsidiair verzocht om de mogelijkheden voor elektronisch toezicht te laten onderzoeken. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding, zodat ook dit verzoek wordt afgewezen.
Inzake verdachte [verdachte 4]
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er ten aanzien van verdachte geen belastend materiaal bij is gekomen, dat het dossier jegens verdachte al twee jaar ongewijzigd is en dat het standpunt van de verdediging, dat er geen sprake is van voldoende ernstige bezwaren, ongewijzigd is. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden voor de voorlopige hechtenis aanwezig zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden onverkort aanwezig zijn en verwijst voor de motivering naar haar beslissing van 24 december 2021. De raadsvrouw heeft uitgelegd waarom de verdediging zich niet kan vinden in (de motivering van) die beslissing. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om anders te beslissen dan op 24 december 2021. Het opheffingsverzoek wordt afgewezen.
Subsidiair is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. Ook hiervoor geldt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan de vorige keer dat hierom is verzocht. Het verzoek wordt afgewezen.
Uitspraak 14‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 20 december 2021.
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 20 december 2021
1. Aan de regiezitting van 20 december 2021 is een schriftelijke ronde voorafgegaan. Hiervan heeft alleen mr. I.N. Weski gebruik gemaakt. De raadsvrouw heeft in deze eerste termijn namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] onderzoekswensen ingediend bij e-mailbericht van 5 december 2021. Het Openbaar Ministerie heeft op 13 december 2021 op deze onderzoekswensen gereageerd. Op 20 december 2021 heeft vervolgens re- en dupliek plaatsgevonden.
2. Namens verdachte [verdachte 4] is door mrs. H.M. Dunsbergen en R. van ’t Land ter terechtzitting van 20 december 2021 een regieverzoek gedaan. Hierop heeft het Openbaar Ministerie gereageerd.
3. Namens verdachte [verdachte 5] heeft mr. G.N. Weski ter terechtzitting van 20 december 2021 een tweetal onderzoekswensen gedaan waarop het Openbaar Ministerie heeft gereageerd.
4. Verdachte [verdachte 6] heeft ter terechtzitting van 20 december 2021 een aantal onderzoekwensen gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft hierop ter terechtzitting van 21 december 2021 gereageerd, waarna nog repliek en dupliek heeft plaatsgevonden.
5. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken en op het door het Openbaar Ministerie gehandhaafde verzoek tot het horen van een getuige bij de rechter-commissaris. Tot slot volgen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de invulling van de zittingsdagen in de periode van maart tot en met juni 2022. De concrete invulling is opgenomen in een bijlage.
In de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3]
Verzoek tot voeging geluidsdrager en zeven gespreksverslagen uit Rotonde
6. Namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] is verzocht om voeging van de geluidsdrager en zeven gespreksverslagen die worden genoemd in het proces-verbaal van 17 januari 2017, met betrekking tot TGO Kreta, dat recent – op 3 december 2021 – door het Openbaar Ministerie is gevoegd.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank wijst erop dat bedoeld proces-verbaal van 17 januari 2017 is gevoegd op verzoek van de verdediging van medeverdachte [verdachte 7] . Die verdediging had in verband met de verdenking in zaaksdossier Kreta verzocht om voeging van een tapgesprek tussen [naam 1] en [naam 2] . Aan dit verzoek is tegemoet gekomen door voeging van genoemd proces-verbaal met bijlagen. Die bijlagen betreffen de uitwerking van twee tapgesprekken en twee sms-berichten tussen deze personen. Dat de geluidsdrager en zeven gespreksverslagen relevant zouden zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is niet door de verdediging onderbouwd. Het verzoek om ook deze stukken te voegen wordt daarom afgewezen.
Verzoek met betrekking tot onderzoek meineed kroongetuige
8. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie te laten toelichten of er ook nu geen plannen bestaan de meinedige verklaringen van de kroongetuige te onderzoeken en hem voor meineed te vervolgen. Volgens de verdediging is dit van belang in het kader van de beoordeling door de rechtbank van de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding en het door het Openbaar Ministerie getoonde eventuele gunstbetoon.
Oordeel van de rechtbank
9. Dit verzoek komt neer op een herhaling van zetten. Hetzelfde verzoek heeft de verdediging gedaan bij gelegenheid van de vorige regiezitting en daarop heeft de rechtbank beslist op 8 november 2021. Onder verwijzing naar die beslissing wijst de rechtbank het herhaalde verzoek af.
Verzoek met betrekking tot de inzage in berichten uit de iPhone van de kroongetuige
10. De verdediging heeft verzocht om de nog niet ter inzage verstrekte berichten uit de iPhone van de kroongetuige alsnog te verstrekken, met uitzondering van de berichten die met machtiging van de rechter-commissaris worden onthouden. Daarnaast is verzocht de al verstrekte berichten wederom ter inzage op een MacBook aan de verdediging ter beschikking te stellen, in ieder geval tot het einde van de procedure bij de rechtbank. De verdediging kan dan in de aankomende periode gedurende dit proces nog nadere analyses uitvoeren.
Oordeel van de rechtbank
11. Aan het eerste verzoek is voldaan. De verdediging heeft inzage in alle berichten uit de iPhone van de kroongetuige, met uitzondering van de berichten die met machtiging van de rechter-commissaris worden onthouden. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de mededeling van het Openbaar Ministerie hierover.
12. Ten aanzien van het verzoek de berichten wederom ter inzage op een MacBook ter beschikking te stellen wijst de rechtbank op haar beslissing van 4 oktober 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:5545). Daarin heeft de rechtbank over de wijze van inzage op de MacBooks het volgende overwogen: “De rechtbank ziet vanwege de precaire aard van de berichten wel aanleiding te bepalen dat de inzage op de huidige wijze niet langer duurt dan strikt noodzakelijk in het kader van het voeren van een adequate verdediging en zal daarom bepalen dat de huidige wijze van inzage nog voortduurt tot 1 december 2021. De rechtbank is van oordeel dat deze termijn voldoende gelegenheid biedt aan de verdediging om na te gaan of zich in de inzageset nog berichten bevinden die zij aan het dossier toegevoegd wenst te zien. Na die periode zou inzage in de berichten op het politiebureau moeten kunnen volstaan.” De rechtbank stelt vast dat de verdediging de termijn van 1 december 2021 heeft laten verstrijken zonder dat binnen die termijn gemotiveerd om verlenging is verzocht. De berichten zijn inmiddels van het MacBook verwijderd. De verdediging heeft geen concreet argument aangevoerd dat in de zaken van verdachten de termijn te kort was voor het voeren van een adequate verdediging. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank wijst erop dat de berichten nog steeds op het politiebureau en de inzagelaptops in de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI) kunnen worden ingezien.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
13. Namens verdachte [verdachte 3] is een aantal verzoeken gedaan gerelateerd aan het verhoor van de liaison officer dat op 10 november 2021 bij de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. Samengevat wordt verzocht:
- -
Het Openbaar Ministerie aan te doen geven waarom het functioneren van een andere liaison officer in de van belang zijnde periode is verzwegen;
- -
Aan de verdediging te doen toekomen kopieën van de vele politiële rechtshulpverzoeken waar de liaison officer over sprak;
- -
De ‘andere’ liaison officer ter terechtzitting op te roepen als getuige;
- -
De reeds gehoorde liaison officer ter terechtzitting op te roepen als getuige, om deze alsnog op de belette en andere vragen te mogen horen;
- -
De rechercheur(s) die verantwoordelijk is/zijn voor het verstrekken van persberichten en andere informatie ter terechtzitting als getuige op te roepen;
- -
De ontbrekende acht pagina’s in het proces-verbaal JM2723 van verbalisant [verbalisant] (eventueel geanonimiseerd) aan de verdediging ter kennis te brengen ter eventuele voeging in het dossier;
- -
De PowerPointpresentatie die op 12 september 2018 is getoond aan de Dubai Police aan de verdediging te verstrekken ter eventuele voeging in het dossier.
14. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen het afronden van het verhoor van de reeds gehoorde liaison officer en het horen van de ‘andere’ liaison officer. Voor het overige concludeert het Openbaar Ministerie tot afwijzing van de verzoeken.
15. De argumenten van de verdediging en het Openbaar Ministerie komen – voor zover van belang – bij de beslissing van de rechtbank aan de orde. De rechtbank had op 20 en 22 december 2021, toen de verzoeken op de terechtzitting werden besproken, nog niet de beschikking over het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 10 november 2021, maar inmiddels is dat wel zo.
Oordeel van de rechtbank
Verzoek met betrekking tot het horen van de liaison officers
16. Uit de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 13 december 2021 leidt de rechtbank af dat ook de zaaksofficieren van justitie er pas tijdens het verhoor op 10 november 2021 achter kwamen dat de getuige niet de liaison officer was die aanwezig was bij het bezoek van twee rechercheurs aan de Dubai Police op 12 september 2018. De rechtbank ziet geen aanwijzing dat dit gegeven is verzwegen. Gelet daarop wordt het verzoek van de verdediging daarover afgewezen.
17. Het verhoor van de liaison officer bij de rechter-commissaris op 10 november 2021 is nog niet afgerond. Dat zal nog moeten gebeuren. Het verzoek van de verdediging om daarnaast de liaison officer te horen die bij het bezoek aan de Dubai Police op 12 september 2018 aanwezig is geweest, zal de rechtbank toewijzen. De rechtbank ziet – anders dan door de verdediging verzocht – geen aanleiding om de liaison officers op de terechtzitting als getuige te horen. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris op goede gronden de vordering tot het treffen van beschermende maatregelen ex artikel 190 lid 3 Sv toegewezen. De rechter-commissaris is bij uitstek geëquipeerd voor een dergelijk verhoor onder complexe omstandigheden. Daar komt bij dat de inhoudelijke onderbouwing van de verdediging – de rechter-commissaris zou de beslissing van de rechtbank denatureren – niet door de rechtbank wordt gevolgd. De rechtbank heeft op 13 juli 2021 beslist dat de rechter-commissaris de liaison officer zou moeten horen over “welke informatie door of via de liaison officer over verdachte [verdachte 3] is gedeeld met de autoriteiten van de VAE en over de feitelijke uitvoering van de aanhouding en de overdracht van verdachte [verdachte 3] ”. Daarbij heeft de rechtbank beslist: “Mocht de beantwoording van vragen over deze onderwerpen aanleiding geven om (verdiepings)vragen te stellen over een onderwerp dat de rechtbank nu niet expliciet heeft benoemd, dan kan de rechter-commissaris de relevantie van de vragen bepalen en wanneer de vragen relevant zijn, ook die vragen (laten) stellen.” De rechter-commissaris heeft dit terecht als een gesloten opdracht beschouwd en de vragen van de verdediging die dit bestek te buiten gingen belet. Voorshands is de rechtbank van oordeel dat er door de rechter-commissaris tot op heden geen vragen zijn belet die bij nadere beschouwing toch door de getuige beantwoord hadden moeten worden. Aanvullend geldt dat de rechtbank van oordeel is dat de rechter-commissaris de opdracht om de ‘andere’ liaison officer te horen op eenzelfde wijze dient te interpreteren.
18. De rechtbank heeft kennis genomen van de e-mail van de rechters-commissaris van 21 december 2021 waarin zij aangeven – kort gezegd – dat het met alle beschermende maatregelen die van toepassing zijn en de beperkingen als gevolg van corona, een grote logistieke operatie is om een verhoor van een liaison officer te organiseren, dat zij niet bekend zijn met de zittingsplanning van 26Marengo en dat zij de suggestie doen aan de rechtbank om eventueel akkoord te gaan met een afsluitende schriftelijke vragenronde. De rechters-commissaris gaan in hun e-mail nog enkel uit van het afronden van verhoor van 10 november 2021. Inmiddels is duidelijk dat niet alleen dit verhoor nog moet worden afgerond, maar dat ook de ‘andere’ liaison officer gehoord moet worden. De rechtbank is zich zeer bewust van de complexiteit van de planning van dergelijke verhoren, maar het gegeven dat er pas in juni 2022 gerekwireerd zal worden maakt dat hier voldoende tijd voor lijkt te zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te zien van een verhoor en de verdediging schriftelijke vragen te laten stellen.
Verzoek om kopieën van politiële rechtshulpverzoeken
19. Dat er op politie-politie basis informatie is uitgewisseld met de Dubai Police over verdachte [verdachte 3] staat vast. Het proces-verbaal van 22 februari 2021 van de verbindingsambtenaar van het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (hierna: LIRC), waaruit blijkt dat er een grote hoeveelheid informatie over verdachte [verdachte 3] is gedeeld met de Dubai Police, is daar een weerslag van. De getuige heeft op 10 november 2021 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij geen extra informatie aan Dubai heeft verstrekt dan genoemd in dit proces-verbaal, behalve twee (kranten)artikelen die hij tijdens het verhoor eerder noemde. Aan het verzoek lijkt de impliciete stelling ten grondslag te liggen dat er meer of andere informatie aan de autoriteiten van Dubai zou zijn verstrekt, maar die stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Dat leidt tot afwijzing van dit verzoek.
Verzoek om de rechercheur te horen die verantwoordelijk is voor het verstrekken van persberichten en andere informatie
20. De getuige heeft op 10 november 2021 uitgebreid geantwoord op de vragen van de verdediging omtrent het attenderen van de buitenlandse collega’s op krantenberichten en andere open bronnen. De rechtbank leest – anders dan de verdediging stelt – in dit verhoor niet terug dat de getuige het aankomend verschijnen van een artikel in De Telegraaf over de vermeende Iran-connectie met de Dubai Police heeft gedeeld op verzoek van een rechercheur. De getuige heeft verklaard dat de rechercheur hem er slechts op heeft geattendeerd dat er een artikel over verdachte [verdachte 3] zou verschijnen, dat daar geen verzoek aan was verbonden, dat hij door meerdere collega’s is gebeld over publicaties in de Nederlandse pers, dat het gebruikelijk is dat je elkaar (de rechtbank begrijpt: in dit geval de Dubai Police) informeert en dat er geen specifieke reden is waarom hij iets doorstuurt. Daarmee komt de grondslag aan dit verzoek te ontvallen. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek.
Verzoek met betrekking tot de ontbrekende acht pagina’s in het proces-verbaal JM2723 van verbalisant [verbalisant]
21. De verdediging verzoekt inzage in genoemde pagina’s en stelt daartoe dat deze pagina’s informatie bevatten die bepalend kan zijn geweest voor de wijze waarop verdachte [verdachte 3] is bejegend. Die onderbouwing is, in het licht van de beslissing tot onthouding van dit stuk van de rechter-commissaris, onbegrijpelijk. Deze overweegt immers na kennisname – voor zover hier van belang – dat de onthouden informatie geen verzoeken aan de autoriteiten van Dubai bevat voor de inzet van BOB-middelen, geen betrekking heeft op een eventuele connectie tussen verdachte [verdachte 3] (of andere verdachten) en Iran en geen ontlastende informatie bevat. In dat licht valt niet in te zien hoe deze informatie bepalend kan zijn geweest voor de wijze waarop verdachte [verdachte 3] is bejegend. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek.
Verzoek met betrekking tot de PowerPointpresentatie die op 12 september 2018 is getoond aan de Dubai Police
22. De verdediging verzoekt inzage in deze presentatie en onderbouwt dit met de stelling dat de getuige op 10 november 2021 heeft verklaard dat de inhoud van deze presentatie deel uitmaakt van het proces-verbaal van het LIRC van 22 februari 2021. De verdediging stelt dat dit proces-verbaal betrekking heeft op meldingen van 21 december 2017 tot en met 17 december 2019, dat een presentatie in september 2018 nooit betrekking kan hebben op meldingen van na die datum en dat de uitspraken van de liaison officer dan ook onbegrijpelijk en onvolledig zijn. De rechtbank kan deze redenering niet volgen en deze kan daarom niet dienen ter onderbouwing van het verzoek. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Nu de beide liaison officers nog als getuige gehoord gaan worden kan de verdediging uiteraard aanvullende vragen stellen over dit onderwerp.
Verzoek met betrekking tot verklaringen van medeverdachte [verdachte 7]
23. De rechtbank heeft in de zaak van medeverdachte [verdachte 7] op 23 juni 2021 een verzoek tot opheffing dan wel schorsing van zijn voorlopige hechtenis behandeld in raadkamer. Het Openbaar Ministerie heeft het proces-verbaal van die raadkamerzitting in het dossier van de medeverdachten gevoegd, maar een deel van de tekst van het proces-verbaal is zwartgelakt.
24. De verdediging heeft verzocht om verstrekking van het gehele, ongezwarte proces-verbaal. Zij stelt daartoe dat de verdediging aan de hand van het te verstrekken stuk kan beslissen of zij medeverdachte [verdachte 7] als getuige wil ondervragen. Volgens de raadsvrouw is de rechtbank mogelijk al ten nadele van haar cliënten beïnvloed door kennisname van de zwartgemaakte delen en dient de verdediging in een gelijkwaardige situatie te zijn als de rechtbank, voor wat betreft het procesdossier.
Oordeel van de rechtbank
25. De rechtbank overweegt als volgt. De behandeling in raadkamer van verzoeken over de voorlopige hechtenis vindt achter gesloten deuren plaats (artikel 22 lid 1 Sv). Wat op raadkamerzittingen wordt besproken, wordt (gelet op het vertrouwelijke karakter van die zittingen) niet zonder meer gedeeld met anderen, zoals medeverdachten. In dit geval heeft het Openbaar Ministerie het betreffende proces-verbaal van de raadkamer van 23 juni 2021 gevoegd in het dossier onder weglating van namen van beroepshalve betrokken derden en de standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie in het kader van het schorsingsverzoek.
26. De raadsvrouw wijst er terecht op dat de situatie zich kan voordoen dat de rechtbank meer weet dan de verdediging, als niet het gehele proces-verbaal van een raadkamerzitting van een medeverdachte in het dossier wordt gevoegd. Dat geldt echter per definitie voor alle besloten behandelingen en is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij informatie over persoonlijke omstandigheden en belangen en het debat daarover hebben medeverdachten geen gerechtvaardigd belang. De inhoudelijke verklaring is wel leesbaar gevoegd in het dossier van de medeverdachten, waardoor er zich geen situatie voordoet waarin de verdediging op achterstand staat. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
In de zaak van verdachte [verdachte 6]
Verzoek om [naam 3] als getuige te horen
27. Verdachte [verdachte 6] heeft in de zaak Raspvijl verzocht als getuige op te roepen de tussenpersoon met wie de kroongetuige volgens diens verklaring contact heeft gehad over het leveren van semtex en die als ‘ [naam 3] ’ in de telefoon van de kroongetuige zou staan.
Oordeel van de rechtbank
28. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voldoende belang heeft bij het (doen) horen van deze getuige. De kroongetuige heeft immers in zijn kluisverklaring van 28 januari 2017 (zie Dossier verhoren [kroongetuige] , pagina’s 245-255) verklaard dat hij met zowel verdachte [verdachte 6] als met diens broer [verdachte 4] heeft gesproken over het regelen van semtex, en dat hij vervolgens met ‘ [naam 3] ’ contact heeft gehad over de vraag of de semtex in plaats van met een kabel met een ontsteking via een telefoon kon worden gemaakt. Mogelijk kan de getuige de verklaring van de kroongetuige dan ook verifiëren of falsificeren.
29. De rechtbank zal de rechter-commissaris belasten met dit verhoor. Het is aan de verdediging om de personalia op te geven van de getuige waar zij om verzoekt. Zeker nu de verdachte aan heeft gegeven te weten om wie het gaat. Omdat geen (officiële) personalia van de getuige bij de rechtbank bekend zijn, dient de verdediging binnen een maand na heden aan de rechter-commissaris de (identificerende) gegevens van de getuige op te geven zodat deze kan worden opgeroepen.
30. De rechtbank realiseert zich dat verdachte in de laatste zittingsperiode niet actief is bijgestaan door een raadsman, in verband met het door de verdediging ingenomen standpunt over de huidige onmogelijkheid voor de raadsman om een laptop met daarop het verdedigingsdossier in de EBI mee te nemen tijdens bezoek aan zijn cliënt. De rechtbank laat het aan goed overleg tussen de rechter-commissaris en de raadsman over om het getuigenverhoor te plannen. De rechtbank ziet in de situatie in de EBI op voorhand geen beletsel voor de raadsman om dit getuigenverhoor voor te bereiden. Het is in elk geval niet de bedoeling van de rechtbank dat verdachte zelf het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris bij zal wonen om rechtstreeks vragen aan de getuige te stellen.
Verzoek om buurjongens van de kroongetuige als getuigen te horen
31. Verdachte [verdachte 6] wil verder twee buurjongens van de kroongetuige als getuige doen horen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de kroongetuige heeft verklaard dat hij voor die buurjongens semtex heeft geregeld, om voor een plofkraak te gebruiken.
Oordeel van de rechtbank
32. De rechtbank wijst dat verzoek af. Onvoldoende is onderbouwd wat de relevantie is van de verklaring van die buurjongens voor het strafproces van verdachte. Zijn zaak gaat immers over levensdelicten en niet over plofkraken. Verder is niet onderbouwd dat de buurjongens zouden kunnen verklaren over de hierboven genoemde contacten met verdachten [verdachte 6] , [verdachte 4] , de kroongetuige en ‘ [naam 3] ’ over de levering van semtex met ontsteking via een telefoon.
Verzoek om de ex-vriendin van de broer van de kroongetuige als getuige te horen
33. Verdachte [verdachte 6] heeft de rechtbank verzocht om het getuigenverhoor van de ex-vriendin van de broer van de kroongetuige. Zij zou volgens de verklaring van de kroongetuige kentekens voor hem hebben nagetrokken. Door haar te verhoren kan getoetst worden of de kroongetuige via haar een kenteken heeft nagetrokken in december 2016, aldus verdachte.
34. De officier van justitie heeft in reactie op dit verzoek opgemerkt dat bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer is nagegaan of het bewuste kenteken van de auto waarin [slachtoffer] reed, is nagetrokken. Dit bleek het geval te zijn, op 8 december 2016 om 14:51 uur. Dit staat in het verificatiejournaal waarin inzage is verleend, maar is niet in het dossier gevoegd. Van deze bevraging zal alsnog een proces-verbaal worden opgemaakt dat in het dossier zal worden gevoegd, aldus de officier van justitie. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om de verzochte getuige te (doen) horen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Verzoek om [naam 4] als getuige te horen
35. Verdachte [verdachte 6] heeft verzocht om [naam 4] te horen als getuige. Hij heeft daaraan allereerst ten grondslag gelegd dat uit het dossier (zie Algemeen dossier, pagina 2151) volgt dat de getuige heeft verklaard dat verdachten [verdachte 6] en [verdachte 4] hem hebben gezegd zijn onderneming te verkopen aan verdachte [verdachte 3] .
Oordeel van de rechtbank
36. De rechtbank ziet wel de (mogelijke) relevantie van een verhoor van de getuige over dat onderwerp. Het is echter niet aannemelijk dat de getuige (binnen redelijke termijn) gehoord zal kunnen worden. De getuige is gedetineerd in Marokko, en het Openbaar Ministerie heeft op de terechtzitting van 3 november 2020 gemeld dat de autoriteiten van Marokko sinds december 2018 op geen enkel rechtshulpverzoek in de zaak 26Marengo antwoord hebben gegeven. Het verzoek wordt daarom op dit moment afgewezen. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie wel om de rechtbank op de volgende zittingsdag te informeren over de actuele stand van zaken van de relatie met Marokko ten aanzien van de uitvoering van rechtshulpverzoeken.
37. Verdachte [verdachte 6] heeft nog een tweede onderbouwing gegeven aan zijn verzoek om [naam 4] te verhoren als getuige: de kroongetuige verklaart in zijn kluisverklaring van 27 maart 2017 (zie Dossier verhoren [kroongetuige] , pagina 740) over een ‘troef’ die hij mogelijk wil bewaren, en hij noemt vervolgens de naam ‘ [naam 4] ’. Verdachte [verdachte 6] wil aan de getuige vragen of hij in contact stond met de kroongetuige.
38. Het verzoek is ten aanzien van deze grondslag – nog los van het hierboven overwogene – niet toewijsbaar. De kroongetuige heeft het in de bewuste passage over de moord op een andere persoon, die mogelijk met een partij drugs te maken heeft. Hij voegt daar dan aan toe: “Dus daar moet ik nog op terugkomen. Of dat de bedoeling is om wel te vertellen of niet te vertellen. Omdat we niet weten, kijk, als de Nederlandse Staat daar niks mee kan, dan heeft het geen nut om te vertellen. Maar sommige dingen ken je van tevoren al weten of ze in Nederland er wat mee kan of niet mee kan. Alleen is het dan handig om het wel dan te vertellen of die troef te bewaren voor iets, andere organisatie. Die er wel wat mee kan. Maar goed, het is, daar komen we op terug.” De rechtbank kan uit deze verklaring niet afleiden dat dit over [naam 4] gaat, maar de verdachte kan uiteraard aan de kroongetuige de vraag stellen welke betekenis zijn verklaring op het genoemde punt (de troef) heeft. Als onderbouwing voor het horen van [naam 4] als getuige is de verwijzing naar deze passage echter onvoldoende.
In de zaken van alle verdachten
Verzoek van het Openbaar Ministerie om een persoon als getuige te horen
39. Desgevraagd door de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van 20 december 2021 opgemerkt dat het ter terechtzitting van 16 april 2021 gedane verzoek tot het horen van een getuige wordt gehandhaafd. Het gaat om een getuige die zou kunnen verklaren over een ontmoeting tussen verdachte [verdachte 3] en de kroongetuige in [theehuis] . De naam van deze persoon is door de kroongetuige ter zitting van 9 april 2021 op een briefje geschreven en dit briefje is vervolgens door zijn raadsman (opgevouwen) aan de rechtbank overhandigd. Het Openbaar Ministerie heeft voorgesteld deze getuige te horen zonder van te voren de naam van deze getuige bij procespartijen (inclusief het Openbaar Ministerie) bekend te maken.
Oordeel van de rechtbank
40. De rechtbank merkt allereerst op dat het overhandigde briefje opgevouwen is gebleven, zoals ter terechtzitting van 9 april 2021 door de voorzitter is bepaald. De rechtbank kent de inhoud van het briefje dan ook niet. Volgens de kroongetuige is de persoon wiens naam op het briefje staat aanwezig geweest bij de eerste ontmoeting tussen de kroongetuige en verdachte [verdachte 3] . Deze eerste ontmoeting zou volgens de kroongetuige hebben plaatsgevonden in [theehuis] in de periode tussen 2006 en 2008, uiterlijk 2009. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd waarom het horen van de getuige van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Daarbij weegt mee dat de periode niet alleen zeer ruim is omschreven maar ook buiten de tenlastegelegde periode valt. Ook inhoudelijk heeft de vraag of deze concrete ontmoeting al dan niet heeft plaatsgevonden onvoldoende relevantie voor de beoordeling van de tenlastegelegde feiten. Het verzoek van het Openbaar Ministerie wordt daarom afgewezen.
Verhoor van de partner van de kroongetuige
41. De rechtbank heeft op 29 september 2020 op het verzoek van de verdediging van verdachten [verdachte 8] , [verdachte 9] , [verdachte 10] , [verdachte 6] en [verdachte 4] beslist dat de partner van de kroongetuige bij de rechter-commissaris gehoord zal worden over de telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017 en over haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit de zaaksdossiers Roos/Doorn. Bij de regiezitting van 16 april 2021 heeft de verdediging van verdachten [verdachte 9] , [verdachte 10] en [verdachte 6] de rechtbank verzocht te bepalen dat de partner ook mag worden ondervraagd over de inhoud van de iPhone. De rechtbank heeft dat verzoek – evenals de verzoeken van de andere raadslieden om bij dat verhoor in dat geval te mogen aansluiten – voor dat moment afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de beslissing of de verdediging daarbij belang heeft pas kan worden genomen nadat de kroongetuige zelf over de inhoud van de iPhone is gehoord. Een reeds gepland verhoor van de partner over de eerste twee onderwerpen is om een praktische reden uitgesteld. De rechtbank wenste namelijk te voorkomen dat de getuige mogelijk een tweede keer bij de rechter-commissaris zou moeten verschijnen.
42. De kroongetuige is inmiddels (op 22 september 2021) verhoord over algemene onderwerpen, waaronder over de inhoud van berichten uit de iPhone. Het verhoor van de partner van de kroongetuige over de eerste twee onderwerpen heeft nog niet plaatsgevonden. De rechtbank stelt zich voor dat een eventueel debat over de vraag of de partner van de kroongetuige ook over de inhoud van de iPhone mag worden bevraagd op de eerstvolgende regiezitting plaatsvindt. Daarna zal de rechtbank de rechter-commissaris verzoeken het verhoor van de partner in te plannen.
Overige verzoeken en vragen
43. Namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] is een aantal vragen gesteld over het recent op 2 december 2021 verstrekte proces-verbaal met aanvullende PGP-berichten in de zaaksdossiers Ster, Kreta en het zaaksdossier artikel 140 Sr. Ook namens verdachte [verdachte 5] zijn naar aanleiding van dit proces-verbaal vragen gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft op al deze vragen geantwoord. De verdediging heeft daarop laten weten dat hier geen beslissing van de rechtbank meer nodig is.
44. Hetzelfde geldt voor het verzoek namens verdachte [verdachte 3] om het document ‘geen bezwaar tegen uitlevering aan NL’ dat hij bij de Dubai Police zou hebben ondertekend te verstrekken. Het Openbaar Ministerie heeft daarop geantwoord dat dit document niet van de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) is ontvangen maar dat dit wel (opnieuw) is opgevraagd met het aanvullende rechtshulpverzoek aan de VAE overeenkomstig de beslissing van de rechtbank van 8 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:6338) hierover. Ook hierop hoeft de rechtbank dan ook niet meer te beslissen.
45. De verdediging van verdachte [verdachte 5] heeft ten slotte nog verzocht om inzage ter eventuele voeging in het dossier van een (tap)gesprek dat verdachte op 26 november 2021 met zijn eigen telefoonkaart heeft gevoerd met een persoon op het telefoonnummer eindigend op [nummer] . Dit gesprek, dat vanwege de ordemaatregelen in detentie volgens de verdediging zal zijn opgenomen, kan van belang zijn in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [naam 5] . Het Openbaar Ministerie heeft ter terechtzitting toegezegd hier ‘achter aan te gaan’. De rechtbank begrijpt daaruit dat is toegezegd dat nagegaan zal worden of het gesprek is opgenomen en bewaard gebleven, in welk geval een uitwerking van die opname aan de verdediging ter inzage wordt verstrekt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat hier geen beslissing meer nodig is.
46. Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende zitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.
Beslissingen ten aanzien van de planning
47. De raadslieden van verdachte [verdachte 4] hebben verzocht zijn zaken los te koppelen van de zaken van de overige Marengo-verdachten. Op basis van de dikte van het dossier schatten zij in dat zij in september 2022 zo ver in het dossier zijn ingelezen dat een inhoudelijke regiezitting zou kunnen worden gehouden. Alleen dan zou een goede verdediging gevoerd kunnen worden.
48. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven de laatste negen zittingsdagen van juni 2022 voor het requisitoir te willen gebruiken en heeft een globale invulling gegeven aan de overige zittingsdagen die in de periode daaraan voorafgaand gereserveerd zijn. Het standpunt van het Openbaar Ministerie is dat de zaken van verdachte [verdachte 4] dan inhoudelijk op zitting behandeld zouden moeten kunnen zijn en dat zijn zaken meegenomen moeten kunnen worden in het dan geplande requisitoir. Het Openbaar Ministerie wil ook dat de zaken van verdachte [verdachte 4] voor het overige gelijktijdig met de zaken van de medeverdachten in 26Marengo worden behandeld. De raadslieden zijn op een rijdende trein gestapt en wisten waar ze aan begonnen, aldus het Openbaar Ministerie.
De rechtbank heeft de wensen ten aanzien van de planning geïnventariseerd. Naast de hiervoor genoemde wensen zijn dat:
- -
Verdediging verdachte [verdachte 5] : één dag horen kroongetuige over ‘algemene onderwerpen’;
- -
Verdediging verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] : één dag horen kroongetuige over ‘algemene onderwerpen’, daarna een dagdeel om namens cliënten ‘stukken in het geding te brengen’.
- -
Verdediging verdachte [verdachte 11] : zo lang wachten met het requisitoir dat medeverdachte [verdachte 4] nog inhoudelijk als getuige gehoord kan worden;
- -
Verdediging verdachte [verdachte 6] : één dag bespreking van de zaaksdossiers met cliënt, vier dagen horen van de kroongetuige (over algemene onderwerpen, iPhone-chats en zaaksdossiers);
- -
Verdediging overige verdachten: geen bijzondere wensen, zo snel mogelijk requisitoir.
Overwegingen van de rechtbank
Alles overziend hebben de verschillende procespartijen grote belangen die niet zonder meer te verenigen zijn. Daarnaast speelt op de achtergrond een algemeen belang om alle zaken bij elkaar te houden. Zo is het minder wenselijk dat verschillende zittingscombinaties zich uit moeten laten over dezelfde vraagstukken en de kroongetuige door een andere zittingscombinatie opnieuw moet worden ondervraagd. In praktische zin zal het inwerken op dit dossier door een nieuwe zittingscombinatie bovendien een groot beslag leggen op kostbare capaciteit. Nog daargelaten het beslag op de capaciteit van het Openbaar Ministerie, de beveiligings- en transportdiensten en de schaars beschikbare beveiligde zittingszalen. Juridische bezwaren tegen het afzonderlijk behandelen van de zaak van verdachte [verdachte 4] zijn er echter niet. Als het niet anders kan zal de rechtbank tot afzonderlijke behandeling beslissen. Dat punt is op dit moment niet bereikt. De rechtbank ziet voldoende mogelijkheden voor een goede verdediging van verdachte [verdachte 4] en (nagenoeg) gelijktijdige behandeling van alle zaken.
In het geval dat er in juni 2022 slechts in de zaken van de overige zestien Marengo-verdachten kan worden gerekwireerd, heeft de rechtbank voor ogen dat op enig moment na de zomer ook tijd ingeruimd kan worden voor de verdere behandeling op zitting van de zaken van verdachte [verdachte 4] . Er is geen beletsel dit in dezelfde periode van of zelfs na de pleidooien, repliek en dupliek in de andere zestien zaken te doen. In beginsel staat er niets aan in de weg om het requisitoir, het pleidooi en de repliek en dupliek in de zaken van verdachte [verdachte 4] later, apart, te doen waarna in alle zaken gelijktijdig vonnis wordt gewezen.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het volgende:
- -
Het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 4] om zijn zaken niet langer gelijktijdig te behandelen met de zaken van de andere verdachten wordt in dit stadium afgewezen. Dat betekent dat de zittingsdagen die ‘in alle zaken’ plaatsvinden, ook plaatsvinden in de zaken van verdachte [verdachte 4] . Dit betreft overigens een beperkt aantal zittingsdagen, zie hiervoor de bijlage. Er zal ook een groot aantal zittingsdagen worden gepland in zaken van afzonderlijke verdachten (waarna de processen-verbaal van die zittingen gevoegd zullen worden in de zaken van alle verdachten);
- -
De rechtbank heeft meegewogen dat de verdediging van verdachte [verdachte 4] de inleestijd – zeer begrijpelijk – ruim heeft ingeschat. Vast staat echter dat de verdediging van verdachte [verdachte 4] beschikt over een nagenoeg compleet dossier en dat er al veel onderzoek is verricht, ook in de zaken van verdachte [verdachte 4] . De rechtbank schat in dat de verdediging van verdachte [verdachte 4] gaandeweg in staat zal zijn om bij de eerstvolgende regiezitting eventuele (eerste) onderzoekswensen in te dienen. Speciale aandacht vraagt de rechtbank in dit verband voor onderzoekswensen waartoe een rechtshulpverzoek moet worden ingediend. In verband met de benodigde tijd voor de uitvoering daarvan, wordt de verdediging van verdachte [verdachte 4] verzocht dergelijke verzoeken zo spoedig als mogelijk is kenbaar te maken. De rechtbank stelt zich verder voor dat (alleen) de zaken van verdachte [verdachte 4] na die regiezitting open worden verwezen naar de rechter-commissaris. Eventuele na die zitting opgekomen wensen bij de verdediging van verdachte [verdachte 4] kunnen dan direct bij de rechter-commissaris worden ingediend, zodat niet gewacht hoeft te worden op een volgende regiezitting;
- -
De rechtbank zal in mei 2022 zittingsdagen plannen waarop zij de zaaksdossiers aan verdachte [verdachte 4] zal voorhouden. De rechtbank realiseert zich dat de verdediging daar op die data mogelijk nog niet geheel klaar voor is. In dat geval zal de mogelijkheid aan verdachte [verdachte 4] en diens verdediging worden geboden hier op nader te bepalen zittingsdagen op voort te bouwen;
- -
De rechtbank gaat ervan uit dat het Openbaar Ministerie in juni 2022 zal rekwireren. De rechtbank hecht er aan dat de data voor het requisitoir nu al worden vastgelegd, maar houdt rekening met de mogelijkheid dat de verdediging van verdachte [verdachte 4] hiervoor dan nog niet gereed is. In dat geval zal het Openbaar Ministerie in juni 2022 rekwireren in de zaken van de overige zestien verdachten en zal de rechtbank met de verdediging van verdachte [verdachte 4] en het Openbaar Ministerie een verdere planning maken. Hiervoor is een regiedag ingepland op de laatste zittingsdag in juni 2022;
- -
In maart, april en mei 2022 is een groot aantal zittingsdagen gereserveerd die de rechtbank zo goed mogelijk wil gebruiken. In de bijlage wordt de planning weergegeven. Er is een aantal reservedagen ingepland. Een drietal zittingsdagen komt definitief te vervallen;
- -
De rechtbank zal vanaf begin september 2022 een groot aantal zittingsdagen in De Bunker vastleggen voor pleidooien, repliek en dupliek. Tijdens de regiezitting begin maart 2022 wil de rechtbank van de raadslieden, met uitzondering van de raadslieden van verdachte [verdachte 4] , vernemen hoeveel tijd zij nodig denken te hebben voor hun pleidooi, zodat daarvoor een indeling gemaakt kan worden.
Uitspraak 24‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen op verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis, gedaan op de regiezitting inzake 26Marengo van 20 december 2021
Beslissingen op verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis, gedaan op de regiezitting inzake 26Marengo van 20 december 2021
Inzake verdachte [verdachte 1]
Namens verdachte is verzocht om opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank wijst deze verzoeken af. De rechtbank is van oordeel dat er nog steeds ernstige bezwaren zijn voor de drie feiten waarvoor verdachte in voorlopige hechtenis zit. Het gaat, kort gezegd, om betrokkenheid bij de liquidatie van [slachtoffer 1] (zaaksdossier Ster), de voorbereiding teweegbrengen van een ontploffing bij de Spyshop (zaaksdossier Rudolf) en de deelname aan een criminele organisatie.
Ten aanzien van zaaksdossier Ster ziet de rechtbank de ernstige bezwaren in de PGP-berichten waaruit voorshands de ernstige verdenking valt af te leiden dat verdachte wapens heeft geleverd die vermoedelijk zijn gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 1] . De rechtbank onderschrijft niet de stelling van de raadsvrouw dat de ernstige bezwaren alleen gebaseerd zijn op PGP-berichten. Er zijn namelijk ook andere omstandigheden die de PGP-berichten lijken te ondersteunen. Zo blijkt dat het adres dat in die PGP-berichten wordt genoemd als adres waar de wapens opgehaald kunnen worden, 150 meter van het adres van verdachte vandaan is.
Ook in zaaksdossier Rudolf is de verdenking niet alleen gebaseerd op PGP-berichten. Verdachte is namelijk samen met medeverdachte [verdachte 2] met de auto gecrasht op een volgens de politie logische rijroute vanaf de A2 naar de Spyshop, en in de auto lag een slijptol. Dit lijkt aan te sluiten bij de inhoud van de PGP-berichten. Dat er toen geen handgranaten en/of een PGP-telefoon zijn gevonden doet daar niet aan af.
Het adres van verdachte en de feitelijke omstandigheden bij de aanhouding weegt de rechtbank ook mee bij de identificatie van de PGP-adressen die aan verdachte worden toegeschreven. De raadsvrouw heeft gewezen op het feit dat een ander gebruik gemaakt heeft van een aan verdachte toegeschreven PGP-adres. De rechtbank acht op basis van de PGP-berichten die zich in het dossier bevinden (zie zaaksdossier Rudolf, pagina 798 en verder) echter voorshands voldoende duidelijk wanneer deze andere gebruiker (‘ [gebruikersnaam] ’) aan het woord is.
Ten aanzien van de ernstige bezwaren met betrekking tot de deelname aan een criminele organisatie wijst de rechtbank naast de verdenking inzake de zaaksdossiers Ster en Rudolf onder andere op de volgende omstandigheden. Verdachte lijkt voor te komen in een weekoverzicht van de administratie die via een PGP-bericht in april 2016 aan een aan medeverdachte [verdachte 3] toegeschreven lijn wordt gestuurd. Verder zou uit PGP-berichten uit mei 2016 afgeleid kunnen worden dat verdachte (nog) wapens heeft verstopt nadat een zekere ‘ [bijnaam] ’ had laten weten dat hij deze niet langer ‘daar’ wil laten liggen. Ten slotte zijn in de keuken van de woning van verdachte bij een doorzoeking acht kogelpatroonverpakkingen gevonden met daarin ruimte voor 50 kogelpatronen. De stelling van de raadsvrouw dat het slechts een aanname is dat het hier om verpakkingen voor kogelpatronen gaat, onderschrijft de rechtbank voorshands niet, gelet op de vaststellingen die de politie daarover heeft gedaan en de omstandigheid dat verdachte desgevraagd hierover niets heeft willen verklaren (zie algemeen dossier, pagina 414 en verder).
De gronden, de geschokte rechtsorde en het herhalingsgevaar, zijn onverkort aanwezig. Het tijdsverloop kan er niet aan afdoen dat ook nu nog sprake is van een geschokte rechtsorde. Ten aanzien van verdachte bestaan namelijk ernstige bezwaren dat hij bereid is geweest wapens te leveren voor een liquidatie en dat hij op pad is gegaan met granaten om een ontploffing teweeg te gaan brengen in de Spyshop waar (mogelijk) mensen aanwezig waren. De rechtbank is op dit moment van oordeel dat aan de samenleving niet valt uit te leggen dat een verdachte van dergelijke feiten op vrije voeten komt. Ook het herhalingsgevaar acht de rechtbank aanwezig. De raadsvrouw heeft geen andere argumenten aangevoerd dan het herhaalde standpunt dat verdachte na zijn aanhouding in oktober 2018 een jaar in vrijheid is geweest tot zijn aanhouding in november 2019.
Het verzoek tot schorsing wordt eveneens afgewezen. Het belang van strafvordering weegt ook nu nog zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte. De omstandigheden dat verdachte al lang vastzit en een eindvonnis nog niet in zicht is, doen daar niet aan af. De rechtbank ziet geen aanleiding om de reclassering te laten onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor elektronische controle, zoals meer subsidiair is verzocht.
Inzake verdachte [verdachte 4]
De raadsman heeft verzocht het contactverbod van verdachte met zijn broers (medeverdachten [verdachte 5] en [verdachte 6] ), dat als voorwaarde geldt bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, te laten vervallen.
De rechtbank heeft op dergelijke verzoeken waar het alleen contact met medeverdachte [verdachte 5] betrof, al meermalen beslist dat het herhalingsgevaar zich daartegen verzet. Dit geldt nog steeds en geldt eveneens ten aanzien van contact met medeverdachte [verdachte 6] . De omstandigheid dat medeverdachte [verdachte 6] zich inmiddels niet meer in uitleveringsdetentie in Colombia maar in de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI) in Vught bevindt, maakt het risico op herhaling niet anders. De rechtbank heeft er begrip voor dat verdachte graag een incidenteel (eenmalig) contact met zijn broer [verdachte 5] had willen hebben, dat nog steeds niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank treedt echter niet in de beoordeling van de directeur van de EBI die beslist over het toestaan van een dergelijk contact en dus ook over de vorm waarin dit plaats kan vinden. Bijzondere omstandigheden die maken dat de rechtbank het contactverbod nu zou moeten opheffen om het eenmalig contact mogelijk te maken, zijn niet gebleken. Dat de benodigde screeningsformulieren ten behoeve van een bezoek in de EBI naar verdachte stelt reeds geruime tijd geleden zijn verzonden, maar kennelijk nog altijd niet zijn ontvangen door de directeur van de EBI, is niet een bijzondere omstandigheid. Niets staat er aan in de weg de benodigde formulieren op de bestemde plaats te doen aankomen.
Inzake verdachte [verdachte 7]
Namens verdachte is verzocht om het Openbaar Ministerie op te dragen de reclassering opdracht te geven om de mogelijkheden van schorsing van verdachte te onderzoeken. Volgens de verdediging zou de reclassering in dat rapport ook kunnen ingaan op eventuele voorwaarden die het inmiddels door de rechtbank aangenomen vluchtgevaar kunnen ondervangen.
De rechtbank heeft in haar beslissing van 13 september 2021 op een schorsingsverzoek onder andere overwogen dat zij geen aanleiding meer ziet verder onderzoek te (laten) doen naar een kader waarbinnen een schorsing verantwoord kan plaatsvinden. Dit was omdat de rechtbank een andere afweging maakte dan de afweging in de beslissing van 2 juli 2021. De rechtbank zag met het aannemen van de grond vluchtgevaar namelijk geen ruimte meer voor een schorsing. Door de verdediging zijn nu geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de rechtbank aanleiding heeft hierover anders te oordelen dan zij op 13 september 2021 heeft gedaan. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om de reclassering te laten onderzoeken op welke voorwaarden verdachte geschorst zou kunnen worden. Het verzoek wordt afgewezen.
Inzake verdachte [verdachte 8]
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, primair wegens de afwezigheid van gronden. Subsidiair wordt verzocht in ieder geval de ernstige bezwaren inzake de zaaksdossiers Roos/Doorn en Plato niet langer meer aan te nemen en evenmin voor het zaaksdossier Zeilboot binnen de verdenking van deelname aan een criminele organisatie. Meer subsidiair is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan de einduitspraak, dan wel in het kader van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis een reclasseringsrapport op te laten stellen naar de haalbaarheid van elektronische monitoring.
De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren nog onverkort aanwezig zijn. Dit geldt niet alleen voor de verdenking van betrokkenheid bij de liquidatie van [slachtoffer 1] (zaaksdossier Ster) maar ook voor de zaaksdossiers Roos/Doorn, Plato en de verdenking van deelname aan een criminele organisatie. De nieuwe stukken maken dit niet anders.
Ook de gronden geschokte rechtsorde en herhalingsgevaar zijn nog aanwezig. De rechtbank oordeelt dat ook rekening houdend met het tijdsverloop sprake is van een geschokte rechtsorde. De rol die verdachte lijkt te hebben vervuld, is die van spotter en is, mede tegen de achtergrond van wat de kroongetuige over de rol van spotters heeft verklaard, te zien als een wezenlijke en niet louter facilitaire rol. In zoverre verschilt verdachte dan ook van geschorste medeverdachten. Bij verdachte komt daar dan nog bij dat de verdenking ziet op meer moorden en pogingen tot moord dan bij de geschorste medeverdachten het geval is. Ook het herhalingsgevaar acht de rechtbank aanwezig. De rechtbank verwijst naar haar eerdere beslissingen van 2 juli 2021 en 23 september 2021 hierover. In hetgeen de raadsman thans heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding hierover anders te oordelen.
De rechtbank wijst ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af. De geschetste persoonlijke belangen van verdachte wegen niet op tegen het belang van strafvordering. De rechtbank ziet geen aanleiding om de reclassering te laten onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor elektronische controle.
Inzake verdachte [verdachte 5]
Verdachte heeft verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. Hij heeft daartoe gesteld dat hij met de liquidatie van [slachtoffer 2] niets te maken heeft en dat hij zijn verantwoordelijkheid in verband met het verzoek om uit te kijken naar [slachtoffer 3] (zaaksdossier Doorn) waar hij over heeft verklaard, niet wil en zal ontlopen. Verder heeft verdachte aangevoerd dat hij al erg lang vast zit in een streng detentieregime en dat dit hem zwaar valt. Hij heeft benadrukt dat hij bereid is zich aan alle noodzakelijke voorwaarden verbonden aan een schorsing te houden.
De rechtbank is van oordeel dat er nog steeds ernstige bezwaren zijn voor betrokkenheid bij alle feiten waarvoor verdachte in voorlopige hechtenis zit en dus ook voor de betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 2] . Verdachte stelt dat hij een alibi heeft omdat hij ten tijde van de moord op [slachtoffer 2] in de sportschool was, maar die stelling, die nog in onderzoek is, doet onvoldoende af aan de ernstige bezwaren.
Ten aanzien van de grond vluchtgevaar overweegt de rechtbank dat deze indertijd is aangenomen op grond van de ernst van de feiten in combinatie met de onduidelijke omstandigheden rond het incident op 18 december 2017 waar verdachte is beschoten. Inmiddels levert genoemd argument niet langer voldoende concrete onderbouwing op van het vluchtgevaar. Het tijdsverloop sinds het schietincident maakt dat eventuele nog steeds bestaande onduidelijkheden daarover onvoldoende bijdragen aan de onderbouwing van het vluchtgevaar. Daarbij komt dat inmiddels medeverdachte [verdachte 6] na zijn uitlevering gedetineerd is in de EBI in Vught. Voor zover aangenomen zou kunnen worden dat deze medeverdachte over voldoende geld en middelen beschikte om zich lange tijd onvindbaar te houden, en dit geld en deze middelen ook voor verdachte beschikbaar zouden zijn, kan op basis hiervan het gevaar voor vlucht ten aanzien van verdachte niet aangenomen worden. De door het Openbaar Ministerie verder gegeven onderbouwing voor het vluchtgevaar is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. De grond vluchtgevaar komt dus te vervallen.
De rechtbank acht de overige gronden, geschokte rechtsorde en het herhalingsgevaar, nog wel aanwezig. Reeds de grond geschokte rechtsorde verzet zich tegen een schorsing van verdachte. De rechtbank ziet bovendien niet hoe het gevaar voor herhaling verantwoord kan worden ingeperkt met het stellen van voorwaarden. Dit betekent dat het persoonlijk belang van verdachte om in vrijheid te worden gesteld minder zwaar weegt dan het strafvorderlijke belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis. Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen.
Inzake verdachte [verdachte 9]
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen wegens het ontbreken van ernstige bezwaren ten aanzien van de feiten waarvoor hij in voorlopige hechtenis zit, kort gezegd met betrekking tot de zaaksdossiers Plato, Roos/Doorn en de deelname aan een criminele organisatie. Ten aanzien van die laatste verdenking haalt het Openbaar Ministerie volgens de verdediging zonder onderbouwing verdenkingen aan uit de zaaksdossiers Kreta, Ster en Zeilboot/Raspvijl. Ook de gronden vlucht- en herhalingsgevaar zijn niet (langer) aanwezig. Als er toch ernstige bezwaren zouden zijn voor de deelneming aan een criminele organisatie, dan dient de voorlopige hechtenis te worden opgeheven gelet op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Namens verdachte is subsidiair verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen.
De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren nog onverkort aanwezig zijn. Ten aanzien van de zaaksdossiers Roos/Doorn wijst de rechtbank op de analyse van de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte in combinatie met de vermoedelijke bewegingen van de telefoons toegeschreven aan medeverdachten en de PGP-berichten waaruit opgemaakt zou kunnen worden op welke locaties het beoogde slachtoffer, [slachtoffer 3] , zich bevond. De rechtbank weegt verder mee dat bij verdachte bakens zijn aangetroffen. Ten aanzien van zaaksdossier Plato wijst de rechtbank op de analyse die in dat zaaksdossier is gemaakt over de bewegingen van de telefoons toegeschreven aan verdachte en medeverdachten en de bakens. Ook ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie gericht op het plegen van moorden acht de rechtbank nog steeds ernstige bezwaren aanwezig. De verdenking in de zaaksdossiers Roos/Doorn en Plato speelt daarbij een rol. Daarnaast zijn er ook andere aanwijzingen die verder steun bieden aan de ernstige bezwaren voor dit feit, zoals onder andere het aantreffen van een administratie op verdachtes adres waarin de aan medeverdachten toegeschreven bijnamen voorkomen in combinatie met goederen die met liquidaties in verband zouden kunnen worden gebracht.
De rechtbank acht de gronden geschokte rechtsorde, herhalingsgevaar en vluchtgevaar nog steeds aanwezig. Ten aanzien van het vluchtgevaar heeft het Openbaar Ministerie toegelicht dat verdachte in september 2018 uit de penitentiaire inrichting in Nieuwegein over een hek is geklommen. Verdachte is volgens deze toelichting tijdens het luchten over het eerste hek geklommen, heeft circa een uur verbleven tussen het eerste en tweede hek, is van jas gewisseld en weer terug geklommen, waarna bij een controleronde bij het tweede hek een (provisorische) stok van vier meter werd aangetroffen. De rechtbank onderschrijft dat uit deze omstandigheden voldoende concreet gevaar voor vlucht kan worden afgeleid. Nu sprake is van ernstige bezwaren voor alle feiten, doet zich de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv, niet voor.
Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt eveneens afgewezen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de wens om voor zijn moeder te zorgen na een operatie die uitgevoerd moet gaan worden, wegen de strafvorderlijke belangen zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte bij invrijheidsstelling.
Inzake verdachte [verdachte 10]
Namens verdachte is verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis wegens het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden. Subsidiair is een schorsingsverzoek gedaan.
Verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis voor de deelname aan een criminele organisatie, medeplichtigheid aan de voorbereidingshandelingen voor moord op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] (zaaksdossier Ster), medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 2] , medeplichtigheid aan de voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] (zaaksdossier Kreta), medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 8] en het medeplegen voorbereidingshandelingen teweegbrengen ontploffing (zaaksdossier Rudolf).
De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bewaren voor deze feiten nog steeds aanwezig zijn. De rechtbank merkt over de ernstige bezwaren ten aanzien van zaaksdossier Ster wel het volgende op. De ernstige bezwaren zijn voornamelijk gebaseerd op PGP-berichten gericht aan het PGP-adres dat door de politie aan verdachte wordt toegeschreven. Uit de berichten lijkt te volgen dat (vermoedelijk) [bijnaam verdachte 10] er geïrriteerd over is dat door (vermoedelijk) medeverdachte [verdachte 1] twee ijzers zijn afgegeven zonder dat daarvoor toestemming was gevraagd aan [bijnaam verdachte 10] of ‘grote’, waarmee verdachte zou worden bedoeld. Hieruit kan de rechtbank, behoudens het feit dat de datum (16 april 2016) één dag voorafgaand aan de moord op [slachtoffer 1] was, geen duidelijke aanwijzing van betrokkenheid van verdachte bij voorbereidingshandelingen van de moord op [slachtoffer 1] afleiden. Ten aanzien van de voorbereidingshandeling voor de moord op [slachtoffer 4] lijkt uit de PGP-berichten te volgen dat verdachte steeds op de hoogte wordt gehouden van de spotterswerkzaamheden. De rechtbank beoordeelt de bezwaren als mager, maar in samenhang bezien met de ernstige bezwaren voor de overige feiten, waarin zijn mogelijke rol voorshands duidelijker naar voren komt, voldoende. De gronden, geschokte rechtsorde, vluchtgevaar en herhalingsgevaar acht de rechtbank nog onverkort aanwezig. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt dan ook afgewezen.
De rechtbank wijst ook het verzoek tot schorsing af. De ernst van de feiten waarvoor ernstige bezwaren aanwezig zijn verenigt zich niet met een schorsing van verdachte. Het belang van strafvordering weegt, ook rekening houdend met het tijdsverloop, zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte.
Inzake verdachte [verdachte 3]
Namens verdachte is het subsidiaire verzoek gedaan tot schorsing van de voorlopige hechtenis teneinde zijn verdediging (verder) te kunnen voorbereiden met zijn raadsvrouw. Dit subsidiaire verzoek is gedaan voor het geval het primaire verzoek, om voor zowel verdachte als zijn raadsvrouw in de EBI een laptop ter beschikking te hebben, wordt afgewezen. Daarbij moeten (digitaal) aantekeningen kunnen worden gemaakt en bestanden (liefst via een usb-stick) uitgewisseld kunnen worden. Gelet op het subsidiaire verzoek dat ziet op de voorlopige hechtenis, ziet de rechtbank aanleiding om nu reeds op het primaire verzoek te beslissen.
De verdediging heeft aan de verzoeken ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat de beslissing van de directeur van de EBI om niet langer toe te staan dat advocaten digitale gegevensdragers meenemen binnen de EBI bij het bezoek aan hun cliënt, zodanige belemmeringen opleveren dat geen sprake meer is van een eerlijk proces.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank wijst het primaire verzoek van de verdediging af, reeds omdat de rechtbank niet kan treden in de beslissing van de directeur van de EBI over wat voor de verdediging wel en niet wordt toegestaan binnen de EBI.
Bij de beoordeling van het subsidiaire verzoek tot schorsing dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen het strafvorderlijke belang van voortduring van de voorlopige hechtenis en het persoonlijke belang van verdachte bij invrijheidsstelling, in dit geval gelegen in het kunnen voorbereiden van zijn verdediging op de manier zoals de verdediging dat wenst.
De rechtbank kan zich voorstellen dat de (verdere) voorbereiding lastiger is geworden door de beslissing van de directeur van de EBI omdat die tot gevolg heeft dat de raadsvrouw haar eigen laptop niet meer kan meenemen bij bezoek aan verdachte. De rechtbank acht deze situatie echter niet zodanig beperkend dat er geen sprake meer kan zijn van een effectieve en adequate verdediging. Daarbij weegt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden mee.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat het procesdossier al langere tijd beschikbaar is en de verdediging al ruim de tijd heeft gehad zich met verdachte voor te bereiden. Verder is er voor verdachte zelf niets veranderd met de beslissing van de directeur van de EBI. Verdachte had en heeft nog steeds de beschikking over het procesdossier op een laptop in de EBI. Daarnaast is sinds 8 november 2021 voor de raadsvrouw op afspraak een inzagelaptop met daarop het procesdossier beschikbaar in de EBI als zij verdachte bezoekt. Ook blijft het mogelijk voor de raadsvrouw om documenten en aantekeningen op papier mee te nemen naar een bezoek aan verdachte in de EBI. De rechtbank wijst er verder nog op dat de behandeling van de zaak Marengo nog niet is afgerond. In de eerste helft van 2022 zijn nog 43 zittingsdagen gepland en daarbij zullen ook regiemomenten zijn. Indien de verdediging meer tijd nodig heeft vanwege benodigde aanpassingen door de beperkende maatregel, dan kan dit op die regiemomenten aan de orde worden gesteld waarna zo nodig extra tijd kan worden uitgetrokken.
Ten slotte heeft de rechtbank begrepen dat gewerkt wordt aan een tijdelijke oplossing door de Nederlandse Orde van Advocaten, de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat een effectieve en adequate verdediging niet meer mogelijk is zolang verdachte gedetineerd zit in de EBI. De rechtbank heeft het werken aan een tijdelijke oplossing maar zeer beperkt meegewogen omdat er nog geen definitieve overeenstemming is over een voorgestelde oplossing. Het laat echter wel zien dat er aandacht is voor de belangen van de verdediging. Het geschetste persoonlijke belang van verdachte bij invrijheidsstelling weegt minder zwaar dan het strafvorderlijke belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing dan ook af.
Uitspraak 17‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissing van de rechtbank in de zaak van verdachte Said R. naar aanleiding van het standpunt van de verdediging ter terechtzitting van 7 en 9 december 2021
Beslissing van de rechtbank in de zaak van verdachte [verdachte] naar aanleiding van het standpunt van de verdediging ter terechtzitting van 7 en 9 december 2021
Standpunt van de verdediging
1. De verdediging van verdachte [verdachte] heeft ter terechtzittingen van 7 en 9 december 2021 het standpunt ingenomen, kort gezegd, dat de oproepingen voor de zittingen na 1 februari 2021, toen de voormalige raadslieden van verdachte de verdediging hebben neergelegd, niet rechtsgeldig zijn betekend. Verdachte is na zijn aanhouding in Colombia in uitleveringsdetentie geplaatst en van hem was dan ook een verblijfadres in het buitenland bekend. De oproepingen zijn ten onrechte niet aan dat adres verzonden. Volgens de verdediging leidt dit betekeningsgebrek tot nietigheid van het onderzoek op die terechtzittingen. Aangezien de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BC0824) van de verdediging verlangt dat zij dit verweer aanstonds, dat wil zeggen op de eerstvolgende zitting, voert, dient de rechtbank thans de nietigheid van het onderzoek op die zittingen uit te spreken. Verdachte is inmiddels uitgeleverd en bevindt zich sinds 7 december 2021 in detentie in de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI) te Vught. Voor de komende zittingen kunnen de oproepingen in de EBI in persoon worden betekend. Aangezien verdachte geen afstand doet van de betekeningstermijn van tien dagen, betekent dit dat ook oproepingen voor de komende zittingen niet geldig zijn. De eerstvolgende rechtsgeldige oproeping kan dan pas zijn voor de zitting van 20 december 2021, aldus de verdediging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
2. Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd, kort gezegd, dat de verdediging terecht heeft gewezen op het feit dat de betekening van de oproepingen voor de zittingen na 1 februari 2021 niet correct is geschied omdat die oproepingen aan het detentieadres in Colombia gezonden had moeten worden. De rechtbank heeft de zaak van verdachte op die zittingen echter wel op tegenspraak behandeld. Volgens het Openbaar Ministerie kan dit echter niet tot nietigheid van het onderzoek op die terechtzittingen leiden omdat dit alleen door een rechter in hoger beroep kan worden beoordeeld. De rechtbank kan natuurlijk wel rekening houden met dit mogelijke oordeel in hoger beroep, door nu al die compenserende maatregelen te bieden die de rechtbank passend acht. De rechtbank heeft dit ook aan de verdediging aangeboden door de verdediging op 20 december 2021 de gelegenheid te geven te motiveren welk onderzoek zij nog nodig acht, aldus het Openbaar Ministerie.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
3.1. Verdachte staat niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Van hem was tot zijn aanhouding op 7 februari 2020 in Medellín, Colombia, ook geen woon- of verblijfplaats bekend. Verdachte was tot zijn aanhouding voortvluchtig.
3.2. Verdachte is gedagvaard voor de terechtzitting van 10 juli 2019. Verdachte is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. Het onderzoek is geschorst tot 24 september 2019. Op deze terechtzitting is verdachte evenmin verschenen. De rechtbank heeft op die dag de gevangenneming van verdachte bevolen en het onderzoek geschorst tot 12 december 2019. Op 12 en 13 december 2019 is verdachte wederom niet verschenen. De rechtbank heeft op die terechtzitting bevolen dat het op 24 september 2019 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, omdat zij in een andere samenstelling zitting hield. Vervolgens is het onderzoek geschorst tot 27 februari 2020.
3.3. Verdachte is op 7 februari 2020 aangehouden in Medellín, Colombia. Hij is na de aanhouding in uitleveringsdetentie geplaatst in Colombia.
3.4. Op 27 (en 28 februari) 2020 is verdachte niet verschenen. Mrs. N.C.J. Meijering en C.W. Flokstra hebben laten weten dat verdachte hen uitdrukkelijk heeft gemachtigd hem ter terechtzitting te verdedigen. De rechtbank heeft daarmee vervolgens ingestemd, het eerder verleende verstek vervallen verklaard en bepaald dat de behandeling van de zaken van verdachte als een procedure op tegenspraak zal gelden. Het onderzoek is vervolgens geschorst en de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen tijdstip is bevolen, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadslieden van verdachte.
3.5. Vervolgens zijn er zittingsdagen geweest op 11, 12, 13 en 27 augustus 2020 en 3 september 2020, op 28 en 29 oktober en 3 november 2020 en op 13, 14 en 15 januari 2021. Op al deze dagen is verdachte niet verschenen, maar zijn gemachtigd raadslieden wel. Daarna is steeds bepaald dat de behandeling van de zaken als een procedure op tegenspraak zal gelden. Op 11 augustus 2020 heeft het Openbaar Ministerie een vordering wijziging tenlastelegging en een vordering nadere omschrijving tenlastelegging gedaan. De beslissing daarop heeft de rechtbank aangehouden omdat de toenmalige raadslieden lieten weten dat zij deze vorderingen eerst met hun cliënt wilden bespreken. Op deze vorderingen dient de rechtbank nog te beslissen.
3.6. Op 1 februari 2021 hebben mrs. N.C.J. Meijering en C.W. Flokstra de verdediging van verdachte neergelegd.
3.7. Na 1 februari 2021 hebben de volgende zittingsdagen (mede) in de zaken van verdachte plaatsgevonden: 11 en 12 maart 2021 (respectievelijk de zogenoemde PGP-inzagedag en de PGP-regiezitting), 22 maart 2021 (de start van de inhoudelijke behandeling), 7 april 2021 (horen van de kroongetuige), 16 april 2021 (regiezitting), 3 juni 2021 (inhoudelijke behandeling Zeilboot/Raspvijl), 11, 21 en 25 juni 2021 (inhoudelijke behandeling Roos/Doorn), 29 en 30 juni 2021 (regiezitting) en 14, 15, 21 en 22 september en 13 oktober 2021 (regiezitting). De rechtbank heeft op die zittingsdagen geconstateerd dat verdachte niet is verschenen en zijn zaken (impliciet) op tegenspraak behandeld.
3.8. Op 1 november 2021 hebben mrs. H.M. Dunsbergen en R. van ‘t Land zich gesteld als raadslieden van verdachte.
3.9. Op 7 december 2021 is verdachte aangekomen in Nederland nadat hij door Colombia is uitgeleverd. Hij is na aankomst geplaatst in de EBI te Vught.
4. Op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geschiedt de uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, Sv (in dit geval: de oproeping voor de zittingen), aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, door toezending van de mededeling (…). Op grond van artikel 36n, eerste lid, Sv kan de rechter de betekening nietig verklaren als de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e Sv.
5. Sinds zijn aanhouding in Colombia op 7 februari 2020 bevond verdachte zich in uitleveringsdetentie in Colombia. De rechtbank is van oordeel dat deze detentielocatie als een bekend adres in het buitenland geldt. Daarbij betrekt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie tijdens zittingen heeft toegelicht dat verdachte zich verzet tegen zijn uitlevering en dat een uitleveringsprocedure in Colombia – nog los van mogelijke vertragingen als gevolg van de coronapandemie – gemiddeld tien tot twaalf maanden in beslag zou kunnen nemen. Daarmee was duidelijk dat verdachte nog geruime tijd op een bekend adres in het buitenland zou verblijven.
6. De rechtbank stelt vast dat voor de zittingsdagen die hebben plaatsgevonden vanaf het moment dat mrs. N.C.J. Meijering en C.W. Flokstra uitdrukkelijk gemachtigd waren tot het moment dat zij de verdediging op 1 februari 2021 hebben neergelegd geldt, dat het onderzoek ter terechtzitting op tegenspraak heeft plaatsgevonden. Op die zittingsdagen hebben de toenmalige raadslieden eventuele betekeningsgebreken bij de eerdere oproepingen niet aan de orde gesteld, zodat ervan uitgegaan kon worden dat verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht op de eerdere zittingsdagen (HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163). Dat betekent dat met betrekking tot die zittingen geen sprake is van een betekeningsgebrek.
7. De rechtbank ziet zich wel gesteld voor de vragen of verdachte voor de zittingen genoemd onder 3.7. rechtsgeldig is opgeroepen en zo niet, welke consequenties daaraan dienen te worden verbonden. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte voor de zittingen van 7, 9, 10, 14, 16 en 17 december 2021 rechtsgeldig is opgeroepen.
Zittingen onder 3.7.
8. Gebleken is dat de oproepingen voor de zittingsdagen die onder 3.7. zijn genoemd, niet aan het bekende adres van verdachte in Colombia zijn verzonden. De oproepingen voor die dagen waren daarmee niet rechtsgeldig. De rechtbank had de zaken van verdachte daarom moeten schorsen tot een nadere zitting waarvoor hij (dan) correct zou kunnen worden opgeroepen. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is het echter niet aan de rechtbank om te beoordelen of dit leidt tot nietigheid van het onderzoek in de zaken van verdachte op de onder 3.7. genoemde terechtzittingen. Dit oordeel is voorbehouden aan de rechter in een eventueel hoger beroep. De omstandigheid dat van de verdediging wordt verlangd dat zij dit verweer aanstonds voert maakt dat niet anders, omdat dit alleen ziet op de vraag of de verdediging hierover in hoger beroep nog kan klagen.
9. De rechtbank zal wel rekening houden met een mogelijk oordeel in hoger beroep dat de zaken van verdachte op de onder 3.7. genoemde zittingsdagen ten onrechte op tegenspraak zijn behandeld. De rechtbank stelt voorop dat zij steeds voor ogen heeft gehad dat verdachte nog niet in Nederland was, dat hij door de rechtbank nog gehoord moet worden op de beschuldigingen en dat hij van zijn aanwezigheidsrecht bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaken gebruik wil maken. De rechtbank is er als vanzelfsprekend van uit gegaan dat verdachte tijd en gelegenheid geboden moet worden om het dossier te lezen en met zijn raadsman de verdediging (verder) voor te bereiden. De rechtbank heeft ook steeds voor ogen gehad dat er (extra) zittingsdagen in zijn zaak gepland zouden moeten worden en/of op reeds geplande zittingsdagen tijd moet worden gereserveerd voor de verdediging van verdachte. Op deze zittingen kunnen niet alleen eventuele onderzoekswensen naar voren worden gebracht maar worden ook de voor verdachte relevante zaaksdossiers met hem besproken. Vanaf het moment dat de raadslieden zich namens verdachte hebben gesteld, is de rechtbank met hen in contact getreden over het bespreken van de verdere planning. Nu verdachte inmiddels aan Nederland is overgedragen, kan het bespreken van de planning op een openbare zitting zijn beslag gaan krijgen op 20 december 2021. In overleg met de verdediging is op die zitting tijd gereserveerd voor een eerste inventarisatie van wensen van de verdediging van verdachte.
10. De rechtbank is ambtshalve nagegaan wat er in de zaken van verdachte op de onder 3.7. genoemde dagen is besproken en beslist. Ten aanzien van de inhoudelijke behandeling van de zaken van verdachte op die zittingsdagen stelt de rechtbank vast dat de processen-verbaal van die terechtzittingen in het dossier zijn gevoegd. De rechtbank is voornemens, zoals hiervoor is overwogen, de zaaksdossiers die voor verdachte van belang zijn nog met hem te bespreken op nader te bepalen zittingsdagen. De rechtbank kan zich voorstellen dat de verdediging bij die gelegenheden ook de kroongetuige vragen zal willen stellen.
11. Daarnaast zijn naar aanleiding van de onder 3.7. genoemde regiezittingen beslissingen genomen in de zaken van alle verdachten en daarmee dus ook in de zaken van verdachte. Het gaat allereerst om de beslissing van 1 april 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:1507) naar aanleiding van de PGP-regiezitting van 12 maart 2021. Bij die beslissing heeft de rechtbank het Openbaar Ministerie in alle zaken opgedragen op een aantal punten nadere informatie te verschaffen waarna aanvullingen in het dossier zijn gevoegd. Verder gaat het om beslissingen van de rechtbank van 13 juli 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3586) naar aanleiding van de regiezitting van 29 en 30 juni 2021. Daar is in de zaken van alle verdachten beslist dat de liaison officer in Dubai als getuige door de rechter-commissaris wordt gehoord met betrekking tot de Dubai-observatie. Verder is daarbij beslist dat de berichten uit de iPhone van de kroongetuige tijdelijk ter inzage aan de verdediging dienen te worden verstrekt door middel van plaatsing op het MacBook waarop ook de ‘eigen’ PGP-lijnen staan. Ook is het Openbaar Ministerie opgedragen de berichten (uit de iPhone van de kroongetuige) die ter zitting zijn gepresenteerd te voegen in het dossier, aangevuld met niet-gepresenteerde berichten waaruit een eventuele bredere context van het gesprek kan blijken. Ten aanzien van verdachte heeft de rechtbank ambtshalve bepaald dat het bevel tot voeging van de stukken eveneens in zijn zaak geldt. Ten slotte gaat het om beslissingen van 4 oktober 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:5545) en 8 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:6338) naar aanleiding van de regiezittingen op 14 en 21 september 2021 en 13 oktober 2021. Bij beslissing van 4 oktober 2021 is beslist, kort gezegd, dat de inzage in de iPhone berichten op de MacBooks nog voortduurt tot 1 december 2021. In de beslissing van 8 november 2021 zijn door de rechtbank in de zaken van alle verdachten vragen geformuleerd ten behoeve van het op te stellen aanvullende rechtshulpverzoek aan de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) in verband met de Dubai-observatie.
12. De rechtbank heeft na een verzoek daartoe ten aanzien van de termijn van inzage in de iPhone berichten op het MacBook inmiddels bepaald dat de termijn tot 1 december 2021 voor de verdediging van verdachte wordt verlengd tot 1 februari 2022.
13. Desgewenst kan de verdediging van verdachte op een nadere terechtzitting verzoeken terug te komen op de onder 11 vermelde beslissingen.
Zittingen 7, 9, 10, 14, 16 en 17 december 2021
14. Voor de oproepingen voor deze zittingsdagen geldt eveneens dat zij niet zijn gezonden aan het van verdachte bekende detentieadres in Colombia. Op 7 en 9 december 2021 is verdachte middels zijn bepaaldelijk gevolmachtigde raadslieden verschenen en is door hen schorsing van het onderzoek ter terechtzitting gevraagd tot 20 december 2021. Dit heeft de rechtbank toegewezen. De oproepingen voor de overige zittingsdagen zijn inmiddels ook in persoon uitgereikt aan verdachte in de EBI, maar daarbij geldt dat de betekeningstermijn van tien dagen (artikel 265, eerste lid, Sv) niet in acht is genomen en verdachte ook geen toestemming van verkorting van deze termijn (artikel 265, tweede lid, Sv) heeft gegeven. De rechtbank heeft daarom ter zitting van 9 december 2021 reeds aan de verdediging aangegeven dat het onderzoek in de zaken van verdachte ook voor wat betreft die zittingsdagen zal worden geschorst tot 20 december 2021.
Uitspraak 29‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de geparkeerde vragen in 26Marengo
Beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de geparkeerde vragen in 26Marengo
Inleiding
De kroongetuige heeft in zijn getuigenverhoor op de terechtzitting van 22 september 2021 op een groot aantal vragen niet geantwoord. De raadslieden van de medeverdachten hebben zich op het standpunt gesteld dat de kroongetuige daarop wel zou moeten antwoorden. De rechtbank heeft die vragen geparkeerd en zal daarop hieronder ingaan.
Daarbij heeft de rechtbank de vragen in categorieën ingedeeld. Waar wordt verwezen naar paginanummers worden de paginanummers van het proces-verbaal van de zittingen van 14, 15, 21 en 22 september en 13 oktober 2021 bedoeld.
Uitgangspunt is dat een getuige verplicht is vragen te beantwoorden. Het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kent in de artikelen 217 t/m 219b een aantal uitzonderingen op die plicht. Voor zover nu van belang gaat het om de situaties waarin een getuige zich op een verschoningsrecht kan beroepen omdat hij:
- -
uit hoofde van zijn stand, zijn beroep of zijn ambt tot geheimhouding verplicht is (artikel 218 Sv);
- -
door de vraag te beantwoorden zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen (artikel 219 Sv);
- -
door de vraag te beantwoorden zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad of zijn (ex-)echtgenoot of zijn (ex-)geregistreerd partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen (artikel 219 Sv).
De toetsing door de rechter van de vraag of het verschoningsrecht kan worden ingeroepen, is marginaal (vergelijk HR 7 juni 1985, NJ 1986, 174). Daarnaast kan de rechtbank (ook ambtshalve) beletten dat aan een gestelde vraag gevolg wordt gegeven (artikel 293 lid 1 Sv). Deze bepaling heeft (onder meer) tot doel te voorkomen dat een getuige moet antwoorden op vragen die overbodig zijn, of hem nadeel kunnen berokkenen. In het algemeen geldt dat de rechtbank kan beletten dat een bepaalde vraag wordt beantwoord als het antwoord niet van belang is voor een van de beslissingen van de artikelen 348 en 350 Sv.
Het beroep op de geheimhoudingsclausule opgenomen in de beschermingsovereenkomst
De kroongetuige heeft op een aantal vragen niet willen antwoorden met een beroep op de geheimhoudingsplicht die op hem rust op grond van de beschermingsovereenkomst die hij heeft gesloten met De Staat.
Uitgangspunt is dat een beroep op een dergelijke geheimhoudingsclausule niet gelijk te stellen is met een beroep op een verschoningsrecht, omdat artikel 218 Sv (kort gezegd) alleen beroepsmatige geheimhouders beschermt en niet degene die contractueel geheimhouding is overeengekomen. De rechtbank dient te beoordelen of er anderszins een reden is de beantwoording van de vragen te beletten.
De rechtbank gaat ervan uit dat de beschermingsovereenkomst een geheimhoudingsclausule bevat, nu beide contractspartijen dit stellen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 september 2021 aangegeven dat de kroongetuige op grond van deze clausule niet mag verklaren over de detentieomstandigheden en getuigenbescherming. Dat de kroongetuige tot geheimhouding verplicht is, volgt ook uit artikel 1.6 van de kroongetuige-overeenkomst:
‘De getuige zal rechtstreeks noch door middel van een derde, onder wie zijn raadslieden, anders dan tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de raadsheer-commissaris in enig resort en/of in een (openbare) terechtzitting van de strafkamer van enige rechtbank of gerechtshof, dan wel ingevolge enige (andere) wettelijke verplichting, mededeling doen over de totstandkoming van deze overeenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering wordt gegeven. De getuige zal geen mededeling doen over (aspecten van) getuigenbescherming(smaatregelen).’
De rechtbank moet er gelet op het bovenstaande rekening mee houden dat de kroongetuige nadeel zal lijden als hij vragen beantwoordt in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting, omdat De Staat in dat geval mogelijk de beschermingsovereenkomst kan beëindigen.
Verder verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:601), waarin kort gezegd is beslist dat toezeggingen met betrekking tot beschermingsmaatregelen geen voorwerp van toetsing zijn door de zittingsrechter. In het licht van dat arrest ziet de rechtbank voorshands niet hoe vragen die betrekking hebben op de beschermingsmaatregelen en op (de totstandkoming van) de beschermingsovereenkomst van belang kunnen zijn voor de uiteindelijk door de rechtbank te nemen beslissingen van de artikelen 348 en 350 Sv. De beantwoording van die vragen wordt dan ook gelet op het bovenstaande door de rechtbank belet. Onder vragen die betrekking hebben op beschermingsmaatregelen vallen ook alle vragen die in den brede raken aan de detentie-omstandigheden van de kroongetuige.
Het gaat in het bijzonder om de volgende geparkeerde vragen:
- -
p. 106: U zegt mij dat u een vraag die u in april 2021 al aan mij stelde herhaalt. U vraagt mij of ik toen, in april, de beschikking had over een niet-reguliere, geheime telefoon.
- -
p. 107: U vraagt mij of dat schriftelijk is vastgelegd. Ik kan daar in verband met mijn overeenkomst geen antwoord op geven.
- -
p. 107: U, mr. I.N. Weski, vraagt mij of het klopt dat de beschermingsovereenkomst is opgezegd.
- -
p. 108: U zegt mij dat u weet dat de beschermingsovereenkomst pas tot stand is gekomen nadat de kroongetuigenovereenkomst is gesloten. U vraagt mij of ik mag zeggen wanneer dat was.
- -
p. 109: U vraagt mij of ik sinds januari 2017 celinspectie heb gehad.
- -
p. 109: U, mr. I.N. Weski, vraagt mij of ik sinds het tekenen van de overeenkomst celinspecties heb gehad.
- -
p. 110: U vraagt mij of er cel controles zijn geweest die door mij als symbolisch werden ervaren.
- -
p. 110: Kunt u zich herinneren of u ooit met uw vrouw over symbolische cel controles sprak?
- -
p. 110: U vraagt mij of er met mij is afgesproken dat er slechts symbolische cel controles zouden plaatsvinden.
- -
p. 112: De vraag aan de kroongetuige is of er met derden is gesproken over het feit dat de cel controles slechts symbolisch plaatsvonden. (…) U vraagt mij of dat kan, dat ik daarover heb gesproken met derden.
- -
p. 119: U vraagt mij of ik iemand kapitein noemde.
- -
p. 120: U vraagt mij of ik op enig moment in het kader van mijn gesprek met de rechter-commissaris heb opgemerkt dat TGB honden zijn.
- -
p. 122: U vraagt mij of ik op enig moment de mogelijkheid kreeg om een weekendje weg te gaan of om überhaupt het huis van bewaring te verlaten.
- -
p. 122: U vraagt mij of ik ooit heb overwogen om de deal niet door te laten gaan, waarbij dit soort aspecten, als een weekendje weg of meer luxe, een rol speelden.
- -
p. 123: U, mr. I.N. Weski vraagt mij of ik ooit heb gedacht dat ik niet door zou gaan omdat ik niet had wat ik vraag, zoals weekendjes weg.
- -
p. 125: U vraagt mij of ik ooit het maximale heb nagestreefd bij de deal, in de zin van minder straf, of misschien wel geld.
- -
p. 131: U, mr. I.N. Weski vraagt mij of ik op enig moment meende dat het Openbaar Ministerie vieze spelletjes speelde.
- -
p. 132: Heeft u weleens opnames gemaakt of laten maken van gesprekken met het Openbaar Ministerie en/of de recherche?
- -
p. 156: U, kroongetuige, had volgens het proces-verbaal een televisie met een afstandsbediening. Klopt dat, had u dat in die periode?
- -
p. 159: Is er op enig moment door u ook onderhandeld over geld?
- -
p. 159: U vraagt mij of er op enig moment tijdens de onderhandelingen – ten aanzien van de basisdeal of de strafrechtelijke deal of anderszins, dat maakt me even niet uit – is gesproken over wat er met de kroongetuige in de zaak Passage na ommekomst van de straf voor financiële regeling is geweest.
- -
p. 159: U vraagt mij of ik mijzelf weleens heb verdiept in het Passageproces ten aanzien van wat er daar is uitonderhandeld door de kroongetuige (opmerking rechtbank: voor zover de kroongetuige heeft geweigerd te antwoorden met betrekking tot de fase waarin hij vastzat).
- -
p. 159: U vraagt mij of er op enig moment met justitie is gesproken over wat zijn regeling is geweest.
- -
p. 160: U vraagt mij of het nou klopt dat ik geen geld krijg.
- -
p. 160: U vraagt mij of ik, als ik uit de bajes kom, geld krijg.
- -
p. 161: Is het zo dat er afspraken zijn over hoeveel geld u meekrijgt en of u bijvoorbeeld uw eigen veiligheid mag regelen?
- -
p. 161: Dus is mijn vraag aan u, kroongetuige, of er is onderhandeld over hoeveel geld u meekrijgt na ommekomst van uw straf (…) in het kader van al dan niet beveiliging. Is daarover onderhandeld?
- -
p. 162: U zegt mij dat u mij berichten van 13 december 2017 wilt voorhouden en dat u wilt beginnen bij het bericht met nummer 4055. U zegt mij dat het berichten zijn tussen mij en mijn partner. U zegt mij dat ik heb gestuurd: ‘ [naam kroongetuige ander proces] heeft een kind’, ‘Maar die zat al vast’, ‘Had niks te zeggen’, ‘Maar is naar buitenland toe met 1.8 miljoen en zonder tgb’. U zegt mij dat ik daarna een knipoogje stuur. U vraagt mij of ik kan toelichten waar dit over gaat.
- -
p. 162: U zegt mij dat ik ook nog zeg: ‘Lening…’, ‘Onder voorwaarde’ en ‘0% rente’. U zegt mij dat u mij ziet knikken. Ik herken de berichten. U zegt mij dat u, als u dit zo leest, denkt: nou, op de een of andere manier is hij hiermee bezig geweest. U vraagt mij of ik dit kan toelichten of dat dit een van de dingen is die uit zijn verband is gerukt.
- -
p. 163: U zegt dat ik daar tegen mijn partner zeg: ‘Dit gaat de grote zaak ooit worden kwa liqui’. (…) U vraagt mij waarom dat interessant voor mij was en waarom ik dit bespreek.
- -
p. 163: U zegt mij dat ik ook heb gestuurd: ‘Mogen we dan ook het maximale eruit halen ?’ en dat u zich dan echt afvraagt: wat bedoelt hij daar nou mee?
- -
p. 163: U zegt mij dat ik heb gestuurd: ‘Ja eerst 62828 jaar gaan discussiëren etc zodat iedereen hoofdpijn heeft’, ‘Weg trappen en klaar ? No way helemaal uitzuigen’ en ‘Tot de laatste cent.’ U zegt mij dat u zich dan echt afvraagt waar ik hier nu mee bezig was.
- -
p. 165: U vraagt mij nog een keer of ik nou heb gehoord dat [naam kroongetuige ander proces] 1.8 miljoen en, ik citeer u, zonder TGB heeft meegekregen.
- -
p. 177: U, mr. I.N. Weski, vraagt mij wie er aanwezig waren bij die inspectie, het meenemen van die spullen.
- -
p. 173: U, mr. Den Blanken, vraagt mij of ik in februari 2020 een telefoon in mijn cel had.
- -
p. 174: U, mr. Den Blanken, zegt mij dat ik eerder heb verklaard dat ik wel mocht telefoneren toen die beperkingen erop zaten en u vraagt mij of, en zo ja met wie, binnen de penitentiaire inrichting ik dat heb besproken.
Gevaar voor strafrechtelijke veroordeling van de kroongetuige
De kroongetuige kan zich verschonen als hij door een vraag te beantwoorden zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen.
De verdediging heeft verschillende vragen gesteld die (mogelijk) zien op omkoping, chantage of afpersing door de kroongetuige, te weten:
- -
p. 113: U vraagt mij of ik op enig moment iets heb gefikst met een telefoon met een relaxte bewaarder.
- -
p. 114: U, mr. I.N. Weski, vraagt mij of ik op enig moment een leidinggevende heb gechanteerd.
- -
p. 117: Mr. I.N. Weski verklaart: De algemene vraag was of de kroongetuige in het huis van bewaring personen, leidinggevenden wellicht, heeft gechanteerd.
- -
p. 119: U vraagt mij of in dat kader van chanteren en afpersen op enig moment door mij is gesproken met mensen van justitie, dat dat zou hebben plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat de kroongetuige het beroep op zijn verschoningsrecht toekomt, omdat deze vragen zien op mogelijk door de verdachte gepleegde misdrijven (omkoping, afdreiging en afpersing). Mr. I.N. Weski heeft nog gesteld dat de kroongetuige toch zou moeten antwoorden omdat het onderwerp de overeenkomst raakt, namelijk of de kroongetuige strafbare feiten blijft plegen. Dat een vraag (mogelijk) relevant is betekent echter niet dat een getuige geen beroep kan doen op het verschoningsrecht.
Verder heeft de kroongetuige zich op zijn verschoningsrecht beroepen ten aanzien van vragen over een ‘sweeper’, over een geldbedrag van ‘160K’, over wiethandel en over het plegen van strafbare feiten vanuit detentie. Ook ten aanzien van deze vragen moet – bij marginale toetsing – ervan worden uitgegaan dat de kroongetuige zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen, als hij deze zou beantwoorden. Hem komt dus het recht toe om zich te verschonen.
Het betreft in het bijzonder de volgende geparkeerde vragen:
- -
p. 158: U zegt mij dat u het mij toch even wil voorhouden en dat u heeft gelezen dat er een sweeper in beslag was genomen bij mij thuis. U vraagt mij of ik de waarde van dat ding nog weet. Rond de zesduizend euro uit mijn hoofd. U zegt mij dat dat een hoop geld is en u vraagt mij of ik me ooit heb ingezet om die terug te krijgen.
- -
p. 167: U praat daar over 160K, volgens mij gaat dat over 160 000 euro denk ik, of dollar, dat u dat bij iemand heeft liggen. Wilt u daar iets meer over vertellen?
- -
p. 167: U vraagt mij of ik dat geld misschien bij u had liggen.
- -
p. 168: U vraagt mij of ik heb gehandeld in wiet vanuit Spanje.
- -
p. 168: U zegt mij dat het wel in die berichten staat en dat ik volgens u ook in mijn verklaringen heb gesproken over drugs en ook over wiet uit Spanje.
- -
p. 168: U, mr. Meijering, vraagt mij of ik mij tijdens mijn detentie nog bezig heb gehouden met strafbare feiten.
Verschoningsrecht inzake familieleden en partner
De kroongetuige heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen als het gaat om vragen die zijn familie betreffen, in het bijzonder ten aanzien van de volgende vragen:
- -
p. 120: U citeert WhatsApp-berichten met nummers 13531, 13532 en 13534 – 13536: ‘TGB’, ‘Zijn honden’, ‘Rechter commasaris’, ‘Die me getoetst heeft’ en ‘Is ooit bedreigd geweest’. U zegt mij dat ik dit zou hebben gezegd en u vraagt mij of ik dit heb verzonden.
- -
p. 120: U vraagt mij of ik van iemand anders heb gehoord dat dat zo was, over de rechter-commissaris.
- -
p. 126: U vraagt mij of ik, los daarvan, daarover heb nagedacht, wat ik hier allemaal mee kan, zoals eventueel geld, minder straf of geld via media.
- -
p. 129: U verwijst naar berichten die ik aan mijn vrouw zou hebben gestuurd: ‘Meer gaat er denk ik niet komen…’ en ‘Ze hebben fouten gemaakt maar ik sta niet op het spel’. U vraagt mij wat voor fouten ze zouden hebben gemaakt.
Anders dan de kroongetuige kennelijk meent, komt hem niet een algemeen verschoningsrecht toe met betrekking tot naaste familie. Voor verschoning is immers vereist dat zij het risico op strafrechtelijke veroordeling lopen als de kroongetuige de gestelde vraag zou beantwoorden. Daarvoor bestaan, ook bij marginale toetsing, te weinig aanwijzingen. Het enkele feit dat de kroongetuige zijn partner en zus informeert zoals in de berichten staat vermeld, wijst daar niet op, en dat geldt ook anderszins voor berichten tussen de kroongetuige en zijn naaste familie. Ten aanzien van de partner van de kroongetuige komt daar nog bij dat alleen een beroep op dit verschoningsrecht gedaan kan worden als zij zijn (ex-)echtgenoot of zijn (ex-)geregistreerd partner is. Op dat punt beschikt de rechtbank niet over informatie.
De rechtbank ziet echter wel aanleiding de beantwoording van de gestelde vragen op pagina 120 en 126 te beletten. De relatie van de kroongetuige met de TGB ligt immers niet ter toetsing voor en de vraag of de rechter-commissaris zelf bedreigd is geweest is evenmin relevant in het strafproces van de medeverdachten. Dit geldt niet voor de vraag op pagina 129. De rechtbank oordeelt dat de vraag ‘wat voor fouten ze zouden hebben gemaakt’ mogelijk wel relevant is voor de beoordeling van de vragen van 348 en 350 Sv. Daarbij betrekt de rechtbank dat kort na dit bericht door de kroongetuige aan zijn partner wordt bericht: ‘mijn mense hebben fouten gemaakt ik ook maar ik stond niet op het spel’ en het relevant kan zijn wie en wat de kroongetuige daarmee heeft bedoeld. De kroongetuige dient deze vraag daarom in beginsel wel te beantwoorden.
Vragen over advocaten
De kroongetuige heeft enkele malen op vragen geantwoord dat hij geen uitspraken doet over zijn advocaten. Het gaat dan om de volgende vragen:
- -
p. 126: U vraagt mij of ik mij kan herinneren dat iemand tegen mij heeft gezegd, in mijn onderhandelingspositie: ‘the sky is the limit’.
- -
p. 126: U vraagt mij of er in het kader van mijn onderhandelingen nog is gesproken over media, zoals boeken of trilogieën.
- -
p. 170: En de berichten: ‘Ik weet dag die [voornaam advocaat] is geil’ en ‘ [voornaam advocaat] wilt graaaaaaaaag mijn advocaat worden?’ Dat heeft u ook geschreven op uw iPhone, toch?
De rechtbank herhaalt dat de kroongetuige niet het verschoningsrecht van artikel 218 Sv toekomt, omdat hij niet is te beschouwen als geheimhouder. Voor beide vragen op pagina 126 geldt echter dat zij de onderhandelingen met de autoriteiten betreffen, en daarom naar moet worden aangenomen (de totstandkoming van) de beschermingsovereenkomst raken. Ten aanzien van de vraag op pagina 170 ziet de rechtbank niet hoe de chats over een advocaat die eventueel een zaak van de kroongetuige zou willen aannemen, relevant zijn in het strafproces. De beantwoording van deze vragen wordt dan ook belet.
Inzien van berichten
De kroongetuige heeft niet willen antwoorden op de vraag hoe het komt dat hij niet alle berichten heeft ingezien:
- p. 133: U herhaalt dat ik ze niet allemaal gezien heb en u vraagt mij hoe dat komt.
De rechtbank belet ook de beantwoording van deze vraag. Voor een verhoor kan wel van belang zijn óf de getuige zich heeft ingelezen, maar de vraag waarom hij dat wel of niet heeft gedaan is niet relevant.
Uitspraak 08‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 14 en 21 september 2021 en 13 oktober 2021
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de
regiezitting van 14 en 21 september 2021 en 13 oktober 2021
1. Ter terechtzitting van 14 en 21 september 2021 zijn door het Openbaar Ministerie en de verdediging een vordering respectievelijk verzoeken gedaan. Bij beslissing van 4 oktober 2021 heeft de rechtbank op die vordering en op enkele verzoeken, waarin de re- en dupliek was afgerond, beslist. Ten aanzien van de resterende verzoeken heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2021 re- en dupliek plaatsgevonden. De verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] heeft op die zitting een aantal aanvullende verzoeken gedaan waarop het Openbaar Ministerie heeft gereageerd en ten aanzien waarvan eveneens op die zitting re- en dupliek heeft plaatsgevonden. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de resterende en aanvullende verzoeken.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoek met betrekking tot vluchtgegevens [vlucht]
2. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan de
verdediging te verstrekken de vluchtgegevens van het vliegtuig waarmee verdachte [verdachte 3] naar Nederland is vervoerd, de [vlucht] , op de heen- en terugreis bij het ophalen van verdachte. Ook is gevraagd aan te geven waar de bemanning vandaan kwam, wanneer dit alles is geregeld en op welk vliegveld de overdracht plaats vond. De verslaglegging van de zijde van het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvolledig en onjuist.
Oordeel van de rechtbank
3. Het verzoek van de verdediging gaat, evenals het eerder op de regiezitting van 16 april 2021 gedane verzoek op dit punt, uit van de vooronderstelling dat het Openbaar Ministerie – in strijd met de waarheid – volhoudt dat men eerst op 16 december 2019 op de hoogte raakte van de aanhouding van verdachte [verdachte 3] , dat dit een verrassing was en dat men met een lijnvliegtuig op het internationale vliegveld aankwam.
4. De rechtbank is voorshands van oordeel dat het dossier voldoende informatie bevat over het transport van verdachte [verdachte 3] naar Nederland. In de processen-verbaal die in het dossier zijn gevoegd staat dat met twee verschillende vliegtuigen is gevlogen, één voor de heenreis en één voor de terugreis. In die processen-verbaal staat verder dat het transport van verdachte [verdachte 3] is geregeld nadat de Nederlandse diensten op de hoogte zijn gesteld van diens aanhouding op 16 december 2019, waarna de autoriteiten van Dubai aan Nederland hadden verzocht om verdachte [verdachte 3] op te halen en naar Nederland over te brengen. De vraag wanneer het transport geregeld is, is daarmee afdoende beantwoord. De omstandigheid dat het voor de terugreis gebruikte vliegtuig [vlucht] mogelijk al vanaf 12 december 2019 in de Golfregio aanwezig was, maakt niet dat getwijfeld moet worden aan de inhoud van de processen-verbaal. Ook de vraag op welk vliegveld de overdacht van verdachte [verdachte 3] plaatsvond, is beantwoord in die processen-verbaal, namelijk op de internationale luchthaven van Dubai. De enkele stelling van de verdediging, dat een privévliegtuig niet op dezelfde locatie als een lijnvliegtuig mag zijn, is onvoldoende om aan de juistheid van de vermelding in die processen-verbaal te twijfelen. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbelang bij verdere informatie over de reisbewegingen van het vliegtuig [vlucht] in de dagen voorafgaand aan de (terug)vlucht naar Nederland alsmede over de vraag waar de bemanning van de [vlucht] vandaan kwam, in het licht van deze processen-verbaal onvoldoende is onderbouwd. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek met betrekking tot beeldmateriaal
5. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan de verdediging alle beeldmateriaal (de rechtbank begrijpt: van de overdracht van verdachte [verdachte 3] aan de Nederlandse verbalisanten en van het transport naar Nederland) te verstrekken. Hoewel het Openbaar Ministerie stelt dat alle materiaal is gevoegd, is er aanleiding te vermoeden dat er meer is omdat op de beschikbare foto’s te zien is dat er mensen met mobiele telefoons foto’s nemen en films maken. Bovendien is het in Dubai gebruikelijk om een verdachte te filmen tijdens een arrestatie en is de politie ook uitgerust met filmapparatuur die op de kleding is bevestigd, aldus de verdediging.
Oordeel van de rechtbank
6. Gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, dat al het beschikbare beeldmateriaal inmiddels in het dossier is gevoegd, kan het verzoek om meer of ander beeldmateriaal aan de verdediging te verstrekken niet worden toegewezen. Voor zover de verdediging doelt op beeldmateriaal dat door de politie in Dubai van verdachte [verdachte 3] zou zijn gemaakt, wijst de rechtbank erop dat hiernaar is gevraagd in het rechtshulpverzoek aan de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE). Concreet is daarin verzocht of er informatie, waaronder foto's en ander beeldmateriaal, kan worden gedeeld met het Openbaar Ministerie en de Nederlandse rechtbank naar aanleiding van de arrestatie, vrijheidsbeneming en eventuele andere bejegening van verdachte [verdachte 3] . Daarop is het (korte) antwoord gekomen dat de bewaring niet gedocumenteerd werd middels foto’s of video’s. Hierop zal hierna, bij de bespreking van het verzoek tot het doen van een aanvullend rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de VAE, nader worden ingegaan.
Verzoek met betrekking tot de overhandiging van een cadeau/medaille
7. De verdediging heeft naar aanleiding van de in het dossier gevoegde foto’s verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan te geven wie aan wie een cadeau (in de visie van de verdediging: een dolk) heeft overhandigd bij de overdracht van verdachte [verdachte 3] , en in welk kader en op grond waarvan dit is gebeurd. Hetzelfde verzoek heeft de verdediging gedaan ten aanzien van de medaille die in februari 2020 door de Nederlandse verbalisanten en het Openbaar Ministerie aan de politie in Dubai in relatie tot verdachte [verdachte 3] werd overhandigd.
8. Volgens het Openbaar Ministerie is het cadeau dat op de desbetreffende foto’s te zien is geen dolk, maar een schaal die de Nederlandse verbalisanten hebben ontvangen. De door de verdediging aangehaalde “medaille” is omstreeks 11 februari 2020 aan de Dubai police overhandigd. Deze cadeaus betreffen de gebruikelijke tegeltjes, bordjes of penningen die door opsporingsdiensten, overheidsinstanties en bedrijven worden uitgereikt aan relaties. Zij vertegenwoordigen geen financiële waarde, aldus het Openbaar Ministerie.
Oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de vragen van de verdediging heeft beantwoord. De rechtbank ziet geen relevantie voor het strafproces bij verdere informatieverstrekking op dit punt. Het verzoek wordt afgewezen.
In de zaken van alle verdachten
Het rechtshulpverzoek aan de VAE
10. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] heeft na kennisname van de (vertaalde) uitvoeringsstukken van 31 mei 2021 verzocht om een nieuwe vertaling van deze uitvoeringsstukken en om het Openbaar Ministerie op te dragen een aanvullend rechtshulpverzoek te doen uitgaan waarin de VAE wordt verzocht de vragen uit het rechtshulpverzoek volledig te beantwoorden. Andere raadslieden hebben hierbij aangesloten. Omdat het Openbaar Ministerie al heeft aangegeven de uitvoeringsstukken opnieuw te laten vertalen en een aanvullend rechtshulpverzoek aan de VAE te willen uitdoen, hoeft over deze kwestie nu geen beslissing te worden genomen.
11. De rechtbank heeft een concrete invulling van dit aanvullende rechtshulpverzoek voor ogen en zal deze hieronder uitsplitsen onder de kopjes ‘De Dubai-observatie’ en ‘De omstandigheden rond de aanhouding, detentie en overdracht van verdachte [verdachte 3] ’. Daarbij zijn vragen geformuleerd die de rechtbank beantwoord wenst te zien. Zij is zich er daarbij overigens van bewust dat bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek bepaalde vragen wellicht beter anders geformuleerd kunnen worden of mogelijk zelfs bij voorkeur achterwege blijven. Er is immers een Nederlands belang bij de wijze van bewegen in het internationale politieke en/of diplomatieke verkeer. De Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (hierna: AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft hierin een adviserende functie. Indien bepaalde vragen in verband met het voorgaande niet in het rechtshulpverzoek kunnen worden opgenomen, verwacht de rechtbank dat daaromtrent verantwoording wordt afgelegd in een aanvullend proces-verbaal. Als het voorgaande herformulering van vragen meebrengt dan kan het Openbaar Ministerie dit doen zonder tussenkomst van de rechtbank.
De Dubai-observatie
12. De antwoorden van de autoriteiten van de VAE op de in het rechtshulpverzoek van 11 december 2020 gestelde open vragen over de Dubai-observatie, zijn erg summier en geven geen inzicht in wat zich heeft afgespeeld in Dubai tijdens de observatie van mrs. Meijering en Van Kleef. De rechtbank heeft daarom voor ogen dat in het aanvullende rechtshulpverzoek wordt aangegeven dat de uitvoeringsstukken tot een aantal nieuwe vragen hebben geleid en dat deze vragen vervolgens zo concreet mogelijk worden geformuleerd.
13. De rechtbank stelt zich voor dat met betrekking tot de Dubai-observatie de volgende vragen worden gesteld:
Op basis van welke informatie heeft de observatie van mrs. N.C.J. Meijering en L.J.B.G. van Kleef plaatsgevonden?
Op welke datum en welk tijdstip is de observatie aangevangen?
Hoe vaak en hoe lang is geobserveerd?
Op welke datum en welk tijdstip is de observatie geëindigd?
Op welke plaatsen is precies geobserveerd? Is er op meer plekken dan de lobby van een hotel geobserveerd en zo ja, waar nog meer?
Is er een schriftelijk verslag gemaakt van observatie? Indien het antwoord ja is, kan dit schriftelijk verslag aan de rechtbank worden verstrekt?
Zijn er – los van de reeds gedeelde foto’s – nog andere foto’s van de observatie gemaakt?
Zijn er (film)beelden van de observatie gemaakt?
Zijn er andere technische hulpmiddelen gebruikt bij de observatie? Indien het antwoord ja is, kunnen deze foto’s, filmbeelden of resultaten van het gebruik van andere technische hulpmiddelen aan de rechtbank worden verstrekt?
Is er andere informatie beschikbaar over de observatie die aan de rechtbank kan worden verstrekt?
14. Het is uiteraard mogelijk dat hetgeen de liaison officer op korte termijn zal gaan verklaren aanleiding geeft voor verdere aanvullende vragen. In verband met de voortgang op dit punt stelt de rechtbank zich voor dat het Openbaar Ministerie deze vragen formuleert en toevoegt aan het op te stellen aanvullende rechtshulpverzoek. Eventuele suggesties voor vragen die de verdediging doet, kan het Openbaar Ministerie desgewenst daarbij betrekken. Deze vragen dienen te passen binnen het kader dat inzicht wordt verkregen in wat er precies in Dubai tijdens de observatie is gebeurd.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
De omstandigheden rond de aanhouding, detentie en overdracht van verdachte [verdachte 3]
15. De rechtbank heeft geconstateerd dat de beantwoording van de in het rechtshulpverzoek van 11 december 2020 gestelde vragen over dit onderwerp ook weinig specifiek en vrij summier is. Nu er hoe dan ook een aanvullend rechtshulpverzoek naar de VAE zal uitgaan, stelt de rechtbank zich voor in dit rechtshulpverzoek aan te geven dat de uitvoeringsstukken ook voor wat betreft deze kwestie tot een aantal nieuwe vragen hebben geleid en dat deze vragen vervolgens zo concreet mogelijk worden geformuleerd. De rechtbank zal haar vragen hierna formuleren aan de hand van de door de verdediging aangedragen onderwerpen.
Voorgehouden en/of ondertekende documenten
16. De VAE hebben op de vraag of er door verdachte [verdachte 3] documenten zijn ondertekend en of daarover de beschikking kon worden verkregen, geantwoord dat slechts één document door hem is ondertekend en dat dit een ‘verklaring van geen bezwaar’ tegen de uitlevering aan de Nederlandse autoriteiten was. De verdediging heeft thans verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de vraagstelling aan de VAE uit te breiden met de vraag of andere documenten (de rechtbank begrijpt: anders dan die ‘verklaring van geen bezwaar’) zijn opgesteld en verdachte [verdachte 3] voorgehouden al of niet ter ondertekening, onder welke omstandigheden, door wie en wanneer dat heeft plaats gevonden. Daarbij kan worden gewezen op de stelling van verdachte [verdachte 3] dat hij door de autoriteiten in Dubai is bevraagd over dossiers en personen die deel uitmaken van het Marengo-onderzoek, aldus de verdediging.
17. De rechtbank acht het, nu er toch al een nieuw rechtshulpverzoek zal uitgaan, niet bezwaarlijk om de vraagstelling met een deel van deze nieuwe vragen uit te breiden. De vraag “onder welke omstandigheden, door wie en wanneer dat heeft plaats gevonden” neemt de rechtbank daarin in niet op. Het eerste deel “onder welke omstandigheden” is in de uitvoeringsstukken al aan de orde gekomen en bovendien te onbepaald. Het tweede en derde deel “door wie en wanneer dat heeft plaats gevonden” acht de rechtbank niet van belang voor enige in de strafzaak te nemen beslissing.
18. De rechtbank komt voor dit onderwerp tot de volgende vraagstelling:
In uw antwoord van 31 mei 2021 heeft u op de vraag of er door verdachte [verdachte 3] documenten zijn ondertekend en of daarover de beschikking kon worden verkregen, geantwoord dat slechts een document door hem is ondertekend en dat dit een ‘verklaring van geen bezwaar’ tegen de uitlevering aan de Nederlandse autoriteiten was. Dit antwoord leidt tot de volgende (vervolg)vragen:
Zijn er wellicht andere documenten, al dan niet ter ondertekening, aan hem voorgehouden?
Indien dit het geval is, is het dan mogelijk dat (afschriften van) deze documenten worden verstrekt?
Indien verstrekking niet mogelijk is, kan dan worden beschreven wat de inhoud van die documenten is?
Is verdachte [verdachte 3] door de politie in Dubai ondervraagd over dossiers en personen die deel uitmaken van het Marengo-onderzoek?
Indien dit het geval is en deze verhoren op papier zijn gezet, is het dan mogelijk dat (afschriften van) deze documenten worden verstrekt?
Indien verstrekking niet mogelijk is, kan dan worden beschreven wat de inhoud van die verhoren was?
Beeldmateriaal arrestatie, detentie en overdracht op het vliegveld
19. De VAE hebben op de vraag of er informatie (foto’s, ander beeldmateriaal, documenten) kan worden gedeeld naar aanleiding van de arrestatie, vrijheidsbeneming en eventuele andere bejegening van verdachte [verdachte 3] , geantwoord dat de bewaring niet werd gedocumenteerd middels foto’s en video’s. De verdediging heeft aangevoerd dat geen antwoord is gegeven op de vraag of er beeldmateriaal is gemaakt van de aanhouding, terwijl daar wel sterke aanwijzingen voor zijn. Ook persisteert de verdediging kennelijk bij het verzoek om eventuele opgenomen beelden van de overbrenging van verdachte [verdachte 3] naar het bureau en diens overdracht op het vliegveld aan de Nederlandse autoriteiten en daarbij aan te geven op welk vliegveld dat was.
20. Het is de rechtbank niet duidelijk of het begrip “de bewaring” in de VAE alleen de detentie omvat, of meer dan dat, zoals de arrestatie en de overdracht op het vliegveld aan Nederland. De rechtbank acht het, nu er toch al een nieuw rechtshulpverzoek zal uitgaan, niet bezwaarlijk om de vraagstelling met een deel van deze nieuwe vragen uit te breiden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vraag “op welk vliegveld dat was” hierbij op te nemen, nu hierover al processen-verbaal zijn opgemaakt en de rechtbank voorshands geen reden heeft om aan de inhoud hiervan te twijfelen.
21. De rechtbank komt voor dit onderwerp tot de volgende vraagstelling:
Dit leidt tot de volgende vervolgvragen:
7. In uw antwoord van 31 mei 2021 heeft u op de vraag of er informatie (foto’s, ander beeldmateriaal, documenten) kan worden gedeeld naar aanleiding van de arrestatie, vrijheidsbeneming en eventuele andere bejegening van verdachte [verdachte 3] , geantwoord dat de inbewaringstelling niet werd gedocumenteerd middels foto’s en video’s. Het is de rechtbank niet duidelijk of dit ook geldt voor de aanhouding, de overbrenging naar het politiebureau en de overdracht aan de Nederlandse autoriteiten op het vliegveld. Zijn er tijdens de aanhouding van verdachte [verdachte 3] in de woning, zijn overbrenging naar het politiebureau en zijn overdracht aan de Nederlandse autoriteiten op het vliegveld wellicht wel foto’s of films gemaakt?
8. Indien dit het geval is, is het dan mogelijk dat hier een kopie van wordt verstrekt?
9. Tijdens de vlucht van verdachte [verdachte 3] naar Nederland vanaf Dubai is door een arts geconstateerd dat hij een gezwollen neus had en verkleurde oogkassen. Bij nader onderzoek op 19 december 2019 door een andere arts in Nederland bleek zijn neus gebroken. Daarnaast is door die arts vastgesteld dat de huid van het voorhoofd en de slaap was verkleurd in een gebied van circa 10 x 7 cm. Dit gebied reikte van de rechter wenkbrauw tot in de haargrens van het voorhoofd en zijwaarts tot onder- en buiten de rechterooghoek. Ook zijn aan de romp (bij de schouder en de rechterbil) enkele huidbeschadigingen aangetroffen die wat betreft afstand en omvang zouden kunnen passen bij het gebruik van een taser. Bij de huid van de billen in de onderste binnenste kwadrant is een huidverkleuring vastgesteld. Aan de achterzijde van beide onderbenen zijn huidbeschadigingen vastgesteld. Kunt u verklaren hoe en wanneer het letsel bij verdachte [verdachte 3] is ontstaan? Indien dit het geval is, is het dan mogelijk hiervan een schriftelijk verslag aan de rechtbank te doen toekomen?
Informatie over eerste contact over arrestatie verdachte [verdachte 3] en afspraken over behandeling verdachte [verdachte 3]
22. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een nader rechtshulpverzoek aan de VAE te richten met de vraag of, en zo ja wanneer, voor het eerst door Dubai met Nederland contact is geweest voorafgaand aan de arrestatie van verdachte [verdachte 3] over diens op handen zijnde arrestatie, en of en zo ja welke afspraken over zijn bejegening zijn gemaakt.
23. De rechtbank wijst dit verzoek af. Voorshands is voldoende verantwoording afgelegd over de wijze waarop de contacten met de autoriteiten van Dubai over de aanhouding en overbrenging van verdachte [verdachte 3] zijn verlopen. Dat daarbij afspraken zouden zijn gemaakt over de behandeling van verdachte [verdachte 3] – en dat de processen-verbaal hieromtrent dus deels onjuist of onvolledig zouden zijn – is niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de autoriteiten van de VAE.
Opvragen en vertalen wetteksten VAE
24. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een nader rechtshulpverzoek aan de VAE te richten ter verkrijging van de tekst van de wettelijke regelingen (van strafvordering) waarop Dubai een beroep doet bij de beantwoording van het Nederlandse rechtshulpverzoek en deze (door een beëdigd vertaler vertaalde) tekst aan de verdediging te verstrekken.
25. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat hier enig belang bij bestaat in het kader van de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In zijn algemeenheid ligt bij internationale rechtshulp de vraag of een buitenlandse autoriteit zich aan haar eigen regels heeft gehouden, niet aan de Nederlandse rechter ter beoordeling voor.
Aanvullend verzoek met betrekking tot protocol Samenwerking bij Internationale Rechtshulp
26. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de volgende gegevens aan de verdediging te doen verstrekken:
- -
of dit of een gelijksoortig protocol is gevolgd door de Nederlandse autoriteiten bij de samenwerking met of de uitvoering van de Red Notice door Dubai ten aanzien van de arrestatie van verdachte [verdachte 3] en zo ja en hoe dan ook aan te geven:
- -
wat de uitkomsten zijn geweest van dit onderzoek door AIRS, en
- -
wat de inhoud van het advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid is geweest met betrekking tot de vraag of het wenselijk is om met Dubai/VAE justitieel samen te werken, en
- -
of de risico’s ten aanzien van Dubai/VAE bij die samenwerking of uitvoering van die Red Notice opwegen tegen het belang van het Nederlandse onderzoek.
27. Het Openbaar Ministerie heeft op de terechtzitting met betrekking tot dit punt als volgt gereageerd: “Overigens geldt ten aanzien van het protocol Samenwerking bij Internationale Rechtshulp dat dit pas sinds 1 maart 2020 van kracht is, dus ruim na de aanhouding en overdracht van [verdachte 3] op 16 en 19 december 2019. Dit protocol benoemt een aantal checks and balances voor de afwegingen rondom het vragen van internationale rechtshulp aan landen buiten de Europese Unie. Op basis van dit protocol moet de rechtshulp besproken worden met (L)IRC die een eerste toets uitvoert. Indien de samenwerking met het betreffende land niet direct uitgesloten wordt, wordt contact opgenomen met AIRS die dan samen met het (L)IRC toetst of de samenwerking juridisch mogelijk is en of die samenwerking wellicht onwenselijk is gezien eventuele consequenties. In dit kader kan worden vermeld dat de rechtshulp in deze zaak ook heeft plaatsgevonden via het (L)IRC en AIRS. Uit het feit dat Nederland inmiddels een verdrag heeft gesloten met de VAE kan worden afgeleid dat er sprake is van een land waarmee de samenwerking mogelijk is en niet onwenselijk wordt geacht.”
28. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hiermee de vragen van de verdediging afdoende beantwoord. Verdere discussie over dit punt kan desgewenst bij requisitoir en pleidooi plaatsvinden. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek tot afsplitsing van de zaak van verdachte [verdachte 3]
29. De verdediging heeft verzocht de zaak van verdachte [verdachte 3] af te splitsen van de zaken van de overige verdachten. Zij voert daartoe aan dat de aandacht voor verdachte [verdachte 3] disproportioneel is, met extreme beveiligingsmaatregelen en extreme media-aandacht, en dat dit de rust van het proces niet ten goede komt.
30. De rechtbank stelt voorop dat splitsing, zoals bedoeld in artikel 285 Sv, mogelijk is als zaken gevoegd worden behandeld. Dat is hier niet het geval. Er is slechts sprake van een (gedeeltelijk) gelijktijdige behandeling van de zaken van de verschillende verdachten in het onderzoek Marengo. De rechtbank begrijpt dit verzoek daarom als een verzoek om de zaak van verdachte [verdachte 3] niet langer gelijktijdig te behandelen met de zaken van medeverdachten. De zaak van verdachte [verdachte 3] wordt gelijktijdig behandeld met die van medeverdachten vanaf 10 juli 2019, het moment dat hij voor het eerst is gedagvaard. Er zijn sindsdien vele zittingsdagen geweest en op 22 maart 2021 heeft de inhoudelijke behandeling een aanvang genomen. Op de zittingsdagen tot op heden zijn overigens niet steeds de zaken van alle verdachten aan de orde geweest. Er zijn ook zittingsdagen geweest met minder verdachten en er zijn zelfs dagen geweest waarin alleen de zaak van verdachte [verdachte 3] aan de orde was. Dat zal, als dat dienstig is, in de toekomst mogelijk weer gebeuren. Het creëren van rust in het proces is zonder meer nastrevenswaardig. Anderzijds heeft gelijktijdige behandeling ook voordelen, omdat de zaken van de verschillende verdachten met elkaar samenhangen. Het belang om de verschillende zaken (deels) gelijktijdig te blijven behandelen weegt naar het oordeel van de rechtbank nog steeds zwaarder dan het door de verdediging aangevoerde belang om de zaken gescheiden te behandelen. Het verzoek wordt afgewezen.
In de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3]
Verzoek om een proces-verbaal van de officier van justitie van het Team Getuigen Bescherming (hierna: TGB-officier van justitie)
31. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een proces-verbaal op laten te maken door de TGB-officier van justitie over de ter terechtzitting van 9 april 2021 aan de kroongetuige gestelde vraag of de kroongetuige op dat moment beschikte over een (heimelijke) telefoon in detentie en of de kroongetuige deze vraag mag beantwoorden.
Oordeel van de rechtbank
32. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de laatste vraag van de verdediging al heeft beantwoord ter terechtzitting van 29 juni 2021. Het Team Getuigen Bescherming (hierna: TGB) heeft namelijk laten weten dat het de kroongetuige niet vrij staat vragen over communicatiemiddelen waarover hij kon en kan beschikken te beantwoorden, omdat het voor hem niet te overzien is in hoeverre het beantwoorden van vragen hierover de getroffen veiligheidsmaatregelen kan schaden. Verder heeft het Openbaar Ministerie op die zitting toegelicht dat de kroongetuige op zijn huidige detentielocatie niet beschikt over een mobiele telefoon, met uitzondering van de mobiele telefoon die hij tijdelijk had in de periode vanaf het eerste kwartaal 2018 tot begin 2020. Op die telefoon kon alleen door zijn partner worden ingebeld en die gesprekken werden gemonitord. Over de communicatiemogelijkheden van de kroongetuige bevat het dossier al een proces-verbaal van de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG-officier van justitie) over het bezit van een PGP-toestel door de kroongetuige in november 2017. Ook bevat het dossier stukken van de onder de Deken inbeslaggenomen iPhone die de kroongetuige van september 2017 tot februari 2018 (tijdens detentie) in gebruik heeft gehad. Recent is hier het proces-verbaal van de TGB-officier van justitie van 19 september 2021 aan toegevoegd. Daarmee is voldoende tegemoet gekomen aan het verzoek van de verdediging en is het opmaken van een aanvullend proces-verbaal niet nodig. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek met betrekking tot het verstrekken alle onthouden en ontbrekende (delen van) berichten van de iPhone en (aanvullend) nadere informatie over de wijze van onderzoek
33. De verdediging heeft verzocht om alle niet formeel onthouden berichten en ontbrekende delen van berichten van de iPhone van de kroongetuige ter inzage te verstrekken. Bij repliek is aanvullend verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan te geven hoe en met welke resultaten is onderzocht dat er geen berichten van voor 14 november 2017 zijn teruggevonden.
Oordeel van de rechtbank
34. De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen omdat uit de reactie van het Openbaar Ministerie volgt dat geen sprake is van berichten die zonder machtiging van de rechter-commissaris van inzage worden onthouden, ook niet het door de verdediging aangehaalde bericht met nummer 7471. Het dossier bevat al een aanvullend proces-verbaal (van 20 juli 2021, zie derde aanvulling einddossier, pagina’s 1894 en 1895) over de mogelijke verklaringen voor het ontbreken van berichten uit de periode 15 september 2017 tot 14 november 2017 en het feit dat er alleen zoekslagen zichtbaar zijn van 23 september 2017. Uit dit proces-verbaal blijkt dat voor het onderzoek aan de iPhone zogenoemde uitlees software is gebruikt. De vraag is daarmee voldoende beantwoord en daarom wordt het verzoek afgewezen.
Verzoek met betrekking tot apps/screenshots
35. Het verzoek van de verdediging om het Openbaar Ministerie op te dragen informatie te geven over welke apps de screenshots genereren die de kroongetuige doorstuurt naar onder andere zijn partner, is te algemeen om te kunnen worden toegewezen. Het Openbaar Ministerie heeft toegezegd dat als de verdediging van een specifiek screenshot wil weten van welke app dit afkomstig is, het deze vraag kan voorleggen aan het politieteam. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek met betrekking tot overige foto’s en video’s van de iPhone
36. De verdediging heeft verzocht om inzage in de overige foto’s en video’s van de iPhone van de kroongetuige die niet met machtiging van de rechter-commissaris worden onthouden. Het Openbaar Ministerie heeft toegezegd dat de verdediging deze inzage kan krijgen op het politiebureau. De verdediging is hier bij repliek niet meer op teruggekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat hierover dan ook geen beslissing meer hoeft te volgen.
Verzoek om voeging e-mailbericht
37. De verdediging heeft verzocht om voeging in het dossier van het e-mailbericht van de toenmalige advocaat van de kroongetuige aan het Openbaar Ministerie over de regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI-regeling).
Oordeel van de rechtbank
38. Op een vergelijkbaar verzoek heeft de rechtbank eerder, bij beslissing van 21 mei 20211., het Openbaar Ministerie opgedragen een proces-verbaal op te (laten) maken waarin wordt ingegaan op de vragen wat er ten aanzien van de VI-regeling is besproken en wat daarover eventueel met de kroongetuige is afgesproken. Dit aanvullende proces-verbaal van 17 juni 2021 van de TBG-officier van justitie is inmiddels verstrekt en zal aan het dossier worden toegevoegd. Daarin wordt ook de inhoud beschreven van het desbetreffende e-mailbericht waar de kroongetuige ter terechtzitting van 12 april 2021 over heeft verklaard. Voorshands is met dit aanvullende proces-verbaal voldoende verantwoording afgelegd over de vraag wat er ten aanzien van de VI-regeling met de kroongetuige is afgesproken. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de weergave van het e-mailbericht in dat proces-verbaal. Daarom is niet noodzakelijk dat dit aan het dossier wordt toegevoegd. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek met betrekking tot informatie over het uitzitten van 5 jaar of 5,5 jaar netto gevangenisstraf
39. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen in het dossier te voegen of en in welke zin en in welke tijdlijn met de kroongetuige en zijn raadslieden is gesproken over het uitzitten van 5 jaar of 5,5 jaar netto. Daartoe heeft zij gewezen op berichten uit de iPhone van de kroongetuige.
Oordeel van de rechtbank
40. De rechtbank stelt vast dat de kroongetuige ter zitting van 22 september 2021 een verklaring heeft afgelegd over de iPhone-berichten waarin hij schrijft dat hij 5 of 5,5 jaar netto gevangenisstraf zal moeten uitzitten. Die verklaring is, kort gezegd, dat hem door een officier van justitie een rekensom is voorgehouden. Die rekensom hield in dat hij 1/3 aftrek in verband met de VI-regeling krijgt en daarnaast aftrek omdat hij geen detentiefasering krijgt én nog aftrek van de negen maanden gevangenisstraf die hij voor de zogenoemde wapenzaak heeft gekregen. Omdat het Openbaar Ministerie de desbetreffende officier van justitie heeft gevraagd schriftelijk verantwoording af te leggen van zijn gesprekken met de kroongetuige over dit onderwerp, is de rechtbank van oordeel dat op dit moment voldoende aan het verzoek tegemoet wordt gekomen. Voor zover meer wordt verzocht dan nu is toegezegd, wordt het verzoek afgewezen.
Verzoek verantwoording besprekingen over een lening aan de kroongetuige
41. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een schriftelijke verantwoording in het dossier te voegen over de vraag of, en zo ja in welke zin, er besprekingen zijn gevoerd omtrent het verstrekken aan de kroongetuige van een al of niet renteloze lening, mede geplaatst in een tijdlijn. Daartoe heeft zij gewezen op dezelfde berichten waar de verdediging van verdachte [verdachte 4] ter onderbouwing van een verzoek op een eerdere zitting naar verwees. Het gaat onder meer om het bericht waarin de kroongetuige het heeft over een ‘0,0%’ lening die ooit met een kroongetuige in een andere zaak zou zijn aangegaan.
Oordeel van de rechtbank
42. De rechtbank verwijst naar haar beslissing van 13 juli 2021 op dat eerdere verzoek. De rechtbank overwoog in die beslissing dat het in de geciteerde berichten erop lijkt dat de kroongetuige spreekt over wat hij wenst in het kader van de (onderhandelingen over de) getuigenbescherming, dat daaruit niets blijkt over waar het Openbaar Ministerie mee akkoord is gegaan en wat uiteindelijk met de kroongetuige is overeengekomen ten aanzien van de getuigenbescherming. Voorshands acht de rechtbank de inhoud van (eventuele) financiële afspraken die deel uitmaken van de (in beginsel niet ter toetsing aan de rechtbank voorliggende) overeenkomst terzake de getuigenbescherming, niet van belang voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek ten aanzien van gunsten tijdens detentie
43. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een overzicht te (doen) verstrekken van aan de kroongetuige verleende gunsten in detentie. De verdediging heeft daartoe gewezen op berichten uit de iPhone van de kroongetuige waaruit de verdediging afleidt dat de kroongetuige veel meer is toegestaan dan op basis van de geldende detentieregimes gebruikelijk is. Het gaat dan onder andere om bezoeken zonder toezicht, verblijf buiten de penitentiaire inrichting (hierna: PI), weekendjes weg – al dan niet in hotels –, ‘pieploos’ bezoek, toegang tot communicatiemiddelen en betaalsites op internet, vrij (privé)verkeer met personeel van de PI en het wisselen van cadeaus met dat personeel.
De verdediging heeft aanvullend verzocht om de directeur van de PI te horen als getuige.
Oordeel van de rechtbank
44. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de kroongetuige gunstbetoon heeft genoten en het Openbaar Ministerie daarvan proces-verbaal dient op te maken, overweegt de rechtbank als volgt.
45. Onder gunstbetoon in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken wordt verstaan:
“8.1 Onder gunstbetoon valt het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe omvang hebben en geen rechtstreeks verband houden met de beslissingen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid van een getuige tot het afleggen van een getuigenverklaring. Hierover kan de officier van justitie zelfstandig beslissen.
8.2
Indien sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen het verlenen van een dergelijke gunst en de bereidheid van de getuige een verklaring af te leggen, dient hiervan overeenkomstig artikel 226g, vierde lid, Sv een proces-verbaal te worden opgemaakt, dat ten spoedigste bij de processtukken (in de zaak van de getuige en die van de verdachte ten laste van wie hij verklaart) wordt gevoegd.
8.3
Indien voor de te verlenen gunst de toestemming of medewerking van derden is vereist (zoals buitenlandse autoriteiten of bestuursorganen), maakt de officier van justitie aan de getuige duidelijk dat geen garantie kan worden gegeven voor het gewenste resultaat. Hij kan alleen een inspanningsverplichting aangaan.
8.4
Voorbeelden van gunsten zijn: het meewerken aan of het zich niet verzetten tegen een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, de versnelde teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen voor zover het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, het bevorderen van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van de verdachte in een huis van bewaring dichter bij zijn sociale omgeving, het bevorderen dat de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde straf in Nederland kan worden voortgezet in het kader van de WOTS of de WETS en het verlenen van voorspraak bij bestuursorganen als de IND en de Belastingdienst.”
46. De rechtbank is van oordeel dat geen van de door de verdediging genoemde voorbeelden is aan te merken als dergelijk gunstbetoon, zodat geen aanleiding bestaat om het Openbaar Ministerie op te dragen een overzicht of nadere informatie hierover te verschaffen.
47. De verdediging heeft (ook) betoogd dat de berichten aantonen dat de kroongetuige binnen detentie een machtspositie heeft verworven, dat hij daarin gefaciliteerd is door (personeel van) de PI en dat het Openbaar Ministerie daarvoor verantwoordelijk is. Deze stellingen, wat daar verder ook van zij, geven evenmin aanleiding om te bepalen dat het Openbaar Ministerie het verzochte overzicht of nadere informatie dient te verschaffen. Voorshands blijkt uit de berichten noch uit het verhoor van de TBG-officier van justitie bij de rechter-commissaris dat het Openbaar Ministerie een rechtens relevante rol heeft gehad in wat de kroongetuige in detentie door personeel van de PI zou zijn toegestaan. De omstandigheid dat de TBG-officier van justitie een verzoek van de kroongetuige voor extra bezoek heeft ‘doorgezet’ naar de directeur van de PI, maakt dat niet anders. De verzoeken worden afgewezen.
Verzoek om informatie over onderzoek naar integriteitsschendingen in de PI
48. De verdediging heeft gesteld dat de berichten in de iPhone tekenen bevatten van integriteitsschending en mogelijk zelfs afpersing/chantage door de kroongetuige in de PI. Ook zou uit de berichten volgen dat de kroongetuige een machtspositie zou hebben verworven. De verdediging heeft verzocht om informatie over (recherche)onderzoek hiernaar. Het resultaat hiervan zou van groot belang zijn voor de integriteit van de bejegening van de kroongetuige en diens betrouwbaarheid voor de waarheidsvinding en dus voor de door de rechtbank te nemen beslissingen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de rechtmatigheid van de bewijsvoering.
Oordeel van de rechtbank
49. De rechtbank laat in het midden of uit de berichten volgt dat destijds sprake was van integriteitsschendingen, afpersing/chantage, dan wel een machtspositie in de PI. Voor de toetsing van de rechtmatigheid van de bewijsvoering is van belang dat de rechtbank dient te beoordelen of, als zij de inhoud van een (kroon)getuigenverklaring als bewijsmiddel wil gebruiken, deze verklaring betrouwbaar is. Daarnaast beoordeelt de rechtbank (impliciet of expliciet) de rechtmatigheid van de bewijsgaring aan de hand van het toetsingskader van artikel 359a Sv. Onder omstandigheden kan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bij die toetsing een rol spelen. De rechtbank ziet op dit moment niet dat de genoemde berichten relevant zijn voor deze (toekomstige) beoordeling omtrent het bewijs. Voor een (toekomstige) beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt die relevantie voorshands evenmin gezien. Voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is volgens vaste rechtspraak alleen plaats als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dat daarvan sprake is, is in dit geval niet onderbouwd. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
50. Voor zover de verdediging in de reactie van 13 oktober 2021 heeft willen betogen dat, kort gezegd, het niet doen van onderzoek naar deze berichten opgevat zou kunnen worden als gunstbetoon verwijst de rechtbank naar de hiervoor onder de nummers 45 en 46 opgenomen overwegingen.
Verzoek om informatie met betrekking tot berichten over contant geld
51. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie te laten aangeven of de berichten in de iPhone zijn onderzocht in verband met een witwasverdenking/voortgezet crimineel handelen en/of het voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst door de kroongetuige. Als er geen onderzoek is gedaan, wil de verdediging weten of het Openbaar Ministerie daarbij heeft overwogen of hier sprake is van gunstbetoon. Het Openbaar Ministerie heeft op 4 oktober 2021 op het verzoek gereageerd. Het ziet de inhoud van de berichten anders en heeft laten weten dat er op dit moment geen onderzoek naar wordt gedaan. De verdediging stelt in reactie daarop dat de redenering van het Openbaar Ministerie feitelijk onjuist is en het belang van de verdediging bij dit verzoek miskent.
Oordeel van de rechtbank
52. De rechtbank stelt vast dat de vraag naar het wel/niet voldoen aan de voorwaarden van de overeenkomst niet is beantwoord door het Openbaar Ministerie. Dit geldt ook voor de vraag of bij de beslissing om geen onderzoek te doen naar de inhoud van de berichten door het Openbaar Ministerie is overwogen of hierbij sprake is geweest van gunstbetoon. De rechtbank ziet voorshands echter niet welk verdedigingsbelang gemoeid zou zijn met het alsnog laten beantwoorden van deze vragen. Een dergelijke opdracht wordt dan ook niet gegeven aan het Openbaar Ministerie, zodat het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek omtrent onderzoek naar de psychische gesteldheid van de kroongetuige
53. De verdediging heeft verzocht om informatie van het Openbaar Ministerie of er specifiek onderzoek is ingesteld naar de psychische gesteldheid van de kroongetuige in de zin van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met manipulatieve zelfs chronisch leugenachtige kanten. Het Openbaar Ministerie heeft in reactie daarop laten weten dat het gestelde volstrekt onvoldoende grond is om te twijfelen aan de (psychische) geschiktheid van de kroongetuige om als getuige te verklaren.
Oordeel van de rechtbank
54. De rechtbank wijst het verzoek af. De beoordeling van de betrouwbaarheid van de kroongetuige die de rechtbank uiteindelijk moet maken, betreft zijn verklaringen over aan de medeverdachten tenlastegelegde feiten, in het licht van hetgeen het procesdossier daarover verder bevat. De rechtbank ziet geen aanleiding om onderzoek naar de psychische gesteldheid van de kroongetuige te laten doen.
Verzoek omtrent detentiemedewerkers wat betreft aard en omvang integriteitsschendingen bij hun functioneren
55. De verdediging heeft aanvullend op eerdere vragen aan het Openbaar Ministerie gevraagd of aard en omvang van de gestelde schendingen zijn onderzocht. Specifiek is daarbij gevraagd of de bedoelde medewerkers betrokken zijn geweest bij de bejegening en detentie-omstandigheden van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] . Volgens de verdediging kan deze informatie van groot belang zijn voor de integriteit van de bejegening van de kroongetuige en diens betrouwbaarheid voor de waarheidsvinding en dus voor de door de rechtbank te nemen beslissingen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de rechtmatigheid van de bewijsvoering. Daarnaast is op 13 oktober 2021 als belang van de verdediging nog aangevoerd dat het Openbaar Ministerie een plicht heeft ten aanzien van de veiligheid en bejegening van alle verdachten ex artikel 2 EVRM.
Oordeel van de rechtbank
56. De rechtbank heeft hiervoor onder nummer 49 al uiteengezet dat de relevantie van het verzoek niet wordt gezien. Of de bedoelde medewerkers betrokken zijn geweest bij de bejegening of detentie-omstandigheden van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] of [verdachte 3] , heeft evenmin relevantie voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de berichten waaraan de verdediging refereert van de periode eind 2017 - begin 2018 zijn. Verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] zijn pas sinds respectievelijk 29 mei 2019, 28 mei 2019 en 19 december 2019 in Nederland gedetineerd. Hoe het een zich met het ander verhoudt, en waarom dat relevant is, kan de rechtbank op basis van het aangevoerde niet inzien. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Verzoek om getuigenverhoren
57. De verdediging heeft in een vervolg op de verzoeken met betrekking tot de gestelde integriteitsschendingen verzocht om de toenmalige directeur en de teamleiders van de betreffende detentielocatie als getuige te horen.
Oordeel van de rechtbank
58. In het voorgaande is uiteengezet dat de rechtbank voorshands de relevantie niet inziet van de verzoeken in relatie tot de gestelde integriteitsschendingen door toedoen van de kroongetuige en/of machtspositie van hem. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat het verzoek tot het horen van deze getuigen evenmin voor toewijzing in aanmerking komt. Ook dit verzoek wordt afgewezen.
Verzoek naar aanleiding van berichten over omvang deal
59. De verdediging heeft berichten uit de iPhone van de kroongetuige genoemd waarin het zou gaan over wat zijn (toenmalige) advocaten wel of niet hebben gedaan of voor hem hebben kunnen regelen. De verdediging heeft gevraagd het Openbaar Ministerie te laten aangeven waarom de kroongetuige kon denken dat voor hem ‘the sky the limit’ was, zoals hij schreef. Dit in verband met zijn vermeende onmisbaarheid voor de zaken tegen (met name) verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] . De verdediging stelt hierbij belang te hebben in het kader van de betrouwbaarheid, rechtmatigheid en integriteit van de waarheidsvinding.
Oordeel van de rechtbank
60. De rechtbank stelt voorop dat de overeenkomst met de kroongetuige in het dossier is gevoegd. Kennelijk gaat het de verdediging niet om deze kenbare overeenkomst maar om de vraag welke afspraken er tussen het Openbaar Ministerie en de kroongetuige zijn gemaakt in het kader van de beschermingsovereenkomst. Deze ligt in beginsel niet ter toetsing aan de rechtbank voor en is niet ter kennisneming. Dit geldt ook voor informatie over de totstandkoming van de beschermingsovereenkomst. Reeds hierom wordt het verzoek afgewezen.
Verzoek omtrent het meenemen van contant geld (door advocaat) naar de PI
61. Volgens de verdediging volgt uit berichten dat de kroongetuige zijn advocaat verzoekt om hem geld te geven en dat de advocaat daaraan gehoor lijkt te geven. De verdediging heeft gevraagd het Openbaar Ministerie op te dragen aan te geven of is nagegaan of de kroongetuige zich met dergelijke gelden (al dan niet in de PI) een machtspositie heeft verworven. Het Openbaar Ministerie heeft in de reactie van 4 oktober 2021 gesteld dat niet is onderbouwd dat contant geld zou zijn aangewend voor machtsmisbruik in de PI.
Oordeel van de rechtbank
62. De rechtbank merkt allereerst op dat het genoemde bedrag in het bericht € 100,- is. De geopperde veronderstelling dat dit geld mogelijk is aangewend om een machtspositie te verwerven is niet onderbouwd. Er is ook geen verdedigingsbelang aangevoerd. De rechtbank ziet geen relevantie en geen aanleiding om de gevraagde opdracht aan het Openbaar Ministerie te geven. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek omtrent het niet naar zitting gaan in januari 2018 en (laten) liegen daarover
63. De verdediging heeft gewezen op een bericht waarin de kroongetuige zegt dat hij maandag niet naar de rechtszaak gaat en dat zijn advocaten maar moeten zeggen dat hij ziek is. Gelet daarop heeft de verdediging de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan te geven of is nagetrokken of de kroongetuige zich ook anderszins soms heeft onttrokken aan de voorwaarden van de overeenkomst. Ook is de vraag of het niet naar die zitting gaan en het kennelijke liegen daarover gevolgen heeft voor de overeenkomst met de kroongetuige. Het Openbaar Ministerie heeft geantwoord dat de betreffende zitting een pro formazitting in het TGO-onderzoek Roos/Doorn betrof en daarom niet valt onder de overeenkomst. Er is geen verband met zijn optreden als kroongetuige in Marengo. De verdediging heeft gepersisteerd bij het verzoek; het gaat niet om het niet verschijnen, het gaat erom dat de kroongetuige liegt.
Oordeel van de rechtbank
64. De vragen van de verdediging gaan uit van een onjuiste vooronderstelling, nu er geen sprake was van het onttrekken aan de voorwaarden van de overeenkomst. De vraag of het kennelijke liegen van de kroongetuige over het ziek zijn – wat daar ook van zij – gevolgen heeft voor de overeenkomst, is door het Openbaar Ministerie beantwoord. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek.
Verzoek om schriftelijke verslaglegging omtrent berichten over het schrijven van een boek
65. De verdediging heeft verzocht om een schriftelijke vastlegging door het Openbaar Ministerie over het al dan niet doen van onderzoek naar mogelijke zeer ernstige integriteitsschendingen en mogelijke ernstige gevolgen voor de eerlijkheid van het proces jegens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] . De verdediging heeft hiertoe berichten genoemd die betrekking hebben op het schrijven van een boek, genoeg daarvoor gezien te hebben, wellicht daaraan verdienen, mogelijk een trilogie, waar mensen van gaan schrikken. Het belang voor de verdediging is gelegen in het kader van de integriteit van de bejegening, de rechtmatigheid van de bedoelde overeenkomst en de betrouwbaarheid van de kroongetuige voor de daaromtrent door de rechtbank te nemen beslissingen.
Oordeel van de rechtbank
66. De rechtbank ziet niet dat (nader onderzoek naar) berichten over het willen schrijven van een boek, de eventuele inhoud daarvan en dat er wellicht aan verdiend kan worden, relevant kan zijn voor het beoordelingskader van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Dat dergelijke berichten uit eind 2017 – begin 2018 de eerlijkheid van het proces van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] mogelijk zouden kunnen raken ontbeert een onderbouwing. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Verzoek omtrent gesteld (voortgezet) crimineel handelen kroongetuige
67. De verdediging heeft een aantal berichten gepresenteerd die zouden wijzen op crimineel handelen, afpersing en witwassen door de kroongetuige. De verdediging heeft gevraagd of hiernaar onderzoek is gedaan. Daarnaast is gevraagd of hieraan beslissingen zijn verbonden omtrent vervolging of het mogen behouden van (toekomstige) gelden, naar de rechtbank begrijpt: afkomstig uit criminaliteit. Hieraan is de vraag gekoppeld of het Openbaar Ministerie heeft overwogen de overeenkomst met de kroongetuige te beëindigen. Ook vraagt de verdediging of er een schending van de overeenkomst is omdat de kroongetuige met derden sprak over zijn voornemen om kroongetuige te worden.
68. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn reactie verwezen naar een proces-verbaal omtrent PGP-berichten die lijken te gaan over handel in verdovende middelen van onder meer de kroongetuige. Daar is onderzoek naar verricht. Het Openbaar Ministerie heeft in verband met de gestelde verdenkingen over witwassen en afpersing niet overwogen de overeenkomst met de kroongetuige te beëindigen. Verder stond het hem vrij zijn voornemen om kroongetuige te worden met familie te bespreken zodat van een schending geen sprake is. De focus van het onderzoek Marengo ligt niet op drugshandel, bij de kroongetuige noch bij de medeverdachten. Zij worden daarvoor geen van allen vervolgd.
69. De verdediging heeft daartegen aangevoerd dat het er vooral om gaat dat vanuit detentie crimineel handelen wordt voortgezet en inkomsten worden verworven. Het gaat de verdediging er niet om waar de focus ligt binnen Marengo, maar dat de kroongetuige zich kennelijk niet aan de overeenkomst houdt.
Oordeel van de rechtbank
70. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de vragen van de verdediging heeft beantwoord. De rechtbank begrijpt het verzoek zo, dat handelingen van de kroongetuige tijdens detentie in de visie van de verdediging in strijd met de overeenkomst zijn en dat daarom moet worden (her)overwogen of de overeenkomst in stand kan blijven. Verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] zijn geen partij bij deze overeenkomst, reden waarom niet goed valt in te zien dat zij een gerechtvaardigd belang hebben bij een beslissing omtrent eventuele beëindiging hiervan. Het deel van het verzoek dat ziet op vragen aan het Openbaar Ministerie naar beslissingen omtrent vervolging of het mogen behouden van (toekomstige) gelden lijkt te doelen op gunstbetoon. In dit verband stelt de rechtbank vast dat geen proces-verbaal inzake gunstbetoon is opgemaakt, hetgeen (impliciet) ook een antwoord is van het Openbaar Ministerie. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek omtrent opnamen gesprekken met advocaten en TGB
71. De verdediging heeft verzocht om verstrekking van opnamen die blijkens een bericht kennelijk door de partner van de kroongetuige indertijd zijn gemaakt tijdens gesprekken met advocaten en het TGB. Daarnaast is verzocht om een verslag van onderzoek hiernaar. Tevens is gevraagd of dit handelen aanleiding is geweest voor het Openbaar Ministerie de overeenkomst met de kroongetuige te ontbinden. In reactie hierop heeft het Openbaar Ministerie aangegeven niet over dergelijke opnamen te beschikken. Daarbij zou het gaan om gesprekken in relatie tot getuigenbescherming en dat is niet relevant voor de strafzaak. Een onderzoek naar de opnamen is niet gedaan, daarvoor is geen basis. De verdediging heeft hiertegen ingebracht dat de kroongetuige hierop heeft gestuurd, het handelingen betreft die het geheim van het onderzoek en geheimhouders betreft en dat privacybelangen zijn geschonden. De handelingen hebben in de visie van de verdediging de integriteit van het onderzoek geschonden.
Oordeel van de rechtbank
72. De rechtbank merkt allereerst op dat het Openbaar Ministerie stelt dat het niet over de opnamen beschikt. Het verzoek om verstrekking van die opnamen stuit daar op af. Overigens valt niet in te zien hoe eventuele opnamen door een van de deelnemers aan een gesprek omtrent getuigenbescherming en/of enig gesprek met een van de eigen raadslieden de integriteit van het onderzoek kunnen raken. Daarnaast is niet onderbouwd hoe verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] bij de inhoud van deze vertrouwelijke gesprekken een rechtens te honoreren belang hebben. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoek omtrent de aanleiding kroongetuige te worden
73. De verdediging heeft verzocht om een proces-verbaal van het Openbaar Ministerie met betrekking tot in berichten genoemde besprekingen, dan wel vieze spelletjes van het Openbaar Ministerie, om ‘ [verdachte 3] ’ te krijgen via de kroongetuige. Daarbij is gevraagd in dat proces-verbaal aan te geven wat de positie van de kroongetuige was voor en na ‘de server’. Het gaat de verdediging erom inzicht te krijgen in wat het Openbaar Ministerie gedaan heeft voor de kroongetuige om hem een kennelijke machtspositie te kunnen laten hebben en op welke wijze hij vervolgens schaak is gezet. Het Openbaar Ministerie heeft hierop gereageerd dat het deze vragen niet kan beantwoorden omdat het gaat om uitleg van woorden van de kroongetuige. De verdediging heeft daarop aangegeven dat in de berichten een situatie wordt beschreven waarbij ook het Openbaar Ministerie betrokken is, zodat daarop wel kan worden geantwoord. Als de kroongetuige zou liegen is dat ook een antwoord, aldus de verdediging.
Oordeel van de rechtbank
74. De rechtbank wijst het verzoek af. Niet valt in te zien hoe het Openbaar Ministerie uitleg zou kunnen geven over chatgesprekken waar geen leden van het Openbaar Ministerie bij betrokken zijn. De rechtbank acht het belang bij een proces-verbaal door het Openbaar Ministerie op dit punt onvoldoende onderbouwd.
Verzoek met betrekking tot vervolging kroongetuige/opzeggen overeenkomst
75. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om aan te geven of de kroongetuige wegens meineed wordt vervolgd en of in dit kader een opsporingsonderzoek plaatsvindt. Verder heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie te bevelen om aan te geven of de constateringen van onbetrouwbaarheid van de kroongetuige en de door hem gepleegde inbreuken op de integriteit, aanleiding zijn om de overeenkomst met hem te verbreken wegens schending van de voorwaarden.
76. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn reactie opgemerkt dat de kroongetuige op dit moment niet voor meineed wordt vervolgd en dat daar ook geen opsporingsonderzoek naar plaatsvindt. Ook ziet het Openbaar Ministerie geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige te verbreken.
Oordeel van de rechtbank
77. De rechtbank stelt vast dat de vragen van de verdediging zijn beantwoord. De rechtbank hoeft dan ook op deze punten geen beslissing te geven.
78. De verdediging heeft aanvullend nog verzocht om het Openbaar Ministerie op te dragen om aan te geven waarom de overeenkomst dan niet wordt doorbroken, maar dat verzoek wordt afgewezen. Het debat over het al dan niet opzeggen van de kroongetuigeovereenkomst door het Openbaar Ministerie en de gevolgen daarvan, kan bij requisitoir en pleidooi worden gevoerd. Het Openbaar Ministerie hoeft daarover niet tussentijds verantwoording af te leggen.
Verzoek met betrekking tot de planning
79. De verdediging heeft bij repliek verzocht om bij de toekomstige planning rekening te houden met de wens de kroongetuige nog zeker gedurende drie aaneengesloten dagen te bevragen over algemene onderwerpen, los van vragen over zaaksdossiers. Dit verzoek kan aan de orde komen op de geplande regiezittingen van 20, 22 en 23 december 2021.
In de zaak van verdachte [verdachte 10] (en – na aansluiting – in de zaken van verdachten [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] , [verdachte 4] , [verdachte 9] , [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] )
Verzoeken naar aanleiding van in de cel van de kroongetuige aangetroffen goederen
80. De verdediging heeft naar aanleiding van het proces-verbaal van de TBG-officier van justitie van 19 september 2021 verzocht om nadere informatie over de op 6 september 2017 in de cel van de kroongetuige aangetroffen spullen. Het gaat om informatie over de aard, de huidige locatie en de inhoud van deze goederen, een op te maken proces-verbaal over de precieze gang van zaken rond de doorzoeking en het verdwijnen van de goederen en een op te maken proces-verbaal door het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo met betrekking tot hun wetenschap over deze gang van zaken. Ook is in dit verband verzocht de TBG-officieren van justitie, de zaaksofficier van justitie inzake Roos/Doorn, de huidige en toenmalige directeur van de PI en de bij de doorzoeking aanwezige PI-medewerkers als getuigen te doen horen bij de rechter-commissaris.
Proces-verbaal van 19 september 2021
81. De TBG-officier van justitie beschrijft in het proces-verbaal van 19 september 2021 dat op 6 september 2017 – een dag na het opleggen van de beperkingen aan de kroongetuige in het onderzoek Roos/Doorn – een celinspectie heeft plaatsgevonden waarbij door de directeur van de PI goederen zijn ingenomen. Het ging om een televisie met afstandsbediening, een USB-stick Cambrian, een USB-dongel en een harde schijf WD-Elements. Het proces-verbaal vermeldt dat een nadere omschrijving van deze goederen en dus een nadere duiding van welke mogelijkheden tot communicatie deze bieden niet is te geven omdat niet bekend is waar die goederen zich bevinden.
Verklaring van de kroongetuige
82. Ter terechtzitting van 22 september 2021 heeft de kroongetuige hierover verklaard, kort gezegd, dat het geen celinspectie betrof maar het enkel innemen van spullen uit de cel, in verband met de na zijn aanhouding op 5 september 2017 voor de zaken Roos/Doorn opgelegde beperkingen. Na die aanhouding heeft hij in een politiecel verbleven en bij terugkomst op de detentielocatie kreeg hij te horen dat hij in alle beperkingen zou gaan. Toen zijn een televisie, een USB-stick met muziek en wat spullen van een Xbox in beslag genomen. Op de Xbox zat geen Wifi- of internetaansluiting. Een USB-dongel heeft hij niet gehad en de ingenomen spullen heeft hij later ook weer teruggekregen, aldus de kroongetuige.
Reactie van het Openbaar Ministerie
83. In de schriftelijke reactie van 4 oktober 2021 schrijft het Openbaar Ministerie dat het zaaks-Openbaar Ministerie Roos/Doorn heeft laten weten dat het tactisch TGO-team Roos/Doorn destijds niet op de hoogte was van het kroongetuigentraject. Zij wisten ook niet dat hij destijds op een andere dan een gebruikelijke detentielocatie verbleef. Alleen de zaaksofficier van justitie was op de hoogte van het traject. In het TGO-onderzoek Roos/Doorn is geen beslag gelegd onder de kroongetuige in de detentielocatie. De genoemde spullen zijn nooit in het bezit van het TGO-team geweest en zijn ook niet ingeboekt als beslag. Het zaaks-Openbaar Ministerie Roos/Doorn heeft nooit van de inname van de goederen geweten.
84. Het Openbaar Ministerie schrijft verder dat het (zaaks-Openbaar Ministerie Marengo) nooit van de inname van deze goederen op de hoogte is gesteld. Verder schrijft het Openbaar Ministerie in de reactie van 4 oktober 2021 dat de TGB-officier van justitie heeft laten weten dat de opmerking in het proces-verbaal van 19 september 2021 is gebaseerd op een brief die destijds door de directeur van de detentielocatie aan de kroongetuige is gezonden. De inhoud van die brief is in de reactie van 4 oktober 2021 geciteerd en houdt in, voor zover hier van belang:
“Hierbij deel ik U mede dat, naar aanleiding van een mogelijk op te leggen beperking, er een cel inspectie d.d. 06 sep 2017, heeft plaats gevonden. (…)
De directeur is bevoegd uw persoonlijke verblijfsruimte op de aanwezigheid van
voorwerpen die niet in uw bezit mogen zijn, te onderzoeken indien dit noodzakelijk
wordt geacht. (…)
Tijdens deze inspectie zijn de volgende zaken voorlopig ingenomen;
- lxTVmetAB
- lx USE Stick Cambrian
- 1 x USB dongle
- lx HDD WD Elements”
Oordeel van de rechtbank
85. Met de verstrekte informatie en toelichting daarop is verantwoording afgelegd over de op 6 september 2017 onder de kroongetuige ingenomen spullen en de wetenschap van het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo daarover. In het licht van deze verantwoording ziet de rechtbank het belang voor het laten opmaken van een proces-verbaal en/of het doen van nader onderzoek, bijvoorbeeld door het horen van de verzochte getuigen, niet. De stelling van de verdediging dat zij de inhoud van de mededelingen weigert te geloven vanwege de timing – kort na het afleggen van de cruciale kluisverklaringen maar voor het tekenen van de deal – is onvoldoende onderbouwing van dat belang. Verder zijn door de verdediging als mogelijkheden geopperd dat de toenmalige directeur van de PI de spullen heeft laten verdwijnen onder druk van de kroongetuige en/of dat het Openbaar Ministerie de goederen heeft laten verdwijnen. Voor die scenario’s zijn echter geen aanwijzingen. De rechtbank acht dan ook onvoldoende onderbouwd dat het horen van de verzochte getuigen van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De verzoeken worden daarom afgewezen.
In de zaken van alle verdachten
Overige verzoeken en vragen
86. Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende zitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑11‑2021
Uitspraak 04‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 14 en 21 september 2021
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de
regiezitting van 14 en 21 september 2021
1. Ter terechtzitting van 14 en 21 september 2021 zijn door het Openbaar Ministerie en de verdediging een vordering respectievelijk verzoeken gedaan. Hieronder volgt de beslissing op enkele daarvan. De beslissing op de resterende verzoeken zal de rechtbank nemen na de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op die verzoeken en de re- en dupliek die zal plaatsvinden ter terechtzitting van 13 oktober 2021.
In de zaken van alle verdachten
Vordering om de iPhone-berichten niet langer te verstrekken op MacBooks
2. Bij beslissing van 13 juli 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3586) heeft de rechtbank beslist dat de berichten uit de iPhone van de kroongetuige tijdelijk ter inzage aan de verdediging dienen te worden verstrekt door middel van plaatsing op het MacBook waarop ook de ‘eigen’ PGP-lijnen staan. Daarbij is bepaald dat deze tijdelijke verstrekking (verder) plaatsvindt onder door het Openbaar Ministerie nader te stellen voorwaarden. Ter terechtzitting van 14 september 2021 heeft het Openbaar Ministerie uiteengezet dat een van die voorwaarden is dat het MacBook en/of de informatie daarop op geen enkele wijze openbaar gemaakt of gedeeld, verstrekt of aan derden verspreid mag worden.
3. Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd om de inzage in de berichten uit de iPhone van de kroongetuige weer onder de eerdere omstandigheden te laten plaatsvinden, te weten dat alleen inzage wordt verstrekt op het politiebureau. Daartoe heeft het gesteld, kort samengevat, dat is gebleken dat de aanwijzingen van de rechtbank in de beslissing van 13 juli 2021 niet zijn opgevolgd, dat de voorwaarden voor inzage zijn geschonden en dat daarmee ook onnodig veiligheidsrisico’s zijn gecreëerd. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband gewezen op een podcastaflevering van 3 september 2021 waarin door een van de makers wordt gezegd dat zijzelf in de 36.000 berichten tussen de kroongetuige en diens vriendin, broer en zus heeft zitten neuzen. In die uitzending wordt verteld over de inhoud van die berichten en daaruit blijkt dat het gaat om nog niet in het dossier gevoegde berichten. Daarnaast is gewezen op een bericht dat het Algemeen Dagblad (hierna: het AD) op 13 september 2021 op haar website plaatste. Dit artikel ging over een kort geding dat was aangespannen door de raadslieden van de kroongetuige in verband met een voorgenomen publicatie van een artikel in het AD op 14 september 2021. Het citaat dat het Openbaar Ministerie uit dat bericht aanhaalt is: “ADR Nieuwsmedia, waar ook deze site onderdeel van is, stelt dat in het artikel letterlijk geciteerd wordt uit chatberichten die morgen openbaar worden, en dat er geen reden is om daaruit niet te publiceren.” Volgens het Openbaar Ministerie volgt hieruit niet alleen dat het AD inzage heeft gekregen in nog niet openbaar gemaakte berichten die op dit moment alleen ter inzage zijn verstrekt aan de raadslieden in deze zaak, maar ook dat het AD weet dat op 14 september 2021 door een of meer raadslieden berichten zullen worden getoond die alleen nog ter inzage zijn en nog niet in het dossier zijn gevoegd. Het Openbaar Ministerie was namelijk niet van plan berichten openbaar te maken op 14 september 2021 en de rechtbank beschikt niet over de betreffende berichten. Volgens het Openbaar Ministerie is de inzage in de huidige vorm dan ook niet langer verantwoord. Hoewel de goeden daarmee onder de kwaden te lijden hebben is er geen andere oplossing dan deze vordering te doen, aldus het Openbaar Ministerie.
Oordeel van de rechtbank
4. Gedurende dit proces is meerdere keren sprake geweest van het lekken van processtukken naar de pers, ook op momenten dat deze stukken nog niet aan de rechtbank of verdediging waren verstrekt. Ook in dit geval zijn stukken naar buiten gekomen die nog niet openbaar waren. Dit lekken baart de rechtbank zorgen. Die zorgen zijn in dit geval nog groter omdat het nu niet gaat om het lekken van processtukken, maar van berichten uit de iPhone van de kroongetuige die alleen tijdelijk ter inzage aan raadslieden in het Marengo-proces verstrekt zijn. De rechtbank beschikt niet over deze berichten maar begrijpt uit de toelichting van het Openbaar Ministerie dat in die berichten nog namen van naasten van de kroongetuige en andere identificerende gegevens staan vermeld. Zouden deze berichten na een verzoek daartoe aan het dossier worden toegevoegd, dan zouden deze namen en gegevens geanonimiseerd moeten worden. De rechtbank acht het niet uitgesloten dat veiligheidsrisico’s bestaan als dergelijke informatie op straat komt te liggen. Het spreekt voor zich dat juist in dit proces heel voorzichtig moet worden omgegaan met dergelijke informatie. Bovendien gaat het, zo begrijpt de rechtbank, ook om vele – voor de beoordeling in de zaken van verdachten overigens niet relevante – berichten die privacygevoelig zijn. Ook van deze berichten vindt de rechtbank het zeer ongewenst dat ze worden gelezen door personen die daarin geen inzage mogen hebben (zoals journalisten), ook als deze personen daar (beroepshalve) voorzichtig mee zouden omgaan.
5. Het voorgaande leidt de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de berichten uit de iPhone op dit moment van de MacBooks verwijderd moeten worden. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat (een of meer) raadslieden verantwoordelijk zijn voor het lekken van berichten uit de inzageset. Dat journalisten hebben verteld en gepubliceerd over de inhoud van de berichten nadat de berichten op de MacBooks zijn geplaatst wil nog niet zeggen dat het niet anders kan dan dat vanuit de verdediging moet zijn gelekt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het AD schrijft dat deze berichten op 14 september 2021 openbaar zouden worden. De gelijktijdigheid mag treffend zijn, maar een ander scenario waarin door anderen dan de verdediging naar journalisten is gelekt is ook denkbaar. Omdat de rechtbank niet kan vaststellen door wie is gelekt, ziet de rechtbank geen aanleiding te bepalen dat de inzage nog slechts plaats kan vinden op het politiebureau.
6. Ook de stelling van het Openbaar Ministerie dat de verdediging aanwijzingen van de rechtbank niet zou hebben opgevolgd, leidt niet tot toewijzing van de vordering.
In de beslissing van 13 juli 2021 heeft de rechtbank de door de haar gewenste route aangegeven. In eerste instantie heeft de verdediging (van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] ) ervoor gekozen deze route niet te volgen door berichten te willen citeren in een te houden presentatie op de openbare terechtzitting, hetgeen door de rechtbank is belet. Nadien heeft de verdediging alsnog de door de rechtbank gewenste route gevolgd waarbij berichten waaruit geciteerd zou worden eerst in het dossier zijn gevoegd. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding de gevorderde maatregel te nemen. De vordering van het Openbaar Ministerie wordt dan ook afgewezen.
7. De rechtbank ziet vanwege de precaire aard van de berichten wel aanleiding te bepalen dat de inzage op de huidige wijze niet langer duurt dan strikt noodzakelijk in het kader van het voeren van een adequate verdediging en zal daarom bepalen dat de huidige wijze van inzage nog voortduurt tot 1 december 2021. De rechtbank is van oordeel dat deze termijn voldoende gelegenheid biedt aan de verdediging om na te gaan of zich in de inzageset nog berichten bevinden die zij aan het dossier toegevoegd wenst te zien. Na die periode zou inzage in de berichten op het politiebureau moeten kunnen volstaan.
Verzoek tot tijdelijke teruggave van de MacBooks
8. De verdediging van verdachte (tevens kroongetuige) [verdachte 4] heeft verzocht te bepalen dat de raadslieden de MacBooks tijdelijk teruggeven aan het Openbaar Ministerie zodat opnieuw een controle kan plaatsvinden en de namen en andere identificerende gegevens die nog in de berichten voorkomen kunnen worden geanonimiseerd.
Oordeel van de rechtbank
9. Voor zover het verzoek behelst dat de berichten volledig geanonimiseerd zouden moeten worden alvorens (verdere) inzage kan plaatsvinden, wordt het niet toegewezen. Volledige anonimisering is in het stadium van inzage niet wenselijk omdat de verdediging in staat moet worden gesteld de relevantie van een bericht te beoordelen, en komt pas aan de orde bij voeging van berichten.
10. De rechtbank stelt vast dat ten behoeve van de inzage door zowel de officier van justitie van het Team Getuigen Bescherming als het zaaks-Openbaar Ministerie machtiging is gevraagd aan de rechter-commissaris om berichten van inzage te onthouden en dat deze machtigingen ook zijn verleend. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de voor inzage noodzakelijke controle in verband met veiligheid is uitgevoerd. Indien de verdediging van [verdachte 4] desondanks meent dat het anonimiseren niet verantwoord is geschied, dient zij zich tot het Openbaar Ministerie te wenden. De rechtbank kan niet beoordelen of dit al dan niet verantwoord is gebeurd. Reeds daarom ziet de rechtbank geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.
(Herhaald) verzoek tot voeging van alle berichten uit de iPhone
11. De verdediging van verdachten [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft (nogmaals) verzocht alle berichten uit de iPhone van de kroongetuige in het dossier te voegen. Andere raadslieden hebben zich bij dit verzoek aangesloten.
Oordeel van de rechtbank
12. De rechtbank begrijpt dat het verzoek is ingegeven doordat op die wijze discussie ter terechtzitting, over het al dan niet voegen in het dossier voorafgaand aan het doen van onderzoekswensen, wordt voorkomen. Dit kan echter niet leiden tot toewijzing van het verzoek. Het gaat om zeer veel, deels zeer persoonlijke berichten – zoals ook door de verdediging wordt onderkend – en de noodzaak om deze allemaal te voegen is niet gebleken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
13. Daarbij merkt de rechtbank op dat de drempel voor de verdediging om berichten uit de iPhone via de officier van justitie in het dossier gevoegd te krijgen, buitengewoon laag is. In de beslissing van 13 juli 2021 overwoog de rechtbank ‘dat de verdediging een verzoek aan het Openbaar Ministerie om een specifiek bericht of een specifieke berichtenreeks te voegen in het algemeen niet veel uitgebreider behoeft te motiveren dan dat zij belang hecht aan deze specifieke voeging’. De verdediging hoeft derhalve slechts concreet aan te geven welke berichten zij gevoegd wenst te hebben, waarna het Openbaar Ministerie deze – zo is tijdens de afgelopen zittingsdagen gebleken – zeer snel (en, indien vanuit het oogpunt van veiligheid en/of privacy nodig, verder geanonimiseerd) voegt in het dossier, desgewenst eerst alleen in de zaak van de betrokken verdachte. Daarmee wordt in ruime mate aan de belangen van de verdediging tegemoet gekomen.
Verzoek tot verstrekking van berichten uit de iPhone aan verdachten
14. De verdediging van verdachte [verdachte 6] heeft verzocht te bepalen dat ook verdachte [verdachte 6] in de penitentiaire inrichting inzage krijgt in de berichten uit de iPhone van de kroongetuige. Daartoe is aangevoerd dat hij de kroongetuige als geen ander kent en daarom nog beter dan zijn raadsman in staat is te beoordelen of er zich berichten tussen bevinden die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak. Andere raadslieden hebben zich bij dit verzoek aangesloten.
Oordeel van de rechtbank
15. De rechtbank stelt voorop dat de berichten uit de iPhone van de kroongetuige, behoudens de berichten die inmiddels zijn gevoegd, geen deel uitmaken van het dossier en er (dus) geen recht bestaat op verstrekking van alle berichten. De verdediging heeft wel recht op inzage, zodat zij kan beoordelen of er specifieke berichten zijn die zij in het dossier gevoegd zou willen zien. De wet schrijft echter niet voor dat ten behoeve van deze beoordeling aan de verdachte en zijn advocaat een afschrift zou moeten worden verstrekt van alle resultaten van opsporing. De officier van justitie heeft, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 6 van het Besluit processtukken in strafzaken, een centrale rol als het gaat om de voorwaarden waaronder inzage in niet tot het dossier behorende stukken kan plaatsvinden. In dit geval is de inzage geregeld doordat de berichten tot 1 december 2021 zijn geplaatst op de MacBooks van de raadslieden en daarna nog ter inzage zijn bij een politiebureau. De geboden wijze van inzage biedt voor de verdediging voldoende mogelijkheid om een adequate verdediging te voeren. De rechtbank acht daarvoor niet nodig dat ook verdachte [verdachte 6] in de penitentiaire inrichting deze berichten ter inzage krijgt. De aard van de berichten brengt bovendien mee dat de kring van personen die er door inzage kennis van kunnen nemen, zo beperkt mogelijk moet worden gehouden. Het verzoek wordt afgewezen. Dit geldt ook voor de (ongemotiveerde) verzoeken om bij het namens verdachte [verdachte 6] gedane verzoek aan te sluiten. De rechtbank merkt volledigheidshalve nog op dat verdachten uiteraard kennis kunnen nemen van de berichten uit de iPhone die na voeging deel zijn gaan uitmaken van het dossier.
In de zaak van verdachte [verdachte 6]
Verzoek tot verstrekking van de berichten van de eigen telefoons
16. Op het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 6] , om in de penitentiaire inrichting de berichten die op zijn eigen telefoons (iPhone 5 en iPhone 7) staan ter inzage te krijgen, hoeft de rechtbank nu niet te beslissen. Het verzoek is door de raadsman van verdachte [verdachte 6] ingetrokken nadat het Openbaar Ministerie ter terechtzitting heeft laten weten daartegen geen bezwaar te hebben, maar dat het alleen nog zal moeten nagaan of, en zo ja hoe, dit gerealiseerd kan worden.
In de zaak van verdachte [verdachte 7]
Verzoek tot voeging van het dossier Rotonde
17. De verdediging van verdachte [verdachte 7] heeft verzocht om voeging van het dossier Rotonde. Het Openbaar Ministerie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat deze zaak momenteel aanhangig is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het heeft toegezegd bij het zaaks-Openbaar Ministerie Rotonde te zullen nagaan op welke, door het ressortsparket te bepalen, wijze de verdediging inzage in dat dossier kan krijgen. Vervolgens kan de verdediging om voeging van relevante stukken verzoeken. De verdediging heeft daarop laten weten dat zij daarmee akkoord is. De rechtbank gaat er daarom van uit dat hierover geen beslissing meer nodig is.
Voortzetting regiezitting in de zaken van alle verdachten
18. Op alle overige verzoeken zal de rechtbank beslissen na de voortzetting van de regiezitting op 13 oktober 2021.
Uitspraak 13‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen op onderzoekswensen 26Marengo
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 29 en 30 juni 2021
Procesverloop
1. Aan de regiezitting van 29 en 30 juni 2021 is een schriftelijke ronde voorafgegaan. Mr. I.N. Weski heeft in de eerste termijn op 15 juni 2021 namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] onderzoekswensen (A – E) ingediend en mr. Van den Boom heeft namens verdachte [verdachte 3] op 15 juni 2021 een aanvullende onderzoekswens (F) ingediend. Mr. Van den Boom heeft namens verdachte [verdachte 3] bij e-mailberichten van 17 en 18 juni 2021 nog een nadere aanvulling gegeven op een al ingediende onderzoekswens. Het Openbaar Ministerie heeft op 22 juni 2021 op deze onderzoekswensen gereageerd.
2. Bij brief van 22 juni 2021 heeft mr. Meijering namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] onder andere aangekondigd welke onderzoekswensen hij op de regiezitting zal gaan doen.
3. Op 29 en 30 juni 2021 heeft ter openbare zitting de mondelinge bespreking van de onderzoekswensen plaatsgehad. Op de zitting van 29 juni 2021 heeft het Openbaar Ministerie eerst een toelichting gegeven over de stand van het onderzoek. Vervolgens hebben mrs. Meijering en Flokstra namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] de eerder aangekondigde onderzoekswensen en een aantal aanvullende onderzoekswensen ingediend. Bij enkele verzoeken hebben de andere raadslieden zich aangesloten. Mr. I.N. Weski heeft op 29 juni 2021 de schriftelijk ingediende onderzoekswensen in de tweede termijn nader toegelicht.
4. Ter zitting van 30 juni 2021 heeft het Openbaar Ministerie gereageerd op de onderzoekswensen. Vervolgens heeft nog re- en dupliek plaatsgevonden. Bij repliek heeft ook het Openbaar Ministerie een (regie)verzoek aan de rechtbank gedaan.
5. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3]
Verzoeken met betrekking tot het hergebruik van e-mailadressen
6. De verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] heeft – onder A – verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan te geven of bij het verwerken van de PGP-data is bemerkt dat e-mailadressen werden hergebruikt en contactlijsten werden overgezet naar een ander toestel en zo ja, in welke zin dat gevolgen heeft gehad bij het toerekenen van e-mailadressen of e-mailberichten. Daarnaast verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie aan te geven of is overwogen dit nader te onderzoeken en zo ja, met welke resultaten en zo nee, waarom niet. De verdediging heeft daartoe onder andere gewezen op een aantal bijlagen waaruit volgens haar blijkt dat binnen Ennetcom sprake was van dergelijk hergebruik van e-mailadressen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
7. Het Openbaar Ministerie heeft op de vragen van de verdediging inhoudelijk gereageerd. Die reactie houdt in, kort gezegd, dat het niet betwist dat het technisch mogelijk is om een e-mailadres dat eerder in gebruik is geweest bij persoon A op een later moment uit te geven aan persoon B, maar dat het wel betwist dat dit bij Ennetcom gebeurde. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband onder andere verwezen naar wat het al op 5 maart 2021 ten behoeve van de PGP-regiezitting heeft geschreven (onder 4.3.4.) en het heeft ook gereageerd op alle door de verdediging overgelegde bijlagen. Het Openbaar Ministerie heeft verder geantwoord dat bij het toeschrijven van PGP-toestellen en PGP-e-mailadressen aan personen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat de gebruiker van toestel wisselde, een nieuwe simkaart in zijn telefoon plaatste, een aantal PGP-e-mailadressen tegelijkertijd gebruikte, wisselde van PGP-e-mailadres, zijn toestel uitleende of zelfs doorgaf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de door de verdediging gestelde vragen daarmee afdoende beantwoord.
Verzoeken tot het horen van getuigen
8. In repliek heeft de verdediging een aanvullend verzoek gedaan tot het horen als getuige van [getuige 1] en [getuige 2] van Ennetcom en [getuige 3] , eigenaar van [naam bedrijf] , over de beleidsmatige, bedrijfsmatige en forensische bejegening/protocollen betreffende e-mailadressen, contactenlijsten, keypairs en SIMS ten aanzien van gebruikers. Dit aanvullende verzoek is onderbouwd met de (herhaalde) stelling dat binnen Ennetcom sprake was van – kort gezegd – hergebruik van e-mailadressen. Daarmee schiet de onderbouwing tekort. De verdediging heeft geen enkel concreet PGP-bericht uit het dossier aangewezen dat twijfels oproept over de vraag of het wel door de gebruiker van dat e-mailadres is verzonden of ontvangen. Met de informatie die zich nu in het dossier bevindt en het daarin te voegen proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 7 juni 2021 kan het debat over het gestelde hergebruik van e-mailadressen binnen Ennetcom voldoende worden gevoerd. Het horen van deze getuigen acht de rechtbank daarom niet van belang voor enig te nemen beslissing in het kader van de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Het verzoek wordt afgewezen.
Beslissingen in de zaak van verdachte [verdachte 3]
Verzoeken met betrekking tot de met de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE)/Dubai gedeelde informatie omtrent verdachte [verdachte 3]
9. De verdediging van verdachte [verdachte 3] heeft naar aanleiding van het op 14 juni 2021 op de website www.crimesite.nl gepubliceerde artikel, getiteld ‘Officier van justitie was in Dubai een maand voor arrestatie [verdachte 3] ’ – onder B – allereerst verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen opheldering te verstrekken over de in dat artikel beschreven bezoeken aan de VAE/Dubai. De verdediging wenst met name opheldering over de vraag of daarbij over verdachte [verdachte 3] , althans over het uitleveringsverzoek inzake verdachte [verdachte 3] , is gesproken en de resultaten van die besprekingen te verstrekken ter eventuele voeging in het dossier. Verder heeft de verdediging verzocht om de liaison officer in Dubai op een openbare zitting te horen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
10. Het Openbaar Ministerie heeft in de reactie uitgelegd in welk kader de bezoeken aan de VAE hebben plaatsgevonden. Het ging om een eerste ronde over een bilateraal verdrag tussen de VAE en Nederland inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken te Abu Dhabi – waarbij het Openbaar Ministerie verwijst naar kamerbrieven van 10 januari 2020 en 21 juni 2021 – en om een periodiek regio-overleg dat plaatsvond in Dubai. De reis die medewerkers van de NCTV van 1 tot 5 november 2019 hebben gemaakt betrof deelname aan een cybersecurity-congres, zoals het Openbaar Ministerie al eerder had uitgelegd en waarvan het desbetreffende proces-verbaal van 15 april 2021 inmiddels in het dossier is gevoegd (zie persoonsdossier verdachte [verdachte 3] , pag. 1567), aldus het Openbaar Ministerie.
Reactie van de verdediging
11. Volgens de verdediging is het antwoord, te weten dat het zou gaan om een ‘eerste ronde’, niet geloofwaardig omdat al veel eerder dergelijke besprekingen plaatsvonden met de VAE. Zij heeft daarbij gewezen op antwoorden op Kamervragen uit 2016 en op een afwijzende beslissing op een door haar gedaan verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) in 2018.
Oordeel van de rechtbank
12. De rechtbank overweegt hieromtrent dat het laatstgenoemde op zichzelf nog niet maakt dat getwijfeld moet worden aan de mededeling van het Openbaar Ministerie dat het overleg geen betrekking had op de aanhouding en uitlevering van verdachte [verdachte 3] . De vermelding ‘eerste ronde’ hoeft niet te betekenen dat dit ook de eerste keer was dat over een verdrag in aanvulling op bestaande VN-verdragen is gesproken. De vragen die de verdediging opwerpt lijken naar het voorlopig oordeel van de rechtbank speculaties op basis van perspublicaties. Zij geven geen aanleiding voor een opdracht aan het Openbaar Ministerie om nadere informatie te verschaffen. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.
Verzoek tot het horen van de liaison officer in Dubai als getuige
13. Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank bepaalt dat dit verhoor door de rechter-commissaris wordt gehouden in de zaak van verdachte [verdachte 3] en dat het daartoe apart wordt gepland van het verhoor in de zaken van alle verdachten over de Dubai-observatie. Het verhoor in de zaak van verdachte [verdachte 3] zal gaan over welke informatie door of via de liaison officer over verdachte [verdachte 3] is gedeeld met de autoriteiten van de VAE en over de feitelijke uitvoering van de aanhouding en de overdracht van verdachte [verdachte 3] . De rechtbank stelt zich voor dat dit verhoor van de liaison officer in beginsel pas plaatsvindt nadat de uitvoeringsstukken van het rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de VAE zijn ontvangen. Mocht de beantwoording van vragen over deze onderwerpen aanleiding geven om (verdiepings)vragen te stellen over een onderwerp dat de rechtbank nu niet expliciet heeft benoemd, dan kan de rechter-commissaris de relevantie van de vragen bepalen en wanneer de vragen relevant zijn, ook die vragen (laten) stellen.
Verzoek met betrekking tot de herkomst van het DNA van verdachte [verdachte 3]
14. De verdediging heeft ter zitting van 29 juni 2021 medegedeeld dat zij over de herkomst van het DNA van verdachte [verdachte 3] – onder C – naar aanleiding van de reactie van het Openbaar Ministerie geen nadere verzoeken meer heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat op dit punt geen beslissing meer hoeft te volgen.
Verzoek met betrekking tot het TCI-proces-verbaal uit zaaksdossier Plato
15. De verdediging heeft – onder E – verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen vragen te beantwoorden over een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen (hierna: het TCI-proces-verbaal) dat wordt genoemd in verband met de identificatie van een aan verdachte [verdachte 3] toegeschreven PGP-e-mailadres. Naar aanleiding van de reactie van het Openbaar Ministerie dat het desbetreffende TCI-proces-verbaal in het dossier zit en dat de daarin genoemde informatie afkomstig is van één informant, heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een reeks nieuwe vragen over dit TCI-proces-verbaal te beantwoorden. De rechtbank wijst dit verzoek echter af. Een TCI-proces-verbaal is geen bewijsmiddel. Daarom acht de rechtbank de vragen van de verdediging hierover niet relevant voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.
Verzoek met betrekking tot vliegbewegingen
16. De verdediging heeft – onder F – verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een overzicht te verstrekken van alle vliegbewegingen van verdachte [verdachte 3] (en de bij het Openbaar Ministerie bekende door verdachte [verdachte 3] gebruikte identiteiten) in de periode van 2004 tot 16 december 2019. De verdediging wil daarmee de betrouwbaarheid van de verklaring van de kroongetuige over het ontmoeten van verdachte [verdachte 3] kunnen toetsen. De rechtbank wijst het verzoek af. Het staat verdachte [verdachte 3] vrij om zelf informatie over zijn reisbewegingen aan te leveren. Niet valt in te zien dat een dergelijk – in jaren bezien ruim, maar in wijze van vervoer bezien beperkt – overzicht relevant kan zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Nog los van het voorgaande ziet de rechtbank ook niet goed voor zich hoe zo’n onderzoek zou moeten plaatsvinden zonder dat verdachte zelf informatie verstrekt over wanneer, hoe en onder welke naam hij heeft gereisd.
Beslissing in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] , en na aansluiting ook in de zaken van de overige verdachten
Verzoek tot het horen van de liaison officer in Dubai als getuige met betrekking tot de Dubai-observatie
17. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] heeft verzocht om de liaison officer in Dubai te horen over de Dubai-observatie. Andere raadslieden hebben zich bij dit verzoek aangesloten. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen toewijzing van dit verzoek.
18. In de beslissingen naar aanleiding van de pro formazitting in januari 2021 heeft de rechtbank al geoordeeld dat niet uit te sluiten valt dat in de toekomst een verhoor van de toenmalige liaison officer in Dubai zal moeten plaatsvinden, om nadere vragen te kunnen stellen over de gang van zaken bij en rond de observatie. Toen is geen verder onderzoek gelast, omdat er nog nadere informatie werd verwacht. Inmiddels zijn aan het dossier toegevoegd:
- -
een aanvullend proces-verbaal van officier van justitie [naam ovj 1] van 11 februari 2021;
- -
een aanvullend proces-verbaal van hoofdinspecteur van politie [naam hoofdinspecteur] van 18 februari 2021;
- -
een proces-verbaal van officier van justitie [naam ovj 2] van 19 februari 2021 over het proces-verbaal TCI van 18 juni 2019 en
- -
een aanvullend proces-verbaal van verbalisanten 533 en 172 van de Landelijke Eenheid van 20 februari 2021.
19. Uit de inmiddels beschikbare processen-verbaal valt op te maken dat de contacten met de autoriteiten van de VAE over de Dubai-observatie via de liaison officer zijn gelopen. De rechtbank ziet thans aanleiding om het verzoek tot het horen van de liaison officer toe te wijzen. De rechtbank bepaalt dat dit verhoor plaatsvindt door de rechter-commissaris in de zaken van alle verdachten en dat het daartoe op een ander moment wordt gepland dan het verhoor dat plaats dient te vinden in de zaak van verdachte [verdachte 3] . De rechtbank stelt zich voor dat dit verhoor van de liaison officer in beginsel pas plaatsvindt nadat de uitvoeringsstukken van het rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de VAE zijn ontvangen.
Het onderwerp van verhoor zal zijn hoe de feitelijke uitvoering van de observatie in Dubai is verlopen vanaf het moment dat mrs. Meijering en Van Kleef in Dubai zijn geland tot het moment waarop zij uit Dubai zijn vertrokken. Mocht de beantwoording van vragen aanleiding geven om (verdiepings)vragen te stellen over andere aspecten van de Dubai-observatie, dan kan de rechter-commissaris ook die vragen (laten) stellen. De relevantie daarvan staat ter beoordeling van de rechter-commissaris, evenals de beoordeling of alle relevante vragen voldoende aan bod zijn gekomen.
Beslissing in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] , en na aansluiting ook in de zaken van de overige verdachten
Verzoek tot voeging van alle beschikbare iPhone-lijnen tussen de kroongetuige en zijn partner, zus en broer
20. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft naar aanleiding van de inzage in de berichten uit de inbeslaggenomen iPhone tussen de kroongetuige en zijn partner verzocht om voeging van al deze berichten. Ook is voeging gevraagd van alle berichten uit deze iPhone tussen de kroongetuige en een broer respectievelijk een zus.
Oordeel van de rechtbank
21. Uit de presentatie van de berichten op de regiezitting van 29 en 30 juni jl. volgt dat een groot aantal berichten tussen de kroongetuige en zijn partner die relevant zouden kunnen zijn geen deel uitmaken van de eerder door het Openbaar Ministerie verspreide aanvulling op het procesdossier. De rechtbank draagt het Openbaar Ministerie op de berichten die ter zitting zijn gepresenteerd te voegen in het dossier, aangevuld met niet-gepresenteerde berichten waaruit een eventuele bredere context van het gesprek kan blijken.
22. De noodzaak om alle berichten tussen de kroongetuige en zijn partner uit de iPhone te voegen is niet gebleken. De rechtbank draagt geen kennis van al deze berichten en acht het niet realistisch te veronderstellen dat al deze berichten relevant zijn. Evenmin ziet de rechtbank de noodzaak om alle berichten tussen de kroongetuige en een broer respectievelijk zus te voegen. De inhoud van al deze berichten is op dit moment, los van de stukken die al gevoegd zijn, eveneens onbekend.
23. De gepresenteerde berichten die de verdediging relevant acht, lijken vooral te gaan over de wensen van de kroongetuige in het kader van de beschermingsovereenkomst. Hoewel het in het licht van de hierna – onder het kopje “Verzoek tot het horen van de officier van justitie van het Team Getuigen Bescherming (hierna: TGB-officier van justitie)” – weergegeven overwegingen van het gerechtshof Amsterdam in de zaak Passage de vraag is in hoeverre rechterlijke toetsing van de beschermingsovereenkomst uiteindelijk plaats moet vinden, komt het de rechtbank voor dat het Openbaar Ministerie mogelijk een te nauw criterium heeft toegepast bij de bepaling welke van deze berichten in het procesdossier zouden moeten worden gevoegd. Deze omstandigheid brengt de rechtbank ertoe te bepalen dat de betreffende berichten tijdelijk ter inzage dienen te worden verstrekt aan de verdediging door middel van plaatsing op het MacBook waarop ook de ‘eigen’ PGP-lijnen staan. Deze tijdelijke verstrekking vindt (verder) plaats onder door het Openbaar Ministerie nader te stellen voorwaarden. Voor deze beslissing is los van het bovenstaande redengevend dat het om omvangrijke digitale bestanden gaat en dat het enkel communicatie bevat van de kroongetuige met een drietal personen uit zijn omgeving, zodat door deze verderstrekkende wijze van inzage de privacy van een beperkt aantal personen wordt geraakt.
24. Indien de inzage in het berichtenverkeer aanleiding geeft om voeging van bepaalde berichten te verzoeken, ligt het voor de hand dat de verdediging zich in eerste instantie wendt tot het Openbaar Ministerie met dat verzoek. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de verdediging een verzoek aan het Openbaar Ministerie om een specifiek bericht of een specifieke berichtenreeks te voegen in het algemeen niet veel uitgebreider behoeft te motiveren dan dat zij belang hecht aan deze specifieke voeging. Ook gaat de rechtbank er vanuit dat het Openbaar Ministerie bij een dergelijke voeging berichten eerst zodanig anonimiseert, dat niet onnodig namen in het procesdossier terechtkomen. In het geval procespartijen onderling niet tot overeenstemming komen omtrent eventuele voeging, dan kan de verdediging zich uiteraard ter zitting wenden tot de rechtbank met een verzoek tot voeging van stukken. Bovenstaande werkwijze is niet alleen te doen gebruikelijk, het is bovenal praktisch. De rechtbank kent de inhoud en de context van de berichten niet, waardoor het bepalen van de noodzaak tot voeging – het strenge criterium waaraan de rechtbank een dergelijk verzoek op grond van artikel 315 Sv zou moeten toetsen – onnodig bemoeilijkt wordt. De weg via het Openbaar Ministerie is in het algemeen veel sneller en zo hoeft er niet onnodig tijd verloren te gaan.
25. Ten aanzien van verdachte [verdachte 7] overweegt de rechtbank als volgt. Het bevel tot voeging van de stukken geldt ambtshalve eveneens in zijn zaak.
Verzoek tot het horen van de officier van justitie van het Team Getuigen Bescherming (hierna: TGB-officier van justitie)
26. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht om de TGB-officier van justitie te horen over de redenen waarom de kroongetuige weigert te verklaren en over de financiële afspraken die zijn gemaakt in het kader van de getuigenbescherming. Volgens de verdediging is er inmiddels alle aanleiding om te veronderstellen dat de weigering te verklaren erdoor is ingegeven dat het Openbaar Ministerie niet aan de financiële eisen van de kroongetuige tegemoet wil komen. Verder leveren de berichten van de kroongetuige aan zijn partner die de verdediging heeft ingezien, sterke aanwijzingen op dat het Openbaar Ministerie in het kader van de beschermingsovereenkomst ontoelaatbare financiële beloningen met de kroongetuige is overeengekomen. Ter zitting hebben diverse andere raadslieden zich bij dit verzoek aangesloten. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
27. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het horen van de TGB-officier van justitie om hem te bevragen over de reden van het niet-verklaren door de kroongetuige. De rechtbank heeft thans geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van de raadsman van de kroongetuige dat de kroongetuige op dit moment om medische redenen niet kan verklaren. De rechtbank kan zich voorstellen dat als dit bij de zittingen in september 2021 nog steeds zo is, daarover meer informatie dient te worden gegeven. De berichten uit de iPhone die de verdediging ter zitting heeft geciteerd maken het voorgaande niet anders.
28. Ten aanzien van het horen van de TGB-officier van justitie over de financiële afspraken die zijn gemaakt in het kader van de getuigenbescherming hebben de verdediging en het Openbaar Ministerie verwezen naar overwegingen uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam in de zaak Passage.1.Daarin gaat het gerechtshof (onder 2.2.2.5.2) in op het in die zaak gevoerde verweer, dat het Openbaar Ministerie aan de kroongetuigen in de zaak Passage toezeggingen heeft gedaan die het karakter hebben van (financiële) beloning voor het afleggen van hun getuigenverklaringen.
29. Het Openbaar Ministerie heeft verwezen naar de volgende overwegingen van het gerechtshof naar aanleiding van het verweer:
“Het onderwerp van het treffen van specifieke maatregelen voor de feitelijke bescherming van de in art. 226 l eerste lid Sv bedoelde getuigen ( [getuige 4] en [getuige 5] ) als ook van de in het tweede lid van die bepaling bedoelde personen (…), brengt naar zijn aard mee dat de inhoud van (‘het samenstel van’) die maatregelen zich in beginsel niet leent voor openbaarmaking. Immers, aangenomen moet worden dat openbaarmaking van die inhoud afbreuk doet aan het realiseren van het met het treffen van die maatregelen nagestreefde doel: het bieden van een effectieve feitelijke bescherming van personen in meest ruime zin.”
en
“De gehoudenheid van het Openbaar Ministerie om steeds de (financiële) contouren van getroffen beschermingsmaatregelen aan het hof ter toetsing op rechtmatigheid of doelmatigheid voor te leggen kan niet worden gegrond op de hierboven weergegeven bepalingen. Uit de wettelijke regeling blijkt immers — zoals het hof hierboven heeft overwogen — dat daarin geen toetsing aan de (straf)rechter is opgedragen van de rechtmatigheid (doelmatigheid daarvan in dit verband mede begrepen) van maatregelen die zijn getroffen voor de feitelijke bescherming van de getuige.
Die gehoudenheid volgt evenmin uit de ratio van dat samenstel van bepalingen. De duiding die de verdediging heeft gegeven aan de wet en hetgeen daarmee is beoogd te waarborgen vormt daarvoor geen toereikend aanknopingspunt. Daarbij komt, dat de aard van het onderwerp zich al snel verzet tegen openbaarmaking. Dat getuigen — in de woorden van de verdediging — hun medewerking aan het afleggen van hun verklaringen afhankelijk maken van zicht op hun bescherming doet — wat daarvan overigens zij — die gehoudenheid niet alsnog ontstaan.”
30. De verdediging heeft op haar beurt verwezen naar de volgende overwegingen van het gerechtshof naar aanleiding van het verweer:
“De eerste vraag is of hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen reeds de conclusie rechtvaardigt dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet (kunnen) strekken tot bescherming doch (mede) moeten worden beschouwd als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. In dat geval is mogelijk een situatie ontstaan die niet overeenstemt met de wettelijke regeling en die de wetgever uitdrukkelijk heeft willen voorkomen.”
en
“De slotsom dient derhalve te luiden dat noch het enkele uitblijven van een rechterlijke toetsing van (toegezegde) prestaties in het kader van getuigenbescherming van de zijde van de Staat, noch de ontbrekende nadere verantwoording daaromtrent door het Openbaar Ministerie een strafvorderlijk verzuim of een schending van het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op een eerlijk proces oplevert. Het is denkbaar dat dit oordeel anders kan uitvallen. Gedacht kan worden aan het geval waarin blijkt van feiten en omstandigheden, die zodanig sterke aanwijzingen opleveren voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie, dat geoordeeld moet worden dat dit onder het mom van bescherming van de getuige afspraken maakt of toezeggingen doet, die redelijkerwijs niet met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht doch wel strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren. Dat geval impliceert een onrechtmatige situatie, die ofwel het gevolg is van list en bedrog aan de zijde van de Staat althans van het volkomen falen van de in het Besluit getuigenbescherming geregelde bestuurlijke controle. Van aanknopingspunten voor het bestaan van dat hypothetische geval is niet gebleken, ook niet waar het gaat om hetgeen, naar is gebleken, in de sleutel van bescherming door het Openbaar Ministerie is ondernomen en verricht.”
31. Het Openbaar Ministerie wijst er terecht op dat het gerechtshof in de zaak Passage alle verzoeken van de verdediging tot het geven van openheid over financiële afspraken heeft afgewezen en dat de beslissingen van het gerechtshof door de Hoge Raad in stand zijn gelaten. De verdediging heeft er echter terecht op gewezen dat het gerechtshof ruimte open laat voor een andere afweging in bijzondere gevallen.
32. De verdediging meent dat er sterke aanwijzingen zijn dat de kroongetuige veel meer dan € 1,8 miljoen heeft kunnen uitonderhandelen. Zij baseert zich daarbij op de door haar geciteerde berichten uit de iPhone en op de omstandigheid dat het tot een deal is gekomen. De rechtbank begrijpt de verdediging aldus dat zij hieruit de conclusie trekt dat er sterke aanwijzingen zijn dat met de kroongetuige een afspraak is gemaakt die niet meer met passende bescherming in verband kan worden gebracht en dat er in feite sprake is van een ‘gekochte’ getuige. Deze conclusie acht de rechtbank echter prematuur. Uit die berichten, waaronder de chats over ‘(…) naar het buitenland toe met 1,8 miljoen zonder TGB, ‘lening 0 %’, ‘de grootste zaak ooit (…) qua liqui’ en ‘het maximale eruit halen’, kan dat niet zonder meer worden afgeleid. De context van die berichten is niet duidelijk omdat alleen een selectie van berichten is getoond. Verder lijkt het erop dat de kroongetuige in de geciteerde berichten spreekt over wat hij wenst in het kader van de (onderhandelingen over de) getuigenbescherming. Uit die berichten blijkt niets over waar het Openbaar Ministerie mee akkoord is gegaan en wat uiteindelijk met de kroongetuige is overeengekomen ten aanzien van de getuigenbescherming. De rechtbank ziet dan ook thans geen aanleiding voor het horen van de TGB-officier van justitie. Het verzoek wordt afgewezen.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]
Verzoek met betrekking tot het proces-verbaal van rechercheur [nummer]
33. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft over het proces-verbaal van verbalisant [nummer] van 26 april 2021 over de inhoud van de iPhone van de kroongetuige vragen gesteld. Zij verzoekt deze te laten beantwoorden in een aanvullend proces-verbaal. De rechtbank wijst dit verzoek als volgt toe. De rechtbank draagt het Openbaar Ministerie op een aanvullend proces-verbaal op te laten maken door rechercheur [nummer] , althans de meest aangewezen rechercheur, en daarin voor zover mogelijk uitleg te laten geven over hoe het kan dat de berichtenwisseling op de lijn tussen de kroongetuige en zijn partner pas op 14 november 2017 aanvangt, terwijl de iPhone volgens het proces-verbaal van 26 april 2021 vermoedelijk al vanaf 15 september 2017 in gebruik is geweest bij de kroongetuige. Tevens dient in dat op te maken proces-verbaal antwoord te worden gegeven op de vraag of er een technische verklaring is voor het gegeven dat slechts zoekslagen zijn teruggevonden van één datum, namelijk 23 september 2017, mede in het licht van de omstandigheid dat de kroongetuige en zijn partner elkaar kennelijk regelmatig ‘linkjes’ naar websites toestuurden. De vraag van de verdediging over de tijdstippen van het bezoek van websites op 23 september 2017 behoeft geen beantwoording meer. Die tijdstippen staan namelijk vermeld op de bijlage bij het proces-verbaal van 26 april 2021.
Verzoek met betrekking tot de vorderingen onthouding inzake de iPhone van de kroongetuige
34. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht om het Openbaar Ministerie op te dragen informatie te verstrekken over de hoeveelheid berichten die van inzage wordt onthouden. De rechtbank wijst dit verzoek af. De berichten worden met machtiging van de rechter-commissaris onthouden. Het belang bij inzicht in de verhouding tussen onthouden berichten en berichten waarin wel inzage wordt verstrekt, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Desgevraagd door de verdediging heeft het Openbaar Ministerie geantwoord dat bij de onthouding van berichten uit de inzage-set niet alleen de namen zijn verwijderd maar dat, in het geval een naam in een bericht voorkomt, dan het hele bericht is verwijderd. Dit is – net als bij van inzage onthouden berichten in de Marengo-dataset – gedaan omdat het technisch nagenoeg onmogelijk is om alleen de namen uit de digitale inzage-set te halen en deze berichten volgens de rechter-commissaris op geen enkele wijze relevant zijn voor de strafzaak, aldus het Openbaar Ministerie.
35. De rechtbank gaat er op basis van de verstrekte machtigingen van de rechter-commissaris van 24 juni 2021 vanuit dat dit antwoord van het Openbaar Ministerie en de hierna te beschrijven verzoeken alleen zien op de berichten die worden onthouden op grond van de beslissing van 24 juni 2021 op de vordering van het zaaks-Openbaar Ministerie en niet ook op de beslissing van 24 juni 2021 op de vordering van de TGB-officier van justitie. In die laatste beslissing staat immers dat alleen machtiging wordt verleend inzage te weigeren in de gemarkeerde passages en geselecteerde afbeeldingen. Deze machtiging lijkt dan ook niet te zien op hele berichten.
36. Voor zover de verdediging het verzoek heeft gedaan de berichten die op basis van de beslissing op de vordering van het zaaks-Openbaar Ministerie worden onthouden, uit te printen en vervolgens alleen de namen zwart te maken, wordt dit verzoek afgewezen. Het aanvullende verzoek van de verdediging om de rechter-commissaris de onthouden berichten zekerheidshalve opnieuw te laten beoordelen om na te gaan of deze mogelijk toch relevant zijn ten aanzien van algemene onderwerpen, wordt ook afgewezen. De rechter-commissaris heeft in de beslissing van 24 juni 2021 namelijk al expliciet overwogen dat de te onthouden berichten op geen enkele manier als relevant te beschouwen zijn voor de strafzaak en dat de verdachten niet in hun verdediging worden geschaad. De rechtbank treedt verder niet in die beoordeling.
Verzoek met betrekking tot het totaaloverzicht gunstbetoon
37. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een alomvattend proces-verbaal op te maken van alle gunsten die aan de kroongetuige zijn toegezegd.
38. Dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank is nog in afwachting van het bij beslissing van 21 mei 2021 opgedragen proces-verbaal waarin wordt ingegaan op de vragen wat er ten aanzien van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de VI-regeling) is besproken en wat daarover eventueel met de kroongetuige is afgesproken. Dit vond de rechtbank van belang met het oog op de vraag of mogelijk sprake is van gunstbetoon waarvan op grond van artikel 226g, vierde lid, Sv een proces-verbaal opgemaakt had moeten worden. Eventuele (extra, van een normale detentiesituatie afwijkende) voorzieningen die de kroongetuige in detentie heeft of heeft gehad, vallen in beginsel niet onder gunstbetoon als bedoeld in dat artikel. Een alomvattend proces-verbaal met een opsomming van deze voorzieningen is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet van belang voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.
Verzoek met betrekking tot een overzicht van communicatiemiddelen van de kroongetuige
Toelichting van het Openbaar Ministerie
39. In de mondelinge toelichting die het Openbaar Ministerie op 29 juni 2021 heeft gegeven is een overzicht opgenomen van de communicatiemogelijkheden die de kroongetuige – telefonisch en via internet – heeft en heeft gehad vanaf het moment dat hij op zijn huidige detentielocatie is gaan verblijven (te weten het eerste kwartaal van 2018). Voorts heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat als er relevante vervolgvragen zijn, deze kunnen worden uitgezet bij de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG-officier van justitie).
Verzoek van de verdediging
40. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft daarop ter terechtzitting – samengevat – de volgende vragen opgeworpen:
- -
Welke communicatiemogelijkheden had de kroongetuige gedurende heel 2017?
- -
Vanaf welke datum kan de kroongetuige op internet, hoelang duren deze momenten en op welke wijze wordt hierop toezicht gehouden?
Oordeel van de rechtbank
41. De rechtbank acht deze vervolgvragen relevant en draagt daarom aan het Openbaar Ministerie op om hierover, al dan niet door de TBG-officier van justitie, een proces-verbaal op te (doen) maken. Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van de eerste vraag ter zitting aangegeven dat verdachte [verdachte 8] tot begin februari 2018 niet als kroongetuige gedetineerd was, dat de TBG-officier van justitie daarover niets kan zeggen en dat hij als een gewone gedetineerde onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de detentielocatie viel. Uit het dossier blijkt echter dat verdachte [verdachte 8] in september 2017, terwijl hij in het kader van de zaken Roos/Doorn in volledige beperkingen zat, mocht bellen. Dat had naar zijn zeggen te maken met zijn status als mogelijke kroongetuige, dus wellicht dat de TBG-officier van justitie toch degene is die hierover nader zou kunnen verbaliseren. Daarnaast geldt dat het Openbaar Ministerie – na informatie-inwinning bij de betreffende detentielocatie(s) – een proces-verbaal kan laten opmaken over de communicatiemogelijkheden die verdachte [verdachte 8] heeft gehad in de periode vóór februari 2018.
Verzoek met betrekking tot de bekendmaking van de deal
42. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft (opnieuw) verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een proces-verbaal op te maken met betrekking tot de bekendmaking dat er een deal was met een kroongetuige.
Eerdere overwegingen van de rechtbank
43. De rechtbank heeft op eenzelfde verzoek van de verdediging op 21 mei 2021 voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
‘De verdediging heeft verzocht, samengevat, het Openbaar Ministerie op te dragen een proces-verbaal op te maken met betrekking tot de bekendmaking dat er een deal was met een kroongetuige. Het belang van de verdediging is gelegen in het kunnen toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. Hij heeft namelijk ernstige beschuldigingen aan het adres van het Openbaar Ministerie geuit, waaronder dat het Openbaar Ministerie in strijd met afspraken en toezeggingen alsook waarschuwingen en smeekbedes van de kroongetuige om de deal niet naar buiten te brengen voordat de veiligheid was geregeld en/of de hoofdverdachte was aangehouden, (toch) is overgegaan tot vervroegde bekendmaking van de deal met als gevolg dat de broer van de kroongetuige is vermoord. Het belang klemt temeer nu de kroongetuige zijn leugen over de iPhone in direct verband heeft gebracht met deze gestelde schending van afspraken. Daarnaast is het belang van de verdediging erin gelegen, dat zij ten volle verweer wenst te voeren op de totstandkoming van de deal. In dit verband wijst de verdediging erop dat de kroongetuige ook heeft beweerd dat het Openbaar Ministerie in de week van de liquidatiepoging op verdachte [verdachte 6] heeft besloten verdachte [verdachte 6] aan te houden zonder met hem (de kroongetuige) te overleggen, ‘omdat ze wisten dat hij niet zou tekenen’. Als blijkt dat de kroongetuige gelijk heeft en hij tegen de afspraken in en onder druk gedwongen zou zijn om te tekenen, ziet de verdediging dit als bouwsteen voor het verweer dat de deal onrechtmatig tot stand is gekomen. De verdediging stelt in repliek nog dat het Openbaar Ministerie het toetsingskader juist ten onrechte versmalt door te stellen dat de toetsing naar de betrouwbaarheid zich alleen kan uitstrekken tot de verklaringen over de feiten in de overeenkomst. Bovendien legt het die toets dan alleen aan voor de verdediging en niet voor zichzelf omdat het zelf het zogenoemde 26Koper-proces-verbaal heeft ingebracht – naar eigen zeggen – in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de kroongetuige en dit proces-verbaal (ook) geen betrekking had op strafbare feiten uit de overeenkomst.
(…)
Oordeel rechtbank
De kroongetuige heeft een overeenkomst gesloten met de Staat, en uit zijn proceshouding maakt de rechtbank op dat hij zich nog steeds aan die overeenkomst gebonden acht. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat een proces-verbaal met betrekking tot de bekendmaking van de deal met de kroongetuige van belang is voor de beoordeling van de vragen van 348 en 350 Sv in de zaken van de door de verdediging bijgestane verdachten.’
Standpunt van de verdediging
44. De verdediging begrijpt de laatstgenoemde overweging van de rechtbank niet. De verdediging heeft haar belangen immers niet geplaatst in het licht van – kort gezegd – de gebondenheid van de kroongetuige aan de overeenkomst. Verder is niet gereageerd op hetgeen wel is opgeworpen, zo stelt zij.
Oordeel van de rechtbank
45. De rechtbank heeft in haar overweging gereageerd op de stelling van de verdediging dat haar belang er mede in gelegen is dat zij ten volle verweer wenst te voeren op de totstandkoming van de deal. De verdediging betoogde:
“Als blijkt dat de kroongetuige gelijk heeft en hij tegen de afspraken in en onder druk gedwongen zou zijn om te tekenen, ziet de verdediging dit als bouwsteen voor het verweer dat de deal onrechtmatig tot stand is gekomen.”
Het oordeel van de rechtbank is vooralsnog dat een civielrechtelijke overeenkomst, zoals die tussen de kroongetuige en de Staat is gesloten, niet onrechtmatig wordt doordat een van de partijen deze onder druk is aangegaan. Een dergelijke overeenkomst blijft van kracht tot de onder druk gezette partij deze vernietigt. Deze partij kan er echter ook voor kiezen gebonden te blijven aan de overeenkomst, ondanks een gebrek bij de totstandkoming daarvan. Omdat de kroongetuige zelf zich nog gebonden acht aan de overeenkomst is deze dus tussen hen geldig. In die situatie kan de rechtbank voorshands niet inzien hoe de overeenkomst door de (gestelde) dwang of druk als onrechtmatig kan worden beoordeeld en is de relevantie van het verzoek in dat licht onvoldoende onderbouwd.
Verzoek met betrekking tot nadere motivering van de rechtbank
46. De verdediging merkt terecht op dat de rechtbank niet is ingegaan op de stelling van de verdediging dat haar belang bij het proces-verbaal er ook in gelegen is om de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen. Aan die stelling ligt ten grondslag de verklaring van de kroongetuige dat hij het Openbaar Ministerie heeft gesmeekt de deal niet naar buiten te brengen voordat de veiligheid was geregeld en/of een medeverdachte was aangehouden. Als de kroongetuige op dat punt heeft gelogen is de vraag waarom het Openbaar Ministerie zich hierover niet heeft uitgelaten en zegt het iets over de betrouwbaarheid en de acteerprestaties van de kroongetuige, aldus de verdediging.
Overwegingen van de rechtbank
47. De rechtbank acht ook die stelling onvoldoende onderbouwing van de relevantie van het op te maken proces-verbaal. De vraag of de kroongetuige heeft gelogen toen hij verklaarde dat hij het Openbaar Ministerie heeft gesmeekt de overeenkomst niet te vroeg bekend te maken, heeft geen rechtstreeks verband met de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De vraag of de kroongetuige in algemene zin als (on)betrouwbaar moet worden aangemerkt valt niet (zonder meer) samen met de vraag of de verklaringen van de kroongetuige betrouwbaar zijn. De rechtbank heeft in deze zaken al toegestaan dat enkele getuigen (te weten [getuige 6] en [getuige 7] ) werden gehoord over het volgens de verdediging onbetrouwbare karakter van de kroongetuige. Ook heeft de verdediging de kroongetuige verschillende malen kunnen ondervragen op dat punt en kan dat naar verwachting in de loop van de procedure ook nog doen. Daarnaast is de inzage van de iPhone van de kroongetuige nog gaande en worden in dat verband stukken aan het procesdossier toegevoegd. Bij die stand van zaken acht de rechtbank het belang van het gevraagde proces-verbaal onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank wijst het verzoek af.
Verzoek tot het horen van de partner van de kroongetuige
48. De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht om de partner van de kroongetuige op korte termijn te gaan horen. De verdediging heeft daarbij aangegeven dat dit wat haar betreft kan plaatsvinden op een van de geplande zittingsdagen in september 2021. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de kroongetuige nu niet verklaart en het horen van de partner over de inhoud van de iPhone ook los van de verklaring van de kroongetuige in het belang van de verdediging is. Dit belang is alleen maar toegenomen na kennisname van de berichten uit de iPhone die zijn ingezien, aldus de verdediging.
Eerdere overwegingen van de rechtbank
49. De rechtbank heeft op 29 september 2020 op het verzoek van de verdediging beslist dat de partner van de kroongetuige bij de rechter-commissaris gehoord zal worden over de telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017 en over haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit de zaaksdossiers Roos/Doorn. Bij de regiezitting van 16 april 2021 heeft de verdediging de rechtbank verzocht te bepalen dat de partner ook mag worden ondervraagd over de inhoud van de iPhone. De rechtbank heeft dat verzoek – evenals de verzoeken van de andere raadslieden om bij dat verhoor in dat geval te mogen aansluiten – voor dat moment afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de beslissing of de verdediging daarbij belang heeft pas kan worden genomen nadat de kroongetuige zelf over de inhoud van de iPhone is gehoord. Alleen om praktische redenen heeft de rechtbank vervolgens besloten het al geplande verhoor uit te stellen. Zo zou namelijk voorkomen worden dat de getuige twee keer bij de rechter-commissaris zou moeten verschijnen.
Oordeel van de rechtbank
50. De omstandigheid dat de kroongetuige op dit moment niet verklaart, maakt niet dat de rechtbank aanleiding ziet om het verzoek toe te wijzen. De rechtbank is namelijk nog steeds van oordeel dat zij het belang van het horen van de partner over de inhoud van de iPhone pas goed kan beoordelen indien en zodra de kroongetuige zelf over de inhoud van de iPhone is gehoord. Dit wordt niet anders door de inhoud van de door de verdediging geciteerde berichten uit de iPhone. Deze lijken veelal te gaan over de wensen van de kroongetuige over de beschermingsovereenkomst. Vooralsnog bestaat geen aanleiding de kroongetuige of zijn partner daarover te bevragen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Als bij de pro formazitting in september 2021 zou blijken dat de medische verhindering van de kroongetuige om te verklaren nog (veel) langer gaat duren, kan de rechtbank het verzoek heroverwegen.
Beslissing in de zaak van verdachte [verdachte 6]
Verzoek met betrekking tot het rechtshulpverzoek inzake de sportschool
51. Het Openbaar Ministerie heeft op 3 februari 2021 een rechtshulpverzoek gericht aan het Verenigd Koninkrijk om gegevens over het sportschoolbezoek van verdachte [verdachte 6] te verkrijgen. Deze gegevens staan op een server in het Verenigd Koninkrijk. Dit rechtshulpverzoek is nog in behandeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat het rechtshulpverzoek nu al, voordat de uitvoeringsstukken beschikbaar zijn, in het dossier moet worden gevoegd, zoals door de verdediging is verzocht. Het verzoek wordt afgewezen.
In de zaken van alle verdachten
Overige verzoeken en vragen
52. Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende zitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.
Het vervolg van de inhoudelijke behandeling
53. De behandeling van alle zaken zal worden voortgezet in september 2021. De officier van justitie heeft aangekondigd dat medio augustus 2021 een aanvulling op het dossier zal worden verspreid. De zittingsdagen van 14 en 15 september 2021 zullen daarom worden gebruikt voor het bespreken van de stand van het onderzoek, nadere onderzoekswensen, mogelijke verzoeken met betrekking tot de voorlopige hechtenis en regie. Indien een schriftelijke voorbereiding in de rede ligt zal de rechtbank procespartijen daarover separaat berichten. Ook ligt het in de rede dat de verdediging van verdachte [verdachte 8] een nadere toelichting geeft op de gevolgen die zij ondervindt van de aanslag op het leven van [naam 1] .
54. De rechtbank heeft het voornemen om 21 en 22 september 2021, naast eventuele uitloop van de zittingsdagen de week ervoor, te gebruiken voor het horen van de kroongetuige over algemene onderwerpen in de zaken van alle verdachten. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan verneemt de rechtbank dat uiteraard graag zo snel mogelijk van zijn raadslieden. In dat geval zal het debat op 14 en 15 september 2021 naar het zich laat aanzien mede over dat onderwerp gaan. Als de kroongetuige in september 2021 niet gehoord wordt, zal op 22 september 2021 het zaaksdossier Tennis worden besproken met de verdachten die het aangaat. Een concrete invulling van de zittingsdagen in december 2021 kan de rechtbank thans nog niet geven, maar naar het zich laat aanzien zullen op de meeste van deze dagen de zaken van alle verdachten aan de orde zijn.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑07‑2021
Uitspraak 21‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen op onderzoekswensen 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 16 april 2021
Beslissingen van de rechtbank op de onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 16 april 2021
Procesverloop
1. Aan de regiezitting van 16 april 2021 is een schriftelijke ronde voorafgegaan. Mr. Meijering heeft in de eerste termijn op 30 maart 2021 namens verdachte [verdachte 1] onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 13 april 2021 op deze onderzoekswensen gereageerd.
2. Mr. Heuvelmans heeft in de eerste termijn op 19 februari 2021 namens verdachte [verdachte 2] onderzoekswensen ingediend en mr. G.N. Weski heeft namens verdachte [verdachte 6] in de eerste termijn op 17 maart 2021 onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op deze onderzoekswensen gereageerd op respectievelijk 13 en 14 april 2021.
3. Mr. I.N. Weski heeft in de eerste termijn op 1 april 2021 onderzoekswensen ingediend namens verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] . Zij heeft in e-mailberichten van 11 april 2021 en 14 april 2021 mede namens mr. G.N. Weski voor verdachte [verdachte 6] nog aanvullende onderzoekswensen ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 13 april 2021 op de onderzoekswensen van 1 april 2021 gereageerd. Op 15 april 2021 heeft het Openbaar Ministerie gereageerd op de aanvullende onderzoekswensen uit het e-mailbericht van 11 april 2021 en daarbij tevens een reactie gegeven op de opdrachten die de rechtbank heeft gegeven in de beslissingen van 1 april 20211.naar aanleiding van de PGP-regiezitting van 12 maart 2021. Ter zitting van 16 april 2021 heeft het Openbaar Ministerie aan de hand van een schriftelijk stuk nog gereageerd op de aanvullende onderzoekswensen uit het e-mailbericht van 14 april 2021.
4. Op 16 april 2021 heeft ter openbare zitting de mondelinge bespreking van de onderzoekswensen in tweede termijn plaatsgehad. Bij die gelegenheid is door mr. Meijering namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] een aantal aanvullende onderzoekswensen gedaan, waar diverse raadslieden zich bij hebben aangesloten. Daarop is door het Openbaar Ministerie ter zitting gereageerd. In de zaken van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 5] , [verdachte 4] en [verdachte 6] is het door tijdgebrek niet gelukt om de repliek volledig af te ronden en heeft evenmin een dupliek plaatsgevonden.
5. Ten aanzien van de onderzoekswensen waarvan de mondelinge behandeling op 16 april 2021 is afgerond, te weten de verzoeken van mrs. Heuvelmans en G.N. Weski en een gedeelte van de onderzoekswensen van mr. Meijering, heeft de rechtbank reeds beslist op 22 april 2021.2.In een e-mailbericht aan de procespartijen van 22 april 2021 heeft de rechtbank geschreven dat de rechtbank op de overige in het e-mailbericht van mr. Meijering van 30 maart 2021 genoemde onderwerpen, gezien de reactie van het Openbaar Ministerie, thans niet hoeft te beslissen. In datzelfde e-mailbericht van 22 april 2021 heeft de rechtbank procespartijen de mogelijkheid geboden om de resterende termijnen schriftelijk af te ronden dan wel om deze op een volgende openbare zitting te bespreken. In het geval procespartijen voor de schriftelijke ronde zouden kiezen is de verdediging tot uiterlijk 30 april 2021 de tijd gegeven haar schriftelijke standpunt in te dienen. Het Openbaar Ministerie had vervolgens tot uiterlijk 7 mei 2021 de tijd voor dupliek. De rechtbank heeft geschreven dat als procespartijen er de voorkeur aan geven om de (resterende termijnen met betrekking tot de) onderzoekswensen op de openbare zitting te bespreken, daar op zijn vroegst op 29 juni (met uitloop naar 30 juni) 2021 gelegenheid voor zal zijn.
6. Mrs. I.N. Weski, Boersma en G.N. Weski hebben namens verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] op 26 april 2021 en 30 april 2021 schriftelijk gerepliceerd. Mrs. Meijering en Flokstra hebben op 30 april 2021 namens verdachten [verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte 9] schriftelijk gerepliceerd. Het Openbaar Ministerie heeft bij afzonderlijke reacties van 6 mei 2021 op deze repliek van mrs. Weski c.s. en Meijering c.s. gereageerd. Na de termijn voor dupliek van 7 mei 2021 heeft de rechtbank nog e-mailberichten van mr. I.N. Weski ontvangen op 8 mei 2021 en 14 mei 2021. De rechtbank heeft bij haar beslissingen hier geen acht meer op geslagen.
7. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken.
Beslissingen
In de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 8] , [verdachte 7] en [verdachte 9]
Verzoeken met betrekking tot de iPhone van de kroongetuige
Standpunt verdediging
8. De verdediging verzoekt de rechtbank om het Openbaar Ministerie op te dragen de inhoud van de iPhone van de kroongetuige (ontdaan van geheimhoudersgesprekken) toe te voegen aan het dossier. Verder wordt verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de vorderingen permanente onthouding en de machtigingen die vervolgens van de rechter-commissaris zijn verkregen toe te voegen aan het dossier. Tevens wordt verzocht om het horen van de rechter-commissaris [nummer] .
9. Daartoe heeft de verdediging gesteld, samengevat, dat volgens haar uit de nu reeds verstrekte berichten tussen de kroongetuige en zijn partner afkomstig uit de iPhone is gebleken dat de kroongetuige niet de waarheid heeft gesproken voor wat betreft (een deel van) de totstandkoming van de deal. De kroongetuige heeft immers verklaard dat de doorslag tot het meenemen van de [broers] in de deal zou hebben gegeven dat hij tot de conclusie was gekomen dat verdachte [verdachte 1] tegen hem zou hebben gelogen en dat hij de kroongetuige zou hebben willen vermoorden. Echter, uit het nu vrijgegeven bericht uit de iPhone: ‘Enige wat voor mij duidelijk is is dat [verdachte 1] niet loog. Die zal mij nooit wat aan doen’ volgt dat de kroongetuige niet naar waarheid heeft verklaard. Dit bericht is negen dagen voor het tekenen van de overeenkomst verzonden. De inhoud van de iPhone dient dan ook aan het dossier te worden toegevoegd om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige te kunnen toetsen. De geboden inzage doet geen recht aan de belangen van de verdediging, omdat de berichten uit de iPhone steeds gelezen moeten worden naar aanleiding van verklaringen van de kroongetuige en opnieuw gelezen moeten worden als dat nieuwe inzichten oplevert, en daarnaast ook omdat verdachte [verdachte 1] zelf als geen ander de berichten kan begrijpen en plaatsen. Bovendien zal ook de rechtbank de berichten beschikbaar moeten hebben ten behoeve van de verhoren van de kroongetuige, het onderzoek ter terechtzitting en ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de kroongetuige. De verdediging wenst de rechter-commissaris [nummer] te horen omdat, kort samengevat, uit het proces-verbaal van deze rechter-commissaris van 9 april 2021 blijkt dat deze rechter-commissaris zelf geen rol heeft gespeeld bij de noodzakelijke toets inzake permanente verwijdering van (TGB)-informatie, maar die rol overlaat aan het Openbaar Ministerie. De verdediging wil de rechter-commissaris ondervragen om te bezien in hoeverre de waarheidsvinding mogelijk is belemmerd.
Standpunt Openbaar Ministerie
10. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot voeging van de inhoud van de iPhone aan het dossier moet worden afgewezen. De verdediging krijgt reeds inzage in de inhoud van de iPhone, met uitzondering van de informatie die met machtiging van de rechter-commissaris is onthouden of die, omdat het geheimhouderscommunicatie betreft, is verwijderd. De inhoud van de iPhone bevat veel niet relevante informatie en alleen de relevante inhoud van de telefoon zal worden gevoegd in het dossier. Als de verdediging verdere voeging van andere inhoud van de telefoon noodzakelijk vindt, kan daartoe een verzoek worden gedaan. De gevraagde vorderingen en machtigingen zullen bij de eerstvolgende aanvulling op het dossier worden verstrekt. Het verzoek tot het horen van de rechter-commissaris moet worden afgewezen, omdat dit verzoek feitelijke grondslag mist. De gang van zaken rond de USB-stick is beschreven in het proces-verbaal van de rechter-commissaris. Het komt erop neer dat het onderzoeksteam op de aangeleverde USB-stick informatie had aangetroffen waarvan werd vermoed dat dit onder de toegewezen vordering onthouding gedaan door de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG) viel, wat het geval bleek te zijn. De USB-stick is retour gegaan naar de rechter-commissaris in wiens opdracht die informatie alsnog is verwijderd. Het gaat dus om informatie waar de eerdere machtiging al op zag, aldus ten slotte het Openbaar Ministerie.
Oordeel rechtbank
11. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de inmiddels beschikbare berichten tussen de kroongetuige en zijn partner geen aanleiding om te bepalen dat de inhoud van de iPhone (met uitzondering van de met machtiging van de rechter-commissaris onthouden informatie en verwijderde geheimhouderscommunicatie) aan het dossier moet worden toegevoegd. De verdediging krijgt inzage in de inhoud van de iPhone, overeenkomstig de toezegging van het Openbaar Ministerie. Mede in het licht van de aankondiging van het Openbaar Ministerie dat het een proces-verbaal op zal (doen) maken van de relevante overige inhoud van de iPhone, ziet de rechtbank niet in wat het belang is bij toewijzing van het verzoek van de verdediging voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Mocht de verdediging voeging van andere berichten relevant vinden, dan kan zij daar gemotiveerd om verzoeken.
12. Aan het verzoek tot voeging aan het dossier van de vorderingen onthouding en de machtigingen van de rechter-commissaris zal worden voldaan, zodat de rechtbank hierop geen beslissing meer hoeft te nemen. De rechtbank heeft geconstateerd dat de desbetreffende stukken – de vordering van 15 september 2020 en de machtiging van 8 oktober 2020 (p. 1230 en verder) evenals de vordering van 15 april 2021 en de machtiging van 3 mei 2021 (p. 1261 en verder) – bij de recente aanvulling op het dossier van 10 mei 2021 zijn gevoegd.
13. Het verzoek tot het horen als getuige van de rechter-commissaris [nummer] wordt afgewezen, nu onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van deze getuige van belang is voor enig te nemen beslissing in het kader van de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Uit de aangehaalde passage uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 9 april 2021 leidt de rechtbank af dat de verdediging doelt op de met machtiging van de rechter-commissaris onthouden informatie van het Team Getuigen Bescherming (hierna: TGB). Uit dat proces-verbaal leidt de rechtbank namelijk voorshands af dat het hier gaat om reeds door de rechter-commissaris beoordeelde TGB-informatie waarvoor een machtiging onthouding was verstrekt, maar waarvan was gebleken dat die toch nog op de blauwe USB-stick was blijven staan. Voorshands valt daarom niet in te zien dat er belang is bij het door de rechter-commissaris opnieuw – en zelf – beoordelen of deze informatie onthouden moet worden. Het verzoek wordt afgewezen.
Omvang verhoor partner kroongetuige
14. De verdediging heeft op de pro formazitting van augustus/september 2020 het verzoek gedaan om de partner van de kroongetuige te horen over telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017 en over haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit de zaaksdossiers Roos/Doorn. Bij beslissing van 29 september 20203.heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen aangezien het verdedigingsbelang daarbij voldoende is onderbouwd.
15. De verdediging heeft de rechtbank thans verzocht te bepalen dat de partner van de kroongetuige ook mag worden ondervraagd over de inhoud van de iPhone. Andere raadslieden hebben zich bij dit verzoek aangesloten en verzocht te bepalen dat zij bij het verhoor van de partner van de kroongetuige mogen aansluiten. De rechtbank wijst deze verzoeken op dit moment af. Een beslissing over de vraag of de verdediging daarbij belang heeft kan namelijk pas genomen worden nadat de kroongetuige zelf over de inhoud van de iPhone is gehoord. Dit is in lijn met de eerdere beslissing van de rechtbank, die reeds in een e-mailbericht van 22 april 2021 aan procespartijen is medegedeeld. In dat e-mailbericht heeft de rechtbank namelijk aan procespartijen laten weten dat ook zij naar aanleiding van de recent verspreide chatgesprekken tussen de kroongetuige en zijn partner, afkomstig van de iPhone, nadere vragen aan de kroongetuige heeft, maar het in de rede vindt liggen dat daarmee wordt gewacht tot het volledige proces-verbaal over deze telefoon – overeenkomstig de toezegging van het Openbaar Ministerie – verspreid is. In dat e-mailbericht heeft de rechtbank verder geschreven dat de rechtbank het voorshands bovendien niet zinvol acht dat het verhoor van de partner van de kroongetuige bij de rechter-commissaris plaatsvindt, zolang de kroongetuige niet gehoord is over de (inhoud van de) iPhone. Een beslissing daarover (en daarmee een beslissing op de verzoeken van alle raadslieden om bij dit verhoor te mogen aansluiten) kan worden besproken op een volgende regiezitting. Om die redenen heeft de rechtbank op 16 april 2021 besloten en aan procespartijen meegedeeld dat het geplande verhoor van de partner van de kroongetuige van 20 april 2021 geen doorgang zou vinden. Zolang de kroongetuige niet is gehoord over de inhoud van de iPhone, ziet de rechtbank geen aanleiding om reeds op voorhand te bepalen dat de partner ook over dit onderwerp kan worden bevraagd. Het verzoek wordt daarom thans afgewezen. De verdediging kan dit verzoek opnieuw doen als het verhoor van de kroongetuige over de inhoud van de iPhone daartoe aanleiding geeft.
Verzoek opmaken proces-verbaal met betrekking tot de bekendmaking van de deal en voorovereenkomst
Standpunt verdediging
16. De verdediging heeft verzocht, samengevat, het Openbaar Ministerie op te dragen een proces-verbaal op te maken met betrekking tot de bekendmaking dat er een deal was met een kroongetuige. Het belang van de verdediging is gelegen in het kunnen toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. Hij heeft namelijk ernstige beschuldigingen aan het adres van het Openbaar Ministerie geuit, waaronder dat het Openbaar Ministerie in strijd met afspraken en toezeggingen alsook waarschuwingen en smeekbedes van de kroongetuige om de deal niet naar buiten te brengen voordat de veiligheid was geregeld en/of de hoofdverdachte was aangehouden, (toch) is overgegaan tot vervroegde bekendmaking van de deal met als gevolg dat de broer van de kroongetuige is vermoord. Het belang klemt temeer nu de kroongetuige zijn leugen over de iPhone in direct verband heeft gebracht met deze gestelde schending van afspraken. Daarnaast is het belang van de verdediging erin gelegen, dat zij ten volle verweer wenst te voeren op de totstandkoming van de deal. In dit verband wijst de verdediging erop dat de kroongetuige ook heeft beweerd dat het Openbaar Ministerie in de week van de liquidatiepoging op verdachte [verdachte 1] heeft besloten verdachte [verdachte 1] aan te houden zonder met hem (de kroongetuige) te overleggen, ‘omdat ze wisten dat hij niet zou tekenen’. Als blijkt dat de kroongetuige gelijk heeft en hij tegen de afspraken in en onder druk gedwongen zou zijn om te tekenen, ziet de verdediging dit als bouwsteen voor het verweer dat de deal onrechtmatig tot stand is gekomen. De verdediging stelt in repliek nog dat het Openbaar Ministerie het toetsingskader juist ten onrechte versmalt door te stellen dat de toetsing naar de betrouwbaarheid zich alleen kan uitstrekken tot de verklaringen over de feiten in de overeenkomst. Bovendien legt het die toets dan alleen aan voor de verdediging en niet voor zichzelf omdat het zelf het zogenoemde 26Koper-proces-verbaal heeft ingebracht – naar eigen zeggen – in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de kroongetuige en dit proces-verbaal (ook) geen betrekking had op strafbare feiten uit de overeenkomst.
17. Verder heeft de verdediging verzocht om informatie over en een kopie van de voorovereenkomst waar de kroongetuige over heeft verklaard. In reactie op het Openbaar Ministerie heeft de verdediging erop gewezen dat de kroongetuige niet over een ‘conceptovereenkomst’ spreekt maar over een ‘voorovereenkomst’ die hij bovendien al in november 2017 zou hebben ondertekend. De kroongetuige heeft verklaard dat hij niet wilde tekenen, dat hij heeft getwijfeld en dat de doorslag om te tekenen heeft gegeven dat hij tot de overtuiging is gekomen dat verdachte [verdachte 1] gelogen zou hebben en hem (de kroongetuige) dood zou hebben gewenst. Daarom is van belang om in de tijd te bezien wanneer de kroongetuige de voorovereenkomst heeft getekend en aldus al akkoord is gegaan, aldus ten slotte de verdediging.
Standpunt Openbaar Ministerie
18. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Daartoe heeft het aangevoerd, samengevat (onder verwijzing naar rechtsoverweging 1.6.3 van het gerechtshof Amsterdam in de zaak Passage4.), dat de verdediging het belang van de toetsing van de betrouwbaarheid van de kroongetuige ten onrechte veel uitgebreider maakt dan hoe die toetsing hoort te zijn, namelijk toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige over de strafbare feiten die onder de overeenkomst vallen. Reeds hierom moet een verzoek dat ziet op toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige over gesprekken die met hem zouden zijn gevoerd over het naar buiten brengen van de overeenkomst worden afgewezen. Op de zitting van 6 februari 2019 hebben de zaaksofficieren van justitie bovendien al uitgebreid toegelicht hoe het Openbaar Ministerie tot de beslissing is gekomen van het bekendmaken van de overeenkomst. Ook valt niet in te zien welk belang de verdediging van verdachte [verdachte 1] (of andere verdachten) heeft bij beantwoording van de vraag welke afspraken destijds zijn gemaakt over het naar buiten brengen van de overeenkomst.
19. De verzoeken met betrekking tot de voorovereenkomst waarover de kroongetuige heeft verklaard, moeten eveneens worden afgewezen. De TBG-officier van justitie heeft in het verhoor bij de rechter-commissaris van 9 januari 2020 melding gemaakt van de voorovereenkomst en verklaard: “Wij hebben op een gegeven moment een conceptovereenkomst voorgelegd waar zowel de feiten waar het over ging als de hoogte van de te eisen straf in stond en dat is verder geen onderwerp geweest van gesprekken of van onderhandeling.” De kroongetuige heeft al verklaard dat dit (vrijwel) dezelfde overeenkomst is geweest als de uiteindelijke overeenkomst die hij in december 2017 heeft ondertekend. Nu zowel de TBG-officier van justitie als de kroongetuige heeft verklaard dat er een conceptovereenkomst is geweest en deze verder geen onderwerp is geweest van gesprekken of van onderhandeling, is er geen reden of noodzaak voor een nadere toelichting of verstrekking van die overeenkomst, ook niet voor zover het alleen zou gaan om de datum van de ondertekening, aldus ten slotte het Openbaar Ministerie.
Oordeel rechtbank
20. De kroongetuige heeft een overeenkomst gesloten met de Staat, en uit zijn proceshouding maakt de rechtbank op dat hij zich nog steeds aan die overeenkomst gebonden acht. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat een proces-verbaal met betrekking tot de bekendmaking van de deal met de kroongetuige van belang is voor de beoordeling van de vragen van 348 en 350 Sv in de zaken van de door de verdediging bijgestane verdachten.
21. De verzoeken met betrekking tot de voorovereenkomst worden eveneens afgewezen. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de voorovereenkomst iets anders is dan de conceptovereenkomst onderschrijft de rechtbank dit voorshands niet. Daartoe wijst de rechtbank erop dat de term ‘voorovereenkomst’ in het verhoor van de kroongetuige ter zitting van 12 april 2021 door de kroongetuige pas werd gebruikt nadat deze term door de verdediging van verdachte [verdachte 1] was verwerkt in een (inleiding op een) vraag aan de kroongetuige, te weten: “U zegt mij dat ik eerder al een soort voorovereenkomst heb getekend” waarop de kroongetuige antwoordt: “Ja, in november 2017.” In het verdere verloop van dit verhoor ter zitting van 12 april 2021 verklaart de kroongetuige dat die overeenkomst ongeveer hetzelfde was als het exemplaar in het dossier, dat alleen namen en data niet (jaren wel) waren ingevuld, dat hij alleen zelf heeft getekend en dat dit eigenlijk een soort voor-handtekening was. De rechtbank gaat er daarom voorshands van uit dat de kroongetuige (en de TBG-officier van justitie) het in hun verhoren over dezelfde (concept)overeenkomst hebben. In het licht van de reeds beschikbare verklaringen van de kroongetuige en de TBG-officier van justitie over deze conceptovereenkomst acht de rechtbank het verdedigingsbelang bij de verzoeken onvoldoende onderbouwd. De verzoeken worden daarom afgewezen.
In de zaken van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9]
Verzoeken omtrent de nieuwe VI-regeling
Standpunt verdediging
22. De verdediging van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] heeft naar aanleiding van het verhoor van de kroongetuige ter zitting van 12 april 2021 in de tweede aanvulling op de schriftelijke ronde (e-mailbericht van 14 april 2021) verzocht om het verstrekken van e-mailberichten en verslaglegging over besprekingen en eventuele afspraken die met de kroongetuige zijn gemaakt over de nieuwe regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (de VI-regeling). De verdediging wenst te onderzoeken in hoeverre de besprekingen waarover de kroongetuige heeft verklaard als aanvullende toezegging zijn aan te merken die in het dossier hadden moeten worden verantwoord. De verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] heeft zich bij dit verzoek aangesloten. In repliek heeft de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte 9] daarbij nog aangevoerd dat, anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd, niet gewacht hoeft te worden op het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2021 om te bezien wat de kroongetuige exact heeft verklaard, omdat al duidelijk is dat hij heeft verklaard dat een mogelijke wijziging van de VI-regeling onderdeel heeft uitgemaakt van de onderhandelingen en dat er e-mailberichten over gewisseld zijn. Het is daarom de vraag of er sprake is van een toezegging aan de kroongetuige en het Openbaar Ministerie dient daarom alle relevante feiten rond dit thema te produceren, aldus de verdediging.
Standpunt Openbaar Ministerie
23. In reactie op de onderzoekswensen in het e-mailbericht van de verdediging van 14 april 2021 heeft het Openbaar Ministerie schriftelijk geantwoord, samengevat, dat de kroongetuige heeft verklaard dat over dit onderwerp geen concrete afspraken zijn gemaakt. Dat kon ook niet omdat de nieuwe VI-regeling op dat moment nog niet was vastgesteld of was ingegaan volgens de kroongetuige. Het enige dat volgens de kroongetuige is besproken, is dat het aan de rechter zal worden voorgelegd. Zodra het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2021 gereed is en duidelijk is wat de kroongetuige precies heeft verklaard, zal het Openbaar Ministerie bij de TBG-officier van justitie navragen wat er over dit onderwerp is besproken. Bij dupliek heeft het Openbaar Ministerie geschreven dat de TBG-officier van justitie inmiddels aan het zaaks-Openbaar Ministerie heeft laten weten dat de raadslieden van de kroongetuige voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst mondeling aandacht hebben gevraagd voor een passage uit het regeerakkoord waarin werd gesproken over het kabinetsvoornemen om te komen met wetgeving waarmee de bestaande VI-regeling zou moeten worden versoberd. De raadslieden hebben toen gevraagd wat de gevolgen van een eventuele wetswijziging zouden zijn voor de met de kroongetuige te sluiten overeenkomst. Daarop heeft de TBG-officier van justitie aan de raadslieden laten weten dat wat het Openbaar Ministerie betreft het algemene strafvorderlijke beginsel heeft te gelden dat tussentijdse aanpassing van de regels nooit in het nadeel zou mogen werken van een verdachte met wie afspraken zijn gemaakt in het kader van artikel 226g Sv. Daarbij heeft de TBG-officier van justitie tevens opgemerkt dat het laatste woord uiteraard aan de rechter is. Het verzoek om alle communicatie die over dit onderwerp is gevoerd door de TBG-officier van justitie over te leggen dient te worden afgewezen. Als er nadere informatie op dit punt verschaft moet worden, kan de TBG-officier van justitie gevraagd worden een proces-verbaal daarvan op te maken.
Oordeel rechtbank
24. De rechtbank heeft geconstateerd dat de TBG-officier van justitie als getuige bij de rechter-commissaris van 15 januari 2020 (p. 9 van het verhoor door mr. Meijering en p. 29
door mr. Koers) is bevraagd over, kort gezegd, de onderhandelingen met de kroongetuige, waaronder de mogelijke verandering van wetgeving ten aanzien van het maximale kortingspercentage voor kroongetuigen en de invloed die dat voor de kroongetuige zou hebben. In dat verhoor van 15 januari 2020 is niet ter sprake gekomen dat bij die onderhandelingen is gesproken over de mogelijkheid dat de geldende VI-regeling zou gaan versoberen en welke consequenties dat in dat geval zou hebben voor de (overeenkomst met de) kroongetuige. Nu de kroongetuige ter zitting van 12 april 2021 heeft verklaard dat over de mogelijke wijziging van de VI-regeling is gesproken, dat daarbij de afspraak is gemaakt dat op zitting zou worden aangebracht dat die nieuwe VI-regeling niet op hem (de kroongetuige) ziet en dat die afspraak in een e-mailbericht is vastgelegd, acht de rechtbank het van belang dat hierover verantwoording in het dossier wordt afgelegd. Dit met het oog op de vraag of mogelijk sprake is van gunstbetoon waarvan op grond van artikel 226g, vierde lid, Sv een proces-verbaal opgemaakt had moeten worden. De rechtbank draagt het Openbaar Ministerie daarom op een proces-verbaal hieromtrent op te (laten) maken waarin wordt ingegaan op de vragen wat er ten aanzien van de VI-regeling is besproken en wat daarover eventueel met de kroongetuige is afgesproken. In zoverre wordt het verzoek van de verdediging toegewezen. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen, nu de rechtbank van oordeel is dat een proces-verbaal thans volstaat en er onvoldoende aanleiding bestaat om te bepalen dat alle eventuele correspondentie hierover wordt verstrekt.
In de zaken van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]
Bezwaar verdediging
25. De verdediging heeft er bezwaar tegen gemaakt dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om op de (nadere) stellingen van het Openbaar Ministerie op een openbare zitting te reageren. Zoals hiervoor onder het procesverloop is beschreven, wijst de rechtbank erop dat de verdediging in het e-mailbericht van 22 april 2021 de mogelijkheid is geboden de resterende termijnen met betrekking tot de in het e-mailbericht van 22 april 2021 genoemde onderzoekswensen schriftelijk af te concluderen, zodat er op korte termijn beslist kan worden op de verzoeken. Daarbij heeft de rechtbank geschreven dat aan het belang van openbaarheid in dat geval tegemoet kan worden gekomen door de standpunten van partijen uitgebreid in de beslissing weer te geven en deze – zoals gebruikelijk – te publiceren op www.rechtspraak.nl.
26. In dat e-mailbericht is echter ook een alternatief geboden voor het geval procespartijen er de voorkeur aan geven om de (resterende termijnen met betrekking tot de) onderzoekswensen op de openbare zitting te bespreken. De rechtbank heeft in dat e-mailbericht laten weten dat daar op zijn vroegst op 29 juni (met uitloop naar 30 juni) 2021 gelegenheid voor is.
27. Uit de omstandigheid dat de verdediging van de gelegenheid tot schriftelijk afconcluderen gebruikt heeft gemaakt, leidt de rechtbank af dat zij daar ook mee instemt. Waar de verdediging dan ook bezwaar heeft gemaakt en/of een voorbehoud heeft gemaakt dat zij alsnog haar onderzoekswensen mondeling wenst toe te lichten, gaat de rechtbank hieraan voorbij en zal de rechtbank thans op de ingediende onderzoekswensen beslissen.
28. De rechtbank merkt daarbij voor de goede orde op dat de behandeling van de zaak Marengo nog gaande is en dat er nog regiedagen zijn ingepland en ook later nog zullen worden ingepland. Op die momenten heeft de verdediging vanzelfsprekend de mogelijkheid mondeling regie- of onderzoekswensen naar voren te brengen.
PGP-verzoeken
29. De rechtbank zal hierna de kopjes (A-H) aanhouden die de verdediging in haar stukken heeft aangehouden ten aanzien van de PGP-verzoeken.
A. Vragen met betrekking tot schendingen van privacyregelgeving
Standpunt verdediging
30. De verdediging heeft het Openbaar Ministerie verzocht de taakverdeling (de rechtbank begrijpt: met betrekking tot de verwerking van PGP-data) tussen het Openbaar Ministerie en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), voor zover deze bestaat, toe te lichten en eventuele verwerkersovereenkomsten met het NFI en/of andere verwerkers in dit kader te verstrekken. Ook verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie een overzicht te verstrekken van alle berichten uit de dataset die onderdeel zijn geworden van, dan wel zijn opgenomen in het procesdossier waaruit op te maken is hoeveel berichten dit zijn in verhouding tot de complete dataset waartoe het Openbaar Ministerie en politie in Marengo toegang hebben gekregen. De verdediging verzoekt de rechtbank, voor zover het Openbaar Ministerie hieraan geen gevolg geeft, het Openbaar Ministerie op te dragen de verzochte informatie aan het dossier toe te voegen.
31. De verdediging heeft daartoe gewezen op de door haar bij gelegenheid van de regiezitting van 12 maart 2021 overgelegde notitie van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van 4 maart 2018 waarin onder meer staat dat de taakverdeling tussen het Openbaar Ministerie als verantwoordelijke voor de persoonsgegevens en het NFI als verwerker van de persoonsgegevens onvoldoende geregeld lijkt. Volgens de verdediging zijn ook commerciële derden ingeschakeld voor de verwerking van data en heeft het onderzoeksteam de in te zetten technische instellingen en methoden bepaald. Ook vormverzuimen die zich in de onderzoeken De Vink en Sassenheim hebben voorgedaan ten aanzien van de verkrijging en verwerking van de data, kunnen relevant zijn in Marengo. [naam 1] heeft verder de vragen gesteld of sprake is van veralgemeende toegang en of aan de beginselen van doelbinding wordt voldaan. In dit verband heeft de verdediging erop gewezen dat in de kwestie rond Encrochat volgens haar is gebleken dat een smoes rond witwassen is gebruikt, terwijl het eigenlijke doel was informatie over de gebruikers te verkrijgen. Hetzelfde is volgens de verdediging gebeurd ten aanzien van de data van Ennetcom en PGP-safe. De verdediging heeft onder andere nog gewezen op een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: HvJ EU) van 2 maart 2021 (C-746/18, H.K./Prokuratuur) waarin het Hof heeft geoordeeld dat vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid en onpartijdigheid het Openbaar Ministerie als opsporende instantie niet de aangewezen instantie is om toestemming te geven tot het verkrijgen van toegang tot verkeers- en locatiegegevens. Een dergelijke toestemming dient vooraf te worden verleend door een derde, onafhankelijke autoriteit. Volgens de verdediging is de verzochte informatie noodzakelijk om de aard en omvang van gesignaleerde verzuimen te kunnen duiden in het kader van de daaraan te verbinden rechtsgevolgen in het licht van de artikelen 348 en 350 Sv. Naar aanleiding van de reactie van het Openbaar Ministerie dat bij benadering 10.000 berichten hun weg naar het dossier hebben gevonden, verzoekt de verdediging voorts om een toelichting op deze stelling en dit aantal en deze stelling te specificeren.
Standpunt Openbaar Ministerie
32. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. De verwijzing naar de uitspraak H.K./Prokuratuur gaat niet op nu die uitspraak ziet op een andere kwestie, namelijk de wettelijke bewaarplicht voor verkeers- en locatiegegevens. Hieruit kan niet volgen dat de in Marengo gevolgde werkwijze ten aanzien van de PGP-data onhoudbaar is. De data in de onderzoeken De Vink en Sassenheim zijn bovendien wel verkregen na rechterlijke toetsing in respectievelijk Canada en Costa Rica, waarbij verder geldt dat voor de ter beschikkingstelling van die data aan Marengo ook door de Nederlandse rechter voorafgaand toestemming is gegeven. Verder valt niet in te zien hoe de vermeende gang van zaken rond Encrochat relevant kan zijn voor Marengo. Ten overvloede heeft het Openbaar Ministerie er nog op gewezen dat de doelbinding blijkt uit de vorderingen, machtigingen en plannen van aanpak ex artikel 181 Sv. Het aantal berichten dat zijn weg heeft gevonden naar het dossier betreft zo’n 10.000 berichten. Bij dupliek heeft het Openbaar Ministerie nog verwezen naar de eerdere reacties van 5 maart 2021 en 12 maart 2021 in het kader van de PGP-regiezitting. In die reacties is het al ingegaan op het standpunt van de verdediging, dat bij de verkrijging van het PGP-materiaal in strijd met de wet zou zijn gehandeld, wat niet het geval is, aldus ten slotte het Openbaar Ministerie.
Oordeel rechtbank
33. De rechtbank stelt vast dat de verdediging opnieuw verzoeken doet met het oog op gestelde privacyschendingen. Deze verzoeken worden onderbouwd met verwijzingen naar eerder ingenomen stellingen omtrent de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van de PGP-data in De Vink, Sassenheim en Marengo en de eerder ingebrachte notitie van [naam 1] . Daarnaast worden deze verzoeken onderbouwd met verwijzing naar jurisprudentie over de kennisneming van processtukken, de uitspraak H.K./Prokuratuur en een algemene stelling over de wijze waarop Encrochat-data zouden zijn verkregen. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet de rechtbank echter geen aanleiding om de verzoeken toe te wijzen. Zoals in de beslissing van de rechtbank van 1 april 2021 reeds is overwogen, zullen de vragen inzake de rechtmatigheid van de verkrijging van de PGP-data, en of sprake is van vormverzuimen waaraan in de zaken van verdachten gevolgen verbonden moeten worden, ongetwijfeld onderwerp van het debat ter zitting worden en zal de rechtbank daarover dan bij vonnis moeten beslissen. Het gaat hier echter om rechtsvragen die de rechtbank in het kader van die te voeren verweren zal moeten beantwoorden. Dat voeging van de verzochte informatie in het belang is van de verdediging om deze verweren te kunnen voeren, acht de rechtbank in het licht van de zich reeds in het dossier bevindende stukken onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de verzochte toelichting en specificering op de stelling van het Openbaar Ministerie dat bij benadering 10.000 berichten hun weg naar het dossier hebben gevonden.
B. Ontwikkeling gebruik Hansken door advocatuur op eigen kantoor en/of cliënten, ook vanuit het huis van bewaring
Standpunt verdediging
34. De verdediging heeft onder B allereerst de rechtbank verzocht om een correctie althans aanvulling op het proces-verbaal van de zitting van 12 maart 2021.
35. Ten tweede heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om een schriftelijke toelichting te verstrekken op de ontwikkelingen van de mogelijkheid van contra-expertise/toegang tot Hansken voor de verdediging, evenals de mogelijkheid voor cliënten om in het huis van bewaring gebruik te kunnen maken van de software van Hansken met betrekking tot de ter inzage verstrekte Ennetcom- en PGP-safe-data. In de toelichting verzoekt de verdediging antwoord op de vragen wanneer overleg met wie van de advocatuur heeft plaatsgevonden en daar een proces-verbaal van bevindingen of anderszins verslaglegging van te verstrekken; welke technische en andere bezwaren er aan deze mogelijkheid nog in de weg staan; waarom dit zo lang duurt nu Hansken al sinds 2012 wordt ontwikkeld en wel al voor de politie op politiebureaus een dergelijke mogelijkheid bestaat; welke tijdlijn er bestaat voor de ontwikkeling en wanneer deze dus gereed is. Bovendien heeft de verdediging de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de technische mogelijkheid voor de verdediging zo spoedig mogelijk te bewerkstelligen.
36. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de inhoudelijke behandeling nog geruime tijd zal duren. In het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is voor de verdediging van belang dat zij zelfstandig gebruik kan maken van de software van Hansken, zonder afhankelijk te zijn van de kantooruren van het NFI, en daarbij de mogelijkheid te hebben om met de cliënt of eigen deskundigen met Hansken inzage te hebben. De verdediging heeft ook verwezen naar de problemen waar zij bij de inzage tegenaan loopt, zoals geschetst tijdens de zittingen van 11 en 12 maart 2021.
37. In reactie op het standpunt van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging een e-mailbericht van de Nederlandse Vereniging van Strafrecht Advocaten (hierna: NVSA) van 15 april 2021 overgelegd, waarin staat dat het overleg met de NVSA niet ziet op zaken met grote hoeveelheden berichten. Daarom verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie om opheldering op dit punt en ook het Openbaar Ministerie een toelichting te doen verstrekken waarom dit overleg niet met de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) plaatsvindt nu dat de formele vertegenwoordiger is van de advocatuur. Ook verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie te doen toelichten waarom, zoals de NVSA stelt, de door het NFI opgemaakte documenten niet mogen worden verspreid. De verdediging heeft verder naar aanleiding van bijlage 6 bij de reactie van het Openbaar Ministerie, waarin sprake is van een project over inzage door advocaten met Hansken via een beveiligde verbinding zodat dit op afstand kan plaatsvinden, verzocht in de nadere toelichting te vernemen of dat dan een ander project is dan waar met de NVSA over wordt overlegd en, zo ja, wat dat project inhoudt. Tenslotte vraagt de verdediging nog toelichting op een in diezelfde bijlage 6 genoemde reden waarom vooralsnog inzage bij het NFI wordt georganiseerd, te weten dat de brondata niet volledig uitgeleverd kunnen worden omdat die ook data van uitgefilterde sporen zou bevatten en het nog niet mogelijk is om enkel de inhoud van de sporen in zo’n deelverzameling uit de brondata te halen. De verdediging verzoekt toelichting op de vraag waarom door de politie op locatie (dus niet bij het NFI) wel wordt gewerkt met Hansken en door de advocatuur niet.
Standpunt Openbaar Ministerie
38. Het Openbaar Ministerie heeft verwezen naar de eerdere toelichting over de mogelijkheden van een zogenoemde remote access en wijst in aanvulling daarop op een bij de reactie als bijlage 6 gevoegd informatieblad van het NFI waarin wordt ingegaan op de overwegingen die een rol spelen bij de ontwikkeling van de remote access mogelijkheden. In dit kader wordt onder andere overlegd met de NVSA zoals al eerder toegelicht. In dupliek heeft het Openbaar Ministerie betwist dat het de verdediging en de rechtbank onjuist heeft voorgelicht met betrekking tot de ontwikkeling van de inzagefunctie in Hansken. Dit volgt ook niet uit de overgelegde correspondentie. Het Openbaar Ministerie heeft ter zitting van 12 maart 2021 toegelicht dat er op dit moment overleg plaatsvindt met de NVSA over de remote access faciliteit voor Hansken. Dat is ook precies wat er in het e-mailbericht van de NVSA staat.
Bij het ontwikkelen van die remote access functionaliteit wordt allereerst gezocht naar een oplossing voor de veelvoorkomende gevallen, waarin het bijvoorbeeld gaat om inzage in de gegevensdragers van de eigen cliënt. Hierbij spelen vragen van juridische en praktische aard, alsmede diverse veiligheidsoverwegingen, zo blijkt uit het informatieblad. Dit heeft het Openbaar Ministerie in de reactie van 15 april 2021 onder 3.3 ook toegelicht en in het e-mailbericht van de NVSA wordt dit ook bevestigd. Nadat voor deze vragen in het project een oplossing is gevonden, kan vanuit daar onderzocht worden hoe het maatwerk kan worden geleverd dat nodig is om ook in de grote strafzaken de inzage via remote access te verlenen, aldus ten slotte het Openbaar Ministerie.
Oordeel rechtbank
39. Het (eerste) verzoek, om aanvulling van het proces-verbaal van de zitting van 12 maart 2021, wordt afgewezen. De bedoelde passage waarin de rechtbank een vraag heeft gesteld aan het Openbaar Ministerie, staat immers wel opgenomen in het proces-verbaal. De rechtbank wijst op pagina 62, waar de voorzitter naar aanleiding van de passage in de dupliek van het Openbaar Ministerie – over de inzage in Hansken vanaf het eigen kantoor waaraan wordt gewerkt maar het zover nog niet is –, vraagt of er zicht is op een einddatum. Op die vraag heeft het Openbaar Ministerie onder andere geantwoord dat dat er nog niet is, dat dit nog is nagevraagd en er overleg plaatsvindt met de NVSA, maar een inzagemogelijkheid simpelweg nog niet beschikbaar is.
40. Ten aanzien van het tweede verzoek stelt de rechtbank vast dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk antwoord heeft gegeven op de vragen ten aanzien van de ontwikkeling van een zogenoemde remote access mogelijkheid voor de verdediging. De beantwoording is duidelijk: een dergelijke voorziening is er nog niet voor grote strafzaken, en dus niet voor – naar de rechtbank begrijpt – Marengo. De omstandigheid dat de verdediging met dit antwoord geen genoegen kan nemen, onder andere – zo begrijpt de rechtbank – omdat de ontwikkeling veel te lang zou duren terwijl [naam 2] er jaren geleden al over sprak en het Openbaar Ministerie ondertussen blijft doorgaan met werken met zogenoemde bulkdata, maakt niet dat het antwoord op zichzelf aanleiding geeft om (aanvullende) onderzoekswensen op dit punt toe wijzen. Dat het verstrekken van de verzochte informatie van belang is voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 Sv kan de rechtbank bij de huidige onderbouwing niet inzien.
C. Gegevens ten aanzien van ontwikkeling/totstandkoming Hansken
Standpunt verdediging
41. De verdediging heeft verzocht om de communicatie en/of verslaglegging van de ontwikkeling van Hansken door het NFI in opdracht van het Openbaar Ministerie en/of de politie door het Openbaar Ministerie te doen verstrekken en in het verlengde daarvan om de algoritmes van Hansken te doen verstrekken aan de verdediging.
42. De verdediging stelt daartoe dat de rechtbank in haar beslissing van 1 april 2021 onder 20. wel heeft overwogen dat de verdediging kan beschikken over antwoorden op algemene vragen over Hansken, maar daarmee heeft de verdediging geen, althans onvoldoende informatie. De verdediging wenst de betrouwbaarheid van de technische werking en tactische toepassing van Hansken waarmee de kern van het bewijsmateriaal jegens cliënten is verkregen, te kunnen toetsen, reden waarom de verzochte informatie noodzakelijk is.
Standpunt Openbaar Ministerie
43. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Op geen enkele wijze is onderbouwd waarom er reden zou zijn te twijfelen aan de zorgvuldigheid van Hansken. Ook het vele onderzoek dat tot op heden steeds is verricht in diverse zaken naar de werking en betrouwbaarheid van Hansken heeft op dat punt geen begin van aannemelijkheid opgeleverd.
Oordeel rechtbank
44. Het verzoek onder C komt neer op een herhaling van het verzoek dat is gedaan op de PGP-regiezitting van 12 maart 2021. De rechtbank heeft daarop reeds beslist op 1 april 2021. De rechtbank verwijst naar die beslissing. De verdediging heeft geen wezenlijk andere argumenten aangevoerd die maken dat de rechtbank daarover nu anders oordeelt. Het verzoek wordt afgewezen.
D. Recht op contra-expertise
Standpunt verdediging
45. De verdediging heeft verzocht de op de PGP-regiezitting van 12 maart 2021 gedane verzoeken met betrekking tot het recht op contra-expertise alsnog toe te wijzen. Daartoe heeft de verdediging gesteld, kort gezegd, dat de beslissing van de rechtbank van 1 april 2021 onbegrijpelijk is en niet passend bij de gedane verzoeken. Volgens de verdediging zijn alle resultaten uit Hansken gelijk te stellen met middels deskundigen verkregen materiaal dat de verdediging effectief en onafhankelijk wenst te controleren en te toetsen op betrouwbaarheid. Als de rechtbank uit de stukken wel kan opmaken hoe Hansken functioneert en hoe de verdediging dit effectief kan controleren, verzoekt de verdediging de rechtbank dit aan de verdediging uit te leggen.
Standpunt Openbaar Ministerie
46. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat sprake is van een herhaald verzoek zonder nadere onderbouwing, zodat dit moet worden afgewezen.
Oordeel rechtbank
47. Op de verzoeken die onder D zijn herhaald heeft de rechtbank al op 1 april 2021 beslist. In hetgeen de verdediging nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding de verzoeken alsnog toe te wijzen. Het is, anders dan de verdediging kennelijk meent, niet aan de rechtbank om de verdediging uit te leggen hoe Hansken werkt. De rechtbank verwijst de verdediging voor de werking van Hansken naar de beschikbare stukken, waaronder de twee wetenschappelijke artikelen over Hansken, in het dossier.
E. Onderzoek conform vakbijlage
Standpunt verdediging
48. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen alle berichten die in het procesdossier worden gebruikt/genoemd te laten onderzoeken door de verdediging middels andere software zoals de vakbijlage Hansken adviseert en waarvan de resultaten eventueel zullen worden verzocht te voegen in het dossier.
Standpunt Openbaar Ministerie
49. Het Openbaar Ministerie heeft zich, onder verwijzing naar pagina 17 van zijn reactie van 5 maart 2021, op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. In die reactie van 5 maart 2021 heeft het de passage in de vakbijlage Hansken ‘dat resultaten die van belang zijn voor het onderzoek altijd dienen te worden gecontroleerd met andere software’ uitgelegd. Het heeft erop gewezen dat de vakbijlage controle achteraf bedoelt, namelijk bij het verbaliseren of op een andere wijze rapporteren van resultaten die van belang zijn voor het onderzoek. Het controleren van resultaten met verschillende forensische tools is een van de best practices in de forensische wereld. Tijdens de ontwikkeling van Hansken wordt de output voortdurend vergeleken met handmatige interpretatie of interpretatie door een ander programma. In het specifieke geval van e-mailcommunicatie in de Ennetcom- en PGP-safe- data in Hansken zijn de onderzoeksmethodes getest tijdens de ontwikkeling met referentie-experimenten en in die fase vergeleken met handmatige interpretatie. Daarnaast is
geautomatiseerd voor alle berichten gecontroleerd of de informatie uit de e-mail-metadata
consistent is met de PGP-metadata. Vanuit deze achtergrond ligt het niet voor de hand
om alle berichten met de hand te onderzoeken of met een tweede forensische tool te
onderzoeken. Maar als er gerede twijfel is gerezen over een specifiek e-mailbericht dan
kan nader onderzoek worden gedaan, aldus het Openbaar Ministerie.
Oordeel rechtbank
50. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie de door de verdediging aangehaalde passage uit de vakbijlage heeft uitgelegd. In het licht van die uitleg is onvoldoende onderbouwd waarom een algemeen onderzoek naar alle gebruikte berichten nodig is. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
F. Informatie verzoek registratie ontwikkeling Hansken
Standpunt verdediging
51. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om de verdediging en de rechtbank te informeren of wordt uitgesloten dat in de registratie van de (door)ontwikkeling van Hansken en de daarbij geconstateerde bugs, fouten of voortschrijdende inzichten, sprake is van enige ontwikkeling/constatering van bugs of voortschrijdend inzicht dat van invloed is op de eigenschappen en inhoud van de in het dossier opgenomen Ennetcom- of PGP-safe-data en ter inzage beschikbaar gestelde dataset. Tevens is het verzoek daarbij dat het Openbaar Ministerie wordt opgedragen aan te geven of die registratie volledig is. De verdediging heeft daarbij nog gesteld dat het verzoek zich niet enkel richt op fouten in de decryptie en dus op de inhoud van de berichten, maar ook op de weergegeven informatie over een bericht zoals afzender, ontvanger, locatie, tijdstip et cetera. Het belang van dit verzoek is gelegen in de werking van Hansken als zoekmachine en als software die digitale gegevens inzichtelijk maakt/analyseert aan de hand van door het onderzoeksteam ingegeven stellingen en technische tools. De verdediging acht het voor de controle op de betrouwbaarheid van de data en dus van het kernbewijs relevant om vast te stellen of er meer van dit soort problemen zijn ontdekt of dat kan worden uitgesloten dat deze zich hebben voorgedaan, of wellicht nog voordoen maar nog niet zijn ontdekt.
Standpunt Openbaar Ministerie
52. Het Openbaar Ministerie heeft verwezen naar de reactie van 5 maart 2021 waarin het heeft toegelicht dat de ontsleuteling van de berichten door Hansken plaatsvindt aan de hand van private sleutels en dat de berichten geheel worden ontcijferd of geheel niet. De kans dat een bericht wordt ontsleuteld met een verkeerde private sleutel een leesbare tekst oplevert, is extreem klein. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat een (nieuwe) bug, eventuele doorontwikkeling of voortschrijdend inzicht invloed zal hebben op de inhoud van de berichten. Zoals ter zitting van 12 maart 2021 al is toegelicht, zijn er op dit moment geen initiatieven om nieuwe technieken in Hansken te ontwikkelen. Dit sluit niet uit dat in de toekomst een mogelijkheid ontstaat waardoor men wel in staat zou kunnen zijn meer sporen te lezen die nu nog niet zichtbaar of leesbaar zijn. Mocht daar sprake van zijn, dan zal de dataset om die reden mogelijk ook meer resultaten kunnen bevatten.
Oordeel rechtbank
53. De rechtbank acht de vragen van de verdediging met de door het Openbaar Ministerie gegeven toelichting voldoende beantwoord en ziet daarom geen verdedigingsbelang bij toewijzing van het verzoek tot het verstrekken van de verzochte informatie. Het verzoek wordt afgewezen.
G. Horen Canadese rechter als getuige
Standpunt verdediging
54. De verdediging heeft de rechtbank naar aanleiding van de beslissingen van de rechtbank van 1 april 2021 allereerst verzocht aan te geven of de rechtbank onder 40. heeft willen zeggen dat de rechtbank de mening van het Openbaar Ministerie deelt dat door de verdediging niet gesteld zou zijn dat in strijd met de Canadese voorwaarde is gehandeld. Verder heeft de verdediging verzocht de betrokken Canadese rechter als getuige te horen omtrent diens uitleg van de betreffende voorwaarde en tevens daartoe een onafhankelijke tolk/vertaler de betrokken passage te doen hervertalen. De verdediging wijst erop dat het onderzoek in Tandem ten behoeve van Marengo verder ging dan het enkel stuiten op potentieel relevante data waarna werd verzocht om toestemming om die data te delen. Onder de vlag van het Tandem-onderzoek werd aan de hand van die berichten en PGP-adressen uitgebreid onderzoek naar identificatie van gebruikers gedaan en de resultaten van dat onderzoek vastgelegd. Dit gebruik van de data is zowel strijdig met de (Engelse) tekst van de Canadese voorwaarden als met de internationale beginselen ten aanzien van de inbreuken op de privacy die dergelijk onderzoek met zich brengen, namelijk dat deze enkel kunnen plaatsvinden op grond van een voorzienbare wettelijke procedure waarbij onder andere voorafgaand en effectief rechterlijk toezicht is geregeld. Van die strijdigheid is hier systematisch en structureel en opzettelijk overduidelijk sprake, in Tandem en daarvoor al in De Vink en ook in Marengo. De stelling van het Openbaar Ministerie, dat overduidelijk uit de overwegingen van de Canadese rechter zou blijken dat de voorwaarde slechts tot doel heeft dat derden worden beschermd tegen de toegang tot hun informatie zonder de juiste justitiële machtiging, miskent die overwegingen van de Canadese rechter, maar overigens ook de Nederlandse wet en de internationale privacy verdragen en jurisprudentie. De verdediging heeft met name nog gewezen op de overweging onder 16 waarin de Canadese rechter duidelijk maakt dat het niet de bedoeling is dat de Nederlandse autoriteiten gaan vissen in de data naar bewijs voor andere criminele activiteiten door andere personen die niet in relatie staan tot in het rechtshulpverzoek genoemde onderzoeken. De Canadese rechter acht zich verplicht om bescherming te bieden tegen dit risico. Sterker nog: hij uit meermalen zijn vrees voor juist dit gedrag van het Openbaar Ministerie waartegen deze rechter meende waarborgen in te bouwen die, zoals inmiddels blijkt, vruchteloos bleken, aldus ten slotte de verdediging.
Standpunt Openbaar Ministerie
55. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat door het onderzoek Marengo geen onderzoek is gedaan in de dataset Tandem II zonder dat daarvoor rechterlijke toestemming is verleend en heeft in dat verband verwezen naar in het dossier gevoegde stukken. Zowel de Engelse tekst als de Nederlandse vertaling van het vonnis en de Sending Order bieden geen steun voor het standpunt van de verdediging dat het de officieren van justitie in Tandem II niet vrijstond om informatie die zij relevant achtten voor het onderzoek Marengo na toestemming van de rechter-commissaris met het onderzoek Marengo te delen. Ook kan daaruit niet worden afgeleid dat zij hun ogen voor deze informatie hadden moeten sluiten, omdat zij rechtmatig toegang hadden tot deze informatie. De beperking die de Canadese rechter heeft verwoord heeft slechts tot doel dat derden beschermd worden tegen de toegang tot hun informatie zonder de juiste justitiële machtiging. Die machtiging was er in Tandem II en ook in Marengo. Daarom is er geen aanleiding om de Canadese rechter te horen, aldus het Openbaar Ministerie.
Oordeel rechtbank
56. De rechtbank wijst de verdediging er allereerst op dat de door de verdediging aangehaalde passage onder 40. in de beslissingen van 1 april 2021, te weten:“De verdediging heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat in Marengo in strijd met de voorschriften van de Canadese rechter is gehandeld, laat staan dat dit het gevolg is van een incorrecte vertaling, aldus het Openbaar Ministerie”, geen oordeel van de rechtbank betreft maar een weergave van het standpunt van het Openbaar Ministerie.
57. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de Canadese rechter alsook het verzoek om een hervertaling af, nu onvoldoende is onderbouwd wat het belang daarbij is voor enig te nemen beslissing in het kader van de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. De stelling dat in strijd met de voorschriften van de Canadese rechter is gehandeld, kan naar voorlopig oordeel van de rechtbank ook zonder het horen van de desbetreffende rechter en zonder een hervertaling door de verdediging worden bepleit en na inhoudelijk debat worden beoordeeld door de rechtbank.
H. Verzoek tot het horen van [naam 3]
Standpunt verdediging
58. De verdediging heeft opnieuw verzocht om [naam 3] als getuige te horen. Volgens de verdediging is de rechtbank in de beslissing van 1 april 2021 niet ingegaan op het hergebruik van e-mailadressen en ook daarover wenst de verdediging de getuige te bevragen. Verder acht de verdediging de overwegingen van de rechtbank in de beslissing van 1 april 2021, dat niet voldoende onderbouwd zou zijn dat [naam 3] kan verklaren over de consequenties van de problemen die zich bij Ennetcom hebben voorgedaan voor de integriteit en betrouwbaarheid van de zich in het dossier bevindende PGP-berichten, onbegrijpelijk. De verdediging meent dat zij beide aspecten, namelijk dat [naam 3] die kennis heeft én dat technische problemen gevolgen kunnen hebben voor de bewijswaarde van de berichten, voldoende heeft toegelicht. Bij repliek heeft de verdediging bovendien nog een verklaring van [naam 4] overgelegd die uitdrukkelijk over het hergebruik van emailadressen spreekt en over het feit, dat [naam 3] ook vanuit diens functie binnen het bedrijf bij uitstek daarvan kennis draagt.
Standpunt Openbaar Ministerie
59. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een herhaald verzoek betreft dat moet worden afgewezen. Bij dupliek heeft het Openbaar Ministerie verwezen naar de reactie van 5 maart 2021 op de PGP-onderzoekswensen (onder 4.3.4) waarin het uiteen heeft gezet dat het hergebruiken van een BES-licentie, een telefoon of een simkaart niet hetzelfde is als het hergebruiken van een e-mailadres door een eerder uitgegeven e-mailadres op een later moment aan een andere klant in gebruik te geven. Het heeft daarin ook toegelicht waarom de schriftelijke verklaring van [naam 5] van 28 oktober 2019 die de verdediging als bijlage 4 bij de brief van 18 februari 2021 heeft gevoegd, niet serieus te nemen is. De schriftelijke verklaring op naam van [naam 4] die de verdediging nu heeft overgelegd maakt dat beeld niet anders. In die verklaring staat niet meer dan dat hij weet dat er e-mailadressen hergebruikt werden. Details over wat dat hergebruik dan zou inhouden (hergebruik door dezelfde klant op een andere telefoon, of hergebruik door uitgifte aan een nieuwe klant zonder akkoord oude klant?), ontbreken. Ook wordt niet duidelijk hoe [naam 4] dat dan weet. In dat verband heeft het Openbaar Ministerie er ook nog op gewezen dat [naam 4] in onderzoek De Vink op 20 november 2020 in dat onderzoek bij de rechter-commissaris als getuige is gehoord in de zaken van zijn medeverdachten [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] en dat in dat verhoor aan hem geen enkele vraag over dit onderwerp is gesteld, terwijl het verhoor ruim een jaar plaatsvond na de verklaring van [naam 5] van 28 oktober 2019 waarin [naam 5] het hergebruik van e-mailadressen heeft genoemd.
Oordeel rechtbank
60. De rechtbank stelt vast dat de verdediging een herhaald verzoek heeft gedaan met dezelfde argumentatie, zij het dat ter verdere ondersteuning van de stelling dat sprake was van het (her)gebruik van e-mailadressen, nu een verklaring van [naam 4] is overgelegd. De rechtbank ziet hierin echter ook nu niet het belang van de verdediging om [naam 3] als getuige te horen. Het herhaalde verzoek is daarmee onvoldoende onderbouwd en wordt daarom afgewezen.
Nog geen beslissing
61. De verdediging heeft bij repliek van 26 april 2021 – naar aanleiding van de reactie van het Openbaar Ministerie van 15 april 2021 met bijlagen onder 3 en bijlage 2 en onder 4.1 en bijlage 3 – nog aanvullende (PGP-gerelateerde) verzoeken gedaan, waarop het Openbaar Ministerie nog niet heeft gereageerd. Hierop zal de rechtbank dan ook nog niet beslissen.
Verzoeken ten aanzien van [naam 8]
Standpunt verdediging
62. De verdediging van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] heeft in de schriftelijke termijn van 1 april 2021 verzocht om de tolk die aanwezig was bij het verhoor van [naam 8] alsnog als getuige ter zitting op te roepen. Tevens is aan het Openbaar Ministerie verzocht mee te delen of het naar aanleiding van de brieven van [naam 8] en de door zijn zuster geposte Facebookverslagen en rapporten ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Marokko tot op heden enigerlei onderzoek naar de bejegening van [naam 8] heeft verricht, bijvoorbeeld via de consul in Marokko en de resultaten daarvan aan de verdediging te verstrekken ter eventuele voeging in het dossier. Ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd, samengevat, dat de gang van zaken tijdens het verhoor van [naam 8] aan de hand van de verhoren van de inmiddels gehoorde verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet eenduidig en volledig kan worden gereconstrueerd. Ook een deel van de communicatie kon niet worden vertaald door de tolk.
63. De verdediging van verdachte [verdachte 6] heeft zich bij dit verzoek aangesloten en bij repliek de verzoeken namens verdachte [verdachte 6] nader onderbouwd. De verdediging wil onderzoek doen naar de schendingen van de artikelen 3 en 6 EVRM, omdat de verdediging meent dat door middel van ongeoorloofde druk, vernedering en onmenselijke behandeling een belastende verklaring tot stand is gekomen. Omdat [naam 8] zelf niet kan worden gehoord door de verdediging en zijn verklaring in zaaksdossier Zeilboot sole and decisive is, moeten op grond van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) voldoende zogenoemde counterbalancing factoren worden geboden. Het horen van de tolk is de enige counterbalancing factor, omdat uit het verhoor van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] blijkt dat – in tegenstelling tot het verslag van het verhoor – [naam 8] blijkbaar vanaf het begin wel degelijk gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht, maar na meerdere keren te hebben gehuild en met stemverheffing te zijn toegesproken pas is gaan verklaren. Uit de verhoren van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] volgt dat het gehele verhoor in het Marokkaans is gevoerd, het verhoor zeer snel ging en de tolk niet alles heeft kunnen volgen. De enige die mogelijk kan vertellen wat er tegen [naam 8] is gezegd en wat [naam 8] zelf heeft gezegd is de tolk, nu [verbalisant 2] en [verbalisant 1] geen Arabisch spreken en dus over het schakelmoment tussen zwijgen en verklaren niets kunnen zeggen. Wat de Marokkaanse verbalisanten [naam 8] dus hebben verteld waardoor hij is gaan verklaren kan enkel door de tolk worden gereproduceerd. Ook het niet verlenen van de cautie kan mogelijke gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van zijn verklaring net als het geen bijstand krijgen van een advocaat tijdens zijn verhoor, nu [naam 8] als verdachte is gehoord. [naam 8] zelf stelt in zijn brieven dat hij daar om heeft gevraagd maar dat hem dit werd geweigerd. Als hij dat gevraagd heeft kan ook in dat geval alleen de tolk dit reproduceren nu het verhoor in het Arabisch is verlopen, aldus ten slotte de verdediging.
Standpunt Openbaar Ministerie
64. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat, dat het verzoek tot het horen van de tolk moet worden afgewezen. Er is al veel onderzoek gedaan naar de omstandigheden waaronder [naam 8] in Marokko is gehoord. De beide verbalisanten die daarbij aanwezig waren hebben afzonderlijk van elkaar een verslag gemaakt en zijn beiden verhoord bij de rechter-commissaris waar de verdediging hen heeft kunnen ondervragen. Uit de verhoren blijkt dat er geen enkele aanwijzing is dat [naam 8] onder druk is gezet of zou zijn mishandeld. Over de vraag of onderzoek is gedaan naar de bejegening van [naam 8] in Marokko en over het verzoek de resultaten daarvan toe te voegen aan het dossier stelt het Openbaar Ministerie dat daarvoor in Marengo geen aanleiding is omdat [naam 8] geen verdachte in Marengo is. Ten overvloede geldt dat dit soort informatie van een getuige privacygevoelige informatie betreft die zich niet leent voor voeging in dossiers van derden.
65. Bij dupliek heeft het Openbaar Ministerie allereerst opgemerkt dat de repliek alleen is gedaan in zaak van verdachte [verdachte 6] en dat het, gezien de aard van de verzoeken, ervan uitgaat dat de verzoeken alleen betrekking hebben op verdachten [verdachte 6] en [verdachte 3] . Voor zover ze ook betrekking hebben op de andere verdachten namens wie de verzoeken oorspronkelijk zijn ingediend, verzoekt het Openbaar Ministerie de dupliek ook aan te merken als mede in die zaken te zijn ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft bij dupliek geschreven dat het de argumenten van de verdediging niet onderschrijft. Daarbij heeft het onder meer gesteld dat het meest belastende deel van het verhoor van [naam 8] (over de opdracht van verdachte [verdachte 3] ) in het Nederlands is verklaard, dat uit de verhoren van de verbalisanten niet blijkt dat essentiële delen van het verhoor niet zouden zijn vertaald, dat uit die verhoren volgt dat de emotie bij [naam 8] een wezenlijk andere was dan zoals de verdediging die schetst, namelijk dat [naam 8] verschrikkelijk bang was dat zijn familie iets zou worden aangedaan en voorts dat [naam 8] wel degelijk de cautie is gegeven. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens gepersisteerd bij het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel rechtbank
66. De rechtbank gaat ervan uit dat de verzoeken zijn gedaan door de verdediging namens de bovengenoemde verdachten. De rechtbank beschouwt de dupliek dan ook, zoals verzocht, tevens gedaan in de zaken van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] , ook al komt het ook de rechtbank voor dat de verzoeken voornamelijk relevant zijn in de zaken van verdachten [verdachte 6] en [verdachte 3] .
67. De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk antwoord heeft gegeven op de vragen van de verdediging aan het Openbaar Ministerie over verricht onderzoek naar de bejegening van [naam 8] in Marokko. Op dit punt hoeft dan ook geen beslissing te volgen.
68. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de tolk overweegt de rechtbank als volgt.
Zoals de rechtbank in de beslissing op onderzoekswensen van 17 november 20205.al heeft geoordeeld zijn de verklaringen die getuige [naam 8] op 21 en 22 maart 2018 in Marokko heeft afgelegd zeer belastend voor verschillende verdachten en heeft de verdediging [naam 8] tot op heden niet als getuige kunnen ondervragen. Bij die beslissing heeft de rechtbank ook geoordeeld dat er aanleiding is (enig) nader onderzoek te doen naar de omstandigheden van deze verhoren, omdat de bruikbaarheid van het bewijs kan wegvallen als bij de verkrijging daarvan sprake was van foltering of van onmenselijke of vernederende
behandeling, vgl. EHRM 5 november 2020, 31454/10 ( [partij] tegen Polen). De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de bij die verhoren aanwezige Nederlandse verbalisanten gehoord worden door de rechter-commissaris. Deze verbalisanten zijn inmiddels bij de rechter-commissaris gehoord.
69. Bij de beoordeling van de vraag of thans ook aanleiding bestaat om de bij de verhoren van 21 en 22 maart 2018 aanwezige tolk uit Nederland te horen merkt de rechtbank allereerst het volgende op. Uit de door de verdediging overgelegde twee handgeschreven brieven van een persoon die zich [naam 8] noemt lijkt nog niet zonder meer te volgen dat de daarin door die persoon beschreven bejegening heeft plaatsgevonden tijdens (een van) de verhoren van 21 en 22 maart 2018. De eerste van die twee brieven begint namelijk met de zinsnede: “Ik, [naam 8] , verklaar: de tweede keer dat recherche uit NLD kwam. (…)”. De tweede handgeschreven brief bevat geen referentie naar een specifiek verhoor. Inmiddels is bekend dat Nederlandse politieambtenaren in maart 2018 en in oktober 2018 in Marokko zijn geweest voor verhoor van [naam 8] . De in die brieven beschreven bejegening lijkt dan ook betrekking te hebben op het latere verhoor van [naam 8] in Marokko in oktober 2018 met betrekking tot zaaksdossier Ster. Dat was immers de tweede keer dat Nederlandse agenten in Marokko waren voor verhoor van [naam 8] . Het verhoor van oktober 2018 heeft plaatsgevonden in het kader van een rechtshulpverzoek waarvan de resultaten (nog) niet beschikbaar zijn gekomen.
70. Omdat het niet mogelijk is om [naam 8] te horen, kan hij ook hierover geen opheldering geven. De rechtbank moet er daarom rekening mee houden dat de inhoud van de brieven mogelijk wel op de verhoren van 21 en 22 maart 2018 betrekking heeft. Daarom acht de rechtbank het in het kader van het bieden van compenserende maatregelen voor het niet kunnen horen van getuige [naam 8] geboden dat thans ook de bij die verhoren aanwezige tolk die met de Nederlandse delegatie is meegekomen wordt gehoord door de rechter-commissaris. Het onderwerp van dat verhoor dient te zijn de (verbale) bejegening van [naam 8] in de Arabische taal door de Marokkaanse verhoorders tijdens de verhoren van 21 en 22 maart 2018, onder andere ten aanzien van het door de verdediging beschreven ‘kantelpunt’ – wat daar verder ook van zij – waarop [naam 8] zou zijn gekomen van zwijgen tot (belastend) verklaren. De rechtbank realiseert zich daarbij dat de positie van een tolk kwetsbaar kan zijn en dat het denkbaar is dat het op een normale wijze gehoord worden als getuige door de rechter-commissaris ertoe kan leiden dat hij overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep wordt belemmerd. De rechtbank vertrouwt erop dat de rechter-commissaris in dat geval in het belang van de getuige de noodzakelijke (veiligheids-)maatregelen voor het verhoor van deze getuige zal nemen, een en ander overeenkomstig artikel 190, derde lid, Sv. In zoverre wordt het verzoek toegewezen.
In de zaken van verdachten [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5]
Verzoeken naar aanleiding van verhoor [verdachte 10/kroongetuige] ter zitting van 9 april 2021
71. De verdediging heeft een reeks verzoeken gedaan met betrekking tot – kort gezegd – het mapje met PGP-berichten waarover [verdachte 10/kroongetuige] heeft verklaard, waaronder het horen van de TBG-officier van justitie over dit onderwerp. Het Openbaar Ministerie heeft op deze verzoeken inhoudelijk gereageerd en daarbij tevens (in bijlage) drie bestanden overgelegd die ook al eerder per e-mail aan procespartijen en de rechtbank waren gezonden. De rechtbank is van oordeel dat met deze inhoudelijke reactie voldoende tegemoet is gekomen aan deze verzoeken. Voor zover de verdediging deze verzoeken heeft gehandhaafd, worden deze daarom afgewezen.
Verzoeken ten aanzien van het verificatiejournaal
72. De verdediging heeft in de schriftelijke termijn van 1 april 2021 (opnieuw) verzocht het zogenoemde verificatiejournaal aan de verdediging te verstrekken ter eventuele voeging in het dossier. Het Openbaar Ministerie heeft hierop inhoudelijk gereageerd, namelijk – kort gezegd – dat dit journaal naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank van 29 januari 2021 ter inzage aan de verdediging wordt verstrekt op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze, namelijk door middel van inzage op een laptop op het politiebureau. De rechtbank gaat ervan uit dat hierover dan ook nu geen beslissing meer wordt gevraagd.
In de zaak van verdachte [verdachte 3]
73. De rechtbank zal in het navolgende de door de verdediging gehanteerde kopjes aanhouden. In de pleitaantekeningen van de verdediging staat dat onderstaande verzoeken eveneens betrekking hebben op verdachten [verdachte 4] en [verdachte 5] , maar de rechtbank heeft vastgesteld dat de onderstaande onderwerpen slechts verdachte [verdachte 3] betreffen.
Inzake (565 Sv en Marengo) BOB-stukken
Standpunt verdediging
74. De verdediging heeft verzocht (de rechtbank begrijpt: het Openbaar Ministerie op te dragen) – samengevat – alle vorderingen en toestemmingen van de ingezette (artikel 565 Sv en Marengo) BOB-middelen op digitaal toegankelijke wijze aan de verdediging ter beschikking te stellen door verstrekking op een gegevensdrager, ter eventuele voeging in het dossier.
75. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat zij getracht heeft de digitale bestanden in te zien en met pen en papier aantekeningen te maken (zonder de mogelijkheid van raadpleging van het dossier of de cliënt), hetgeen ondoenlijk was. Voorts maakt de verdediging bezwaar tegen de permanente onthouding van een grote hoeveelheid van deze BOB-stukken. De omstandigheid dat die BOB-middelen voor andere onderzoeken van belang zouden zijn en mogelijk nimmer openbaar zouden kunnen worden, onderbouwt de disproportionaliteit van de inzet van die middelen en de noodzaak van controle van de resultaten daarvan. De verdediging stelt daarbij dat het Openbaar Ministerie bij de inzet van opsporingsmiddelen in strijd met wetgeving en jurisprudentie wenst te handelen en dat daarbij sprake is van omzeiling van rechterlijk toezicht en soevereiniteit. Het Openbaar Ministerie merkt deze BOB-stukken ten onrechte niet als processtukken aan en de stelling dat de door de rechter-commissaris onthouden stukken niet ontlastend zouden zijn is onbegrijpelijk, nu dit oordeel toekomt aan de verdediging en de rechtbank. De onthouding van het overgrote deel van de stukken wegens opsporingsbelangen is onbegrijpelijk, nu het vermeende doel, de aanhouding van cliënt, al was bereikt, aldus steeds de verdediging.
Standpunt Openbaar Ministerie
76. Volgens het Openbaar Ministerie dient het verzoek om verstrekking (op een gegevensdrager) van alle artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken te worden afgewezen. De verdediging heeft geen ongeclausuleerd recht om de gebruikte opsporingsmethoden en verkregen onderzoeksresultaten te controleren. De verdediging heeft recht op toegang tot het procesdossier en het recht om bewijs effectief te kunnen betwisten. De artikel 565 Sv (oud) BOB-middelen zijn ingezet met het oog op het achterhalen van de verblijfplaats van verdachte [verdachte 3] en niet met het oog op de waarheidsvinding. Deze BOB-middelen en de daaruit verkregen resultaten zijn geen opsporingsmiddelen in de zin van artikel 6 EVRM, zodat een verzoek om inzage of verstrekking van die stukken niet op dat artikel gebaseerd kan worden. Dat recht volgt ook niet uit artikel 7 van de EU richtlijn 2012/13/EU. Bij dergelijke verzoeken moet sprake zijn van enige relevantie in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv, maar de verdediging maakt die niet concreet. De machtiging permanente onthouding van de rechter-commissaris verzet zich tegen verstrekking van het gedeelte van de artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken dat thans is onthouden. De verdediging heeft onvoldoende aangevoerd dat dit anders maakt. Er wordt slechts verwezen naar artikel 6 EVRM en het recht op verstrekking van processtukken. Ten aanzien van de artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken waarin reeds inzage is gegeven is geen reden om van de huidige wijze van inzage af te wijken. De verdediging voert hier niet iets voor aan. Het Openbaar Ministerie zal wel de index van de artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken aan de verdediging verstrekken.
Oordeel rechtbank
77. De rechtbank heeft naar aanleiding van verzoeken met betrekking tot de ‘Dubai-observatie’ in haar beslissing van 29 september 2020 overwogen dat het Openbaar Ministerie bij de inzet van BOB-middelen en bij opsporing in bredere zin – of dit nu in het kader van artikel 6:1:7 Sv (artikel 565 (oud) Sv) gebeurt of in het vooronderzoek – altijd dient te blijven binnen de grenzen van het recht, waaronder de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voorts heeft de rechtbank toen beslist dat de verdediging van [verdachte 3] de mogelijkheid diende te krijgen inzage te hebben in de artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken. De achtergrond van die beslissing is dat de verdediging daarmee de mogelijkheid krijgt om te kunnen controleren of bij de zoektocht naar verdachte [verdachte 3] binnen de hiervoor genoemde grenzen is gebleven. Uit de onthoudingsbeslissing van de rechter-commissaris en het verzoek van de verdediging leidt de rechtbank af dat er naast de artikel 565 Sv (oud) BOB-stukken ook inzage is verleend (en deels is onthouden) in Marengo BOB-stukken in de zaak van verdachte [verdachte 3] . Voor de leesbaarheid zal de rechtbank in het navolgende al deze stukken aanduiden met ‘de 565 Sv (oud) BOB-stukken’.
78. De 565 Sv (oud) BOB-stukken zijn op dit moment geen processtukken. De algemene stelling van de verdediging dat dit anders zou moeten zijn, kan de rechtbank niet volgen.
79. Op de voet van het bepaalde in artikel 149a Sv is de officier van justitie primair verantwoordelijk voor de samenstelling van het procesdossier. De verdediging heeft zoals gezegd na de beslissing van de rechtbank van 29 september 2020 wel recht op inzage. Deze stelt de verdediging in staat te beoordelen of er specifieke stukken zijn die zij toegevoegd zou willen zien aan de processtukken, omdat ze van belang zouden zijn voor de beantwoording van de vragen genoemd in de artikelen 348 en 350 Sv. De wet schrijft echter niet voor dat ten behoeve van deze beoordeling aan de verdachte en zijn advocaat een afschrift zou moeten worden verstrekt van de 565 Sv (oud) BOB-stukken. De officier van justitie heeft, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 6 van het Besluit processtukken in strafzaken, een centrale rol als het gaat om de voorwaarden waaronder inzage in niet tot de processtukken horende stukken kan plaatsvinden. Dat de huidige wijze van inzage niet voldoet is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank begrijpt op zichzelf dat het tijd kost om zonder enige voorinformatie een grote hoeveelheid (digitale) informatie op een politiebureau te bekijken, maar met de toegezegde verstrekking aan de verdediging van een index wordt hieraan tegemoet gekomen. Het verzoek om digitale verstrekking van de 565 Sv (oud) BOB-stukken aan de verdediging wordt afgewezen.
80. Het verzoek van de verdediging om de verstrekking dan wel inzage uit te breiden met de stukken die op vordering van de officier van justitie permanent zijn onthouden door de rechter-commissaris wordt ook afgewezen. De rechters-commissaris hebben in hun beslissing van 18 december 2020 aangegeven dat kennisneming van die stukken moet worden geweigerd, omdat dit onverenigbaar is met een van de in artikel 187d, eerste lid, Sv genoemde belangen. Daarbij worden een zwaarwegend opsporingsbelang en het belang om opsporingsmethoden, strategieën en of technieken aan de openbaarheid te onttrekken concreet genoemd. Het verzoek van de verdediging is op niet veel meer gebaseerd dan de algemene, naar het oordeel van de rechtbank onjuiste, stelling dat deze stukken ten onrechte niet als processtukken zijn aangemerkt. Daarmee is het verzoek onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om te veronderstellen dat de beslissing van de rechters-commissaris onjuist zou zijn of op onjuiste gronden zou zijn genomen. In zijn algemeenheid is het begrijpelijk dat door het Openbaar Ministerie bij een zoektocht naar iemand die ervan wordt verdacht leiding te hebben gegeven aan een organisatie die betrokken is bij een groot aantal liquidaties, naar alle toegestane middelen wordt gegrepen, en er dus veel BOB-middelen worden ingezet op mensen in de (vermoede) omgeving van deze verdachte. Ook is niet onbegrijpelijk dat daar veel informatie uitkomt die niets met het doel van de inzet van de BOB-middelen te maken heeft, te weten het vinden van de verdachte. Aldus verkregen informatie kan mogelijk wel strafrechtelijk relevant zijn en kan informatie bevatten over opsporingsmethoden, strategieën en of technieken. De overweging ten overvloede van de rechters-commissaris dat de onthouden stukken voor geen van de 17 Marengo-verdachten ontlastend materiaal bevatten of gegevens van, over of met betrekking tot enige advocaat, al dan niet werkzaam binnen Marengo, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk, maar daarentegen nuttig. Daarmee geven de rechters-commissaris immers enig zicht op hun belangenafweging, nu bij voor enige verdachte ontlastend materiaal dat gegeven mogelijk tot een ander oordeel zou hebben kunnen leiden voor dat specifieke materiaal. En dat geen advocaat in de onthouden stukken voorkomt is een nuttige toevoeging in het licht van de aanleiding van de inzage, namelijk de ‘Dubai-observatie’.
Resultaten van de ingezette middelen
81. De verdediging heeft naar aanleiding van haar inzage in de 565 Sv (oud) BOB-stukken over een aantal concrete onderwerpen verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een groot aantal vragen te beantwoorden en/of nadere stukken te doen verstrekken. Het betreft de onderwerpen “Routergegevens betreffende familielid cliënt opvragen”, “FBI”, “Spotify”, “Google/Microsoft”, “SKY-telefoons”, “de netwerkmeting rond mijn advocatenkantoor in het centrum van Rotterdam en een vermeende “dodenlijst” [naam dodenlijst] ”.
82. De rechtbank constateert dat het Openbaar Ministerie in de schriftelijke reactie van 13 april 2021 een toelichting heeft gegeven op al deze onderwerpen. Het betreft – kennelijk, de rechtbank kent deze stukken niet – telkens situaties waarbij BOB-middelen zijn ingezet om de verblijfplaats van verdachte [verdachte 3] vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging het belang bij verstrekking van nadere stukken respectievelijk de beantwoording van nadere vragen over deze onderwerpen – alles in het licht van de in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen – onvoldoende onderbouwd. Dit leidt tot afwijzing van de verzoeken.
Inzake processen-verbaal informatie gedeeld met Dubai
83. Naar aanleiding van het proces-verbaal van 22 februari 2021 betreffende de “Informatiedeling Verenigde Arabische Emiraten met betrekking tot [verdachte 3] ” (PD [verdachte 3] , pagina 1447 en verder) en het proces-verbaal van 25 januari 2021 betreffende “bevindingen met betrekking werkbezoek Dubai” (PD [verdachte 3] , pagina 1439 en verder) heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een groot aantal vragen te doen beantwoorden en nadere stukken te doen verstrekken.
84. De rechtbank constateert dat het grootste deel van de vragen dan wel verzoeken over deze processen-verbaal uitgaan van de vooronderstelling bij de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet het achterste van zijn tong laat zien, met name ten aanzien van de informatie die met de autoriteiten van Dubai gedeeld zou zijn over de vermeende connectie van verdachte [verdachte 3] met Iran. Dat deze vooronderstelling juist is – en het Openbaar Ministerie dus bewust informatie hieromtrent zou achterhouden – acht de rechtbank voorshands onvoldoende onderbouwd. Vooralsnog acht de rechtbank deze processen-verbaal voldoende gedetailleerd en is het belang bij de verzoeken om nadere stukken respectievelijk bij de beantwoording van nadere vragen in aanvullende processen-verbaal – alles in het licht van het bepaalde in de artikelen 348 en 350 Sv – onvoldoende onderbouwd.
85. De rechtbank constateert dat een groot deel van de vragen die kennelijk leven bij de verdediging gaat over de keuzes die door de Nederlandse autoriteiten gemaakt zijn bij samenwerking met de Verenigde Arabische Emiraten. De rechtbank begrijpt op zichzelf dat de verdediging daarover en over de praktische kant van die samenwerking vragen heeft. Uit het procesdossier maakt de rechtbank op dat de toenmalige liaison officer in Dubai daarbij een centrale rol heeft vervuld.
86. De rechtbank vindt het daarom in de rede liggen dat deze liaison officer op enig moment door de rechter-commissaris als getuige zal worden gehoord over deze onderwerpen in de zaak van verdachte [verdachte 3] . Daarnaast ligt het in de rede dat deze getuige op enig (en wellicht een ander) moment in alle zaken wordt gehoord omtrent het onderwerp ‘Dubai-observatie’. De rechtbank stelt zich voor om hieromtrent op de komende regiezitting van 29 (en/of 30) juni 2021 met de procespartijen van gedachten te wisselen.
Inzake (trauma)arts
87. Op verzoek van de verdediging zal de rechtbank nog niet op dit onderdeel beslissen.
Inzake vliegtuig
88. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen nadere stukken te doen verstrekken die betrekking hebben op de vlucht van verdachte [verdachte 3] naar Nederland, en met name op het vliegtuig dat daarbij gebruikt is. De verzoeken van de verdediging gaan uit van de vooronderstelling dat het Openbaar Ministerie – in strijd met de waarheid – volhoudt dat men eerst op 16 december 2019 op de hoogte kwam van de aanhouding van verdachte [verdachte 3] , dat dit een verrassing was, dat er vóór zijn aanhouding geen Nederlanders in Dubai waren in verband daarmee en dat men met een lijnvliegtuig op het internationale vliegveld aankwam.
89. De rechtbank constateert dat de verdediging weliswaar uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de bewegingen van het vliegtuig dat voor het ophalen van verdachte [verdachte 3] gebruikt is voor het richting Dubai vloog, maar dat dat eigen onderzoek niet leidt tot de hierboven genoemde conclusies van de verdediging (en dus tot de vaststelling dat de verslaglegging tot op heden van de zijde van het Openbaar Ministerie onjuist en/of onvolledig zou zijn). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie voorshands voldoende informatie verstrekt over de vliegreis van Dubai naar Nederland. Dit leidt tot afwijzing van de verzoeken.
90. Het eveneens onder dit kopje geformuleerde verzoek om het Openbaar Ministerie op te dragen aan te geven of Marokko (ondanks eerdere ontkenningen) wel degelijk een rol heeft gespeeld bij de opsporing, arrestatie, bejegening en overbrenging van verdachte [verdachte 3] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De stelling van de verdediging dat dit volgt uit het gegeven dat met de autoriteiten van de VAE is gesproken over een verdenking tegen [verdachte 3] in Marokko, kan de rechtbank niet volgen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.
Verzoeken naar aanleiding van bericht op Crimesite d.d. 14 april 2021 inzake NCTV
91. Naar aanleiding van bovengenoemde publicatie op Crimesite heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen toe te lichten of en zo ja in welke zin de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: de NCTV) in het onderzoek ten aanzien van verdachte [verdachte 3] is ingezet en wat de resultaten daarvan zijn.
92. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat daarvan geen sprake is en met stukken onderbouwd dat een medewerker van de NCTV van 16 tot 18 december 2019 te Dubai heeft deelgenomen aan ICAO Working Group.
93. De rechtbank constateert dat het Openbaar Ministerie de suggestie van de verdediging dat een medewerker of medewerkers van de NCTV voor de aanhouding van verdachte [verdachte 3] reeds in Dubai was/waren vanwege een op handen zijnde aanhouding van verdachte [verdachte 3] heeft weersproken en daartoe een stuk van de zijde van de NCTV heeft ingebracht. De rechtbank acht de vragen van de verdediging daarmee afdoende beantwoord. De verzoeken worden daarom afgewezen.
Losse verzoeken
94. Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 16 april 2021 is nog een aantal losse verzoeken gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft verzocht om de persoon wiens naam door de kroongetuige op een aan de rechtbank overhandigd briefje is geschreven, als getuige te (doen) horen bij de rechter-commissaris. De verdediging van verdachte [verdachte 10/kroongetuige] heeft daarnaast gevraagd om een aanvullend proces-verbaal, nu de handleiding verwerking geheimhoudersinformatie met betrekking tot de iPhone niet correct lijkt te zijn gevolgd. Voorts heeft de verdediging van verdachte [verdachte 10/kroongetuige] gevraagd wanneer verdachte [verdachte 1] als getuige gehoord zal worden. In een e-mailbericht van 22 april 2021 aan de procespartijen heeft de rechtbank hen inmiddels laten weten dat dit allemaal onderwerpen betreft waarover het debat onvoldoende is gevoerd en welke desgewenst (wederom) op de regiezitting van 29 (en 30) juni 2021 aan de orde kunnen komen. De rechtbank zal hierop nu dan ook geen beslissing nemen.
Voetnoten
Uitspraak 22‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 16 april 2021
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 16 april 2021
Beslissing in de zaken van verdachte [verdachte 1]
Standpunt van de verdediging
Mr. Meijering heeft namens verdachte [verdachte 1] in de schriftelijke termijn (bij e-mail van 30 maart 2021) onder 2. verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om volledige opgave te doen van (eventuele) extra/andere prestaties die door de Staat aan de kroongetuige worden geleverd anders dan die zijn terug te vinden in de overeenkomst tussen de Staat en de kroongetuige. De verdediging wenst onder meer inzicht in de financiële verplichtingen die de Staat is aangegaan met de raadslieden van de kroongetuige en [naam 1] en de hoogte van de betalingen die er tot heden zijn geweest. Deze betalingen zijn volgens de verdediging aan te merken als gunstbetoon.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Daartoe heeft het verwezen naar de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken waarin staat beschreven wat onder gunstbetoon wordt verstaan, namelijk:
“8.1 Onder gunstbetoon valt het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe omvang hebben en geen rechtstreeks verband houden met de beslissingen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid van een getuige tot het afleggen van een getuigenverklaring. Hierover kan de officier van justitie zelfstandig beslissen.
8.2
Indien sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen het verlenen van een dergelijke gunst en de bereidheid van de getuige een verklaring af te leggen, dient hiervan overeenkomstig artikel 226g, vierde lid, Sv een proces-verbaal te worden opgemaakt, dat ten spoedigste bij de processtukken (in de zaak van de getuige en die van de verdachte ten laste van wie hij verklaart) wordt gevoegd.
8.3
Indien voor de te verlenen gunst de toestemming of medewerking van derden is vereist (zoals buitenlandse autoriteiten of bestuursorganen), maakt de officier van justitie aan de getuige duidelijk dat geen garantie kan worden gegeven voor het gewenste resultaat. Hij kan alleen een inspanningsverplichting aangaan.
8.4
Voorbeelden van gunsten zijn: het meewerken aan of het zich niet verzetten tegen een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, de versnelde teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen voor zover het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, het bevorderen van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van de verdachte in een huis van bewaring dichter bij zijn sociale omgeving, het bevorderen dat de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde straf in Nederland kan worden voortgezet in het kader van de WOTS of de WETS en het verlenen van voorspraak bij bestuursorganen als de IND en de Belastingdienst.”
De vergoeding van de kosten van rechtsbijstand betreft geen extra prestatie van de Staat, die had moeten worden vastgelegd als gunstbetoon. [naam 1] wordt niet vanuit het Openbaar Ministerie of de Staat betaald, aldus ten slotte het Openbaar Ministerie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek af. De verdediging heeft geen belang bij opgave van de financiële verplichtingen die de Staat met de raadslieden van de kroongetuige is aangegaan. Het gaat hier om de vergoeding van kosten van rechtsbijstand aan de kroongetuige, tevens verdachte, en een dergelijke vergoeding merkt de rechtbank voorshands niet aan als gunstbetoon. Verder is de vraag ten aanzien van de betalingen aan [naam 1] reeds beantwoord, zodat ook hierin geen belang meer bestaat bij opgave van aangegane financiële verplichtingen door de Staat. De stelling van de verdediging dat [naam 1] in dienst zou zijn getreden bij het advocatenkantoor van een van de raadslieden van de kroongetuige, kan hieraan niet afdoen. Voor zover deze stelling al juist is en voor zover al aangenomen zou worden dat [naam 1] ook zou worden betaald door het kantoor, kan daaruit namelijk – anders dan de verdediging kennelijk meent – niet de conclusie volgen dat [naam 1] in dat geval via een omweg betalingen van de Staat zou ontvangen die voorshands als gunstbetoon kunnen worden aangemerkt.
Voor zover andere raadslieden zich (zonder nadere motivering) bij dit verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 1] hebben aangesloten, geldt deze beslissing ook in de zaken van de verdachten die zij bijstaan.
Beslissingen in de zaak van verdachte [verdachte 2]
Mr. Heuvelmans heeft namens verdachte [verdachte 2] verzocht om het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] omdat zij kunnen verklaren over de waarschuwing die verdachte aan [slachtoffer] en andere personen die gevaar liepen heeft gegeven. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen toewijzing van deze verzoeken.
De rechtbank ziet het belang van de verdediging bij het horen van deze getuigen en wijst de verzoeken daarom toe.
Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 3]
Mr. G.N. Weski heeft namens verdachte [verdachte 3] verzocht om het horen van getuige [getuige 3] in verband met de aanvulling op het dossier waaruit volgt dat deze getuige (onder de naam [bijnaam getuige 3] ) in de vriendenlijst van het account [naam account] voorkomt. De verdediging wil deze getuige vragen of verdachte de gebruiker is van dit account. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen toewijzing van dit verzoek.
De rechtbank ziet het belang van de verdediging bij het horen van deze getuige en wijst het verzoek daarom toe. Gezien het afgebakende onderwerp dat in het verhoor van deze getuige aan de orde zal komen, geeft de rechtbank de rechter-commissaris in overweging om dit verhoor op de voet van artikel 177 Sv te laten uitvoeren door de politie, in aanwezigheid van de raadsman en de officier van justitie.
Daarnaast heeft mr. G.N. Weski verzocht om het horen van getuige [getuige 4] met betrekking tot het zaaksdossier Ster, alsook ten aanzien van de identificatie van verdachte. Daartoe is aangevoerd, kort gezegd, dat [getuige 4] (evenals [naam 2] ) een van de vermeende schutters inzake Ster is en volgens het dossier contact met verdachte [verdachte 3] heeft gehad met betrekking tot de uitvoering van dit strafbare feit. Het tegen [getuige 4] gewezen arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is inmiddels onherroepelijk. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen toewijzing van dit verzoek. Het verzoek om [naam 2] te horen is ingetrokken omdat hij nog niet onherroepelijk is veroordeeld en kennelijk heeft laten weten zich op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen.
De rechtbank ziet het belang van de verdediging bij het horen van getuige [getuige 4] en wijst het verzoek daarom toe.
Mr. I.N. Weski heeft daarnaast, mede namens verdachte [verdachte 3] , in haar e-mail van 11 april 2021 verzoeken gedaan naar aanleiding van de beslissingen van de rechtbank van 1 april 2021 (A – H) en naar aanleiding van het verhoor van de kroongetuige ter zitting van 9 april 2021 (I). Ook heeft mr. I.N. Weski in haar e-mail van 14 april 2021 en ter zitting van 16 april 2021 mede namens verdachte [verdachte 3] aanvullende onderzoekwensen ingediend. De beslissingen op die verzoeken zijn thans nog niet aan de orde.
Uitspraak 01‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de PGP-regiezitting van 12 maart 2021
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de PGP-regiezitting van 12 maart 2021
Procesverloop
1. Op 11 maart 2021 heeft de rechtbank de zogenoemde PGP-inzagedag gehouden. Op deze zitting is de verdediging in de gelegenheid gesteld om de rechtbank te tonen welke problemen de verdediging ervaart bij de inzage in de Marengo-dataset (hierna: de dataset). De rechtbank heeft op 11 maart 2021, na partijen daarover in het openbaar te hebben gehoord, besloten dat deze zitting in het belang van een goede rechtspleging achter gesloten deuren wordt voortgezet. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de dataset bijna een miljoen berichten bevat, met daarin aan verdachten toegeschreven berichten maar ook berichten van derden en berichten die privacygevoelig zijn. Om de rechtbank goed te kunnen laten zien waar de verdediging bij de inzage tegenaan loopt, moest de verdediging in staat worden gesteld de dataset vrijelijk te kunnen doorzoeken en de resultaten te kunnen demonstreren. Dit belang heeft de rechtbank zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarheid van de zitting.
2. Op de zitting van 11 maart 2021 is in de zittingszaal een laptop geplaatst waar de raadslieden achter konden gaan zitten om vervolgens te kunnen zoeken in de op die laptop geplaatste dataset. Het betrof eenzelfde laptop die voor de raadslieden op afspraak voor inzage in de dataset beschikbaar is in diverse politiebureaus alsook voor inzage samen met de cliënt in de penitentiaire inrichting. Het voorafgaand aan deze zitting gedane verzoek van de verdediging van de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] , om op deze zitting mogelijk te maken dat de dataset met de door het NFI ontwikkelde zoekmachine Hansken (hierna: Hansken) kan worden doorzocht, heeft de rechtbank afgewezen, omdat de rechtbank zich een beeld wilde vormen van de problemen waar de verdediging met de huidige inzagemogelijkheid tegenaan loopt, en die inzagemogelijkheid omvat niet het zoeken met Hansken. De rechtbank, officieren van justitie en aanwezige raadslieden en verdachten hebben op eigen schermen en (wat de laatste rij betreft) op een achterin de zittingszaal geplaatst groot scherm, kunnen meekijken met het zoekproces. Mr. Van den Boom heeft namens [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Mr. Wijburg heeft namens de verdachten [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
3. Aan de PGP-regiezitting van 12 maart 2021 is een schriftelijke ronde voorafgegaan. Mrs. I.N. Weski, Boersma, G.N. Weski en Splinter hebben in een gezamenlijke eerste termijn van 18 februari 2021 onderzoekswensen ingediend namens [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] . Mr. Meijering heeft bij e-mailbericht van 18 februari 2021 een tweetal onderzoekswensen ingediend namens [verdachte 6] . Het Openbaar Ministerie heeft in een schriftelijke reactie van 5 maart 2021 op de onderzoekswensen van de verdediging gereageerd.
4. Ter zitting van 12 maart 2021 heeft de verdediging gelegenheid gekregen voor een repliek, waarbij de onderzoekswensen door mrs. I.N. Weski, Meijering, Splinter en G.N. Weski nog zijn aangevuld naar aanleiding van de PGP-inzagedag van 11 maart 2021 en waarbij mr. Meijering heeft laten weten dat de twee onderzoekswensen inzake [verdachte 6] ook worden gedaan ten behoeve van [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] . Ter zitting hebben enkele raadslieden zich vervolgens aangesloten bij de door andere raadslieden naar voren gebrachte onderzoekswensen. Het Openbaar Ministerie heeft ten slotte gedupliceerd, waarna de rechtbank heeft medegedeeld dat schriftelijk zal worden beslist.
Beslissingen in alle zaken
Verzoeken
Verzoeken namens [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5]
5. De verdediging van [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] heeft allereerst verzocht een of meer deskundigen te benoemen die informatie kunnen verstrekken ten behoeve van door de verdediging te voeren verweren met betrekking tot een aantal onderwerpen. Deze onderwerpen zijn:
- aspecten met betrekking tot de verkrijging van het PGP-bewijsmateriaal,
- de verwerking van de verkregen persoonsgegevens,
- de integriteit en betrouwbaarheid van het gepresenteerde PGP-bewijsmateriaal,
- de bejegening van geheimhouders en
- de mogelijkheden van contra-expertise van het PGP-materiaal.
Voorafgaand aan de benoeming van de deskundige(n) zou eerst een verkennend onderzoek door een deskundige kunnen plaatsvinden om te bezien welke deskundige(n) het meest aangewezen is/zijn om te worden benoemd om over deze onderwerpen te rapporteren.
6. Ten tweede heeft de verdediging de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen (alsnog) een reeks vragen (onder B en C) te beantwoorden. Het gaat om nieuwe vragen alsook om vragen die de verdediging in eerdere correspondentie met het Openbaar Ministerie heeft gesteld maar die volgens de verdediging niet allemaal (genoegzaam) zijn beantwoord.
7. De verdediging heeft verder verzocht om het horen als getuige van [naam getuige 1] , eigenaar/medewerker van [naam bedrijf] .
8. Ten slotte heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen alle Ennetcom- en PGP-safe-data, althans de dataset en PGP-lijnen beschikbaar te stellen in (de software van) Hansken en deze inzage te verschaffen via een inlogmogelijkheid op kantoor.
Verzoeken namens [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 9] en [verdachte 8]
9. De verdediging van [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 9] en [verdachte 8] heeft verzocht om het horen van een PGP-deskundige of getuige bij het NFI en van het Team Marengo. Verder is verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen alle PGP-berichten die in Marengo zijn veiliggesteld beschikbaar te stellen aan de raadsman en aan de verdachte.
Standpunt Openbaar Ministerie
10. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle onderzoekswensen afgewezen moeten worden. Op de standpunten zal hierna bij de beoordeling worden ingegaan.
Beoordeling
Benoeming deskundige
11. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een verzoek om een deskundige te benoemen als maatstaf geldt of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.
Verkrijging van het PGP-bewijsmateriaal en verwerking van de verkregen persoonsgegevens
Standpunt verdediging
12. De verdediging wenst de te benoemen deskundige te bevragen over aspecten met betrekking tot de verkrijging van het PGP-bewijsmateriaal. Daartoe heeft zij gesteld dat sprake is van relevante schendingen van wetten en rechtsbeginselen bij de verkrijging van de Ennetcom-data en PGP-safe-data omdat het Openbaar Ministerie door middel van een rechtshulpverzoek is voorbijgegaan aan artikel 125la van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en, zo begrijpt de rechtbank, voorafgaand aan de doorzoeking een machtiging van de rechter-commissaris was vereist. De aldus verkregen “bulkdata” van Ennetcom zijn vervolgens met een buitenwettelijke constructie onderzocht in strijd met de artikelen 1 Sv, 7 en 8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en 8 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In de praktijk werden de data al inhoudelijk onderzocht (zoals in het onderzoek Tandem II ten behoeve van Marengo) en gedeeld met het onderzoeksteam Marengo in samenvattende vorm en pas als bleek dat deze relevant waren werd de rechter-commissaris gevraagd om toestemming. Met deze werkwijze is de voorwaarde die de Canadese rechter heeft verbonden aan het gebruik van de Ennetcom-data vergaand uitgehold en wordt in strijd gehandeld met het in Europese jurisprudentie voorgeschreven voorafgaand toezicht. Voor de PGP-safe-data geldt dat helemaal geen toestemmingsprocedure is gevolgd terwijl ook hier “bulkdata” zijn verkregen, wat de vragen oproept hoe invulling is gegeven aan de bescherming van de belangen van PGP-safe-gebruikers en of het Openbaar Ministerie in Marengo over alle PGP-safe-data heeft kunnen beschikken of alleen over een selectie. Ook wenst de verdediging de te benoemen deskundige te bevragen over de verwerking van de verkregen persoonsgegevens. Daartoe heeft de verdediging onder meer gewezen op openbaar gemaakte stukken over de verwerking van de PGP-data met Hansken door het NFI, en gesteld dat bij die verwerking in strijd is gehandeld met privacyregelgeving, in het bijzonder met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
Standpunt Openbaar Ministerie
13. Het Openbaar Ministerie heeft in reactie hierop allereerst geantwoord dat in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding bestaat een deskundige te benoemen aangezien het om beantwoording van rechtsvragen gaat waar de rechtbank deskundig is. Verder heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat, voor zover al sprake zou zijn van een vormverzuim ten aanzien van de verkrijging van de PGP-data, dit vormverzuim niet is begaan in het voorbereidend onderzoek van één van de verdachten in het onderzoek Marengo, maar in de onderzoeken De Vink en Sassenheim. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens betwist dat sprake zou zijn van een vormverzuim omdat artikel 125la Sv niet gold voor Ennetcom en PGP-safe, aangezien zij niet als aanbieder van een communicatiedienst in de zin van dat artikel waren aan te merken. Artikel 126la (oud) Sv was wel van toepassing op aanbieders als Ennetcom en PGP-safe. Op grond van artikel 126ng, tweede lid, Sv had de inhoud van de communicatie van derden bij hen gevorderd kunnen worden, maar daarvoor is niet gekozen. De rechtspersonen en directeuren in de onderzoeken De Vink en Sassenheim werden namelijk als verdachte aangemerkt, zodat artikel 126ng, derde lid, jo artikel 96a Sv zich tegen het doen van zo’n vordering verzette. Daarom is voor de doorzoeking en inbeslagneming gebruik gemaakt van de officiersbevoegdheid in artikel 96c jo 125i Sv. De wijze van verstrekking van de Ennetcom-data uit De Vink is in meerdere uitspraken door rechtbanken getoetst en akkoord bevonden. In Marengo zijn de Ennetcom-data uit De Vink in de dataset opgenomen overeenkomstig dezelfde procedure, namelijk met machtiging van de rechter-commissaris. Ten aanzien van de PGP-safe-data uit Sassenheim heeft de verstrekking aan Marengo plaatsgevonden met inachtneming van artikel 126dd Sv. De stukken waaruit blijkt welke Sassenheim-data aan het onderzoek Marengo zijn verstrekt, zijn in het dossier gevoegd. Ten aanzien van de gestelde schending van privacyregelgeving bij de verwerking van de PGP-data heeft het Openbaar Ministerie onder meer erop gewezen dat het hier gaat om gegevens die zijn verkregen in de strafrechtelijke onderzoeken De Vink en Sassenheim. Deze gegevens mogen op grond van artikel 39e, eerste lid jo 39f onder a Wjsg verstrekt worden met het doel het opsporen van strafbare feiten. Volgens het Openbaar Ministerie zijn geen omstandigheden aangevoerd en ook in de aangehaalde WOB-documenten niet gebleken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat structureel in strijd met de Wjsg of Wpg wordt gehandeld.
Oordeel rechtbank
14. De rechtbank overweegt dat de vragen inzake, kort gezegd, de rechtmatigheid van de verkrijging van de PGP-data, en of sprake is van vormverzuimen waaraan in de zaken van verdachten gevolgen verbonden moeten worden, ongetwijfeld onderwerp van het debat ter terechtzitting zullen worden. De rechtbank zal daarover dan bij vonnis moeten beslissen. Hetzelfde geldt voor de gestelde schendingen van privacyregelgeving. Ook hier gaat het om rechtsvragen die de rechtbank in het kader van te voeren verweren zal moeten beantwoorden. De processtukken die het Openbaar Ministerie voor deze beoordelingen relevant heeft geacht, bevinden zich in het dossier. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot deze onderdelen ziet de rechtbank geen noodzaak tot het benoemen van een deskundige.
De integriteit en betrouwbaarheid van het gepresenteerde PGP-bewijsmateriaal en de mogelijkheden van contra-expertise van het PGP-materiaal
Standpunt verdediging
15. De verdediging wenst de te benoemen deskundige te bevragen over de integriteit en betrouwbaarheid van het gepresenteerde PGP-bewijsmateriaal en de mogelijkheid van contra-expertise. In dat verband heeft de verdediging eerst een aantal onderzoeksdoelen en aansluitend een aantal concrete, aan de deskundige te stellen vragen geformuleerd. Deze onderzoeksdoelen en vragen zien onder meer op het veiligstellen van de data op de servers in Canada en Costa Rica, de integriteit van de data in Hansken, de werking van Hansken, waaronder de betrouwbaarheid en volledigheid van de methode om door middel van zoekwoorden een selectie uit de brondata te maken, de controle op de (beoordeling van de) betrouwbaarheid van onderliggende brondata, de verschillende versies van Hansken, de controlemogelijkheden, of er bugs of fouten zijn geconstateerd in de werking van Hansken en welke gevolgen die hebben voor de resultaten. Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van fouten in Hansken heeft de verdediging gewezen op het rapport van het NFI van ir. [naam NFI deskundige 1 ] (hierna: [naam NFI deskundige 1 ] ) van 16 juni 2020 over een fout in een versie van Hansken en op een brief van 14 september 2020 van het NFI in het onderzoek Himalaya waar ook een fout in Hansken aan het licht is gekomen. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op de conclusies van de door de verdediging in de zaak Tandem II ingeschakelde deskundige dr. [naam deskundige 1] in zijn rapport van 4 maart 2018. Uit dit rapport blijkt dat nog altijd, ondanks de antwoorden van deskundige ir. [naam NFI deskundige 2] (hierna: [naam NFI deskundige 2] ) van het NFI, onvoldoende mogelijkheden zijn voor een effectieve controle op het samenstellen van de dataset (in dat geval Tandem II) en de werking van Hansken. Ten slotte heeft de verdediging gewezen op diverse problemen die zich bij Ennetcom hebben voorgedaan en die van invloed zijn geweest op de integriteit van de op de Ennetcom-servers aanwezige data.
Standpunt Openbaar Ministerie
16. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen nader onderzoek is geboden naar de door de verdediging genoemde punten.
17. Ten aanzien van het veiligstellen van de data en de integriteit van de data in Hansken heeft het Openbaar Ministerie gewezen op de relevante processen-verbaal in het dossier. Daarin staat beschreven op welke wijze de Ennetcom-data in De Vink in Canada en de PGP-safe-data in Sassenheim in Costa Rica zijn veiliggesteld en daaruit volgt dat wat er is gekopieerd en veiliggesteld ook datgene is wat is overgedragen aan Nederland. In het geval van Ennetcom betrof het de hele Ennetcom-server en in het geval van PGP-safe betrof het een gedeelte van de server omdat de Costa Ricaanse autoriteiten de doorzoeking beëindigden voordat alles was gekopieerd.
18. Ten aanzien van de betrouwbaarheid en volledigheid van de methode om door middel van zoekwoorden een selectie uit de brondata te maken, heeft het Openbaar Ministerie er allereerst op gewezen dat de berichten die het Openbaar Ministerie relevant vond in het dossier zijn gevoegd en dat de verdediging, nadat zij een jaar inzage heeft gehad in de dataset, geen verzoeken heeft gedaan tot voeging van aanvullende PGP-berichten. Ook heeft de verdediging geen verzoeken gedaan tot verstrekking van aanvullende PGP-berichten uit de onderzoeken De Vink of Sassenheim op basis van bij de rechter-commissaris op te geven zoektermen. Verder geldt dat de vragen met betrekking tot de betrouwbaarheid en volledigheid van de werking van Hansken als selectietool, al in het onderzoek Tandem II zijn besproken in het op verzoek van de verdediging in die zaak uitgebrachte deskundigenbericht van [naam NFI deskundige 2] van het NFI van 5 februari 2018. [naam NFI deskundige 2] is vervolgens ook gehoord bij de rechter-commissaris op 12 februari 2018 en bij die gelegenheid heeft de verdediging vragen kunnen stellen. Dit rapport en proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris zijn gevoegd bij de processtukken. De principes van de werking van Hansken en de toepassing van Hansken zijn voorts gedocumenteerd in peer-reviewed publicaties. [naam NFI deskundige 2] heeft ook verklaard over de doorontwikkeling van Hansken (verschillende versies van Hansken) en de controlemogelijkheden. Desgevraagd heeft [naam NFI deskundige 2] onder andere geantwoord dat bij twijfel over de volledigheid van een bericht te allen tijde extra controles uitgevoerd kunnen worden in Hansken zelf of met analysehulpmiddelen buiten Hansken. De stelling van de verdediging, dat sprake is van fouten en bugs in Hansken, is onjuist. De brief van 14 september 2020 in het onderzoek Himalaya gaat niet over fouten in Hansken, maar over een geconstateerd verschil tussen de weergave van Hansken en de weergave in het ten behoeve van de inzage gemaakte Excelbestand. Ook de fout in het Excelbestand, waardoor de namen van bijlagen niet altijd aan het juiste bericht waren gekoppeld, is geen fout in Hansken. Het NFI heeft dit geconstateerd, gemeld en hersteld. Als de verdediging dit wenst, kan zij de berichten in Hansken inzien als zij daartoe een afspraak bij het NFI maakt. In het in onderzoek De Vink uitgebrachte NFI-rapport van 16 juni 2020 van [naam NFI deskundige 1 ] , dat zich ook in het procesdossier bevindt, wordt evenmin een fout in Hansken beschreven. Het gaat hier om een verandering van de naam ‘email from’ naar ‘mailbox name’, wat heeft te maken met voortschrijdend inzicht wat betreft de benaming voor het betreffende veld. Dit wordt verder uitgelegd in het rapport door [naam NFI deskundige 1 ] . De vraag over bugs in Hansken evenals de vraag hoe groot de kans is dat een eenmaal ontsleuteld bericht ook een juiste weergave is van de inhoud van het versleutelde bericht, is door [naam NFI deskundige 2] al beantwoord in de in Tandem II opgemaakte rapporten van respectievelijk 5 februari 2018 en 9 maart 2018.
19. Met betrekking tot de door de verdediging aangevoerde integriteitsproblemen bij Ennetcom heeft het Openbaar Ministerie in de schriftelijke reactie gereageerd op de door de verdediging overgelegde lijst met 36 punten waarin die problemen, bestaande uit DDOS aanvallen, spamming, spoofing, rode kruizen en exchange problemen, staan beschreven. Ook heeft het Openbaar Ministerie uiteengezet dat en waarom geen sprake is van hergebruik van e-mailadressen maar van licenties, dat er geen aanwijzingen zijn van een hack van de Ennetcom server en welke mogelijkheden [naam NFI deskundige 2] heeft geschetst om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van malware op de Ennetcom server. Ten slotte is het Openbaar Ministerie, onder andere met verwijzing naar een in De Vink opgemaakt proces-verbaal van bevindingen waarover de verdediging ook beschikt, ingegaan op de onaannemelijkheid van de theoretische mogelijkheid dat de Ennetcom server is gehackt en berichten zouden zijn gemanipuleerd.
Oordeel rechtbank
20. De rechtbank stelt vast dat reeds diverse rapporten aan het dossier zijn toegevoegd waarin door deskundigen van het NFI is ingegaan op de werking van Hansken. Ook is in die rapporten ingegaan op de gevolgen van door de verdediging gestelde integriteitsschendingen bij Ennetcom voor de betrouwbaarheid van het PGP-materiaal en is daarbij gereageerd op door de verdediging gestelde schriftelijke vragen. Het gaat hier om de NFI-rapportages van [naam NFI deskundige 2] van 5 februari 2018 en 9 maart 2018 in Tandem II, en de NFI-rapportage van [naam NFI deskundige 1 ] van 19 juli 2019 in onderzoek Orinus. Daarnaast bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van [naam NFI deskundige 2] op 12 februari 2018 in de zaak Tandem II waar de verdediging vragen heeft kunnen stellen aan [naam NFI deskundige 2] . De omstandigheid dat die rapportages en vragen niet zijn opgemaakt respectievelijk gesteld in Marengo, doet er niet aan af dat de verdediging kan beschikken over antwoorden op algemene vragen over Hansken en de betrouwbaarheid van het PGP-materiaal. Waar de verdediging heeft gewezen op twee concrete voorbeelden van gestelde ‘fouten’ in Hansken, constateert de rechtbank bovendien dat daarover door het NFI uitleg is verstrekt in de brief van 14 september 2020 (over het verschil in weergave in Hansken ten opzichte van de weergave in het ten behoeve van de inzage gemaakte Excelbestand) en in het NFI-rapport van 16 juni 2020 (over de verandering van de naam van een veld uit de transitielogbestanden). Ook op deze onderdelen bevat het procesdossier dan ook al veel algemene informatie en uitleg.
21. In het licht van deze aan het dossier toegevoegde rapportages, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging de noodzaak tot het benoemen van een deskundige met betrekking tot de algemene vragen over de integriteit en betrouwbaarheid van het gepresenteerde PGP bewijsmateriaal in Marengo onvoldoende concreet heeft onderbouwd.
22. De rechtbank onderschrijft in dit verband niet de stelling van de verdediging, dat op grond van artikel 6 EVRM een concreter onderbouwing niet verlangd zou mogen worden. Dit volgt naar het voorlopig oordeel van de rechtbank ook niet uit de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De zaken in de aangehaalde jurisprudentie betreffen niet de benoeming van een deskundige, maar andere kwesties, zoals het horen van getuigen. Verder gaat het in die jurisprudentie over zaken waarin voor de desbetreffende verdachte een belastende deskundigenrapportage als bewijs werd gepresenteerd en in die laatste zaken zet het Hof vervolgens uiteen welke rechten de verdediging op grond van artikel 6 EVRM toekomt om dergelijke rapportages te betwisten. De zoekmachine Hansken en de PGP-berichten betreffen echter geen deskundigenrapportages, zodat ook die verwijzingen niet zonder meer opgaan.
23. Gegeven de reeds beschikbare informatie mag van de verdediging worden verwacht dat zij concreet aanduidt met betrekking tot welke berichten twijfels bestaan over de integriteit en betrouwbaarheid. De mogelijkheden om ten aanzien van specifieke berichten onderzoek te doen, is aan de verdediging aangeboden en, zo begrijpt de rechtbank, dit aanbod geldt nog steeds. Ook geldt nog altijd het aanbod aan de verdediging om bij het NFI in de dataset te zoeken met Hansken, maar daar is in het onderzoek Marengo door de verdediging geen gebruik van gemaakt.
24. Bij het voorgaande betrekt de rechtbank nog dat benoeming van een deskundige niet zonder meer noodzakelijk lijkt wanneer het gaat om vragen die bij de verdediging opkomen naar aanleiding van de inzage in de dataset. De verdediging kan zich daartoe in eerste instantie wenden tot het Openbaar Ministerie, dat tot heden steeds in staat is geweest op vragen te antwoorden. Zo bleek ook op de PGP-regiedag van 11 maart 2021 dat het Openbaar Ministerie uitleg kon geven over de op die zitting gegeven concrete voorbeelden van berichten die bij de verdediging vragen hebben opgeroepen.
25. Los van de verzoeken van de verdediging vraagt de rechtbank het Openbaar Ministerie nog aandacht voor de volgende twee punten.
26. De rechtbank heeft geconstateerd dat in de beantwoording van de vragen van mr. I.N. Weski door het OM op 23 november 2020 en aangevuld op 17 februari 2021 staat dat de NFI- rapportage van 16 juni 2020 alleen betrekking heeft op berichten die sinds 12 april 2019 automatisch door Hansken uit de transitielogbestanden kunnen worden gekoppeld en dat het dus niet gaat om berichten van voor die datum of afkomstig uit de mailboxdatabase. Bij berichten die zijn verwerkt in processen-verbaal of detailrapportages met een datum eerder dan 12 april 2019 speelt de in het NFI-rapport uitgelegde kwestie niet. Het zou volgens het Openbaar Ministerie alleen kunnen gaan om berichten in de zaaksdossiers Rudolf en Kreta en het Openbaar Ministerie kondigt in de reactie van 23 november 2020 daarbij aan dat het de politie gevraagd heeft na te gaan of daarvan sprake was en zo ja, om hiervan proces-verbaal op te maken. De rechtbank heeft een dergelijk proces-verbaal niet in het (eind)dossier aangetroffen en verzoekt het Openbaar Ministerie na te gaan of dit proces-verbaal is opgemaakt. Als dat het geval is, verzoekt de rechtbank het Openbaar Ministerie dit aan het dossier toe te voegen. Is dit niet het geval dan verzoekt de rechtbank het Openbaar Ministerie alsnog een proces-verbaal hieromtrent op te (doen) maken en te voegen.
27. De rechtbank heeft voorts, naar aanleiding van het proces-verbaal van verhoor van [naam NFI deskundige 2] bij de rechter-commissaris op 12 februari 2018 in de zaak Tandem II (AD 03 PGP p. 773), geconstateerd dat daarin wordt vermeld dat mr. I.N. Weski op 26 januari 2018 in verband met die zaak bij het NFI is geweest en daar bij veel zoekpogingen een foutmelding volgde (aangeduid met “error 500”) bij het openen van bestanden. In dat verhoor zegt [naam NFI deskundige 2] vervolgens dat hij onderzoek zal doen naar wat die “error 500” veroorzaakte. De rechtbank verneemt graag van het Openbaar Ministerie of dit inderdaad is uitgezocht en inmiddels al of niet is opgelost. De rechtbank wenst deze informatie graag te ontvangen omdat ook in de zaak Marengo de mogelijkheid wordt geboden om bij het NFI in Hansken te zoeken.
De bejegening van geheimhouders
Standpunt verdediging
28. De verdediging wenst de te benoemen onafhankelijke deskundige te bevragen over de werkprocessen, de praktijk en de technische verwerking van geheimhoudersberichten. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat gebleken is dat geheimhoudersberichten niet zijn vernietigd maar ontoegankelijk zijn gemaakt. Het is voor de rechtbank en de verdediging niet te controleren wat er met deze data binnen de Ennetcom-data is gebeurd en welke omvang en gevolgen het verzuim om deze data niet te vernietigen heeft, eventueel voor de doorwerking daarvan met de selecties naar deeldatasets in andere onderzoeken. De concrete vragen die aan de deskundige gesteld kunnen worden zijn: Welke werkprocessen worden gevolgd en/of technieken worden toegepast om de geheimhouders belangen te waarborgen? Wat is de technische werkwijze van het ontoegankelijk maken van geheimhoudersdata, en welke werkbeschrijvingen bestaan er daartoe en in hoeverre is die ontoegankelijkmaking
omkeerbaar en vindt dit plaats? Wie hebben feitelijk nog toegang tot de ontoegankelijk gemaakte geheimhoudersdata?
Standpunt Openbaar Ministerie
29. Het Openbaar Ministerie heeft verwezen naar diverse stukken in het dossier en reeds gegeven toelichtingen over het schoningsproces in de onderzoeken De Vink, Sassenheim en Marengo. In de schriftelijke reactie op de onderzoekswensen heeft het daar een aanvulling op gegeven en vervolgens geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor nader onderzoek door een deskundige op dit punt.
Oordeel van de rechtbank
30. De rechtbank stelt vast dat het dossier processen-verbaal bevat over de wijze waarop met geheimhoudersberichten in de onderzoeken De Vink en Sassenheim en (vervolgens) Marengo is omgegaan. Ook is daarover door het Openbaar Ministerie op diverse (pro forma) zittingen mondeling toelichting verstrekt. In het licht van alle reeds beschikbare informatie, is de rechtbank niet gebleken van de noodzaak om op dit punt een deskundige te benoemen. De beoordeling van de vraag of sprake is van schendingen van rechten van geheimhouders en eventuele gevolgen daarvan, kan bij de inhoudelijke behandeling aan de orde komen en daarover zal de rechtbank zich dan een oordeel moeten vormen.
Verzoek verdediging van [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 9] en [verdachte 8]
31. De verdediging van [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 9] en [verdachte 8] verzoekt om benoeming van een deskundige om vragen te kunnen stellen over het al dan niet (alsnog) kunnen blootleggen van PGP-communicatie. Volgens de verdediging staat vast dat niet alle berichten zijn blootgelegd. Bij bepaalde adressen zijn alleen de inkomende berichten en niet de uitgaande berichten zichtbaar. Aangenomen dat deze berichten er wel moeten zijn, kan worden vastgesteld dat ze niet zijn blootgelegd. De verdediging wil de deskundige vragen of er nu nog technieken zijn en/of de verwachting bestaat dat deze berichten toch nog beschikbaar gaan komen of dat dat niet meer mogelijk is. Ter zitting van 12 maart 2021 heeft de verdediging daaraan nog toegevoegd dat zij ook vragen wil stellen over de weergave van zogenoemde emoticons in Hansken. Als Hansken emoticons niet zichtbaar maakt waar deze mogelijkerwijs wel aan berichten waren toegevoegd, dan geeft dat een hele andere kijk op de in het dossier gepresenteerde berichten dan hoe de veronderstelde afzender van een bericht dat heeft bedoeld.
Standpunt Openbaar Ministerie
32. Het Openbaar Ministerie heeft geantwoord dat het klopt dat niet alle destijds verzonden berichten zijn blootgelegd, maar dat niet klopt dat die berichten er wel zouden moeten zijn. Het Openbaar Ministerie heeft verwezen naar de eerdere toelichting op 3 september 2020 waarin staat beschreven dat niet alle berichten die ooit via Ennetcom of PGP-safe zijn verstuurd ook zijn veiliggesteld. De data zijn op dit moment met de beschikbare technieken maximaal onderzocht en er zijn geen initiatieven om nieuwe technieken te ontwikkelen. Dit sluit echter niet uit dat in de toekomst een mogelijkheid ontstaat waardoor men wel in staat is nog meer sporen te lezen die nu niet zichtbaar of niet leesbaar zijn. Daarnaast is mogelijk dat PGP-berichten beschikbaar komen uit inbeslaggenomen PGP-telefoons die op dit moment bij het NFI worden onderzocht, zodat geen toezegging kan worden gedaan dat het blijft bij de beschikbare PGP-berichten. Dit zal echter niet leiden tot uitbreiding van de dataset. Ten aanzien van de emoticons heeft het Openbaar Ministerie geantwoord dat Hansken emoticons ondersteunt, zodat deze ook zichtbaar zijn. Er kan zelfs op gezocht worden. Onbekend is of er emoticons in de berichten van de dataset zitten. Dat hangt af van de vraag of de PGP-toestellen die destijds werden gebruikt emoticons ondersteunden, of de gebruikers daar dan ook gebruik van maakten, of dergelijke berichten vervolgens zijn veiliggesteld en of ze behoren tot het kader van de dataset. Met een zoekslag in Hansken zouden emoticons naar boven kunnen worden gehaald. Als de verdediging dit wenst, kan zij emoticons aandragen ten behoeve van zo’n zoekslag en kan het Openbaar Ministerie daarvan een proces-verbaal laten opmaken. De verdediging kan die zoekslag ook zelf maken en daartoe een afspraak maken voor inzage met Hansken bij het NFI.
Oordeel rechtbank
33. Gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie waarin reeds inhoudelijk antwoord is gegeven op vragen die de verdediging aan een deskundige zou willen stellen, ziet de rechtbank geen noodzaak om daartoe een deskundige te benoemen. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 24 is overwogen, bestaat ook niet zonder meer aanleiding een deskundige te benoemen als er vragen bij de verdediging opkomen naar aanleiding van de inzage in de dataset.
Slotsom
34. De slotsom is dat de rechtbank in hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet de noodzaak is gebleken een deskundige te benoemen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie om de door de rechtbank onder 26 en 27 gestelde vragen te (doen) beantwoorden.
Beantwoording van vragen van de verdediging van [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5]
Standpunt verdediging
35. De verdediging heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen alsnog een reeks vragen te beantwoorden. Het gaat om de vragen onder B van de eerste termijn van 18 februari 2021. Op de daar vermelde vragen onder 1, 2, 5, 9, 10 en 15 is geen antwoord gekomen. Daarnaast gaat het om de onder C in de eerste termijn van 18 februari 2021 opgenomen vragen die de verdediging in eerdere correspondentie, namelijk op 23 november 2020 en 6 februari 2021, aan het Openbaar Ministerie heeft gesteld maar die volgens de verdediging niet allemaal (genoegzaam) zijn beantwoord. De verdediging heeft daarbij onderkend dat zij geen rekening heeft kunnen houden met de antwoorden in de – daags voor de indieningsdatum van de eerste termijn verzonden – brief van het Openbaar Ministerie van 17 februari 2021, maar ook na kennisneming van die antwoorden blijven vragen onbeantwoord. De verdediging heeft in haar e-mail van 6 maart 2021 weergegeven welke van die vragen zij nog beantwoord wenst te zien. Ten slotte heeft de verdediging opheldering gevraagd over een aantal geconstateerde tegenstrijdigheden in het dossier.
Standpunt Openbaar Ministerie
36. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat, dat het de vragen van 6 februari 2021 heeft beantwoord in de brief van 17 februari 2021 en verder is op een deel van de vragen opnieuw gereageerd in het kader van het standpunt over de benoeming van een deskundige. Voor het overige borduren de vragen van de verdediging voort op thema’s, waarbij het doel is op detailniveau antwoord te krijgen. Niet kan worden ingezien op welke wijze de overigens zeer omvangrijke vragen relevant zijn voor enige beslissing in het kader van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Van tegenstrijdigheden is geen sprake. Het verzoek van de verdediging moet daarom worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Vragen onder B van de schriftelijke termijn van 18 februari 2021
37. De onder B gestelde vragen en gedane verzoeken zien, samengevat, op het verstrekken van tijdlijnen, de werking van Hansken en de controle daarop, de totstandkoming van de dataset, de controle op de integriteit van de brondata, het verstrekken van een werkbeschrijving/protocol voor de personen die met de Ennetcom-data en PGP-safe-data en Hansken werken ter verkrijging van onderzoeksresultaten, en betreffen vragen naar aanleiding van de reactie van het Openbaar Ministerie in zijn brief van 6 oktober 2020 met betrekking tot het onderzoek Himalaya en de geconstateerde fout in het exportprogramma. De rechtbank is van oordeel dat de stukken die zich reeds in het dossier bevinden over deze onderwerpen en de toelichtingen die op verschillende zittingen en in e-mail correspondentie zijn gegeven vooralsnog voldoende ingaan op de gestelde vragen en voldoende tegemoet komen aan de verzoeken. Gelet op de reeds beschikbare informatie ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om het verzoek van de verdediging toe te wijzen.
Vragen onder C van de schriftelijke termijn van 18 februari 2021
38. Hetzelfde geldt voor het merendeel van de onder C opgenomen vragen. De vragen over Sassenheim (A) zijn naar het oordeel van de rechtbank beantwoord in de reactie van het Openbaar Ministerie van 17 februari 2021. Het antwoord op de vraag van de verdediging of binnen Marengo over alle PGP-safe-data kan worden beschikt, volgt uit de processtukken waarnaar in die reactie wordt verwezen. Daaruit leidt de rechtbank voorshands namelijk af dat vanuit het onderzoek Sassenheim op meerdere momenten aan Marengo de berichten zijn verstrekt van specifieke e-mailadressen en dat er binnen het onderzoek Marengo dus niet toegang is tot alle PGP-safe-data. Ook de vragen over de detailrapportage (B) zijn daarin beantwoord. De verdediging heeft wel gesteld dat de detailrapportage nog veel meer termen bevat die niet worden toegelicht, maar heeft nagelaten expliciet te vermelden welke termen en delen van de detailrapportage uitleg behoeven. Beantwoording van de algemene vraag waarom die data worden verwerkt in een dergelijk detailrapport en wat daaruit forensisch en tactisch afgeleid kan worden, acht de rechtbank voldoende toegelicht in het dossier. De vraag naar de term “bron” (C) is ook beantwoord in de reactie van 17 februari 2021.
39. Met betrekking tot de vragen of er verslaglegging van het NFI is omtrent het samenstellen van de dataset en/of er correspondentie hierover is tussen het onderzoeksteam en/of Openbaar Ministerie en/of de rechter-commissaris die het onderzoek aan de data gedelegeerd heeft en het NFI op grond waarvan het NFI is verzocht de dataset samen te stellen en deze beschikbaar te stellen voor het onderzoeksteam (D), heeft het Openbaar Ministerie, onder verwijzing naar de vindplaatsen in het dossier geantwoord dat deze stukken zich in het dossier bevinden. Het heeft voorts gesteld dat vervolgens aan de hand van de door de rechter-commissaris afgegeven machtigingen en de verstrekkingen vanuit Sassenheim de dataset is samengesteld. De rechtbank is van oordeel dat daarmee in beginsel voldoende informatie is verstrekt over de wijze van totstandkoming van de dataset. Uit de toelichting in de e-mail van 6 maart 2021 van de verdediging begrijpt de rechtbank echter dat met de vragen wordt beoogd na te gaan of bij de samenstelling van de dataset het plan van aanpak wel daadwerkelijk is gevolgd of dat, zoals volgens de verdediging in Tandem II is gebeurd, die alleen met het invoeren van zoektermen is samengesteld. In zoverre kan de rechtbank begrijpen dat de verdediging belang erbij heeft om ook die feitelijke gang van zaken te controleren. De rechtbank zal het verzoek op dit punt daarom in zoverre toewijzen dat het Openbaar Ministerie wordt opgedragen een proces-verbaal op te (doen) maken, waarin wordt vermeld hoe de opdracht/het verzoek aan het NFI tot het samenstellen van de dataset is geformuleerd en waarin voorts wordt ingegaan op de vraag of bij de samenstelling van de dataset door het NFI ook feitelijk overeenkomstig het plan van aanpak is gewerkt.
40. Op vragen van de verdediging over de gestelde onjuiste vertaling van voorwaarde 2 in de originele tekst van de beslissing van de Canadese rechter op het rechtshulpverzoek (E) is het Openbaar Ministerie in de reactie van 17 februari 2021 ingegaan. Hierin heeft het onder meer geschreven, kort gezegd, dat de vertaling heeft plaatsgevonden in De Vink en niet in Marengo en dat de vertaling is gemaakt door een beëdigd vertaler zodat van de juistheid moet worden uitgegaan. Voor het gebruik van de Ennetcom-data in andere onderzoeken is een rechterlijke machtiging nodig en deze is ook steeds verzocht en verstrekt. De verdediging heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat in Marengo in strijd met de voorschriften van de Canadese rechter is gehandeld, laat staan dat dit het gevolg is van een incorrecte vertaling, aldus het Openbaar Ministerie. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gestelde vragen daarmee genoegzaam beantwoord en betreft het voor het overige een mogelijk discussiepunt in het kader van te voeren verweren bij de inhoudelijke behandeling.
41. Op de vragen met betrekking tot het ontbreken van een gedeelte van een vertaling uit de sending order (F) uit Canada, heeft het Openbaar Ministerie in de reactie van 17 februari 2021 geantwoord, kort gezegd, dat het klopt dat een deel van die vertaling is weggevallen. Deze is als bijlage bij die reactie vervolgens verstrekt. Het gaat volgens het Openbaar Ministerie om de zogenoemde mail queue, berichten die nog zijn binnengekomen in de zeer korte tijd tussen het moment van aanvang doorzoeking op 19 april 2016 en het moment van starten met daadwerkelijk kopiëren van de data op de servers van Ennetcom. Deze zijn in De Vink dan ook niet in Hansken ingeladen en maken per definitie dus geen deel uit van de dataset. De verdediging heeft in haar e-mail van 6 maart 2021 nog gesteld dat zij wenst dat de overige over deze vertaling gestelde vragen alsnog worden beantwoord omdat volgens haar een onvolledige en onjuiste vertaling zonder meer een rol kan hebben gespeeld in de rechtmatigheid van het gebruik van die data. Naar het oordeel van de rechtbank valt echter niet goed in te zien waarom nog (expliciet) antwoord zou moeten volgen op die resterende vragen, zoals waarom deze vertaling op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden, onder wiens verantwoordelijkheid en instructie en met welk doel. Met de reactie van het Openbaar Ministerie is voldoende tegemoet gekomen aan de vragen die de verdediging over de vertaling heeft gesteld. Ook hier geldt dat het voor het overige een mogelijk discussiepunt betreft in het kader van te voeren verweren bij de inhoudelijke behandeling.
42. De verdediging heeft gesteld dat de vragen over de geheimhouders (vragen onder punten I tot en met VI) ook met de reactie van 17 februari 2021, nog niet genoegzaam zijn beantwoord. De rechtbank stelt echter vast dat het Openbaar Ministerie op meerdere zittingen, in correspondentie en ten behoeve van deze regiezitting steeds onder verwijzing naar de desbetreffende stukken in het dossier heeft uitgelegd hoe met (mogelijke) berichten van geheimhouders is omgegaan binnen De Vink, Sassenheim en Marengo. Het Openbaar Ministerie heeft toegelicht, samengevat, dat het schoningsproces in De Vink en Sassenheim heeft plaatsgevonden en dat er in het procesdossier Marengo geen berichten uit de dataset zijn gevoegd waarvan later is gebleken dat het geheimhoudersberichten betreft. De geheimhoudersberichten die zich wél in het dossier Marengo bevinden zijn de twee reeds bekende doorstuurberichten die in een proces-verbaal van bevindingen staan dat is verstrekt vanuit Tandem II ten behoeve van de zaaksdossiers Kreta en Ster. Daarnaast zit in het procesdossier Marengo een proces-verbaal uit het onderzoek Koper waarin de resultaten van het uitlezen van de PGP-telefoon van [naam 1] zijn weergegeven en waarin in een bijlage berichten staan van een gebruiker die is opgeslagen met de naam “ [naam gebruiker] ”. Daarvan kan niet worden uitgesloten dat het om berichten van een geheimhouder gaat. In beide gevallen gaat het (dus) niet om berichten uit de dataset. Verder heeft het Openbaar Ministerie toegelicht, zoals al eerder op zitting van 6 maart 2020 en in de brief van 23 november 2020, dat de dataset met het oog op het samenstellen van de inzageset voor de verdediging door middel van zoektermen actief is doorzocht en dat naar aanleiding van deze zoekslag 77 dataregels door de geheimhoudersofficier voorlopig als geheimhoudersbericht zijn aangemerkt. Daarbij is opgemerkt dat dit op een totaal van ruim 875.000 berichten een percentage van 0,0081% betreft. Het Openbaar Ministerie stelt geen kennis te hebben genomen van de inhoud van die berichten en niet te weten om hoeveel berichten het gaat. Uiteindelijk zijn door de geheimhoudersofficier 71 dataregels definitief aangemerkt als geheimhoudersbericht. Op 22 september 2020 heeft de geheimhoudersofficier opdracht gegeven deze berichten ontoegankelijk te maken waaraan op 13 oktober 2020 uitvoering is gegeven. Het gaat hier (dus) niet om berichten in het dossier, maar om berichten in de dataset ten behoeve van de inzage. Het Openbaar Ministerie, dat berichten uit de dataset heeft geraadpleegd in de periode dat die 71 regels er nog wel in zaten, kan daar dus in theorie kennis van hebben genomen, maar stelt dat het geen concrete herinnering aan de inhoud van die berichten heeft.
43. De rechtbank begrijpt uit de repliek van de verdediging, dat zij nog steeds belang stelt te hebben bij beantwoording van haar vragen. De kwestie over de als geheimhoudersberichten aangemerkte 77 dataregels die tot in 2020 onderdeel hebben uitgemaakt van de voor het onderzoeksteam toegankelijke PGP-data, onderschrijft volgens haar dat die informatie nodig is in het kader van het in kaart brengen van de aard en omvang van de inbreuken op de rechten van geheimhouders. Verder acht de verdediging beantwoording van de vragen nog van belang nu volgens haar de technische en feitelijke werkwijze ten aanzien van het ontoegankelijk maken niet voldoende in het dossier is verantwoord.
44. Anders dan de verdediging meent, is de rechtbank van oordeel dat met de gegeven toelichtingen en verwijzing naar dossierstukken, de vragen van de verdediging wel voldoende zijn beantwoord. Dat de verdediging meent dat uit de inhoud van de antwoorden of het gebrek aan verantwoording in het dossier sprake is van schendingen van rechten van geheimhouders, maakt dit niet anders. Dit betreft een discussiepunt in het kader van reeds aangekondigde verweren bij de inhoudelijke behandeling, maar noopt, met uitzondering van hetgeen hierna onder 48 wordt overwogen en beslist, niet tot toewijzing van het verzoek.
45. Het voorgaande geldt niet voor het verzoek onder VI. Daarin heeft de verdediging verzocht om verstrekking van de “Handleiding Verwerking geheimhouders informatie aangetroffen in inbeslaggenomen voorwerpen en in digitale bestanden uit 2014” waarnaar in de brief van het Openbaar Ministerie van 23 november 2020 is verwezen. Op deze vraag is geen antwoord gekomen en de rechtbank heeft de handleiding ook niet aangetroffen in het dossier, zodat onduidelijk is gebleven of het Openbaar Ministerie bereid is deze aan de verdediging te verstrekken. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie op dit punt om een reactie, zo mogelijk op de eerstvolgende (schriftelijke ronde van de) regiezitting.
46. Ten slotte heeft de verdediging in haar repliek gewezen op een drietal tegenstrijdigheden in het dossier waarover zij opheldering vraagt. Twee daarvan zien op de omgang met geheimhouderscommunicatie in Sassenheim. Volgens de verdediging strookt de informatie uit de brief van het Openbaar Ministerie van 23 november 2020, dat na een handmatige controle geen geheimhouderscommunicatie is aangetroffen met verwijzing naar een bevestiging van de officier van justitie in Sassenheim van 4 december 2017, niet met de informatie in het proces-verbaal over de omgang met geheimhouderscommunicatie in Sassenheim van 31 oktober 2018 (AD 03 PGP p. 648). Daarin staat namelijk dat het onderzoek daarnaar pas in juni 2018 aanvangt. Verder, zo betoogt de verdediging, strookt de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 5 maart 2021 (pagina 36) waar staat dat een tweede controle heeft plaatsgevonden niet met de informatie uit de brief van 23 november 2020 waaruit volgt dat de transitielogbestanden pas sinds april 2019 beschikbaar zijn. De derde tegenstrijdigheid betreft volgens de verdediging, kort gezegd, een tegenstrijdigheid in de communicatie tussen het zaaks-Openbaar Ministerie De Vink enerzijds en het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo anderzijds. Naar aanleiding van het vonnis in de zaak Tandem II van 19 april 2018 heeft het zaaks-Openbaar Ministerie De Vink op 1 oktober 2018 geschreven dat ook de strafrechtelijke onderzoeken die gebruik maken van datasets van Ennetcom-data erop zijn gewezen dat ze oog moeten hebben voor doorgestuurde berichten en voorts scherp moeten zijn op geheimhoudersinformatie. Het zaaks-Openbaar Ministerie Marengo heeft in een e-mail van 10 mei 2019 aan de raadsvrouw van [verdachte 5] echter geschreven: “U heeft ons nu geattendeerd op de beslissing van de rechtbank van 19 april 2018, dit vonnis dateert van na de toestemming van de rechter-commissaris.” Dit lijkt niet alleen in strijd met hetgeen het Openbaar Ministerie stelt in De Vink over het informeren van andere onderzoeken maar de verdediging acht ook zeer onaannemelijk dat het Openbaar Ministerie die uitspraak Tandem II niet zou hebben gekend totdat het daarop door mr. Splinter was gewezen, aldus de verdediging.
47. Het Openbaar Ministerie heeft bij dupliek geantwoord dat geen sprake is van tegenstrijdigheden. Het feit dat de officier van justitie op 4 december 2017 heeft gemeld dat in de Sassenheim-data geen geheimhoudersberichten waren aangetroffen, verhoudt zich prima met het feit dat daarvan op 8 januari 2018, een maand later, proces-verbaal wordt opgemaakt. In 2018 heeft een tweede controle plaatsgevonden naar aanleiding van het beschikbaar komen van de berichten uit de transitielogs en dat is niet strijdig met de opmerking uit de brief van 23 november 2020, dat de berichten uit de transitielogs pas in april 2019 beschikbaar zijn. Die tweede controle vond immers plaats in de brondata en pas na afronding van die controle konden de berichten worden vrijgegeven aan andere onderzoeken. Voor Marengo kwamen deze berichten er pas in april 2019, aldus het Openbaar Ministerie.
48. De rechtbank kan deze toelichting van het Openbaar Ministerie niet helemaal volgen. In de eerste plaats wordt bij dupliek verwezen naar een proces-verbaal van 8 januari 2018, maar dat proces-verbaal, LERDA 15008-1450 (AD 03 PGP p. 317), ziet niet op Sassenheim maar op het schoningsproces in De Vink. In de schriftelijke reactie van 5 maart 2021 verwijst het Openbaar Ministerie voor de eerste controle in Sassenheim, waarbij geen adressen van geheimhouders zijn onderkend, naar het proces-verbaal van 31 oktober 2018 (AD 03 PGP p. 648). Dit is vooralsnog ook niet goed te volgen omdat uit dat proces-verbaal blijkt dat toen wel een aantal e-mailadressen als mogelijk in gebruik bij geheimhouders is onderkend (bijlage 3). Mogelijk is er ook een proces-verbaal van 8 januari 2018 in Sassenheim maar dat heeft de rechtbank vooralsnog niet aangetroffen in het einddossier. Waar het Openbaar Ministerie vervolgens schrijft dat de tweede controle in Sassenheim (en De Vink) in juni 2018 is verricht en welke controle heeft geleid tot het onderkennen van zeven mailadressen die mogelijk in gebruik waren bij geheimhouders, doelt het Openbaar Ministerie mogelijk op genoemd proces-verbaal van 31 oktober 2018 (AD 03 PGP p. 648). Hierin wordt echter niet, althans niet expliciet, vermeld dat het hier een tweede controle betreft, en ook niet dat deze plaatsvindt in verband met het beschikbaar komen van berichten uit transitielogbestanden. Bovendien kan de rechtbank het Openbaar Ministerie niet goed volgen in de stelling dat de brondata in verband met het beschikbaar komen van de berichten uit de transitielogbestanden (al) medio juni 2018 zijn onderzocht op geheimhouderscommunicatie. Uit onder andere de beantwoording op pagina 6 van de rapportage van [naam NFI deskundige 1 ] (AD 03 PGP p. 754) heeft de rechtbank namelijk begrepen dat de berichten uit de transitielogbestanden pas zichtbaar konden worden gemaakt met de “31.2.1 release” – de uitbreiding – van Hansken die volgens [naam NFI deskundige 1 ] omstreeks 12 april 2019 released is. Dit lijkt erop te duiden dat die berichten ook voor de onderzoeken Sassenheim en De Vink niet eerder dan 12 april 2019 beschikbaar waren. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie om het voorgaande voor de rechtbank en verdediging op te helderen, zo nodig met voeging van eventuele beschikbare processen-verbaal uit onderzoek Sassenheim die zich nog niet in het einddossier bevinden. De rechtbank ziet voorshands geen aanleiding het Openbaar Ministerie op te dragen uitleg te geven over de derde gestelde tegenstrijdigheid. Het gaat hier volgens de rechtbank namelijk niet zozeer om een op te helderen tegenstrijdigheid. Het betreft veeleer een weergave van niet betwiste correspondentie waar de verdediging haar vraagtekens bij zet, welke vraagtekens zij zo nodig bij de inhoudelijke behandeling kan vertalen in standpunten en/of te voeren verweren.
Slotsom
49. De slotsom is dat de verzoeken van de verdediging ten aanzien van de verzochte beantwoording van vragen worden afgewezen, met uitzondering van de vragen onder 39 (verzoek/opdracht aan het NFI tot samenstelling dataset en plan van aanpak feitelijk gevolgd), 45 (de handleiding) en onder 48 (opheldering over ingenomen standpunten Openbaar Ministerie over het schoningsproces Sassenheim).
Horen [naam getuige 1]
Standpunt verdediging
50. De verdediging van [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] verzoekt om het horen als getuige van [naam getuige 1] , eigenaar/medewerker van [naam bedrijf] , over, kort gezegd, storingen en technische problemen bij Ennetcom en het aanmaken en hergebruik van e-mailadressen. De verdediging wil de getuige bevragen over de gevolgen die deze problemen hebben voor de data op de servers die nu als bewijs worden gepresenteerd.
Standpunt Openbaar Ministerie
51. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Daartoe heeft het verwezen naar wat het in de schriftelijke reactie van 5 maart 2021 over de integriteit en infrastructuur van Ennetcom reeds uiteen heeft gezet.
Oordeel rechtbank
52. De rechtbank stelt voorop dat het dossier al informatie bevat over integriteitsproblemen en storingen die zich bij Ennetcom hebben voorgedaan. Zo bevindt zich in het dossier het rapport van 16 januari 2018 van Ing. [naam deskundige 2] (hierna: [naam deskundige 2] ) van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, opgemaakt op aanvraag van mr. I.N. Weski voor haar cliënten [naam cliënt 1] en [naam cliënt 2] (AD 03 PGP p. 787). [naam deskundige 2] heeft ten behoeve van zijn rapportage vijf personen gehoord, waaronder de verzochte getuige [naam getuige 1] , [naam getuige 2] en [naam getuige 3] . Van deze laatste twee personen heeft de verdediging ook verklaringen overgelegd met betrekking tot integriteits- en veiligheidsproblemen die zich volgens hen bij Ennetcom hebben voorgedaan. [naam deskundige 2] heeft in zijn rapport routingproblemen, mogelijkheden tot spoofen, hacks, DDos-aanvallen en de infectie van het Ennetcom netwerk met een worm beschreven. In het licht van de informatie die over de problemen bij Ennetcom aldus beschikbaar is, is onvoldoende onderbouwd welk belang de verdediging nog heeft bij het horen van de getuige op dat punt. De rechtbank acht voorts niet voldoende onderbouwd dat [naam getuige 1] kan verklaren over de consequenties die deze problemen voor de integriteit en betrouwbaarheid van de zich in het dossier bevindende PGP-berichten hebben gehad. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de getuige [naam getuige 1] dan ook af, omdat niet is gebleken dat het horen van deze getuige van belang is voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv.
Raadplegen van de PGP-data in (de software van) Hansken via een inlogmogelijkheid op kantoor
53. Ten aanzien van het verzoek van de verdediging van [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] om een inlogmogelijkheid (vanaf kantoor) in Hansken om de PGP-data met Hansken te kunnen doorzoeken, overweegt de rechtbank het volgende. [naam NFI deskundige 2] heeft in zijn verhoor van 12 februari 2018 gesproken over het ontwikkelen van een dergelijk ‘remote access platform’ voor Hansken. Uit de toelichting van het Openbaar Ministerie volgt echter dat een dergelijke inlogmogelijkheid feitelijk nog niet, ook niet voor de officieren van justitie vanaf de eigen werkplek, beschikbaar is, ook al zijn inmiddels ruim drie jaar verstreken. Desgevraagd door de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie ter zitting nog geantwoord dat ook niet de verwachting bestaat dat een dergelijke mogelijkheid op afzienbare termijn gerealiseerd kan worden. Reeds hierom kan het verzoek van de verdediging op dit punt niet worden toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.
Verzoek dat de rechtbank in Hansken de dataset doorzoekt
54. Het (herhaalde) verzoek van de verdediging, dat de rechtbank de dataset met Hansken doorzoekt, eventueel op een nader daarvoor te plannen zittingsdag, wordt afgewezen. De rechtbank begrijpt dat de verdediging hiermee beoogt het verschil inzichtelijk te maken tussen de mogelijkheden van de huidige wijze van inzien voor de verdediging enerzijds en de middelen die het Openbaar Ministerie daartoe heeft anderzijds. De rechtbank ziet hiertoe echter onvoldoende aanleiding. Het gaat er immers om of met de huidige inzagemogelijkheden voldoende gelegenheid wordt geboden om een adequate verdediging te voeren. Voor die beoordeling is niet nodig dat de rechtbank zelf gaat zoeken met Hansken in de dataset.
Verzoek om toegang tot alle brondata
55. Ook het (herhaalde) verzoek om toegang tot alle brondata die zijn veiliggesteld in De Vink en Sassenheim wordt afgewezen. De verdediging wenst daarmee in feite verdergaande toegang tot de Ennetcom-data en PGP-safe-data te verkrijgen dan het Openbaar Ministerie heeft. Daartoe is geen aanleiding. Bovendien zou een dergelijke vergaande toegang tot de Ennetcom-data in strijd zijn met de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden voor toegang tot die data. Voor zover de verdediging meent dat specifieke berichten, die zich nog niet in de dataset bevinden, aan het dossier zouden moeten worden toegevoegd, kan zij zich wenden tot de rechter-commissaris met een onderbouwd verzoek, bijvoorbeeld met opgave van relevante zoektermen, om de dataset te laten uitbreiden.
Verzoeken met betrekking tot de inzage in de dataset
56. De rechtbank zal de verzoeken van de verdediging van [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 9] en [verdachte 8] met betrekking tot de huidige wijze van inzage in de dataset, vanwege de samenhang, hierna gezamenlijk bespreken.
57. De verdediging heeft in de schriftelijke termijn van 18 februari 2021 en ter zitting van 12 maart 2021 naar aanleiding van de PGP-inzagedag van 11 maart 2021 (herhaalde) verzoeken gedaan tot het ter beschikking stellen van de dataset aan de raadsman en aan de verdachte. Een aantal andere raadslieden heeft zich ter zitting van 12 maart 2021 bij deze verzoeken aangesloten. De motivering van die verzoeken komt er in de kern op neer dat de verdediging meent dat de huidige voorzieningen die met betrekking tot die inzage worden geboden en regels die daarbij gelden, onwerkbaar zijn gebleken. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
De Marengo dataset behoort niet tot de processtukken
58. Net als in de eerdere beslissingen van 13 maart 2020, 4 juni 2020 en 29 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4764), stelt de rechtbank ook nu voorop dat de dataset geen deel uitmaakt van de processtukken en er (dus) geen recht bestaat op verstrekking van die volledige dataset. De verdediging heeft wel recht op inzage, zodat zij kan beoordelen of er specifieke berichten zijn die zij toegevoegd zou willen zien aan de processtukken. De wet schrijft echter niet voor dat ten behoeve van deze beoordeling aan de verdachte en zijn advocaat een afschrift zou moeten worden verstrekt van alle resultaten van opsporing. Het gaat er dan ook niet om of sprake is van vertrouwen in de verdediging, zoals mr. Meijering heeft betoogd, maar – als gezegd – om het uitgangspunt dat geen afschrift wordt verstrekt van alle onderzoeksresultaten. De officier van justitie heeft, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 6 van het Besluit processtukken in strafzaken, een centrale rol als het gaat om de voorwaarden waaronder inzage in niet tot de processtukken horende stukken kan plaatsvinden. Bij die inzage moet, zo stelt de officier van justitie, rekening worden gehouden met het feit dat het om privacygevoelige gegevens gaat waar zorgvuldig mee omgegaan moet worden. Het gaat immers om een zeer grote hoeveelheid (persoonlijke) berichten van verschillende deelnemers. In herinnering kan worden gebracht dat het Openbaar Ministerie op de zittingen van 27 en 28 februari en 6 maart 2020 in dit verband heeft toegelicht dat ‘slechts’ 10% van de (toen nog circa 610.000) berichten bestaat uit communicatie die volgens de politie is toe te schrijven aan de PGP-lijnen van verdachten en de overige 90% van de berichten volgens de politie gaat om communicatie van derden of van verdachten op tot heden niet geïdentificeerde PGP-lijnen. Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor of de geboden wijze van inzage de verdediging voldoende mogelijkheid biedt om een adequate verdediging te voeren.
Huidige inzage mogelijkheden in de dataset
59. Sinds 10 februari 2020 wordt aan de verdediging inzage in de dataset geboden doordat de dataset op afspraak bij de politiebureaus in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht kan worden ingezien, en daarnaast ook op afspraak kan worden ingezien op een laptop in de penitentiaire inrichting in aanwezigheid van de gedetineerde cliënt. Voor de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI) in Vught geldt dat op afspraak twee laptops met daarop de dataset beschikbaar zijn, zodat aan beide zijden van de glazen wand een laptop beschikbaar is. Bij deze inzagemogelijkheden kan desgewenst ook een laptop met het digitale dossier worden verstrekt. Verder bestaat voor de verdediging de mogelijkheid om (via de officier van justitie) een specifiek bericht nader door het NFI te laten onderzoeken, dan wel om zelf op afspraak bij het NFI in de dataset te zoeken met behulp van Hansken. Ten slotte is aan elke raadsman een laptop verstrekt met daarop de zogenoemde ‘eigen PGP-lijnen’. Daarop staan de berichten van alle lijnen die door de politie worden toegeschreven aan de door die raadsman bijgestane verdachte.
Voldoet deze huidige wijze van inzage?
Snel en efficiënt zoeken
60. Mrs. Van den Boom en Wijburg hebben de rechtbank een aantal voorbeelden van zoekslagen getoond. De officier van justitie heeft daarbij toelichting en tips gegeven waarmee het zoekproces efficiënter en sneller zou kunnen. De rechtbank heeft kunnen constateren dat de zoekslagen na dergelijke aanwijzingen sneller verliepen. De resultaten verschenen dan doorgaans snel. Alleen in de gevallen waarin niet efficiënt met een enkele zoekterm in de dataset werd gezocht, duurde het langer. Niettemin verscheen het resultaat vervolgens, waarbij het langste wachten circa twee minuten en veertig seconden duurde. Met de terechte kanttekening van mr. Splinter, dat het laptopscherm kleiner is dan de schermen voor de overige procesdeelnemers op zitting, heeft de rechtbank ook vast kunnen stellen dat de berichten die werden gevonden goed leesbaar waren, dat bij de weergave van de zoekresultaten ook andere berichten ‘rondom’ die resultaten in beeld kwamen en dat de metadata van een bericht konden worden opgezocht. Aan mr. Wijburg, die daar nog niet over bleek te beschikken, is de handleiding voor de inzage inmiddels ook verstrekt. De rechtbank heeft geconstateerd dat op momenten dat de raadslieden zich hardop afvroegen hoe een bepaald zoekproces het beste kon worden aangevangen dan wel kon worden vervolgd, het antwoord, bij gelegenheid op aanwijzen van de officier van justitie, in de handleiding bleek terug te vinden. Soms ging het daarbij echter ook om informatie die de officier van justitie kon verstrekken over algemeen bekende zoekfunctionaliteiten in Excel en PDF. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zoekmogelijkheden op de inzage laptops de verdediging in beginsel voldoende in staat stellen de dataset op efficiënte wijze te doorzoeken.
Controle metadata
61. Aparte bespreking in het kader van het efficiënt zoeken behoeft de door mr. Van den Boom geuite wens om de metadata en de byte-to-byte weergave van de berichten in de dataset op te zoeken. Ter zitting is vastgesteld dat dit in ieder geval niet nodig is om te controleren of in de inzage-set wijzigingen zijn aangebracht. Bij het afsluiten van het Excel-inzagebestand verschijnt weliswaar een melding met de vraag of de gebruiker wijzigingen wil opslaan, maar ter zitting is vastgesteld dat het aanbrengen van wijzigingen niet mogelijk is omdat het een ‘read only’ bestand is. Voorts heeft de officier van justitie toegelicht dat de inhoud van de Excelbestanden rechtstreeks afkomstig is uit Hansken. De rechtbank begrijpt daaruit dat de tekst niet is overgetypt, zoals de verdediging veronderstelt. Ook is toegelicht dat en waarom alleen op het ondergeschikte punt van de bijzondere leestekens een verschil kan zitten tussen de weergave in Excel en Hansken. Bij geen van de gedemonstreerde voorbeelden heeft de rechtbank overigens geconstateerd dat er verschil zit in de weergave van de tekst van het bericht in Excel en de byte-to-byte weergave. De rechtbank heeft verder geconstateerd dat de verdediging, nadat zij de vervolgens opgezochte metadata bij een bericht had gevonden en kon tonen, liet weten niet goed in staat te zijn deze te interpreteren. Ter zitting heeft mr. Van den Boom aangegeven dat de benoeming van een deskundige (ook) noodzakelijk is om uitleg te kunnen geven over de betekenis van deze metadata. Die noodzaak ziet de rechtbank echter niet. Indien de verdediging uitleg wenst over deze (veelal technische) data, heeft zij de mogelijkheid om hierover via de officier van justitie uitleg te vragen aan de politie. Ook kan zij zelf eventueel literatuur of deskundigen raadplegen om nadere uitleg over de duiding van deze data te krijgen. Als de verdediging daadwerkelijk de metadata van alle berichten op deze wijze wil controleren, is dat inderdaad tijdrovend. Voorshands is de rechtbank echter niet overtuigd van de noodzaak van een dergelijke intensieve controle, en zo al noodzakelijk, waarom niet met een steekproef en/of het selecteren van specifieke berichten zou kunnen worden volstaan. Voorshands is de rechtbank dan ook met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de keuze om hieraan veel tijd te besteden zonder deze data goed te kunnen duiden, voor rekening van de verdediging komt. Voor zover de verdediging in de metadata zou willen nagaan of berichten zijn gespoofd, heeft het Openbaar Ministerie in dit verband nog laten weten dat de politie na onderzoek heeft vastgesteld dat tussen de aan verdachten toegeschreven berichten in de dataset geen gespoofde berichten zitten, dat daarvan proces-verbaal zal worden opgemaakt en dat dit in het dossier zal worden gevoegd.
Specifieke voorbeelden
62. Ten aanzien van de specifieke voorbeelden die de verdediging heeft getoond, heeft het Openbaar Ministerie ter zitting voor een deel direct uitleg kunnen geven. Dit ziet bijvoorbeeld op de vragen hoe de verdediging kan zien of voor het opzoeken van een bepaald bericht in het Ennetcom-bestand of in het PGP-safe-bestand moet worden gezocht en waar de verdediging recenter in de dataset gevoegde berichten moet zoeken. Ook is bijvoorbeeld toegelicht dat in de inzage-set geen foto’s zichtbaar worden, reden waarom in het geval een bericht alleen een foto betreft alleen een wit vlak zichtbaar wordt. De desbetreffende foto is wel zichtbaar in Hansken en als de verdediging dit wil, kan zij dat bij het NFI met inzage in Hansken controleren. Voor zover het Openbaar Ministerie nog niet op de andere (vragen naar aanleiding van) voorbeelden heeft gereageerd, heeft het toegezegd te streven binnen twee weken die vragen te beantwoorden.
Laptops eigen lijnen
63. Mr. Wijburg heeft problemen beschreven met de snelheid van zoeken op de verstrekte laptop met de ‘eigen lijnen’. Deze bevatten geen Pdf-bestanden waarmee makkelijker gewerkt zou kunnen worden. Ook is de laptop traag, loopt hij op een achterhaald besturingssysteem en beschikt hij niet over Office maar over een gratis programma met een andere interface, aldus de raadsman. De officier van justitie heeft hierop ter zitting reeds gereageerd en in aanvulling daarop aangeboden op de laptops met de ‘eigen lijnen’ ook een doorzoekbaar Pdf-bestand te plaatsen en de laptop te updaten met de nieuwste versie van de software. De rechtbank gaat ervan uit dat daarmee voldoende tegemoet is gekomen aan deze geuite bezwaren.
Praktische bezwaren bij inzage
64. De verdediging heeft gesteld, samengevat, dat de wijze van inzage in de penitentiaire inrichtingen, waaronder de EBI, en de politiebureaus op vele praktische bezwaren stuit. Mr. Wijburg heeft in dit verband inzichtelijk gedemonstreerd hoe lastig het is om met aan elke kant van de glazen wand een laptop, de dataset goed te doorzoeken en gevonden resultaten met de verdachte te bespreken, waarbij ook nog rekening ermee moet worden gehouden dat verdachte en raadsman niet dezelfde handigheid op de laptop hebben.
65. Hoezeer de rechtbank zich ook realiseert dat de inzage in de dataset op praktische problemen stuit en tijdrovend is, het geeft onvoldoende aanleiding om de officier van justitie te bevelen in het kader van de inzage de dataset aan de raadsman en verdachte te verstrekken. De argumenten van de officier van justitie om dat niet te doen – zoals hiervoor weergegeven onder 58. – acht de rechtbank valide. Daarbij overweegt de rechtbank dat de mogelijkheden die verdediging in de zaak Marengo thans heeft voor inzage – zoals opgesomd onder 59. – voorshands voldoende worden geacht om een adequate verdediging te kunnen voeren. De rechtbank betrekt daarbij dat de diverse verdedigingen nog geen gebruik hebben gemaakt van alle geboden faciliteiten. Ook betrekt de rechtbank daarbij dat de omstandigheid dat inzage veel tijd kost enigszins gecompenseerd wordt door de omstandigheid dat er, gezien de verwachte duur van het proces, ook veel tijd is om deze inzage te doen. Waar mr. G.N. Weski ten slotte nog heeft gewezen op de in een ander onderzoek wel toegestane mogelijkheid dat bij de inzage bij het NFI foto’s van berichten mogen worden gemaakt, leidt dit niet tot een ander oordeel, reeds omdat de rechtbank de feiten en omstandigheden die daartoe in die zaak aanleiding hebben gegeven niet kent.
Slotsom
66. De rechtbank is van oordeel dat, ook nadat de verdediging op de PGP-inzagedag van 11 maart 2021 heeft getoond welke problemen zij ervaart bij die inzage, onvoldoende aanleiding bestaat om de officier van justitie te bevelen dat aan de verdediging meer inzagemogelijkheden moeten worden verleend dan waarover zij nu al beschikt.
Eventuele andere verzoeken
67. Voor zover de verdediging in het kader van de PGP-regiezitting andere verzoeken heeft gedaan waarop nog niet is beslist, kunnen deze op een volgende regiezitting aan de orde worden gesteld.
Uitspraak 29‑01‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissingen op onderzoekswensen 26Marengo
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de pro formazitting van 13, 14 en 15 januari 2021
Beslissing in de zaken van alle verdachten
Verzoek met betrekking tot inzage in het verificatiejournaal
Verzoek van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank verzocht, conform de overwegingen van de rechter-commissaris, het verzoek van de verdediging tot inzage van het verificatiejournaal alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt het Openbaar Ministerie deze inzage te verstrekken overeenkomstig de (subsidiair) door de rechter-commissaris verleende machtiging “tot het weigeren van de kennisneming van het complete verificatiejournaal, met uitzondering van de in de vordering voorgestelde delen daarvan”. Dit betreffen het (deels gezwarte) samengevatte verificatiejournaal en de samenvattende Excel-bestanden, waarin wordt weergegeven op welke onderdelen (tactische aanwijzingen) de kluisverklaringen zijn onderzocht en tot welk voorlopig oordeel dit heeft geleid.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich hiertegen verzet en verzocht om volledige inzage, dan wel ten minste de beslissing van de rechtbank van 17 november 2020 in stand te laten.
Eerdere beslissing van de rechtbank
Naar aanleiding van de nadere toelichting van het Openbaar Ministerie op 28 oktober 2020 met daaraan gekoppeld een verzoek om herziening van de eerdere beslissing, heeft de rechtbank op 17 november 2020 beslist dat de wijze van inzage – en daarbij de beoordeling of de door de officier van justitie wenselijk geachte tussenstap noodzakelijk is – ter beoordeling aan de rechter-commissaris was.
De vordering van het Openbaar Ministerie en de beslissing van de rechter-commissaris
Uit de vordering van het Openbaar Ministerie van 29 december 2020 en de daarop genomen beslissing van de rechter-commissaris van 31 december 2020 maakt de rechtbank het volgende op.
De vordering bevat een voorstel voor een wijze waarop de inzage zou kunnen worden verleend. Aan de verdediging kan het samengevatte, deels gezwarte, verificatiejournaal ter beschikking worden gesteld en daarnaast samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden. Daarbij is vermeld dat uit de kluisverklaringen van de kroongetuige 222 tactische aanwijzingen konden worden gedestilleerd. Hiervan konden er 90 worden geverifieerd en 35 konden er deels worden geverifieerd. 97 aanwijzingen konden niet worden geverifieerd. Er waren geen aanwijzingen die konden worden gefalsificeerd. De rechter-commissaris heeft wederom het verificatiejournaal in kunnen zien en heeft bevestigd dat geen van de aanwijzingen konden worden gefalsificeerd. De rechter-commissaris heeft de rechtbank in overweging gegeven om haar tussenbeslissingen van 29 september 2020 en 17 november 2020 in zoverre te herzien dat alsnog kennisname (in enige vorm) van het verificatiejournaal mag worden geweigerd.
Overwegingen van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is de door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie omtrent de inhoud en status van het verificatiejournaal lange tijd weinig helder geweest. Dit geldt voor de algemeen gestelde informatie over het verificatiejournaal/de rapportage van verificatie en falsificatie, genoemd in de vordering 226g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 27 december 2017, de getuigenverhoren van de TBG-officier van justitie in januari 2020 en de mededelingen van het zaaks-Openbaar Ministerie op de zitting van augustus/september 2020. Pas op 28 oktober 2020 is expliciet melding gemaakt van het zeer precaire karakter van onder andere in het verificatiejournaal opgenomen zogenoemde ‘dubbel-nul informatie’. Het aantal tactische aanwijzingen, al dan niet verifieerbaar, is voor het eerst bekend geworden uit de vordering van 29 december 2020. In deze vordering is het eerder gedane aanbod van het Openbaar Ministerie concreet uitgewerkt, in die zin dat er een samengevat, deels gezwart, verificatiejournaal ter beschikking kan worden gesteld en daarnaast samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden. De rechtbank heeft in haar beslissing van 17 november 2020 onderkend dat de delen van dit journaal met enig
afbreukrisico afgeschermd dienen te blijven, maar dat doet er niet aan af dat de verdediging er belang bij kan hebben om de overige in dit journaal onderzochte tactische aanwijzingen te kennen, al was het maar omdat zij mogelijk in staat is deze (al dan niet (deels) niet geverifieerde aanwijzingen) te ontkrachten. Die afschermingsbelangen zijn thans ondervangen.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank ziet alles afwegend daarom geen aanleiding om terug te komen op haar eerdere beslissing en bepaalt dat het samengevatte, deels gezwarte, verificatiejournaal en de samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden – overeenkomstig de vordering van 29 december 2020 – ter inzage aan de verdediging dienen te worden verstrekt op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze.
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 1] , inhoudende het als getuige horen van de twee verbalisanten die in 2017 het verificatie-
/falsificatieonderzoek hebben verricht, wordt afgewezen. Daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslissing in de zaken van verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9]
Verzoeken met betrekking tot de Dubai-observatie
Inleiding
De rechtbank heeft bij beslissing van 29 september 2020 bepaald dat processen-verbaal moesten worden opgemaakt waarin wordt uiteengezet hoe de observatie van mrs. Meijering en Van Kleef heeft plaatsgevonden, op basis van welke informatie en wat er daadwerkelijk is gebeurd in Nederland en Dubai. Daarbij verwachtte de rechtbank in ieder geval ook een gedetailleerde weergave wat precies aan de autoriteiten van Dubai is gevraagd, welke informatie daarbij met Dubai is gedeeld en op welke wijze Dubai hier uitvoering aan heeft gegeven.
Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens een aantal processen-verbaal aan het dossier toegevoegd:
- -
een proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Landelijke Eenheid van 23 september 2020;
- -
een proces-verbaal van hoofdinspecteur van politie [hoofdinspecteur] van 24 november 2020;
- -
een TCI-proces-verbaal van 18 juni 2019;
- -
een proces-verbaal aanvraag vordering persoonlijke gegevens van 19 juni 2020;
- -
een (bevestiging van een) vordering verstrekking toekomstige gegevens van 21 juni 2019;
- -
een proces-verbaal van observeren van 5 juni 2019;
- -
een proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie] van 6 januari 2021.
Verzoeken van de verdediging van verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 5] , [verdachte 1] en
[verdachte 6]
De verdediging van voornoemde verdachten verzoekt zeven Nederlandse ambtenaren en twee medewerkers van de Dubai Police te (doen) horen als getuige. Daarnaast verzoekt zij de rechtbank het Openbaar Ministerie opdracht te geven om:
- -
een nader TCI-proces-verbaal op te (laten) maken;
- -
alle schriftelijke communicatie tussen het Team Generieke Opsporing en de liaison officer en tussen de liaison officer en de Dubai Police aan de verdediging te verstrekken;
- -
alle foto’s te verstrekken die tijdens de observatie zijn gemaakt;
- -
de volledige resultaten te verstrekken van de vordering reisgegevens;
- -
alle gegevens te verstrekken die zijn verzocht aan de Dubai Police en van de Dubai Police zijn ontvangen in verband met het verzoek op 19 juni 2019.
De verdediging betoogt daartoe, kort gezegd, dat uit de door het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken niet blijkt van een zorgvuldige belangenafweging bij de besluitvorming, onder andere omdat de TCI-informatie dat mr. Meijering verdachte [verdachte 9] zou gaan ontmoeten, geen betrouwbaarheidsoordeel bevat. Verder is onduidelijk hoe invulling zou worden gegeven aan de observatie en hoe die observatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en ontbrak normale verslaglegging.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in de stukken, en in het bijzonder in het proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie] van 6 januari 2021, beschreven wordt welke afwegingen een rol hebben gespeeld bij het besluit om te gaan observeren. Wel merkt de verdediging terecht op dat uit het proces-verbaal van mr. [officier van justitie] niet blijkt hoe het Openbaar Ministerie tot het oordeel is gekomen dat er geen sprake was van mogelijke gevaarzetting voor de betrokken advocaat. Het Openbaar Ministerie wordt verzocht een nader proces-verbaal op te doen maken door mr. [officier van justitie] , om dit punt toe te lichten.
Verder heeft het Openbaar Ministerie aangegeven de TCI-officier van justitie te zullen vragen om de achtergrond toe te lichten van het ontbreken van de bron van informatie en van het betrouwbaarheidsoordeel.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank sluit niet uit dat in de toekomst een verhoor van de toenmalige liaison officer in Dubai zal moeten plaatsvinden, om nadere vragen te kunnen stellen over de gang van zaken bij en rond de observatie. Op dit moment zal de rechtbank geen verder onderzoek gelasten, omdat er nog nadere informatie verwacht wordt. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat (naast de eerder vermelde toelichtingen door officier van justitie mr. [officier van justitie] en de TCI- officier van justitie) ook nog een proces-verbaal zal worden gevoegd met betrekking tot de informatie over verdachte [verdachte 9] die met Dubai is gedeeld. Verder is er een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) gedaan aangaande het observatiemateriaal en eventuele andere relevante informatie met betrekking tot de observatie. De verzoeken worden in zoverre nu dus afgewezen.
Verzoeken van de verdediging van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 8] , [verdachte 9] en [verdachte 4]
De verdediging van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] heeft verzocht mr. [officier van justitie] , de liaison officer in Dubai, de hoofdofficier van justitie, de recherche-officier van justitie (beiden van het Landelijk Parket) en de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te (doen) horen als getuigen, en verschillende onderliggende stukken te doen voegen. Daartoe ziet de rechtbank thans geen aanleiding, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.
De verdediging van verdachte [verdachte 4] heeft zich aangesloten bij de hiervoor genoemde verzoeken van mrs. Flokstra, Meijering en I.N. Weski. De rechtbank verwijst daarom naar hetgeen hiervoor is overwogen.
De rechtbank merkt op dat het Openbaar Ministerie heeft toegezegd dat de resultaten van de vordering TRIP-gegevens ter inzage zullen worden gegeven aan kantoor Ficq & Partners, waarna overleg zal plaatsvinden tussen dat kantoor en het Openbaar Ministerie over eventuele voeging in het dossier. Een beslissing van de rechtbank is op dit punt dan ook niet nodig.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 10] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9]
Verzoeken met betrekking tot getuige [getuige 1]
Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en de tolk
De verdediging heeft (opnieuw) verzocht om het (doen) horen als getuige van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , alsmede de toenmalige tolk, die bij het verhoor van [getuige 1] op 21 en 22 maart 2018 in Marokko aanwezig waren. Op deze verzoeken heeft de rechtbank reeds beslist op 17 november 2020. Het verzoek om de desbetreffende verbalisanten te horen is toegewezen en deze verhoren zullen gaan plaatsvinden bij de rechter-commissaris. Het verzoek om het horen van de tolk is bij die beslissing afgewezen. De rechtbank verwijst daarnaar. De verdediging heeft geen argumenten aangevoerd die maken dat de rechtbank hierover nu anders oordeelt.
Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]
De verdediging heeft aanvullend verzocht om het (doen) horen als getuige van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , die [getuige 1] in oktober 2018 in Marokko hebben verhoord. Daartoe is aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen van deze verbalisanten van 18 november 2020 slechts algemene opmerkingen geeft over dat verhoor, niet over de inhoud, of
wat verder over en rond dat verhoor heeft plaatsgevonden en ook niets over de bejegening van [getuige 1] in de periode sinds zijn aanhouding in Marokko.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 18 november 2020 blijkt dat zij [getuige 1] niet hebben verhoord, zoals de verdediging stelt, maar dat zij alleen aanwezig waren bij het verhoor door de Marokkaanse politie op 10 oktober 2018.
Verder volgt uit de toelichting van het Openbaar Ministerie dat het tot heden geen toestemming heeft verkregen van de Marokkaanse autoriteiten voor het gebruik van het verhoor. Wel heeft het Openbaar Ministerie het desbetreffende rechtshulpverzoek aan Marokko aan het einddossier toegevoegd en hebben de verbalisanten (dus) een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over wat zij hebben waargenomen tijdens hun aanwezigheid bij het verhoor van [getuige 1] op 10 oktober 2018. Het staat het Openbaar Ministerie echter niet vrij om inhoudelijke informatie van dit verhoor te delen. Dat geldt ook voor de bij het verhoor aanwezige Nederlandse politiemensen. Reeds hierom moet het verzoek tot het horen van de verbalisanten worden afgewezen. In hetgeen de verbalisanten (wel) hebben kunnen verklaren over de omstandigheden rond dit verhoor en de bejegening van [getuige 1] tijdens dit verhoor ziet de rechtbank bovendien, en mede bezien tegen de achtergrond dat (nog) geen toestemming voor het gebruik van het verhoor is verkregen, geen aanleiding de verbalisanten te horen. Dat de verbalisanten iets zouden kunnen verklaren over de bejegening van [getuige 1] sinds zijn aanhouding in Marokko volgt niet uit hun proces-verbaal van bevindingen. Het verzoek wordt afgewezen.
Beslissing in de zaken van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9]
Verzoek met betrekking tot inzage in het onderzoeksdossier
De verdediging heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om de verdediging inzage te geven in het onderzoeksdossier, althans in de resultaten van de ingezette opsporingsmiddelen, om op die wijze een verzoek tot voeging van die stukken te kunnen onderbouwen.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank overweegt het volgende. Er bestaat voor de verdediging geen ongeclausuleerd recht op inzage in alle onderzoeksresultaten. Het strafdossier (en met name het daarvan deel uitmakende BOB-dossier) bevat een uitgebreide weergave van de ingezette opsporingsmiddelen. Op basis daarvan kan de verdediging gericht (en gemotiveerd) bij het Openbaar Ministerie aangeven in welke onderzoeksresultaten zij inzage wenst. Het verzoek zoals dat thans – breed en slechts met een algemene onderbouwing – is geformuleerd, wordt daarom afgewezen.
Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 9]
Verzoeken met betrekking tot de opsporing, aanhouding, uitzetting en overbrenging naar Nederland
Inleiding
Bij beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank – kort gezegd – de verzoeken van de verdediging namens verdachte [verdachte 9] tot het horen van verschillende getuigen afgewezen, en bepaald dat processen-verbaal van bevindingen worden opgemaakt door een aantal personen die namens de Nederlandse overheid betrokken waren bij de gang van zaken rond de opsporing, aanhouding, uitzetting en overbrenging van verdachte [verdachte 9] naar Nederland.
Inmiddels is een aantal processen-verbaal en verklaringen in het dossier gevoegd. Het Openbaar Ministerie heeft opgemerkt dat er nog een proces-verbaal zal volgen van de verbindingsambtenaar IRC-LE over de informatie die met de autoriteiten van de VAE is gedeeld. Verder is een rechtshulpverzoek uitgegaan naar de autoriteiten van de VAE waarin wordt gevraagd om eventueel beeldmateriaal van verdachte [verdachte 9] en door hem ondertekende documenten.
Onderliggende stukken en beeldmateriaal
De verdediging verzoekt nu om verstrekking van onderliggende stukken en beeldmateriaal die worden benoemd in de gevoegde processen-verbaal en verklaringen. Zij wijst in dat verband op de arresten van het EHRM inzake [partij] van 7 juli 1989 (NJ 1990, 158) en van het EU Hof van Justitie van 9 oktober 2019 (ECLI:EU:C:2019:849). Die arresten geven de verdediging naar het oordeel van de rechtbank echter geen grondslag om extra stukken ter beschikking te krijgen. De verzoeken om stukken dienen te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium, maar op grond van de goede procesorde past daarbij in dit geval nuancering en beoordeelt de rechtbank deze verzoeken aan de hand van het verdedigingsbelang. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbelang ten aanzien van het verzoek om (onderliggende) stukken onvoldoende is onderbouwd. Het verdedigingsbelang strekt niet zover dat er een recht bestaat om kennis te nemen van alle onderliggende stukken. Gemotiveerd moet worden waarom de al beschikbare informatie (in dit geval de processen- verbaal en verklaringen, met eventuele bijlagen) onvoldoende is, en die motivering ontbreekt. Het verzoek is dus niet toewijsbaar.
Ten aanzien van het verzoek tot verstrekking van beeldmateriaal dat in Dubai is gemaakt en de (eventueel) door verdachte getekende documenten wijst de rechtbank allereerst op het hierboven genoemde rechtshulpverzoek, waarin de autoriteiten van de VAE om dat materiaal wordt gevraagd. De uitkomst daarvan moet worden afgewacht. Verder is een aantal foto’s van verdachte [verdachte 9] (gemaakt door Nederlandse functionarissen) al in het dossier gevoegd.
Verbalisant [verbalisant 2] (zie persoonsdossier verdachte [verdachte 9] , pagina 536 e.v.) verklaart daarover dat dat materiaal is opgeslagen op een harde schijf en ter beschikking is gesteld aan het onderzoeksteam Marengo.
Verder merkt verbalisant [verbalisant 2] op: “De foto’s die zijn gemaakt laten onder andere het ondertekenen van de overdrachtsformulieren door rechercheur [rechercheur] zien en de overdracht van verdachte [verdachte 9] op de luchthaven van Dubai. Verder hebben wij het letsel aan de neus van de verdachte [verdachte 9] vastgelegd en het moment van aankomst op de luchthaven Eindhoven.”
De rechtbank is van oordeel dat de verdediging (op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze) inzage moet kunnen krijgen in de door verbalisant [verbalisant 2] beschreven foto’s, tenzij andere belangen, zoals veiligheid of privacy, daaraan in de weg staan. Het gaat immers om foto’s die verder zouden kunnen verduidelijken wat er rond de aanhouding en overdracht
in Dubai en tijdens de reis naar Nederland is gebeurd. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie dan ook om daarvoor zorg te dragen.
Getuigenverzoeken
Verder verzoekt de verdediging om twintig Nederlandse (ex-)functionarissen als getuigen te horen. De rechtbank beoordeelt dit verzoek aan de hand van het verdedigingsbelang. Het verzoek wordt afgewezen, omdat het verdedigingsbelang alleen in algemene zin is gemotiveerd. Dat is onvoldoende in het licht van de stukken die zich over dit onderwerp al in het dossier bevinden.
Plan van inzet voor onderzoek/actie ‘Eagle’
De verdediging herhaalt verder haar verzoek om verstrekking van het plan voor het onderzoek/actie ‘Eagle’. De rechtbank wijst dat verzoek af en verwijst naar haar beslissing van 29 september 2020. Die beslissing wordt niet anders doordat verbalisant [verbalisant 7] daarover inmiddels heeft verklaard.
Correspondentie etc.
De verdediging heeft ook verzocht om verstrekking van ‘correspondentie, rechtshulpverzoeken/uitleveringsverzoeken (al of niet verstrekt) en reisverslagen/appverkeer met Dubai, Marokko en eventueel andere betrokken landen/diensten, zoals AIVD, NCTV/Consulaten/ambassade/ministers/AIRS/binnen politie omtrent cliënt en diens opsporing, arrestatie, verblijf en verhoren in Dubai en diens overdracht/overbrenging aan Nederland’. Dit is een herhaling van zetten. De rechtbank wijst het verzoek af en verwijst naar haar beslissing van 29 september 2020.
Aanwezigheid Nederlandse en Marokkaanse autoriteiten
Het (zeer algemeen geformuleerde) verzoek om het Openbaar Ministerie te doen verantwoorden of, en zo ja wanneer, Nederlandse of Marokkaanse autoriteiten bij onderzoek, arrestatie of verhoren van verdachte [verdachte 9] aanwezig zijn geweest is niet onderbouwd, en wordt afgewezen.
Informatie met betrekking tot Iran
Tot slot vraagt de verdediging de rechtbank om het Openbaar Ministerie te bevelen na te vragen bij de AIVD, MIVD en NCTV of die diensten informatie aan Dubai hebben verstrekt omtrent Iran (de rechtbank begrijpt: omtrent de mogelijke verblijfplaats van verdachte [verdachte 9] in Iran). Ook aan dit verzoek is geen concrete onderbouwing ten grondslag gelegd, behalve dat het Openbaar Ministerie stelt geen informatie over Iran verstrekt te hebben. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Verzoek met betrekking tot de ‘tijdlijn’
De verdediging heeft de rechtbank verzocht een termijn van maximaal een week te stellen aan het Openbaar Ministerie voor het verstrekken van het proces-verbaal waarin een tijdlijn is opgenomen ten aanzien van de informatie over verdachte [verdachte 9] die gedeeld is met Dubai. Het Openbaar Ministerie heeft in een brief van 12 januari 2021 aan de verdediging laten weten dat dit proces-verbaal nog wordt gevoegd. De rechtbank gaat daarvan uit en ziet geen aanleiding een termijn te stellen.
Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 10]
Verzoeken met betrekking tot het horen van getuigen
De verdediging van verdachte [verdachte 10] heeft verzocht om het verhoor van een aantal getuigen die zouden kunnen verklaren over de vraag of hij de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ of ‘ [bijnaam 2] ’ draagt.
Getuige [getuige 2]
Met betrekking tot de verzochte getuige [getuige 2] – die in de vriendenlijst van het Facebook-account van [bijnaam 1] / [bijnaam 2] staat – acht de rechtbank een verdedigingsbelang aanwezig. Deze getuige zal worden toegewezen, waarbij de rechtbank zich gezien het afgebakende onderwerp kan voorstellen dat de rechter-commissaris dit verhoor op de voet van artikel 177 Sv laat uitvoeren door de politie, in het bijzijn van de raadsman van verdachte.
Getuigen [getuige 3] en [getuige 4]
De verzochte getuigen [getuige 3] en [getuige 4] wijst de rechtbank af. De omstandigheid dat deze vrienden van verdachte hem niet kennen onder de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ of ‘ [bijnaam 2] ’, sluit niet uit dat anderen hem deze bijnaam wel geven. In dat licht is er geen verdedigingsbelang bij het horen van deze getuigen.
Getuige [getuige 5]
Tot slot heeft de verdediging verzocht om [getuige 5] als getuige te doen horen. De rechtbank is deze getuige ook onder de naam [getuige 5] ( [bijnaam getuige] ) in het dossier tegengekomen. Deze getuige was op 11 juli 2018 door de rechtbank toegewezen. De verdediging heeft eind 2018, kort voor het verhoor plaats zou vinden, medegedeeld van het verhoor af te zien, maar laat nu weten deze getuige toch te willen horen. Omdat de verdediging stelt dat deze getuige een verklaring kan geven voor het bij verdachte aangetroffen geld, welke (witwas)verdenking terugkomt als feit 6 in de zaak met parketnummer 16/707244-17, is er een verdedigingsbelang om hem te horen. Voor wat betreft de kwestie van de bijnaam geldt omtrent het verdedigingsbelang hetgeen in de vorige alinea beschreven staat, maar als deze getuige toch gehoord wordt kan de vraag of hij verdachte onder de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ of ‘ [bijnaam 2] ’ kent, wel gesteld worden. Deze getuige zal daarom eveneens worden toegewezen, waarbij de rechtbank zich gezien het afgebakende onderwerp ook hier kan voorstellen dat de rechter-commissaris het verhoor op de voet van artikel 177 Sv laat uitvoeren door de politie, in het bijzijn van de raadsman van verdachte.
Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 1]
Verzoeken met betrekking tot telefoongegevens
Verzoek om inzage
De verdediging heeft verzocht om inzage in de netwerkmetingen die hebben plaatsgevonden en in de ‘vluchtige gegevens’ van 22 juni 2016 waarvan melding wordt gemaakt in het zaaksdossier Kreta (zie Forensisch Dossier Kreta, pagina 202).
Het Openbaar Ministerie heeft uiteengezet dat de verdediging inmiddels beschikt over de historische verkeersgegevens van de gewone telefoon van verdachte [verdachte 1] . Deze zijn
ter inzage op de laptop gezet met de zogenoemde ‘eigen PGP-lijnen’ van verdachte [verdachte 1] en ook opgenomen in de PGP-stukken in het einddossier. Naast de historische verkeersgegevens zijn er ook mastgegevens. De twee keer dat de gewone telefoon van verdachte [verdachte 1] voorkomt in de mastgegevens in het onderzoek Kreta zijn de twee keer die zijn verbaliseerd in het dossier. Uit navraag bij de politie is gebleken dat de telefoons van verdachte [verdachte 1] niet voorkomen in de ‘vluchtige gegevens’ van 22 juni 2016 (zie Forensisch Dossier Kreta, pagina 202): niet zijn gewone telefoon en ook niet de PGP-telefoon die aan hem wordt toegeschreven. Volgens het Openbaar Ministerie zijn er geen andere dan de al verstrekte gegevens die ter inzage kunnen worden verstrekt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat afdoende tegemoet is gekomen aan het verzoek van de verdediging op het punt van de verzochte inzage.
Verzoeken tot het horen van getuigen
Ter zitting heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat het wél voorkomen van de PGP- telefoons die aan verdachten [verdachte 11] en [verdachte 12] worden toegeschreven in de zendmastgegevens van 22 juni 2016 (zie zaaksdossier Kreta) en de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] niet, betekent dat de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] daar op 22 juni 2016 niet is geweest. Daarop heeft het Openbaar Ministerie in een onderbreking van de zitting aan het onderzoeksteam Marengo gevraagd hoe het zou kunnen dat de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] niet voorkomt in de zendmastgegevens, terwijl die van verdachte [verdachte 11] daarin wel voorkomt (naar de rechtbank begrijpt: daarbij uitgaande van de juistheid van de verklaringen van [verdachte 11] ). Ter zitting is daarover de uitleg gekomen dat T-Mobile, de provider van PGP-safe telefoons, bij dataverkeer lang niet altijd de aangekozen zendmasten registreert, dat een zendmast eens in de zoveel uren wordt geregistreerd en dat het dus toeval kan zijn dat de PGP-telefoons die aan verdachten [verdachte 11] en [verdachte 12] worden toegeschreven wél voorkomen in die zendmastgegevens en de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] niet. Als de aangekozen zendmast niet wordt geregistreerd door de provider, dan komen die gegevens ook niet in de netwerkmetingen terug. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens toegezegd dat zij over de wijze waarop PGP-telefoons in netwerkmetingen uitpeilen een proces-verbaal zal (laten) opmaken. Daarbij is de verdediging aangeboden om eventuele vragen die bij de verdediging hierover bestaan door te geven aan het Openbaar Ministerie, zodat ook die vragen kunnen worden beantwoord in dat op te maken proces-verbaal. De verdediging heeft gesteld dat zij geen schriftelijke vragen wil stellen, maar de desbetreffende verbalisanten van het onderzoeksteam Marengo bij wie het Openbaar Ministerie navraag heeft gedaan, als getuigen wenst te horen. De rechtbank acht dit verzoek echter onvoldoende onderbouwd, temeer nu een proces-verbaal zal worden opgemaakt over deze kwestie. Het verzoek tot horen van (een) getuige(n) op dit punt wordt daarom afgewezen.
Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 4]
Verzoeken met betrekking tot het horen van getuigen
De verdediging heeft namens verdachte [verdachte 4] verzocht aan te mogen sluiten bij de geplande verhoren van de rechter-commissaris van getuigen [getuige 6] en [getuige 7] . Daarnaast verzoekt de verdediging aan te mogen sluiten bij het verhoor van getuige [getuige 8] . Nadat ter zitting is gewezen op het feit dat deze getuige door de rechter-commissaris niet wordt
opgeroepen omdat deze getuige had laten weten zich op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen (zie proces-verbaal van de rechter-commissaris van 13 mei 2020), heeft de verdediging een zelfstandig verzoek gedaan tot het horen van deze getuige.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De getuigen [getuige 6] en [getuige 7] worden, op verzoek van het Openbaar Ministerie, door de rechter-commissaris gehoord met betrekking tot het zaaksdossier Kreta. Deze verhoren zijn inmiddels gepland. Destijds heeft alleen het Openbaar Ministerie verzocht om het horen van getuige [getuige 8] , eveneens met betrekking tot het zaaksdossier Kreta en daarnaast met betrekking tot het zaaksdossier Roos/Doorn. De verdenkingen in de zaaksdossiers Kreta en Roos/Doorn staan niet op de tenlastelegging van verdachte [verdachte 4] . Behoudens de algemene stellingen, dat het (aansluiten bij de ver)horen van de getuige(n) van belang is om de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen en de verklaringen van deze getuigen mogelijk relevant zijn voor de verdenking van deelname aan een criminele organisatie jegens verdachte [verdachte 4] , heeft de verdediging geen concrete onderbouwing gegeven van het belang tot het horen van de getuigen. De verzoeken worden daarom afgewezen, nu de relevantie voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende is onderbouwd.
Opmerkingen in de zaken van verdachte [verdachte 11]
Reactie van de rechtbank op vragen van de verdediging
De verdediging van verdachte [verdachte 11] heeft een aantal vragen gesteld over de zitting van 10 december 2020 in de zaak van verdachte [verdachte 1] , en met name over het moment dat de raadslieden van verdachte [verdachte 1] hebben gevraagd of ze de rechtbank even buiten de zitting om mochten spreken.
De voorzitter heeft in zijn inleiding op 13 januari 2021 hierover het volgende gezegd (en zo is het ook in het proces-verbaal opgenomen):
“Dat er aan de zijde van de kroongetuige hierover vragen bestaan, begrijpt de rechtbank wel. Het via e-mail beantwoorden van vragen die de logistiek overstijgen past echter niet, daarom zal ik er nu iets uitgebreider op ingaan. Als een advocaat met een verzoek komt om buiten de zitting om kort te mogen spreken met de rechtbank, weet ik
uiteraard niet van tevoren waar dat over gaat. Ik neem alle advocaten uiterst serieus en een dergelijk verzoek neem ik dus ook serieus. In een gesprek met een advocaat buiten de zitting om wordt vanzelfsprekend niet gesproken over inhoudelijke punten en wordt niets besloten. Dat is nu ook niet gebeurd. De rechtbank hoort vooral aan wat een advocaat wil zeggen en dat gebeurt in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie.
Toen de zitting weer aanving, heb ik aangegeven dat dit gesprek had plaatsgevonden en ook waar het over ging. Ik heb de kroongetuige vervolgens aangesproken op de toon van zijn verklaring kort voor de pauze – de woordkeuze “tirade” is daarbij mijn woordkeuze geweest, maar teruglezend in het proces-verbaal van de zitting lees ik dat mr. Meijering die term voor de pauze ook gebruikt heeft – en ik heb de kroongetuige verzocht om te proberen het zakelijk te houden. Ook heb ik hem aangegeven dat hij
soms de neiging heeft bijdehand te reageren op opmerkingen van mr. Meijering, iets waar hij het zelf overigens niet mee eens was. Dat mag, en het is goed dat hij dat heeft aangegeven.
De door mij gegeven aanwijzingen passen bij aanwijzingen van de voorzitter in het kader van het bepaalde in artikel 291 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dat artikel luidt als volgt: “De getuige moet bij zijn verklaring zo veel mogelijk uitdrukkelijk opgeven wat hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn.” Kortweg: verklaar wat je weet en hoe je het weet. Getuigen hebben een grote vrijheid om op de zitting te verklaren wat zij willen verklaren, maar als zij teveel uitweiden (bijvoorbeeld op een wijze die niet echt meer gezien kan worden als een antwoord op de gestelde vraag) grijpt een voorzitter soms in. En als de emoties bij een getuige hoog oplopen gebeurt dat soms ook, bijvoorbeeld door even te pauzeren en daarna de getuige aan te spreken. Dit gebeurt mede om de getuige in bescherming te nemen. Het is zwaar om langdurig achter elkaar bevraagd te worden. Ook in dat kader moet het door mij aanspreken van de kroongetuige worden gezien.”
Ook mr. Flokstra heeft ter zitting nog een korte toelichting gegeven op hetgeen heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hiermee de vragen van de verdediging van verdachte [verdachte 11] afdoende beantwoord. De (algemene) stelling van de verdediging van verdachte [verdachte 11] dat als een advocaat vraagt om de rechtbank even buiten de zitting om te mogen spreken, dit alleen kan met instemming van de andere procespartijen, deelt de rechtbank niet.
In de zaken van alle verdachten
Overige verzoeken en vragen
Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende zitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.
Uitspraak 17‑11‑2020
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de pro formazitting van 28 en 29 oktober en 3 november 2020.
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de pro formazitting van 28 en 29 oktober en 3 november 2020
Beslissingen in de zaken van alle verdachten
Inleiding
Verwijzing naar de rechter-commissaris
Op de afgelopen pro formazitting is, naar aanleiding van de mededeling van de rechter- commissaris dat zij haar werkzaamheden in de zaak Marengo niet voortzet, de voortgang een belangrijk onderwerp van gesprek geweest. De rechtbank heeft ter terechtzitting al aangegeven dat opnieuw zal worden verwezen naar de rechter-commissaris. Een van de raadslieden heeft gevraagd of de vorige rechter-commissaris toch niet zou kunnen terugkeren, een ander heeft aangegeven dat een specifieke rechter-commissaris het wat haar betreft niet zou moeten overnemen. Wie de nieuwe rechter-commissaris wordt daar treedt de zittingsrechter echter niet in; dat is aan het management van de strafsector respectievelijk het kabinet van de rechter-commissaris.
Getuigenverhoren
Het gegeven dat de rechter-commissaris zich heeft teruggetrokken heeft tot gevolg gehad dat bepaalde reeds geplande getuigenverhoren zijn uitgesteld. Enige vertraging in het uit te voeren onderzoek is daarmee een gegeven. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de rechter-commissaris – op basis van de door haarzelf en door de rechtbank toegewezen verzoeken – nog 43 getuigen zou moeten horen. De rechtbank komt ook tot dit aantal, maar constateert dat hierin alle Marengo-verdachten (inclusief de kroongetuige) zijn meegeteld, die in de zaken van hun medeverdachten gehoord zouden moeten worden. De rechtbank is voornemens om alle verdachten ter terechtzitting in elkaars zaak als getuige te horen, in lijn met de beslissing van de rechter-commissaris in haar proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2020. Ook is de rechtbank voornemens om het verhoor van de kroongetuige verder op de openbare terechtzitting te doen plaatsvinden. Dit scheelt vanzelfsprekend in de hoeveelheid werk die de rechter-commissaris nog moet verrichten. Er zijn uiteraard enige nuanceringen aan te brengen in het hiervoor geformuleerde voornemen. Het is denkbaar dat afgebakende delen van het verhoor van de kroongetuige beter binnen de beslotenheid van het kabinet van de rechter-commissaris kunnen plaatsvinden. Daar kunnen dan naar bevind van zaken met procespartijen afspraken over worden gemaakt. Ook zijn er wellicht getuigenverhoren van verdachten die uiteindelijk wel bij de rechter-commissaris dienen plaats te vinden. Van verdachte [verdachte 1] was dit getuigenverhoor immers al gepland en op de vorige pro formazitting is ook beslist dat zo mogelijk een getuigenverhoor van verdachte [verdachte 2] middels een rechtshulpverzoek tot stand gebracht dient te worden. Met betrekking tot het verhoor van verdachte [verdachte 1] heeft de rechtbank een hierna te melden tussenstap ingebracht, waarna met de betrokken procespartijen zal worden overlegd of een getuigenverhoor bij de rechter-commissaris of op de openbare terechtzitting de voorkeur verdient.
Verhoor kroongetuige in de zaak van verdachte [verdachte 1]
Ter terechtzitting is aan de orde gekomen of er onderzoekshandelingen zijn die een grotere urgentie hebben en waarvoor een ad-hocoplossing bedacht zou moeten worden, los van al geplande zittingsdagen dan wel in afwachting van een nieuwe planning van een rechter- commissaris. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft aangegeven graag snel de kroongetuige te willen horen, nu dit van belang is voor mogelijke verzoeken aangaande de
voorlopige hechtenis. De rechtbank begrijpt gelet op dit standpunt die urgentie en zal op korte termijn in overleg treden met de verdediging van verdachte [verdachte 1] , de raadslieden van de kroongetuige en de officieren van justitie om een dag in december 2020 te plannen waarop de kroongetuige door de verdediging van verdachte [verdachte 1] bevraagd kan worden. De raadslieden van de overige verdachten zijn uiteraard welkom op deze openbare terechtzitting, maar het is om praktische redenen het voornemen van de rechtbank dat het slechts een verhoor zal zijn in de zaak van verdachte [verdachte 1] .
De overige (wensen omtrent de uitvoering van de) onderzoekswensen zullen in het navolgende aan de orde komen.
Inzage in de Marengo-dataset (hierna: de dataset)
In de beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank overwogen dat zij zich wenst te laten informeren over de wijze waarop de inzage in de dataset nu praktisch gaat door zelf de dataset te doorzoeken op eenzelfde laptop zoals die aan de verdediging in de diverse penitentiaire inrichtingen wordt verstrekt.
Inzage op een besloten zitting
Ter terechtzitting hebben procespartijen zich kunnen uitlaten over de wijze waarop dit het beste vorm gegeven kan worden. Uit de uitgewisselde standpunten maakt de rechtbank op dat de inzage in de dataset zo vorm gegeven moet worden dat dit deel gaat uitmaken van het procesdossier, alsook dat deze inzage niet in het openbaar geschiedt vanwege de (privacygevoelige) aard van het materiaal. De rechtbank is daarom voornemens om een besloten terechtzitting te organiseren met de raadslieden en officieren van justitie. De rechtbank gaat er van uit dat de verdachten geen behoefte zullen hebben om bij deze terechtzitting aanwezig te zijn, gelet op de technische aard daarvan. Mocht een verdachte toch aanwezig willen zijn, dan verzoekt de rechtbank de verdediging dit tijdig aan de rechtbank te laten weten. Na de procespartijen over het sluiten van de deuren te hebben gehoord, is het het voornemen van de rechtbank de deuren gesloten te houden en de raadslieden die dat wensen vervolgens de gelegenheid te geven om op een laptop, zoals die aan de verdediging in de penitentiaire inrichtingen wordt verstrekt, aan de rechtbank te tonen welke problemen zij bij het doorzoeken van de dataset ondervinden. De rechtbank stelt zich daarbij voor dat alle aanwezigen op schermen mee kunnen kijken naar het zoekproces. In deze opzet kunnen de raadslieden inzichtelijk maken waar zij tegenaan lopen en kan de rechtbank zich daar een beeld van vormen.
Rechtbank gaat niet zelf in dataset zoeken
Voor zover de in de beslissing van 29 september 2020 gebezigde woorden ‘zelf doorzoeken’ impliceren dat de rechters zelf een zoekslag zouden gaan maken is dat een onjuiste indruk.
Het gaat de rechtbank er immers niet om dat zij in de dataset wil zoeken. Bij gelegenheid van de informele bijeenkomst zal een inventarisatie gemaakt worden van de raadslieden die in ieder geval aanwezig wensen te zijn. Daarmee kan dan bij de verdere planning rekening worden gehouden.
Verzoeken met betrekking tot inzage in het verificatiedossier
Eerdere beslissing van de rechtbank
In haar beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging in zoverre toegewezen, dat het Openbaar Ministerie op de voet van artikel 34 lid 2 van het
Wetboek van Strafvordering (Sv) inzage dient te verlenen in het verificatiedossier dat in juni 2017 is opgemaakt naar aanleiding van de kluisverklaringen, waarover de TBG-officier van justitie heeft verklaard.
Verzoek om heroverweging
Op 28 oktober 2020 heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank verzocht deze beslissing dat inzage in de aan het journaal ten grondslag liggende informatie kan worden verleend te heroverwegen en eerst een tussenstap aan te brengen. Dit omdat het ter inzage geven van de informatie naar inschatting van de TBG-officier van justitie gevaar zettend kan zijn. Bij het onderzoek door het TCI destijds is onder meer gebruik gemaakt van niet operationele opsporingsinformatie en van zogenoemde ‘dubbel 0’ TCI-informatie. Sommige informatie is slechts in heel kleine kring bekend. Als die informatie vervolgens ter inzage wordt gegeven, dan bestaat daarmee het gevaar dat (onbedoeld) de bron van die informatie wordt bekendgemaakt.
Standpunten verdediging
Mr. Meijering heeft gevraagd de beslissing in stand te laten. Mr. Splinter heeft ter terechtzitting een tussenvariant voorgesteld, inhoudende dat de rechter-commissaris het verificatiedossier kan beoordelen en eventueel delen zwart kan maken.
Beslissing van de rechtbank
De nadere mededeling van het Openbaar Ministerie dat bij het verificatie- en falsificatie- onderzoek door het TCI destijds gebruik is gemaakt van onder meer ‘dubbel 0’ TCI- informatie, maakt dat het afschermingsbelang met zich brengt dat het bedoelde verificatiedossier niet zonder meer aan de verdediging ter inzage kan worden gegeven. Uit het strafdossier leidt de rechtbank af dat de rechter-commissaris op 27 december 2017 over deze rapportage heeft beschikt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de kroongetuige. Omdat de rechtbank begrijpt dat inzageverlening in dit materiaal buitengewoon precair is, laat zij de wijze van inzage – en daarbij de beoordeling of de door de officier van justitie wenselijk geachte tussenstap noodzakelijk is – ter beoordeling aan de rechter-commissaris die al kennis heeft genomen van deze rapportage. De eerdere beslissing wordt in dit opzicht herzien.
Verzoeken met betrekking tot het dossier
Door mrs. Flokstra en I.N. Weski is verzocht om het einddossier aan te leveren in een bestand met zogenoemde hyperlinks, zoals dat volgens hen in het onderzoek Eris zal worden verstrekt. Door het Openbaar Ministerie is aangegeven dat het Marengo-einddossier zal worden aangeleverd als één bestand, voorzien van een zoekindex, en dat dit een goed digitaal doorzoekbaar dossier zal zijn. De rechtbank gaat daar van uit en ziet daarom geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Het verzoek wordt afgewezen.
Verzoeken met betrekking tot de bejegening van verdachte [verdachte 3] en algemene opmerkingen ten aanzien van alle procespartijen
Verzoeken van de verdediging van verdachte [verdachte 3]
De raadslieden van verdachte [verdachte 3] hebben de rechtbank verzocht afstand te nemen van door mr. Meijering op de zitting gebruikte schuldsturende termen als ‘moordenaar’ over de kroongetuige en in het vervolg in te grijpen als dat soort kwalificaties worden gebruikt, nu
deze strijdig zijn met het onschuldbeginsel. De rechtbank wijst deze verzoeken af en overweegt daartoe het volgende.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank neemt geen afstand van uitlatingen die de hare niet zijn. Een uitlating van een procesdeelnemer komt voor rekening van die procesdeelnemer. Dat heeft de rechtbank op 11 augustus 2020 ook al aangegeven toen een advocaat van een verdachte de rechtbank verzocht om de officier van justitie bepaalde delen van de toelichting op de terechtzitting niet voor te laten dragen. De rechtbank wees dit verzoek toen af en heeft daarbij aangegeven dat die uitlatingen voor rekening van het Openbaar Ministerie komen.
Algemene opmerkingen van de rechtbank
Een advocaat die op een strafzitting een verdachte bijstaat heeft met betrekking tot zijn uitlatingen een grote vrijheid, waaronder de vrijheid om in de zittingszaal (namens zijn cliënt, in het belang van zijn cliënt) een medeverdachte van strafbare feiten te beschuldigen. De onschuldpresumptie staat daaraan niet in de weg. Die richt zich primair tot de overheid, niet tot een (partijdige) advocaat. Uiteraard is het denkbaar dat een advocaat door bepaalde uitlatingen – al dan niet in de zittingszaal – strafrechtelijk, civielrechtelijk of tuchtrechtelijk over de schreef gaat. Eenieder die zich daartoe geroepen voelt kan naar aanleiding van dergelijke uitlatingen aangifte doen, een dagvaarding (voor een civiele rechter) doen uitgaan of een (tucht)klacht indienen. Een professionele procesdeelnemer in een strafzaak zal echter op de terechtzitting niet gauw door de rechtbank de mond gesnoerd worden. Daarvan kan in beginsel slechts sprake zijn als de orde op de terechtzitting in het geding is.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank realiseert zich dat de belangen in de zaak Marengo groot zijn en soms zeer tegengesteld. Dat brengt met zich dat de toon tussen de professionele procesdeelnemers binnen en buiten de rechtszaal af en toe stevig is. Dat kan, zolang het maar niet persoonlijk wordt en eenieder de ander respecteert in de rol die hij of zij vervult. De rechtbank verzoekt de procesdeelnemers om hierbij op de bal te spelen, en niet op de man.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 2] , [verdachte 1] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]
Verzoeken met betrekking tot de Dubai-observatie
Verzoeken van de verdediging
De verdediging van verdachten [verdachte 2] en [verdachte 1] heeft verzocht om het horen van vier getuigen, te weten de officier van justitie die toestemming heeft gegeven voor de observatie van mr. Meijering, de liaison officer en de twee verbalisanten die het proces- verbaal van 23 september 2020 hebben opgesteld. Mr. Meijering heeft aanvullend nog verzocht om een compleet verslag van alles wat er in Dubai door de Dubai Police en eventuele andere diensten is gedaan, ook voor zover dit niet door Nederland is verzocht.
De verdediging van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verder verzocht om het e-mailverkeer waarnaar in het proces-verbaal van 23 september 2020 wordt verwezen te verstrekken ter eventuele voeging in het dossier en voorts om het Openbaar Ministerie een termijn te stellen van één week waarbinnen de door de rechtbank bevolen nadere stukken en informatie over de Dubai-observatie moet worden verstrekt.
Beslissingen van de rechtbank
De rechtbank wijst deze verzoeken van de verdediging af, omdat deze prematuur zijn. De rechtbank heeft in haar beslissing van 29 september 2020 geoordeeld dat het dossier zodanig moet worden aangevuld dat helder wordt wat er precies is gebeurd. Bij die beslissing is het Openbaar Ministerie opgedragen processen-verbaal aan het dossier toe te voegen waarin wordt uiteengezet hoe de inzet heeft plaatsgevonden, op basis van welke informatie en wat er daadwerkelijk is gebeurd in Nederland en Dubai. Het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld dat deze opdrachten allemaal zijn uitgezet. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarop vooruit te lopen en nu reeds te bepalen dat getuigen moeten worden gehoord. De rechtbank ziet evenmin aanleiding een termijn te stellen aan het Openbaar Ministerie om aan de opdracht te voldoen. Het verzoek met betrekking tot verstrekking van het e-mailverkeer wordt eveneens afgewezen, omdat ook dit verzoek prematuur is.
Ten slotte wordt het aanvullende verzoek van mr. Meijering, om een compleet verslag, afgewezen omdat ook hiervoor geldt dat de op te stellen processen-verbaal afgewacht dienen te worden. Daarbij weegt mee dat de opdracht van de rechtbank breed (‘wat er daadwerkelijk is gebeurd in Nederland en Dubai’) is geformuleerd. De omstandigheid dat de rechtbank daarbij heeft geoordeeld in ieder geval op een aantal specifieke vragen antwoord te verwachten, betekent (dus) niet dat zij alleen op die specifieke vragen antwoord verwacht. De rechtbank gaat ervan uit dat in de te voegen processen-verbaal in zal worden gegaan op alle informatie die van belang kan zijn voor de beoordeling van de Dubai-observatie. Het recent aan het dossier toegevoegde proces-verbaal van 23 september 2020 maakt het oordeel dat de verzoeken prematuur zijn niet anders, nu dit proces-verbaal dateert van voor de beslissing van 29 september 2020 en (dus) niet is opgemaakt ter uitvoering van die bevelen.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 8]
Verzoeken met betrekking tot PGP-berichten en benoemen PGP-deskundige
Verzoeken van de verdediging
Mr. I.N. Weski heeft (onder H van haar pleitnota) namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] verzocht (al dan niet in het kader van een terugwijzing naar een rechter- commissaris, niet zijnde de zaaksrechter-commissaris uit het onderzoek Tandem II) om een of meer onafhankelijke deskundigen te benoemen om aspecten van het bewijsmateriaal en de bejegening van geheimhouders te onderzoeken in het kader van te voeren verweren met betrekking tot schending van geheimhoudersrechten, integriteit en betrouwbaarheid van het gepresenteerde bewijsmateriaal en de mogelijkheden tot contra-expertise. Aan dit onderzoek dient een verkennend onderzoek vooraf te gaan om te beoordelen welke deskundigheid hiertoe benodigd is en welke onderzoeksvragen aan welke deskundige kunnen worden gesteld. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn schriftelijk te antwoorden op 16 in de pleitnota vermelde vragen en/of verzoeken tot verstrekking van onder andere tijdlijnen, een verklarende woordenlijst en toelichtingen ter eventuele voeging in het dossier. Tot slot wordt onder I van de pleitnota verzocht het Openbaar Ministerie te bevelen duidelijkheid te verschaffen over een mogelijke hack voorafgaand aan het ‘formele’ beslag op de Ennetcom-servers.
Mr. G.N. Weski heeft de door mr. I.N. Weski onder H vermelde verzoeken in dezelfde bewoordingen (onder B van zijn pleitnota) gedaan namens verdachte [verdachte 7] en mr. Splinter heeft zich namens verdachte [verdachte 8] aangesloten bij de verzoeken van mrs. I.N. Weski en
G.N. Weski, daarbij verwijzend naar haar brief van 23 oktober 2020 aan het Openbaar Ministerie. In die brief worden dezelfde 16 vragen opgesomd.
Reactie van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft in repliek onder andere geantwoord dat soortgelijke vragen door mr. G.N. Weski zijn ingediend in het onderzoek Himalaya en dat mr. I.N. Weski een en ander ook al in andere onderzoeken aan de orde stelde, inclusief het hacken van de servers (de rechtbank begrijpt: het verzoek onder I van de pleitnota). Volgens het Openbaar Ministerie heeft de verdediging geen enkel concreet voorbeeld genoemd van een bericht in het dossier waarvan zij meent dat het verkeerd is weergegeven, of dat er iets anders niet klopt, laat staan dat die onjuistheid handen en voeten wordt gegeven. Bij die stand van zaken is er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie geen aanleiding de vele en zeer arbeidsintensieve vragen van de verdediging te beantwoorden. Het Openbaar Ministerie heeft wel toegezegd binnen twee weken antwoord te geven op de vragen 3, 4, 6, 7, 14 en 16a.
Dupliek van de verdediging
In dupliek heeft mr. Boersma de verzoeken in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] nader onderbouwd met aanvullende (aan de deskundige(n) te stellen) vragen.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank begrijpt dat bij de verdediging vragen leven met betrekking tot de PGP-data, zoals onder meer over de wijze van verkrijging, de werking van zoekmachine Hansken, de werkwijze rondom geheimhouders en de integriteit van de data. De rechtbank sluit dan ook niet uit dat het op enig moment aangewezen is dat de verdediging vragen kan stellen aan een te benoemen onafhankelijke deskundige, met de kanttekening dat de vragen betrekking dienen te hebben op de PGP-data in het onderzoek Marengo.
Op dit moment ziet de rechtbank zich echter vooral geconfronteerd met een veelheid aan algemene stellingen en (juridische) standpunten die bij de inhoudelijke behandeling ongetwijfeld onderwerp van debat zullen zijn, zoals de verdediging ook zelf aangeeft. Ook heeft de rechtbank zich na de pro formazitting van augustus/september 2020 geconfronteerd gezien met een e-mail van de verdediging van 18 september 2020 met vragen gericht aan het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een bericht dat de officier van justitie in een ander onderzoek (Himalaya) aan de verdediging had gestuurd. Op die vragen heeft het Openbaar Ministerie geantwoord op 6 oktober 2020. Kort daarna ontving de rechtbank een afschrift van een e-mail van de verdediging van 19 oktober 2020 waarin aan het Openbaar Ministerie, naar aanleiding van de reactie van 6 oktober 2020, een 16-tal nieuwe vragen wordt gesteld. Het zijn onder andere deze 16 vragen waarvan nu wordt verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen deze te beantwoorden. Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting geconstateerd dat de verdediging direct na de repliek van het Openbaar Ministerie – in een pleitnota van 7
pagina’s – haar verzoeken voorzag met een nadere onderbouwing en met enkele aanvullende vragen. Desgevraagd heeft de verdediging aangegeven de reactie van het Openbaar Ministerie te hebben voorzien en daarop te hebben geanticipeerd. Hierop heeft het Openbaar Ministerie vanzelfsprekend in het geheel niet meer kunnen reageren.
In het belang van een goede rechtspleging dient een verzoek concreet en onderbouwd te worden gedaan ter terechtzitting waarop het Openbaar Ministerie kan reageren. Zeer uitvoerige verzoeken kunnen uiteraard het best voorafgaand aan het Openbaar Ministerie kenbaar worden gemaakt.
Een situatie zoals die zich thans heeft voorgedaan is naar het oordeel van de rechtbank onwenselijk. De verdediging heeft onderzoekswensen en argumenten daartoe geformuleerd, al dan niet in (in)directe relatie tot het onderzoek Marengo. Daarbij is onder meer verwezen naar brieven en e-mails (al dan niet met bijlagen) die de verdediging voor en na pro formazittingen heeft verzonden. Bij dupliek heeft de verdediging uitvoerige aanvullingen en nadere wensen naar voren gebracht.
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank heeft de verdediging hiermee het Openbaar Ministerie onvoldoende in staat gesteld op uitvoerige betogen te reageren. Niet valt in te zien waarom dergelijk anticiperen op voor de verdediging kennelijk (zeer) voorzienbare reacties van het Openbaar Ministerie niet reeds bij pleidooi plaatsheeft.
Het ligt thans in de rede eerst de beantwoording van een aantal vragen, zoals toegezegd door het Openbaar Ministerie, af te wachten. Indien de verdediging nadien van oordeel is dat er alsnog tal van vragen te stellen zijn ten aanzien van de Marengo-data, dan heeft het de voorkeur dat deze ruim voor de volgende pro formazitting in één keer aan het Openbaar Ministerie worden voorgelegd. Op deze wijze kan het debat omtrent eventuele onderzoekswensen, die concreet en onderbouwd zijn en in relatie tot de Marengo-data staan, ter terechtzitting verder gevoerd worden. Dit laat onverlet dat later opgekomen punten ter terechtzitting kunnen worden opgeworpen.
Bij deze stand van zaken worden de verzoeken van de verdediging thans afgewezen.
Verzoeken met betrekking tot berichten van geheimhouders in PGP-data
Eerdere verzoeken van de verdediging
Mr. I.N. Weski heeft allereerst aandacht gevraagd voor het feit dat zij, ondanks verzoeken daartoe aan het Openbaar Ministerie, niet in het bezit is gesteld van processen-verbaal van vernietiging geheimhouders en dat de rechtbank op haar eerdere verzoek daartoe niet heeft beslist.
De rechtbank heeft in haar beslissing van 29 september 2020 inderdaad geen aandacht besteed aan dit verzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat, naar haar oordeel, het Openbaar Ministerie bij repliek van 3 september 2020 al afdoende had gereageerd. In die repliek heeft het Openbaar Ministerie namelijk verwezen naar de uitleg die zij in de toelichting ter terechtzitting van 27 februari 2020 heeft gegeven over de kwestie van geheimhoudersberichten in de PGP-data. Bij dupliek van 3 september 2020 heeft mr. I.N. Weski weliswaar opnieuw verzocht om verstrekking van de processen-verbaal van vernietiging van geheimhouders, maar omdat uit de repliek al viel op te maken dat deze er niet zijn, heeft de rechtbank aangenomen dat hierop niet meer beslist hoefde te worden.
Herhaling van de verzoeken van de verdediging
Mr. I.N. Weski heeft (onder G van haar pleitnota) namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] thans opnieuw verzocht om (primair) het Openbaar Ministerie op te dragen de processen-verbaal vernietiging geheimhouders te verstrekken. Vooruitlopend op het mogelijke antwoord van het Openbaar Ministerie dat deze processen-verbaal er niet zijn omdat geheimhoudersberichten niet zijn vernietigd maar ontoegankelijk zijn gemaakt, heeft de raadsvrouw verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de in de pleitnota vermelde 16 vragen te beantwoorden binnen een door de rechtbank te bepalen termijn. Daarnaast wordt, zo begrijpt de rechtbank, verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de verdediging in de
gelegenheid te stellen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alle niet vernietigde geheimhoudersberichten in te zien, zodat aard en omvang van de schending van het beroepsgeheim kan worden beoordeeld.
Mr. G.N. Weski heeft deze verzoeken in dezelfde bewoordingen (onder A van zijn pleitnota) gedaan namens verdachte [verdachte 7] en mr. Splinter heeft zich namens verdachte [verdachte 8] aangesloten bij de verzoeken van mrs. I.N. Weski en G.N. Weski, daarbij verwijzend naar haar brief van 23 oktober 2020 aan het Openbaar Ministerie. In die brief worden dezelfde 16 vragen opgesomd, met het verzoek deze te beantwoorden.
Aan de verzoeken wordt – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat er aanwijzingen zijn voor ernstige verzuimen in het kader van het waarborgen van het beroepsgeheim, die nader onderzoek rechtvaardigen in het kader van daaromtrent te voeren verweren. Aanwijzingen die in de pleitnota worden genoemd zijn onder andere: het slechts toepassen van 18 zoektermen om geheimhouders-data te filteren, het ten onrechte niet aanmerken van doorgestuurde berichten van geheimhouders als mededelingen aan of door een verschoningsgerechtigde en het gebruiken van mededelingen aan of door geheimhouders voor de sturing van de opsporing (pag. 1334 zaaksdossier Ster).
Reactie van het Openbaar Ministerie
Bij repliek heeft het Openbaar Ministerie (opnieuw) verwezen naar de eerder gegeven toelichtingen van 27 februari 2020 en 6 maart 2020, waarin het heeft uitgelegd hoe bij de Ennetcom-data en de PGP-safe-data is omgesprongen met de berichten van geheimhouders. Het Openbaar Ministerie heeft benadrukt dat het Openbaar Ministerie in Marengo niet de beschikking heeft over het beslag dat geschoond moet worden. Dat betreft de onderzoeken De Vink en Sassenheim. Berichten waarvan bekend is dat deze rechtstreeks afkomstig zijn van geheimhouders zijn er in De Vink en Sassenheim uitgefilterd. Op basis van de geschoonde set is de dataset gegenereerd, zodat de dataset geen geheimhoudersdata bevat. Wat de zogenoemde doorstuurberichten van geheimhouders betreft is uitgelegd dat in het licht van de beslissing van de rechtbank in de zaak Tandem II de berichten waarvan wordt vermoed dat het om doorstuurberichten van geheimhouders gaat voorlopig uit de inzageset zijn gehaald.
Het gaat hier om 77 berichten die van inzage zijn uitgesloten omdat het (vooralsnog) om geheimhoudersberichten gaat. In die toelichting heeft het Openbaar Ministerie nog opgemerkt dat twee van die doorstuurberichten wel zijn opgenomen in het dossier en dat dit in mei 2019 aan het kantoor van mr. I.N. Weski is geantwoord. Voor zover de vragen die de verdediging heeft gesteld relevant zijn voor Marengo, zal het Openbaar Ministerie de vragen van de verdediging gaan beantwoorden, aldus het Openbaar Ministerie.
Beslissingen van de rechtbank
De rechtbank gaat er op basis van deze toelichting en toezegging van uit dat aan het verzoek van de verdediging op dit punt voldoende wordt tegemoetgekomen. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie in haar beantwoording (ook) in te gaan op de vragen hoe de 77 doorstuurberichten zijn onderkend als mogelijke geheimhoudersberichten, of het zaaks- Openbaar Ministerie Marengo kennis draagt van de inhoud van deze 77 berichten en welke twee doorstuurberichten (toch) in het dossier terecht zijn gekomen. De rechtbank stelt zich voor dat het gaat om de door de verdediging aangehaalde berichten op pagina’s 1334 en 1338 van het zaaksdossier Ster, maar verneemt graag van het Openbaar Ministerie of dit inderdaad de bedoelde twee berichten betreft.
De rechtbank acht het niet nodig een termijn te stellen en gaat ervan uit dat het Openbaar Ministerie voortvarend te werk gaat bij de beantwoording van de vragen.
Het verzoek tot inzage in alle niet-vernietigde geheimhoudersberichten om zo aard en omvang van de schending van het beroepsgeheim te kunnen beoordelen, wordt afgewezen, reeds omdat anderen dan de verschoningsgerechtigde en de cliënt geen kennis van geheimhoudersberichten mogen nemen.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] en [verdachte 8]
Verzoeken met betrekking tot verstrekking onthouden berichten
Verzoeken van de verdediging
Mr. I.N. Weski heeft (onder C van haar pleitnota) namens verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen inzage te verlenen in de 5.000 niet meer permanent onthouden PGP-berichten ter eventuele voeging in het dossier. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om ook de 66 berichten, die nu met machtiging van de rechter- commissaris permanent worden onthouden, in te zien, met dien verstande dat daar de identificerende gegevens uit worden verwijderd. Nu uit de beslissing van de rechter- commissaris volgt dat de reden van het onthouden van het gehele bericht is dat het technisch niet mogelijk is delen uit de berichten te verwijderen, verzoekt de raadsvrouw om inzage in deze berichten door deze – zonder de identificerende gegevens – over te laten typen.
Dezelfde verzoeken en in dezelfde bewoordingen heeft mr. Splinter namens verdachte [verdachte 8] gedaan in haar e-mail aan het Openbaar Ministerie van 23 oktober 2020. Ter terechtzitting heeft mr. Splinter de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen aan haar verzoeken te voldoen.
Reactie van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft (op pagina 19 van de schriftelijke toelichting) in haar toelichting van 28 oktober 2020 uiteengezet dat 4.863 berichten uit de dataset van inzage werden onthouden maar dat deze, op 69 berichten na, inmiddels zijn vrijgegeven. Bij repliek heeft het Openbaar Ministerie geantwoord dat het Openbaar Ministerie 5 van deze 69 berichten nog tijdelijk onthoudt vanwege onderzoeksbelang en dat het 64 van deze berichten permanent wil blijven onthouden en daartoe een machtiging permanente onthouding zal vorderen bij de rechter-commissaris. In de toelichting van 28 oktober 2020 is uitgelegd dat deze machtiging zal dienen ter vervanging van de eerdere machtiging op grond waarvan berichten van inzage worden onthouden. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen het verzoek om de permanent te onthouden berichten over te laten typen, nu de machtiging permanente onthouding op het gehele bericht ziet en niet alleen op het gedeelte waarvan meteen duidelijk is dat het om identificerende gegevens gaat, zoals een adres of een naam.
Ook context kan identificerend zijn, aldus het Openbaar Ministerie.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat de verdediging inmiddels inzage wordt geboden in het merendeel van de eerder onthouden berichten. Bij beslissing van 21 juli 2020 heeft de rechter- commissaris op vordering van het Openbaar Ministerie van 2 juli 2020 ten aanzien van 66 PGP-berichten machtiging verleend voor het achterwege laten van voeging van die berichten bij de processtukken. Daarbij heeft de rechter-commissaris overwogen, samengevat, dat door openbaarmaking van de identificerende gegevens in die berichten een ernstige inbreuk op de
persoonlijke levenssfeer van de in die gegevens bedoelde personen plaatsvindt. De rechter- commissaris heeft verder overwogen dat zij uit de uitleg van de officier van justitie in de vordering heeft begrepen dat het technisch niet mogelijk is alleen de identificerende gegevens te verwijderen, zonder daarbij de forensische integriteit van het bericht te compromitteren en dat daarom voeging van het gehele bericht achterwege mag worden gelaten.
Beslissingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de machtiging permanente onthouding ziet op het gehele bericht en niet slechts op de identificerende gegevens, zodat het verzoek van de verdediging reeds hierom moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt daarbij nog wel het volgende.
De rechtbank kan het Openbaar Ministerie volgen waar het stelt dat ook de context van een bericht identificerend kan zijn. Dit is echter niet met zoveel woorden (mede) ten grondslag gelegd aan de vordering tot permanente onthouding en (mogelijk daarom) ook niet met zoveel woorden ten grondslag gelegd aan de beslissing van de rechter-commissaris dat het gehele bericht onthouden kan blijven. Verder is de rechtbank nog onvoldoende duidelijk of de mogelijkheid dat – zo begrijpt de rechtbank het verzoek van de verdediging – niet- identificerende gedeelten van berichten worden overgetypt en in een op te maken proces- verbaal van inzage worden opgenomen, reëel is. Denkbaar is dat daartegen een legitiem bezwaar bestaat.
Het komt de rechtbank voor dat deze punten in het kader van het nieuwe verzoek tot machtiging permanente onthouding, dat het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd te zullen indienen, onder de aandacht worden gebracht, zodat deze door de rechter-commissaris kunnen worden beoordeeld.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6]
Verzoeken met betrekking tot resultaten BOB-middelen en OVC auto
Mr. I.N. Weski heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om schriftelijk aan te geven of de gehanteerde BOB-middelen resultaat hebben opgeleverd, met vermelding van de vindplaats van dat resultaat. Het Openbaar Ministerie heeft zich daartegen verzet.
De rechtbank wijst het verzoek af. De BOB-dossiers zijn toegevoegd aan het procesdossier. De rechtbank gaat er verder van uit dat het Openbaar Ministerie de resultaten van de uitoefening van BOB-bevoegdheden als processtukken heeft gevoegd voor zover deze (naar het oordeel van het Openbaar Ministerie) relevant zijn. De wet verplicht het Openbaar Ministerie niet tot (aparte) opgave van die resultaten. De raadsvrouw heeft in het licht van deze omstandigheden onvoldoende onderbouwd wat het verdedigingsbelang is bij haar verzoek. Het verzoek van de raadsvrouw om opgave van de resultaten van toepassing van een Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC) in een auto die zich in Marokko bevond, wordt gelet op het voorgaande eveneens afgewezen.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verder verzocht het Openbaar Ministerie te bevelen opgave te doen van eventuele rechtshulp waarmee het afluisteren in de hierboven genoemde auto heeft plaatsgevonden. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn reactie opgemerkt dat er een rechtshulpverzoek naar Marokko is uitgegaan, waarop nog geen antwoord is gekomen. Het rechtshulpverzoek zal bij de stukken worden gevoegd. De rechtbank ziet gelet daarop geen
aanleiding het Openbaar Ministerie een opdracht te geven zoals door de verdediging is verzocht.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] en [verdachte 7]
Verzoeken omtrent getuige [getuige 1]
Namens de verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] en [verdachte 7] zijn verzoeken gedaan die – kort gezegd – tot doel hebben om vast te stellen of de getuige [getuige 1] zijn verklaringen van 21 en 22 maart 2018 heeft afgelegd onder invloed van foltering. De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen zeer belastend zijn voor verschillende verdachten en dat de verdediging [getuige 1] tot op heden niet als getuige heeft kunnen ondervragen. Naar het oordeel van de rechtbank is er wel aanleiding (enig) nader onderzoek te doen naar de omstandigheden van deze verhoren, omdat de bruikbaarheid van het bewijs kan wegvallen als bij de verkrijging daarvan sprake was van foltering of van onmenselijke of vernederende
behandeling, vgl. EHRM 5 november 2020, 31454/10 (Ćwik tegen Polen).
Beslissingen van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek om de verbalisanten die aanwezig waren bij deze verhoren van getuige [getuige 1] te doen horen bij de rechter-commissaris toe. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat met het horen van de verbalisanten mogelijk compensatie voor het niet kunnen horen van getuige [getuige 1] kan worden geboden. Het verzoek om de Marokkaanse politiemensen en de tolk die betrokken waren bij de verhoren als getuigen te doen horen, wordt afgewezen. Daarbij speelt een rol dat de officier van justitie heeft opgemerkt dat de Marokkaanse autoriteiten al langere tijd geen antwoord meer geven op rechtshulpverzoeken inzake Marengo.
Het verzoek om informatie of de tolk is ingeschreven in het tolkenregister en of de tolk door de AIVD is gescreend wordt eveneens afgewezen, bij gebrek aan aanwijzingen dat de tolk zijn/haar werk niet naar behoren zou hebben gedaan.
Vragen met betrekking tot verhoor getuige [getuige 1] op 10 oktober 2018
De officier van justitie heeft aangegeven dat er nog een verhoor van getuige [getuige 1] heeft plaatsgevonden met betrekking tot de zaaksdossiers Ster en Kreta op 10 oktober 2018. Daarvan hebben de Marokkaanse autoriteiten (nog) geen stukken verstrekt. Dat maakt dat dit verhoor (op dit moment) in juridisch opzicht niet bruikbaar is, aldus de officier van justitie. De rechtbank ziet wel aanleiding de officier van justitie te verzoeken zich op de volgende pro formazitting uit te laten over de volgende vragen:
- -
Is het mogelijk om het rechtshulpverzoek dat ten grondslag ligt aan laatstgenoemd verhoor te verstrekken?
- -
Kan het Openbaar Ministerie in een proces-verbaal enige (nadere) informatie verstrekken over hetgeen zich op of rond dat verhoor heeft afgespeeld?
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 5] en [verdachte 6]
Verzoeken met betrekking tot de artikel 565 Sv BOB-dossiers
De verdediging van verdachten [verdachte 5] en [verdachte 6] heeft verzocht om verstrekking van alle correspondentie met Suriname ten aanzien van de zoektocht naar en de aanhouding van beide verdachten in Suriname. De rechtbank overweegt daarover als volgt. In haar
beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank beslist dat de verdediging van de verdachten [verdachte 5] en [verdachte 6] , als sprake is van een artikel 565 Sv BOB-dossier, daarin desgewenst inzage dient te krijgen. Het Openbaar Ministerie heeft in haar toelichting van 28 oktober 2020 opgemerkt dat ten aanzien van deze twee verdachten geen sprake is geweest van een zoektocht en dat alle BOB-stukken die in hun zaken zijn opgemaakt, reeds in het dossier zijn gevoegd. De verdediging betwist deze stelling van het Openbaar Ministerie, maar de rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat die informatie onjuist is. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven de rechtshulpverzoeken in Marengo bij het einddossier te verstrekken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat, voor zover er rechtshulpverzoeken zijn gedaan aan Suriname met betrekking tot verdachten [verdachte 5] en/of [verdachte 6] , die zich in het einddossier zullen bevinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om het Openbaar Ministerie te bevelen correspondentie met Suriname te verstrekken. Het verzoek daartoe is onvoldoende onderbouwd en wordt daarom afgewezen.
Beslissing in de zaak van verdachte [verdachte 9]
Verzoek van de verdediging
De raadsman van verdachte [verdachte 9] heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een proces-verbaal op te maken houdende een verslag betreffende verrichte opsporingshandelingen in de strafzaak Marengo, overeenkomstig artikel 3, lid 1, van het Besluit processtukken in strafzaken (hierna: het besluit).
Overwegingen en beslissing van de rechtbank
De raadsman merkt terecht op dat een dergelijk proces-verbaal ontbreekt in het Marengo- dossier. Doel van een dergelijk proces-verbaal is om de verdediging in een vroeg stadium van het proces – het besluit heeft het over ‘uiterlijk op het tijdstip waarop de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend’ – te informeren over de opsporingsactiviteiten die zijn verricht. In een dergelijk proces-verbaal dienen de opsporingshandelingen te worden opgenomen die redelijkerwijs van betekenis zouden kunnen zijn voor (de beoordeling van het verloop van) het onderzoek. Dit criterium is daarmee niet heel wezenlijk anders dan het relevantiecriterium, op basis waarvan de officier van justitie uiteindelijk het procesdossier samenstelt. Inmiddels zijn in de strafzaak Marengo alle zaaksdossiers verstrekt en deze worden voor iedere pro formazitting aangevuld met een proces-verbaal waarin de onderzoekshandelingen die sinds de voorgaande pro formazitting zijn verricht zijn opgenomen. Daarnaast is het BOB-dossier verstrekt en heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat eind december 2020 het einddossier zal worden verstrekt. Dit maakt dat er geen belang meer is bij het door de raadsman verzochte proces-verbaal. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek.
Nadere overweging van de rechtbank
De rechtbank merkt op dat handelingen die worden verricht ter opsporing van een voortvluchtige verdachte die niet tot de aanhouding van die verdachte leiden, niet zonder meer aan dat relevantiecriterium voldoen. Niet in de zaak van die voortvluchtige verdachte, en evenmin in zaken van medeverdachten. In de verstrekte BOB-dossiers van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 2] bevinden zich ook BOB-middelen die slechts gericht zijn op hun aanhouding. De rechtbank maakt daaruit op dat deze stukken volgens het Openbaar Ministerie kennelijk aan het relevantiecriterium voldoen. De vraag of het richten van opsporingsmiddelen op advocaten, zoals de Dubai-observatie, niet evenzeer aan genoemd criterium voldoet (en zo ja wanneer en in welke zaken) zal naar verwachting nog onderwerp zijn van juridisch debat in de zaak Marengo.
Beslissingen in de zaak van verdachte [verdachte 4]
Verzoeken met betrekking tot getuigen [getuige 2] en [getuige 3]
Verzoeken van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte [verdachte 4] heeft een herhaald verzoek gedaan tot het horen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Aan dit verzoek heeft zij (aanvullend) ten grondslag gelegd dat deze getuigen ook bevraagd dienen te worden over hun verklaring dat de politie van Dubai hen informatie over – kort gezegd – de Iran-connectie van verdachte [verdachte 4] heeft voorgehouden. Met het horen van de getuigen op dit punt kunnen de stellingen van de verdediging, dat Nederland onjuiste informatie over deze Iran-connectie aan Dubai heeft verstrekt en dat dit van invloed is geweest op de wijze waarop verdachte [verdachte 4] door Dubai is bejegend, worden onderbouwd, aldus de raadsvrouw.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verzoek moet worden afgewezen.
Beslissingen van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de verzochte getuigen af. Als deze getuigen tijdens hun verhoren in Dubai informatie met betrekking tot verdachte [verdachte 4] en Iran zou zijn voorgehouden, dan vormt dit nog geen onderbouwing van de stelling dat deze informatie door Nederland is verstrekt. Om die reden acht de rechtbank het belang van de verdediging bij het horen van deze getuigen voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende onderbouwd.
Uitbreiding eerdere beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft in de beslissing van 29 september 2020 in het kader van de Dubai- observatie beslist dat proces-verbaal dient te worden opgemaakt met betrekking tot de vraag welke informatie (tot dat moment) met Dubai was gedeeld. In de onderbouwing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de twee getuigen ziet de rechtbank aanleiding om deze opdracht (in de zaak van verdachte [verdachte 4] ) in die zin uit te breiden, dat proces- verbaal dient te worden opgemaakt met betrekking tot de vraag welke informatie over verdachte [verdachte 4] door de Nederlandse autoriteiten met (de autoriteiten van) Dubai is gedeeld tot het moment van zijn aanhouding en overdracht in december 2019.
Verhoor verdachte [verdachte 4] in zijn eigen zaak
Naar aanleiding van de behandeling van een aantal verzoeken van de verdediging van verdachte [verdachte 4] achter gesloten deuren heeft de rechtbank beslist dat [verdachte 4] als verdachte bij de rechter-commissaris zou worden gehoord over een aantal specifieke onderwerpen rondom zijn aanhouding en hechtenis in Dubai. Nadat de rechter-commissaris bij brief van 2 oktober 2020 heeft laten weten dat zij haar werk in de zaak Marengo niet langer voortzet, heeft de rechtbank in overweging gegeven dit verdachtenverhoor bij de rechtbank achter gesloten deuren te houden. Dit om onnodige vertraging te voorkomen. Ter terechtzitting is expliciet besproken dat de inhoud van het proces-verbaal van een verhoor van verdachte [verdachte 4] met instemming van partijen in dat geval zou gelden als ware het een verhoor bij de rechter- commissaris. Het Openbaar Ministerie heeft daarop als primair standpunt ingenomen dat het verhoor van verdachte [verdachte 4] een wettelijke status dient te hebben en zich om die reden hiertegen verzet. De rechtbank is van oordeel dat een door haarzelf voorgestelde praktische
maar buitenwettelijke oplossing voor de ontstane situatie niet kan worden uitgevoerd als betrokken partijen daar niet volmondig en volledig mee instemmen. Dit betekent dat dit verhoor van [verdachte 4] als verdachte plaats kan hebben bij de politie, bij de rechter-commissaris, of bij de rechtbank op een openbare zitting. Een verhoor bij de politie zal naar men mag aannemen binnen redelijke termijn kunnen plaatsvinden, terwijl het verhoor bij de rechter- commissaris langer op zich zal laten wachten. De rechtbank zal desgewenst op de kortst mogelijke termijn dit verhoor ter openbare zitting laten plaatsvinden. De raadsvrouw wordt verzocht zo spoedig mogelijk kenbaar te maken welke keuze de verdediging in deze maakt.
Beslissingen in de zaak van verdachte [verdachte 1]
Verzoek met betrekking tot OVC uit onderzoek Amazone
De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft, zo begrijpt de rechtbank, verzocht om de OVC die wordt genoemd in de brief van de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Amazone van 25 februari 2020, te kunnen uitluisteren. In deze brief is vermeld dat het een OVC in het ziekenhuis betreft en dat verdachte [verdachte 1] tegen zijn broer [verdachte 10] zou zeggen dat het niet voor hen bedoeld was. Dit zou blijken op verschillende momenten uit de betreffende OVC. Het Openbaar Ministerie heeft in reactie op dat verzoek verwezen naar het zaaks-Openbaar Ministerie in het onderzoek Amazone. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het verzoek deze OVC uit te luisteren is in het onderzoek Marengo gedaan, in het licht van een in Marengo te voeren verweer. Het ligt daarom in de rede dat het zaaks-Openbaar Ministerie in Marengo gehoor geeft aan het verzoek en daartoe contact opneemt met de zaaksofficier van justitie in het onderzoek Amazone. De rechtbank bepaalt dat het verzoek van de verdediging door het zaaks-Openbaar Ministerie in Marengo wordt voorgelegd aan het zaaks-Openbaar Ministerie in Amazone.
Verzoek met betrekking tot een telefoon van de kroongetuige
De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie te bevelen de processtukken uit de lopende raadkamerprocedure over de inbeslaggenomen iPhone van de kroongetuige toe te voegen aan het Marengo-dossier. De rechtbank wijst dat verzoek af, omdat het een besloten procedure betreft die nog loopt, en waarvan de stukken niet vrijelijk gedeeld kunnen worden. Daarnaast heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd welk belang zij heeft bij die stukken. De door de verdediging gestelde omstandigheid dat de kroongetuige op grond van de overeenkomst met het Openbaar Ministerie verplicht is om mee te werken aan de waarheidsvinding levert geen grond op voor verstrekking van deze processtukken.
Verhoor van verdachte [verdachte 1]
Op 14 augustus 2020 heeft de rechtbank het verzoek tot het horen van verdachte [verdachte 1] bij de rechter-commissaris toegewezen. De belangrijkste reden dat de verdediging tijdens de vorige pro formazitting had verzocht om een verdachtenverhoor bij de rechter-commissaris, was om het (toen aanstaande) getuigenverhoor van verdachte [verdachte 1] in de zaken van de medeverdachten, ook deel uit te laten maken van zijn eigen strafdossier. Nadien heeft de rechter-commissaris laten weten dat zij haar werkzaamheden in de zaak Marengo niet langer voortzet. De verdediging geeft aan dat het horen van verdachte [verdachte 1] zo snel mogelijk plaats zou moeten hebben. Het verhoor door de recherche op 22 oktober 2019 is vanwege tijdgebrek vroegtijdig beëindigd, terwijl verdachte meer wil verklaren, maar daartoe nadien
geen gelegenheid heeft gekregen bij de recherche. De verdediging verzoekt de rechtbank thans om dit verhoor zelf op de terechtzitting ter hand te nemen.
De rechtbank zal dat vooralsnog niet doen, maar bepalen dat verdachte eerst dient te worden gehoord door de recherche, in het bijzijn van zijn advocaat. De verdediging geeft immers aan haast te hebben en een dergelijk verhoor kan relatief snel georganiseerd worden.
Verzoek met betrekking tot de tenlasteleggingen van verdachte [verdachte 3]
Het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 1] , om het Openbaar Ministerie op te dragen de tenlasteleggingen in de zaken van verdachte [verdachte 3] te verstrekken binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, wordt afgewezen. Het Openbaar Ministerie heeft toegezegd de tenlasteleggingen bij einddossier in alle zaken te zullen verstrekken. Nu het Openbaar Ministerie ook heeft aangegeven dat het ervan uitgaat dat het einddossier begin december 2020 kan worden verspreid, gaat de rechtbank ervan uit dat de tenlasteleggingen dan worden verspreid. Voor het stellen van een termijn bestaat daarom onvoldoende aanleiding.
Beslissing in de zaak van verdachte [verdachte 7]
Verzoek met betrekking tot stukken uit het onderzoek Zeilboot
De raadsman van verdachte [verdachte 7] heeft het Openbaar Ministerie gevraagd om (eventuele) nadere stukken uit het onderzoek Zeilboot te voegen in het dossier dan wel aan de verdediging ter inzage te geven. Het Openbaar Ministerie heeft in haar reactie aangegeven niet over deze stukken te beschikken. Daarmee is de vraag van de raadsman beantwoord en is er op dit punt geen beslissing van de rechtbank nodig.
In de zaken van alle verdachten
Overige verzoeken en vragen
Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van de volgende pro formazitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.
Uitspraak 29‑09‑2020
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op de onderzoekswensen in het onderzoek 26Marengo zoals gedaan op de pro formazitting van 11, 12, 13 en 27 augustus en 3 september 2020
Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de pro formazitting van 11, 12, 13 en 27 augustus en 3 september 2020
Beslissingen in de zaken van alle verdachten
Verwijzing naar de rechter-commissaris
De stukken worden in handen gesteld van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, om het onderzoek dat hierna wordt toegewezen te (doen) verrichten, om voort te gaan met het lopende onderzoek en voorts om al datgene te verrichten wat zij in het belang van het onderzoek acht.
Verzoeken met betrekking tot het ‘Proces-verbaal bevindingen verificatie verklaringen [kroongetuige] betreffende het onderzoek 26Koper (hierna: proces-verbaal 26Koper)’ en de ‘Dubai-observatie’
Inleiding
De verdediging van de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] heeft een aantal onderzoekswensen geformuleerd, gebaseerd op de stelling dat er van de zijde van het Openbaar Ministerie sprake is van een bewuste, gecoördineerde beschadigingsactie gericht op de integriteit van de verdediging, om de aandacht af te leiden van de grote problemen waarin de kroongetuige is komen te verkeren. Daarbij noemt zij vier ‘incidenten’:
- -
de verspreiding van het proces-verbaal 26Koper op 6 augustus 2020, in het volle bewustzijn dat dit op korte termijn bij de media terecht zou komen, met alle gevolgen van dien;
- -
op 18 augustus 2020 werd mr. Van Kleef tijdens een pro formazitting door het zaaks-Openbaar Ministerie in de zaak Orinus beschuldigd van het lekken van informatie;
- -
de wijze waarop de zaaks-rechter-commissaris en de teamvoorzitter van het kabinet van de rechter-commissaris in de brief van 4 augustus 2020 de integriteit van mr. Meijering aantastten, waaruit een frame vanuit het Openbaar Ministerie moet zijn overgeslagen dat niet overeenstemt met de werkelijkheid;
- -
het stelselmatig observeren van mrs. Meijering en Van Kleef medio juni 2019 in Dubai, wat het Openbaar Ministerie getracht heeft onder de pet te houden maar dankzij journalisten bekend is geworden.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat die conclusie niet uit deze opsomming getrokken kan worden. Argumenten voor die stelling kunnen bezwaarlijk gehaald worden uit een beslissing van een rechter-commissaris (die immers niet aan het Openbaar Ministerie verbonden is) of een beschuldiging aan het adres van een niet bij het onderzoek Marengo betrokken advocaat, die wordt gedaan in een andere zaak dan Marengo. De twee andere genoemde incidenten – (de verspreiding van) het proces-verbaal 26Koper en de ‘Dubai-observatie’ – vertonen daarnaast onvoldoende samenhang en hebben in tijd zo ver uit elkaar plaatsgevonden, dat ook zij die conclusie niet rechtvaardigen. Deze twee kwesties en de daaruit voortvloeiende onderzoekswensen, ook die van de verdediging in zaken van andere verdachten, zullen in het navolgende afzonderlijk worden besproken.
Verzoeken met betrekking tot het proces-verbaal 26Koper
In de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] is verzocht om nader onderzoek te verrichten naar de (wijze van) totstandkoming en voeging van het proces-verbaal 26Koper en de publieke mededelingen door het Openbaar Ministerie daaromtrent. Dit om te bezien wat hier precies is gebeurd, waarom dat is gebeurd, in wiens opdracht dat is gebeurd, onder wiens verantwoordelijkheid en met wiens toestemming dat is gebeurd en welke motieven aan dit alles ten grondslag hebben gelegen.
Gevraagd is om als getuigen ter zitting te horen:
- -
de verbalisant [nummer verbalisant] , opsteller van het proces-verbaal 26Koper,
- -
de teamleider van het onderzoek Marengo en
- -
de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket [naam hoofdofficier van justitie] .
De raadslieden van bijna alle andere verdachten hebben zich bij deze verzoeken aangesloten. Daarnaast heeft mr. Bouchikhi verzocht om een tijdlijn in het kader van het voornoemde en om voeging van stukken waaruit blijkt dat, en om welke reden [verdachte 26Koper] in 2015 is overgeplaatst vanuit de penitentiaire inrichting in [plaats] .
Met betrekking tot deze verzoeken overweegt de rechtbank als volgt.
Op 6 augustus 2020, kort voor de aanvang van de pro formazitting inzake Marengo, heeft het Openbaar Ministerie het proces-verbaal 26Koper in het dossier gevoegd en verspreid.
Het proces-verbaal 26Koper bevat in de kern gedeelten uit de kluisverklaringen van de kroongetuige, afgezet tegen ontsleutelde (delen van) PGP-gesprekken gevoerd in de periode nadat het onderzoek 26Koper net “geklapt” was. Deze PGP-gesprekken worden door de politie toegeschreven aan een aantal Marengo-verdachten en aan hen gelieerde personen. In die gesprekken wordt onder meer over advocaten gesproken en/of wat met hen besproken zou zijn of moet worden. Daarnaast wordt in het proces-verbaal 26Koper een aantal feitelijkheden opgesomd, zoals de namen van de in 26Koper aangehouden personen, wie wanneer hun advocaat was, tot welke datum de beperkingen golden en welke informatie wanneer met de verdediging werd gedeeld. Genoemde PGP-gesprekken worden afgezet tegen informatie uit het 26Koper-onderzoek en genoemde feitelijkheden. Een deel van het proces-verbaal 26Koper gaat over deze analyse en interpretaties wanneer bepaalde informatie bekend zou zijn (geworden) bij de personen die die gesprekken voeren.
Of het Openbaar Ministerie een gerechtvaardigd belang heeft om een dergelijk verificatie-proces-verbaal bij het dossier te voegen moet worden beoordeeld aan de hand van het relevantiecriterium. Gezien het belang dat het Openbaar Ministerie hecht aan de zaak 26Koper als aanloop naar een aantal liquidaties die in Marengo vervolgd worden, gezien hetgeen de kroongetuige in de kluisverklaringen heeft verklaard over 26Koper en gezien hetgeen het Openbaar Ministerie stelt omtrent (de deelnemers aan) het criminele samenwerkingsverband rondom verdachte [verdachte 6] en de wijze waarop zij aan voor hen relevante informatie zouden komen, acht de rechtbank het opmaken van het proces-verbaal 26Koper en de voeging daarvan in het zaaksdossier Marengo niet onbegrijpelijk.
Bij dit verificatieonderzoek komen namen naar voren van een aantal bij 26Koper betrokken advocaten (of advocatenkantoren), waaronder enkele advocaten die thans in Marengo betrokken zijn. Dit is nauwelijks te vermijden, alleen al omdat een aantal namen onomwonden door de deelnemers aan deze PGP-gesprekken wordt genoemd of rechtstreeks volgt uit de analyse van de politie. Het Openbaar Ministerie heeft er vervolgens voor gekozen de namen van die advocaten in het proces-verbaal 26Koper op te (doen) nemen. De vraag dringt zich op of het noemen van die namen in dit stadium van de procedure relevant was. Het proces-verbaal 26Koper handelt immers – zo geeft ook het Openbaar Ministerie aan – niet over de vraag of advocaten in het onderzoek 26Koper de beperkingen hebben geschonden, maar veeleer over de wijze waarop de deelnemers aan de PGP-gesprekken (al dan niet via advocaten) aan informatie over de verdenkingen tegen de 26Koper-verdachten trachten te komen.
Al te stellige conclusies over de genoemde advocaten lijken ook risicovol. De rechtbank constateert dat in de in het proces-verbaal 26Koper opgenomen PGP-gesprekken ook regelmatig genoemd wordt dat advocaten aangeven beperkte of geen handelingsvrijheid hebben, juist vanwege die beperkingen. Daarbij geldt dat aan deze PGP-gesprekken een aantal onzekerheden kleeft. Daargelaten of de personen die de gesprekken voeren zijn wie ze vermoed worden te zijn, is het immers ook de vraag of deze personen (als het gaat over advocaten respectievelijk uitlatingen die advocaten gedaan zouden hebben) in die gesprekken steeds de waarheid spreken. Daar komt de nuancering bij dat advocaten in zijn algemeenheid tijdens beperkingen best contact mogen hebben met naasten van hun cliënt mits dit het onderzoek niet raakt. Waar het proces-verbaal 26Koper – in de woorden van het Openbaar Ministerie – niet gaat over het gedrag van de raadslieden uit 26Koper, had het bovenstaande in aanmerking nemend in dit stadium van de procedure wellicht ook gekozen kunnen worden voor een andere, minder beschadigende wijze van verslaglegging.
Het Openbaar Ministerie heeft naar het voorlopig oordeel van de rechtbank bij het maken van een keuze daarin weinig oog gehad voor de positie van de in het proces-verbaal 26Koper genoemde advocaten, nu het Openbaar Ministerie zich had moeten realiseren dat het risico op voor advocaten schadelijke berichten in de pers aanwezig was en dat het voor deze advocaten buitengewoon lastig zou zijn zich hiertegen te weren. Dat het Openbaar Ministerie het proces-verbaal 26Koper heeft opgemaakt met als doel de reputatie van een aantal advocaten te beschadigen acht de rechtbank echter niet aannemelijk, gezien het hiervoor geschetste legitieme onderzoeksbelang dat de rechtbank op zichzelf bij het opmaken en voegen van dit verificatie-proces-verbaal aanwezig acht.
Uitgangspunt voor de rechtbank is – zo is al op de zitting gecommuniceerd – dat iedere advocaat zijn beroep uitoefent binnen de voor hem geldende gedragsregels. Dat uitgangspunt is niet veranderd door de inhoud van het proces-verbaal 26Koper. De deken van de Orde van Advocaten gaat inmiddels onderzoek doen naar een aantal advocaten uit 26Koper, waarbij deze advocaten zonder hun plicht tot geheimhouding te schenden zich kunnen verweren tegen vermeende overtredingen van de gedragsregels. Dat is de plaats waar dergelijke vragen aan de orde dienen te komen. De omstandigheid dat dit onderzoek gaande is brengt evenmin wijziging in het uitgangspunt van de rechtbank.
Het belang van nader onderzoek naar de door de raadslieden opgeworpen vragen door het horen van de verzochte getuigen dient de rechtbank af te zetten tegen de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te beantwoorden vragen in de zaken van de door hen vertegenwoordigde verdachten. Een verdedigingsbelang in de betreffende strafzaken daarbij is, gegeven het hiervoor geschetste legitieme onderzoeksbelang dat de rechtbank op zichzelf bij het opmaken en voegen van dit verificatie-proces-verbaal aanwezig acht, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de verzoeken van mr. Bouchikhi tot het (doen) opstellen van de verzochte tijdlijn en om voeging van stukken waaruit blijkt dat, en waarom, [verdachte 26Koper] in 2015 is overgeplaatst vanuit de penitentiaire inrichting in [plaats] , nu het daarbij moet gaan om een verdedigingsbelang in de zaak van verdachte [verdachte 7] . De verzoeken worden daarom afgewezen.
Verzoeken met betrekking tot de ‘Dubai-observatie’
Het Openbaar Ministerie dient bij de inzet van BOB-middelen en bij opsporing in bredere zin – of dit nu in het kader van artikel 6:1:7 Sv (artikel 565 (oud) Sv) gebeurt of in het vooronderzoek – altijd te blijven binnen de grenzen van het recht, waaronder de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De vraag of het Openbaar Ministerie in de zoektocht naar verdachte [verdachte 6] die grenzen heeft overschreden door het in Nederland en in Dubai (laten) volgen van twee advocaten, en zo ja, of daaraan gevolgen moeten worden verbonden in zaken van verdachten die in Marengo worden vervolgd, zal in een later stadium zonder twijfel aan de orde komen.
Op dit moment zal het dossier zodanig moeten worden aangevuld dat helder wordt wat er precies gebeurd is. Berichten of uitlatingen in de pers of op zitting zijn voor de rechtbank onvoldoende om nader onderzoek te (laten) doen, laat staan om harde conclusies te trekken. Het Openbaar Ministerie zal daarom – overeenkomstig zijn aanbod – processen-verbaal aan het dossier toe dienen te voegen waarin wordt uiteengezet hoe de inzet heeft plaatsgevonden, op basis van welke informatie en wat er daadwerkelijk is gebeurd in Nederland en Dubai. Daarbij verwacht de rechtbank in ieder geval ook een gedetailleerde weergave wat precies aan de autoriteiten van Dubai is gevraagd, welke informatie daarbij met Dubai is gedeeld en op welke wijze Dubai hier uitvoering aan heeft gegeven. Daarnaast draagt de rechtbank het Openbaar Ministerie op om aan te geven of er daarnaast in het onderzoek Marengo – of dit nu in het kader van artikel 565 Sv is gebeurd of in het vooronderzoek – BOB-middelen of andere opsporingsmiddelen gericht zijn geweest op advocaten. Als hiervan sprake is geweest dient daarvan in een proces-verbaal verantwoording te worden afgelegd.
Het Openbaar Ministerie heeft voorts aangeboden om de volledige BOB-dossiers van het opsporingsonderzoek in de zaken van de verdachten [verdachte 6] en [verdachte 2] , dat is gebaseerd op artikel 565 Sv (hierna: de artikel 565 Sv BOB-dossiers), ter inzage te geven aan de rechter-commissaris, met het verzoek aan de rechter-commissaris om te bepalen welke advocaten belang hebben bij de inzage daarin. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie de kanttekening gemaakt dat er wellicht informatie in deze dossiers staat die – in de ogen van het Openbaar Ministerie – tijdelijk dan wel permanent onthouden zou moeten worden. De rechtbank ziet bij de beslissing wie waarin inzage zou moeten hebben echter geen rol voor de rechter-commissaris. Uitgangspunt voor de rechtbank is dat de verdediging van de verdachten [verdachte 6] en [verdachte 2] , indien zij dit wensen, inzage dienen te krijgen in de artikel 565 Sv BOB-dossiers aangaande de opsporing van deze twee verdachten. Dit geldt overigens wellicht evenzeer in de zaken van de verdachten [verdachte 8] en [verdachte 9] , als daarin ook sprake is van een artikel 565 Sv BOB-dossier. Indien delen van deze dossiers in de ogen van het Openbaar Ministerie tijdelijk dan wel permanent onthouden dienen te worden, dan zal het Openbaar Ministerie daartoe de benodigde stappen dienen te zetten. Mocht de inzage in de artikel 565 Sv BOB-dossiers aanleiding geven voor de verdediging om te verzoeken om voeging van bepaalde stukken in het dossier, dan kan zij dit bij het Openbaar Ministerie neerleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdediging van andere verdachten inzage in deze 565 Sv BOB-dossiers te geven, nu opsporing, gericht op de aanhouding van verdachten, zich doorgaans richt op de privé-omgeving van deze verdachten. Daarom verzet de privacy zich tegen inzage door anderen dan de eigen advocaat.
De rechtbank ziet in dit stadium nog geen aanleiding om getuigen te horen over deze kwestie. Verzoeken dienaangaande worden daarom afgewezen. Het voorgaande leidt er ook toe dat andere onderzoekswensen met betrekking tot deze kwestie in dit stadium worden afgewezen.
Inzage in de Marengo-dataset (hierna: de dataset)
De rechtbank ziet in de uitgewisselde standpunten over de inzage in de dataset, het voorwaardelijke verzoek van mr. I.N. Weski in de zaken van verdachten [verdachte 8] , [verdachte 9] en [verdachte 6] , en de uitnodiging van het Openbaar Ministerie daartoe, aanleiding om zich te laten informeren over de wijze waarop de inzage in de dataset nu praktisch gaat door zelf de dataset te doorzoeken op eenzelfde laptop zoals die aan de verdediging in de diverse penitentiaire inrichtingen wordt verstrekt. De rechtbank gaat, bij gelegenheid van de volgende pro formazitting, graag met de procespartijen in gesprek over hoe dit praktisch vorm te geven, rekening houdend met de beperkingen die de coronamaatregelen met zich brengen.
Vragen die bij de inzage in de dataset opkomen
De rechtbank acht het wenselijk dat het Openbaar Ministerie vragen van de verdediging die opkomen bij de inzage ook buiten het bestek van de (pro forma)zittingen kan beantwoorden, bijvoorbeeld door de verdediging een vast aanspreekpunt te bieden waar zij terecht kan met vragen of praktische problemen die opkomen bij de inzage in de dataset. Deze zouden dan niet zonder meer op de (pro forma)zittingen aan de orde hoeven komen. Over de wenselijkheid hiervan en hoe dit vorm te geven gaat de rechtbank eveneens graag met de procespartijen in gesprek bij gelegenheid van de volgende pro formazitting.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5]
De verdediging heeft in de zaken van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] een aantal verzoeken gedaan. Voor zover de rechtbank begrijpt dat deze verzoeken alleen in de zaak van verdachte [verdachte 1] zijn gedaan zal dat worden vermeld.
Verzoek tot horen cliënt als verdachte
1. [verdachte 1] horen als verdachte
Dit verzoek, dat uiteraard alleen in de zaak van verdachte [verdachte 1] is gedaan, is al door de rechtbank toegewezen en, met instemming van de procespartijen, op 14 augustus 2020 in een e-mailbericht aan de verdediging en het Openbaar Ministerie meegedeeld.
Verzoeken tot horen getuigen
2. [getuige 1]
De verdediging heeft verzocht [getuige 1] als getuige te doen horen. Daaraan wordt allereerst ten grondslag gelegd dat via dat verhoor kan worden aangetoond dat verdachte [verdachte 1] niet in de buurt van de moord/doodslag op [slachtoffer 1] was. De rechtbank verenigt zich met de overweging van de rechter-commissaris dat daarbij geen verdedigingsbelang is, omdat het Openbaar Ministerie niet stelt dat verdachte [verdachte 1] in de buurt van die moord was. In zoverre wordt het verzoek afgewezen.
De verdediging wil [getuige 1] ook horen over de vraag of er tussen verdachte [verdachte 1] en de kroongetuige een vertrouwensrelatie bestond. De rechter-commissaris heeft (in haar beslissing van 25 februari 2020) terecht vooropgesteld dat het in eerste instantie gaat om het toetsen van de verklaringen van de kroongetuige over de ten laste gelegde feiten, en niet over zijn karakter. De rechtbank is echter van oordeel dat de verdediging in enige mate de gelegenheid moet krijgen om meer algemeen een indruk te geven van het volgens haar onbetrouwbare karakter van de kroongetuige en in hoeverre er tussen hem en verdachte [verdachte 1] sprake was van een vertrouwensrelatie. De rechtbank wijst het verzoek dan ook toe, voor zover het over deze onderwerpen gaat. Het is vervolgens aan de rechter-commissaris om te bepalen wanneer deze aspecten voldoende voor het voetlicht zijn gekomen in de verklaring.
3. [getuige 2]
De getuige [getuige 2] is door de rechter-commissaris toegewezen, maar onder de voorwaarde dat de gegevens waaronder deze bereikt kan worden binnen drie weken door de officier van justitie of de verdediging worden aangeleverd. Volgens de verdediging is deze voorwaarde ten onrechte aan de toewijzing verbonden, omdat de verdediging niet toegerust en niet aangewezen is om adresgegevens aan te reiken. De rechtbank volgt de verdediging daar niet in. De verplichting om adresgegevens aan te leveren wordt niet alleen bij de verdediging gelegd, maar ook bij het Openbaar Ministerie. Dat daaraan door de rechter-commissaris een termijn wordt gekoppeld is vanuit het oogpunt van agendabeheer niet onredelijk. De rechtbank gaat er daarbij overigens van uit dat, indien de adresgegevens van de getuige pas later worden gevonden, desgevraagd alsnog door de rechter-commissaris een verhoor wordt gelast. Het verzoek wordt afgewezen.
4. [getuige 3]
De getuige [getuige 3] is eveneens door de rechter-commissaris toegewezen. De rechter-commissaris heeft aan oproeping voor verhoor de voorwaarde verbonden dat de getuige aangeeft dat hij bereid is te verklaren. De verdediging maakt bezwaar tegen die voorwaarde, en wijst erop dat per vraag zal moeten worden beoordeeld of de getuige een verschoningsrecht toekomt. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de praktische aanpak van de rechter-commissaris, is zij van oordeel dat er in deze zaak wel aanleiding is om – in elk geval voor zover het niet om verhoren van medeverdachten gaat die op zitting gehoord kunnen worden – pas tijdens het verhoor te bezien of de getuige zich wil en kan beroepen op het verschoningsrecht. Het verzoek tot het horen van de getuige wordt dan ook toegewezen zonder de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarde.
5. [getuige 4]
Ook het verzoek om de getuige [getuige 4] te horen is door de rechter-commissaris voorwaardelijk toegewezen, in die zin dat de getuige zal worden opgeroepen als hij aangeeft dat hij bereid is inhoudelijk vragen te beantwoorden. Daartegen maakt de verdediging bezwaar. De rechtbank bepaalt onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien van de getuige [getuige 3] is overwogen dat de getuige [getuige 4] dient te worden opgeroepen zonder de genoemde voorwaarde.
6. [getuige 5]
De getuige [getuige 5] zou volgens de verdediging kunnen verklaren over de relatie tussen de kroongetuige en verdachte [verdachte 1] . De rechter-commissaris heeft het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 5] afgewezen, bij gebrek aan relevantie voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank wijst dit verzoek van de verdediging toe, onder verwijzing naar hetgeen over de getuige [getuige 1] is overwogen.
7. [getuige 6]
De verdediging heeft verzocht om [getuige 6] als getuige te horen. Onderwerp van het verzochte verhoor is enerzijds betrokkenheid van de getuige en/of de kroongetuige bij drugshandel, en anderzijds de liquidaties van [slachtoffer 2] en ‘ [bijnaam slachtoffer 3] ’ (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ) waarover verdachte [verdachte 1] zou hebben gezegd dat hij wist wie er achter zat en wat de reden was. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbelang om deze getuige over het eerste onderwerp, kort gezegd: drugshandel, te horen, voldoende is onderbouwd, nu de kroongetuige daarover gedetailleerd heeft verklaard. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen ten aanzien van de getuige [getuige 1] . Het verzoek om de getuige te horen wordt op dit punt dan ook toegewezen.
Ten aanzien van het tweede onderwerp, de liquidaties van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , is de rechtbank met de rechter-commissaris van oordeel dat niet is gebleken dat de getuige bij het gesprek met verdachte [verdachte 1] aanwezig is geweest, zodat het verzoek om hem ten aanzien van dit onderwerp te horen wordt afgewezen.
8. [getuige 7]
De verdediging heeft, met dezelfde onderbouwing, verzocht om [getuige 7] te doen horen als getuige. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging het verdedigingsbelang om deze getuige over kort gezegd: drugshandel, te horen, onvoldoende heeft onderbouwd, nu de kroongetuige in de betreffende passages uit de kluisverklaringen niet over deze getuige heeft verklaard.
Ten aanzien van het tweede onderwerp, de liquidaties van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , is de rechtbank van oordeel dat het horen van deze getuige voldoende relevant is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de kroongetuige. In zoverre wordt het verzoek dan ook toegewezen.
9. De partner van de kroongetuige
De verdediging heeft verzocht de partner van de kroongetuige te doen horen als getuige, allereerst over telefoons die de kroongetuige (mogelijk) in zijn cel heeft gehad in 2017. Verder wil de verdediging de partner van de kroongetuige vragen stellen over haar wetenschap met betrekking tot de betrokkenheid van de kroongetuige bij de feiten uit de zaaksdossiers Roos en Doorn. De rechtbank acht het verdedigingsbelang daarbij voldoende onderbouwd. Het verzoek wordt toegewezen, waarbij het aan de rechter-commissaris is te bepalen in hoeverre er bijzondere (veiligheids-)maatregelen worden genomen ten behoeve van de getuige.
10. [getuige 8]
11. [getuige 9]
12. ‘ [getuige 10] ’
Ten aanzien van het verzoek om de getuigen [getuige 8] en ‘ [getuige 10] ’ te horen over – kort gezegd – de liquidatie van [slachtoffer 4] , is door de rechter-commissaris al geoordeeld dat daarbij een verdedigingsbelang bestaat. De getuige [getuige 8] is toegewezen. Het verzoek tot het horen van de getuige ‘ [getuige 10] ’ is door de rechter-commissaris niet toewijsbaar geacht omdat persoonsgegevens waarmee hij kan worden opgeroepen ontbreken. De rechtbank oordeelt dat van het Openbaar Ministerie mag worden verwacht dat het onderzoek doet naar de identiteit van ‘ [getuige 10] ’, opdat deze getuige, indien vindbaar, kan worden gehoord. Het verzoek tot het horen van ‘ [getuige 10] ’ wordt dan ook toegewezen.
De verdediging heeft verder verzocht de getuigen [getuige 8] en [getuige 9] te doen horen over de aanslag op verdachte [verdachte 1] op 17 december 2017. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbelang daarbij op dit moment onvoldoende is onderbouwd, in het licht van de brief van de officier van justitie van 25 augustus 2020. In die brief wordt beschreven welk nader onderzoek door het Openbaar Ministerie is verricht naar aanleiding van de verklaring van verdachte [verdachte 1] . De conclusie van die brief is dat in het onderzoek geen enkele ondersteuning is gevonden voor het scenario dat de kroongetuige op enige wijze betrokken is geweest bij dit schietincident. Het verzoek wordt in zoverre dus afgewezen.
13. De twee zussen van de kroongetuige die meegewerkt hebben aan de vierdelige docu-serie “De jacht op de Mocro-maffia”
De verdediging heeft verzocht deze twee zussen van de kroongetuige te doen horen als getuige. Voor zover de grondslag van dat verzoek ziet op de totstandkoming van de overeenkomst met de kroongetuige en de beweerde mededeling van een overheidsfunctionaris dat de dood van de broer van de kroongetuige aan de kroongetuige te wijten was, kan de rechtbank niet inzien welk verdedigingsbelang daarmee gemoeid kan zijn.
De verdediging heeft verder gewezen op passages uit de documentaire ‘De jacht op de Mocro-Maffia’ waaruit zou volgen dat de kroongetuige (mogelijk) met zijn familie heeft gesproken over de feiten uit de zaaksdossiers Roos en Doorn. De rechtbank is van oordeel dat de aanwijzingen in de citaten uit de documentaire geen uitsluitsel geven over hetgeen de kroongetuige inhoudelijk over die zaken heeft verteld, maar wel enig nader onderzoek op dit punt rechtvaardigen. De officier van justitie wordt opgedragen om, in het kader van verificatie en falsificatie, de beide zussen te doen verhoren door de politie. Indien daartoe aanleiding bestaat kan de verdediging naar aanleiding van de processen-verbaal die van die verhoren worden opgemaakt, een nader verzoek doen tot het horen van hen als getuige.
14. De vader van [kroongetuige]
15. De broer van [kroongetuige]
De verdediging heeft verzocht de broer en vader van de kroongetuige te doen horen als getuige over een ontvoering van de vader door (onder meer) de kroongetuige. Met de rechter-commissaris is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van enig verdedigingsbelang bij die verhoren. Voor zover beoogd wordt het gestelde slechte karakter van de kroongetuige aan te kaarten, is de rechtbank van oordeel dat daarvoor voldoende gelegenheid wordt geboden door het verhoor van andere reeds toegewezen getuigen. De verzoeken worden afgewezen.
Verzoeken om het Openbaar Ministerie opdrachten te geven
Media-onderzoek (ongenummerd)
De verdediging heeft – verwijzend naar een bij het gerechtshof Den Haag lopende kroongetuigenzaak – verzocht om een media-onderzoek door een informatiespecialist, om na te gaan wat de kroongetuige tijdens detentie te weten kan zijn gekomen uit mediaberichtgeving. Ter zitting heeft het Openbaar Ministerie de specifieke omstandigheden van die zaak – een kroongetuige die zelf niet betrokken is geweest bij de strafbare feiten waarover hij heeft verklaard en aangeeft in detentie informatie te hebben gekregen van de verdachte, terwijl de verdachte aangeeft dat de kroongetuige al zijn wetenschap uit de media heeft – geschetst. Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsbelang bij een dergelijk mediaonderzoek in de onderhavige zaak – gezien de wezenlijk andere positie van de kroongetuige – onvoldoende onderbouwd. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
1. Proces-verbaal ter beantwoording van vragen met betrekking tot bespreking en contacten tussen zaaks-OM en kroongetuige en verificatieonderzoek
De verdediging verzoekt de rechtbank om de zaaksofficieren van justitie op te dragen een proces-verbaal op te maken over de contacten die de zaaksofficieren van justitie hebben gehad met de kroongetuige, waarbij de verdediging een aantal vragen formuleert over de aanvang en het verloop van de contacten tussen het zaaks-Openbaar Ministerie en de kroongetuige, over de voorgenomen bekendmaking van de met hem gesloten overeenkomst en over eventuele betrokkenheid van het zaaks-Openbaar Ministerie bij verificatie- en tactisch onderzoek. Ter zitting hebben de officieren van justitie hierover nadere informatie verschaft. Het verzoek om een nader proces-verbaal op te laten maken wordt afgewezen, nu de relevantie voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende is onderbouwd. De stelling dat een rechtmatigheidsverweer gekoppeld kan worden aan het feit dat de kroongetuige zich destijds verzet zou hebben tegen de openbaarmaking, is daarvoor onvoldoende.
2. Dossiers kampschietincident Orinoco en schietincident Amazone d.d. 17 december 2017
De verdediging heeft om toezending van een kopie van de dossiers Orinoco en Amazone verzocht. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek om kennisname van die dossierstukken als bedoeld in artikel 34 lid 2 Sv. Met betrekking tot het onderzoek Orinoco is de rechtbank van oordeel dat er een zodanig ver verwijderd verband is tussen dit onderzoek en de feiten waarover de kroongetuige heeft verklaard c.q. de periode waarin die feiten gepleegd zijn, dat er geen verdedigingsbelang is bij inzage in dat dossier. Het verzoek tot inzage in het onderzoek Orinoco wordt daarom afgewezen.
Een verdedigingsbelang bij inzage in het onderzoek Amazone ziet de rechtbank op zichzelf wel, al is het maar omdat enige relatie tussen de aanslag op verdachte [verdachte 1] en de feiten waarvoor de verdachten in de zaak Marengo vervolgd worden, niet ondenkbeeldig is. Uit de door de officier van justitie geciteerde brief van het zaaks-Openbaar Ministerie in de zaak Amazone blijkt er sprake te zijn van “een zwaarwegend opsporingsbelang dat zich verzet tegen verstrekking van het volledige dossier”. Uit die formulering leidt de rechtbank af dat er wel inzage aan de verdediging kan worden gegeven in een gedeelte van het dossier in de zaak Amazone. De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging in zoverre toe.
3. Hoe is het OM aan stukken uit het dossier 03Amazone gekomen?
De verdediging verzoekt de rechtbank om het Openbaar Ministerie opdracht te geven zeven vragen te beantwoorden over de verkrijging van het dossier Amazone. De officieren van justitie hebben in antwoord daarop aangegeven dat zij niet beschikken over dat dossier. Enkel is door het zaaks-Openbaar Ministerie in het onderzoek Amazone informatie verstrekt aan de verdediging van verdachte [verdachte 1] , die daarbij tevens aan het zaaks-Openbaar Ministerie in het onderzoek Marengo is gegeven. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen belang de vragen van de verdediging te laten beantwoorden. Het verzoek hiertoe wordt dan ook afgewezen.
4. Verzekeringsfraude [kroongetuige] en zijn levenspartner
Uit de reactie van mr. Meijering op 3 september 2020 leidt de rechtbank af dat de verdediging dit verzoek niet langer handhaaft.
5. Afgeschermde TCI-informatie gebruiker PGP-lijn
De verdediging vraagt de rechtbank om het Openbaar Ministerie op te dragen kenbaar te maken uit welk onderzoek de informatie afkomstig is dat verdachte [verdachte 1] de gebruiker is van het PGP-emailadres [e-mailadres] , met als motivering dat kenbaar gemaakt moet worden of er al dan niet sprake is van een dubbele bron. Dit verzoek wijst de rechtbank af bij gebrek aan verdedigingsbelang, omdat TCI-informatie geen bewijsmiddel is.
6. Persoonsdossier [kroongetuige]
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen het volledige persoonsdossier van de kroongetuige aan het dossier toe te voegen, omdat zicht moet worden verkregen op de gang der dingen vanaf het moment dat de kroongetuige zich gemeld heeft bij de politie. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de verdediging in een zaak met een kroongetuige zicht dient te krijgen op de gesloten overeenkomst, maar dat dit niet zonder meer geldt voor het – vertrouwelijke – traject dat daaraan voorafgaat. Bijzondere omstandigheden die dat hier anders maken zijn niet gebleken. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven wat de vindplaatsen zijn van een aantal tot het persoonsdossier van de kroongetuige behorende processen-verbaal. De dossierstukken van de “wapenzaak” van de kroongetuige noemt de officier van justitie niet en de rechtbank heeft deze stukken niet in het dossier Marengo aangetroffen. In beginsel is het aan de officier van justitie om op basis van het relevantiecriterium het procesdossier samen te stellen en deze stukken hebben het kennelijk niet gehaald. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter wel een verdedigingsbelang om op de voet van artikel 34 lid 2 Sv inzage in deze stukken te krijgen. Het verzoek wordt voor wat betreft dat gedeelte toegewezen.
7. Antecedenten [kroongetuige]
Uit de reactie van mr. Meijering op 3 september 2020 leidt de rechtbank af dat de verdediging dit verzoek niet langer handhaaft.
8. Verificatiedossier n.a.v. kluisverklaringen [kroongetuige]
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen het verificatiedossier dat is opgemaakt naar aanleiding van de kluisverklaringen, waarover de TBG-officier van justitie heeft verklaard, beschikbaar te laten komen. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek om kennisname van die stukken als bedoeld in artikel 34 lid 2 Sv. De stelling van het Openbaar Ministerie dat hier geen (verdedigings-)belang bij is, nu dit beperkte verificatie- en falsificatieonderzoek inmiddels in de zaak Marengo veel uitgebreider over is gedaan en alles wat van belang is, in het dossier Marengo is gevoegd, kan de rechtbank niet volgen. Uiteraard mag het Openbaar Ministerie op basis van het relevantiecriterium, gezien het hiervoor opgemerkte, beslissen dit verificatiedossier niet in het procesdossier op te nemen, maar naar het oordeel van de rechtbank is er wel een verdedigingsbelang om op de voet van artikel 34 lid 2 Sv inzage in deze stukken te krijgen. Het verzoek wordt in zoverre toegewezen.
9. Verslagen van (oriënterende) gesprekken met kroongetuige
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de verslagen van de oriënterende gesprekken met de kroongetuige beschikbaar te laten komen. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek om kennisname van die stukken als bedoeld in artikel 34 lid 2 Sv. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de verdediging in een zaak met een kroongetuige zicht dient te krijgen op de gesloten overeenkomst, maar dat dit niet zonder meer geldt voor het – vertrouwelijke – traject dat daaraan voorafgaat. Bijzondere omstandigheden die dat hier anders maken zijn niet gebleken. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
10. Historische verkeersgegevens cliënt en kroongetuige en mastgegevens betreffende zendmasten op/rondom PD’s Kreta en Roos&Doorn
De rechtbank begrijpt dit als een verzoek om kennisname van die stukken als bedoeld in artikel 34 lid 2 Sv. Uit de aanhef begrijpt de rechtbank dat dit verzoek slechts gedaan is in de zaak van verdachte [verdachte 1] . De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen deze gegevens te verstrekken omdat zij eigen onderzoek wenst te kunnen doen naar deze gegevens, nu aan de hand daarvan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige kan worden getoetst. Het Openbaar Ministerie verzet zich hiertegen, waarbij enerzijds wordt aangegeven dat zich op verschillende plaatsen in het dossier al telecom-analyses bevinden en anderzijds dat de privacy- en veiligheidsbelangen van de kroongetuige en zijn naasten in het geding zijn. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging van verdachte [verdachte 1] in de gelegenheid moet worden gesteld zelf onderzoek te doen op basis van de historische verkeersgegevens van aan hem toegeschreven telefoons, voor zover beschikbaar. Het verzoek om inzage wordt in zoverre toegewezen.
De rechtbank kan zich voorstellen dat deze inzage zijn beslag krijgt door het ter beschikking stellen van die gegevens aan de verdediging van verdachte [verdachte 1] onder door de officier van justitie te stellen voorwaarden. Het verzoek om inzage in de telecomgegevens van de kroongetuige wordt afgewezen, nu de privacy- en veiligheidsbelangen van de kroongetuige en zijn naasten zich daartegen verzetten en met de zich reeds in het dossier bevindende telecom-analyses voldoende onderzoeksmogelijkheden voor de verdediging aanwezig zijn. Deze beoordeling kan anders worden als een verzoek om inzage specifieker wordt en het verdedigingsbelang (daarmee) concreter wordt onderbouwd.
Wijziging tenlastelegging kroongetuige (ongenummerd)
De verdediging heeft (mondeling) verzocht om een afschrift van de gewijzigde tenlastelegging (de rechtbank begrijpt: de drie toegewezen vorderingen wijziging tenlastelegging en de toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging) van de kroongetuige. Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank draagt het Openbaar Ministerie op die stukken aan het dossier van alle medeverdachten toe te voegen.
11. Totaaloverzicht van aan de kroongetuige toegeschreven communicatiemiddelen
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen een totaaloverzicht te geven van de aan de kroongetuige toegeschreven communicatiemiddelen. De rechtbank gaat ervan uit dat, voor zover het Openbaar Ministerie kennis draagt van communicatiemiddelen van de kroongetuige tijdens detentie en daarvoor, deze zijn of worden verantwoord in het dossier. Daarmee bestaat er onvoldoende verdedigingsbelang bij de verstrekking van een overzicht zoals verzocht. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
12. Onderzoek gericht op partner van de kroongetuige en andere directe relaties van de kroongetuige
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de vragen te beantwoorden of er op de partner en andere relaties van de kroongetuige op enig moment onderzoeksmethoden zijn gericht en of zij gehoord zijn als verdachte en/of getuige. In zijn algemeenheid geldt dat als er BOB-middelen zijn ingezet in het onderzoek Marengo of ‘daaronder hangende’ onderzoeken, dit verantwoord dient te worden in het procesdossier. Hetzelfde geldt voor verhoren in het kader van die onderzoeken. Dit is in beginsel niet anders als het de partner of andere relaties van de kroongetuige betreft. Uit het BOB-dossier (pagina’s 201 en 352) is af te leiden dat de partner van de kroongetuige op enig moment getapt is in de onderzoeken Roos en Doorn, maar in de zaaksdossiers Roos en Doorn – waarin overigens geen afzonderlijk BOB-dossier zit – lijkt dat niet te zijn verantwoord. Het Openbaar Ministerie zal hieromtrent en ter zake van de vraag of er BOB-middelen op andere naasten van de kroongetuige hebben plaatsgevonden, een (nader) proces-verbaal op dienen te maken. De zaaksdossiers Roos en Doorn bevatten wel twee ordners “tapdossier”, maar enig tapgesprek van de partner van de kroongetuige lijkt dit niet te bevatten. Op grond van het relevantiecriterium kan het Openbaar Ministerie deze keuze maken, maar naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in beginsel een verdedigingsbelang bij inzage in deze tapgesprekken. Het Openbaar Ministerie zal dit als daarom verzocht wordt dienen te faciliteren op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze. Het Openbaar Ministerie kan, als er redenen zijn om delen daarvan te onthouden van inzage, daarvoor de geëigende weg bewandelen.
13. Bob-dossier
De verdediging heeft (samengevat) verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen het BOB-dossier te completeren, het aan te geven als niet alle BOB-activiteiten aan het dossier kunnen worden toegevoegd en voor de completering een termijn van twee weken te stellen. De rechtbank vertrouwt erop dat de BOB-dossiers zo snel mogelijk gecompleteerd worden en ziet geen reden om het Openbaar Ministerie hierbij een termijn te stellen.
14. Taps (en OVC?) familie cliënt
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen de resultaten van alle taps en OVC’s op broers van verdachte [verdachte 1] aan het dossier toe te voegen. Gelet op de aanhef en formulering van dit verzoek houdt de rechtbank het ervoor dat dit verzoek alleen in de zaak van verdachte [verdachte 1] is gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft geantwoord dat onder het BOB-nummer van verdachte [verdachte 2] taps op familie van verdachte
[verdachte 1] hebben plaatsgevonden en dat dit binnen afzienbare tijd in het BOB-dossier zal worden gevoegd. Gelet op dit antwoord is er geen aanleiding voor de rechtbank hieromtrent nu een opdracht aan het Openbaar Ministerie te geven.
15. Resultaten zoeking(en)/financieel onderzoek cliënt
De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen alle resultaten van de doorzoekingen die hebben plaatsgevonden op aan verdachte [verdachte 1] toegeschreven verblijfplaatsen en financieel onderzoek naar verdachte [verdachte 1] (en directe familieleden) aan het dossier toe te voegen. Gelet op de aanhef en formulering van dit verzoek houdt de rechtbank het ervoor dat dit verzoek alleen in de zaak van verdachte [verdachte 1] is gedaan. Gelet op de toelichting van het Openbaar Ministerie – die kort gezegd inhoudt dat er een inventarisatie gemaakt zal worden van de doorzoekingen die in het dossier zal worden gevoegd en dat er, behalve een onderzoek naar de rekening in de Penitentiaire Inrichting, geen financieel onderzoek naar verdachte [verdachte 1] heeft plaatsgevonden – ziet de rechtbank geen reden hieromtrent een opdracht aan het Openbaar Ministerie te geven.
Verzoeken met betrekking tot PGP-berichten
Namens de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] is verzocht om:
verstrekking van de dataset aan verdachten en de advocaat, dan wel (subsidiair) de huidige wijze van inzage aan te passen zodat het voor verdachten mogelijk is de dataset in te zien op cel zonder tijdslimiet en zonder aanwezigheid van een advocaat;
verbetering van zoekmogelijkheden in de PDF-bestanden van de dataset;
horen van de meest aangewezen NFI-PGP-deskundige;
horen van de meest aangewezen PGP-rechercheur.
1. Verstrekking van de dataset aan verdachten en de advocaat, dan wel (subsidiair) de huidige wijze van inzage aan te passen zodat het voor verdachten mogelijk is de dataset in te zien op cel zonder tijdslimiet en zonder aanwezigheid van een advocaat
Ten aanzien van dit verzoek verwijst de rechtbank naar haar eerdere beslissingen van 13 maart 2020 en 4 juni 2020, waarin is overwogen dat de volledige dataset niet tot de processtukken behoort en er (dus) geen recht bestaat op verstrekking van die volledige dataset. De verdediging heeft wel recht op inzage, zodat zij kan beoordelen of er specifieke berichten zijn die zij toegevoegd zou willen zien aan de processtukken. De wet schrijft echter niet voor dat ten behoeve van deze beoordeling aan de verdachte en zijn advocaat een afschrift zou moeten worden verstrekt van alle resultaten van opsporing. Het gaat erom dat de wijze van inzage voldoende mogelijkheid moet bieden om een adequate verdediging te voeren, daarbij rekening houdend met het feit dat het om privacygevoelige gegevens gaat waar zorgvuldig mee omgegaan moet worden. Deze inzagemogelijkheid wordt sinds 10 februari 2020 aan de verdediging geboden en is – zo heeft de officier van justitie op 3 september 2020 ter zitting medegedeeld – verlengd tot 1 december 2020. Daarnaast geldt dat aan de raadslieden de zogenoemde ‘eigen PGP-lijnen’ zijn verstrekt, zodat zij reeds over een belangrijk deel van de voor hun cliënt van belang zijnde berichten beschikken. Mede vanwege de eerder genoemde privacygevoelige informatie wordt aan de verdachten geen zelfstandige inzage in de dataset, noch in de ‘eigen PGP-lijnen’ verstrekt.
De omstandigheid dat de inzage in de dataset op praktische problemen stuit en tijdrovend is, brengt niet mee dat de dataset moet worden verstrekt aan de verdachte en/of diens advocaat. Uit de reactie van het Openbaar Ministerie begrijpt de rechtbank bovendien dat het zoeken kan worden versneld door alleen in de zogenoemde tekstkolom te zoeken met hulp van een tekstfilter en dat inmiddels ook een aangepast Excel bestand beschikbaar is (met minder kolommen) waardoor ook het zoeken, op de manier die de verdediging wenst, sneller gaat. Dat de verdachte zelfstandig inzage zou kunnen bewerkstelligen door zelf de verdediging te gaan voeren, zonder advocaat, is een conclusie die de verdediging trekt en die niet zonder meer wordt onderschreven. Alternatieven voor inzage bij die optie zijn immers denkbaar, zoals inzage via een toe te voegen advocaat of onder toezicht van het Openbaar Ministerie en/of de politie. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.
De rechtbank ziet, zoals hiervoor reeds is overwogen, in de gewisselde standpunten over de problemen bij het doorzoeken van de dataset en de uitnodiging van het Openbaar Ministerie daartoe, wel aanleiding om zich te laten informeren over de wijze waarop de inzage in de dataset nu praktisch gaat door zelf de dataset te doorzoeken op eenzelfde laptop zoals die aan de verdediging in de diverse penitentiaire inrichtingen wordt verstrekt.
2. Verbetering van zoekmogelijkheden in de Pdf-bestanden van de dataset
De rechtbank wijst dit verzoek ook af, nu uit de reactie van het Openbaar Ministerie blijkt dat het niet mogelijk is de Pdf-bestanden beter doorzoekbaar te maken. Het Openbaar Ministerie heeft uiteengezet dat de databestanden zowel in Excel als in Pdf beschikbaar zijn, maar dat die Pdf-bestanden groot en langzaam zijn en daardoor niet handig te doorzoeken. Volgens het Openbaar Ministerie kan doorzoeken alleen effectief in het Excel bestand. Bij gelegenheid van dupliek is namens verdachten verzocht om het onderzoek van de ICT-specialist van de politie, die – kort gezegd – heeft geconcludeerd dat sneller zoeken in de Pdf-bestanden niet mogelijk is, in een proces-verbaal vast te leggen, zodat dit getoetst kan worden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af. In de gegeven onderbouwing wordt onvoldoende verdedigingsbelang gezien bij het opmaken van een dergelijk proces-verbaal. De mededeling van het Openbaar Ministerie ter zitting hieromtrent volstaat.
3. Horen van de meest aangewezen NFI-PGP-deskundige
4. Horen van de meest aangewezen PGP-rechercheur
Ook de verzoeken onder 3 en 4 wijst de rechtbank af. Met betrekking tot onderzoek naar de conclusies inzake het toeschrijven/identificeren van bepaalde lijnen geldt dat het dossier de processen-verbaal van identificatie bevat waarin wordt beschreven op grond waarvan de desbetreffende lijnen aan een verdachte worden toegeschreven. Tegen de achtergrond van deze processen-verbaal van identificatie vormt de algemene stelling van de verdediging dat zij genoemde deskundige en genoemde getuige met betrekking tot dit onderzoek wil ondervragen, onvoldoende onderbouwing van het verdedigingsbelang. Wat betreft de vraag met betrekking tot het eerst niet en later wel beschikbaar zijn van uitgaande berichten van de lijn [e-mailadres] , toegeschreven aan verdachte [verdachte 1] , heeft het Openbaar Ministerie in haar reactie uiteengezet hoe dit komt. Daarmee is op dit punt evenmin een belang de deskundige en getuige te horen. De rechtbank merkt hierbij overigens op dat het hier een concrete vraag betrof waarop het Openbaar Ministerie vrij snel antwoord kon geven. De rechtbank acht het – zoals hiervoor reeds is overwogen – wenselijk dat de verdediging het Openbaar Ministerie dergelijke vragen ook buiten het bestek van de (pro forma)zittingen kan stellen, bijvoorbeeld door de verdediging een vast aanspreekpunt te bieden waar zij terecht kan met vragen die opkomen bij de inzage in de dataset.
De verdediging heeft aangevoerd de deskundige en getuige te willen bevragen met betrekking tot de periodes van berichten. Dit vormt een te weinig concrete onderbouwing van het verdedigingsbelang bij het horen van deze deskundige en getuige. Voor vragen met betrekking tot het krijgen van nader zicht op het totale proces van ontsleuteling van en onderzoek naar PGP-berichten geldt hetzelfde. Indien er concrete vragen zijn over perioden of berichten, kan de rechtbank niet inzien waarom de verdediging zich niet eerst zou kunnen wenden tot het Openbaar Ministerie. De wens van de verdediging om antwoord te krijgen op de vraag of zij op adequate wijze in staat wordt gesteld zelf onderzoek te doen in het totale berichtenbestand, levert onvoldoende onderbouwing op van het verdedigingsbelang deze deskundige en getuige te horen. De door de verdediging geformuleerde concreet aan hen te stellen vragen zien namelijk allemaal op een vergelijking van de mogelijkheden van de politie en het Openbaar Ministerie enerzijds en de verdediging anderzijds. Daarentegen heeft de verdediging (in reactie op het standpunt van het Openbaar Ministerie) ook aangegeven dat het haar er niet om gaat dat zij dezelfde mogelijkheden zou moeten hebben als het Openbaar Ministerie en de politie. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet goed inzien dat er enig verdedigingsbelang is bij het horen van deze deskundige of deze getuige.
Het verdedigingsbelang bij het horen van genoemde deskundige en getuige over de bevindingen naar aanleiding van onderzoek aan de in de zomer van 2019 ingeleverde PGP-telefoon van de kroongetuige is evenmin voldoende onderbouwd. De algemene stelling dat de verdediging daarover vragen wil stellen, is onvoldoende. De verdediging heeft nog gesteld dat zij hen zelf vragen wil kunnen stellen en wil kunnen doorvragen in een spontane verhoorsetting in het belang van de waarheidsvinding, maar deze stelling gaat eraan voorbij dat daaraan voorafgaat dat een dergelijk verzoek pas wordt toegewezen als het verdedigingsbelang daarbij voldoende is onderbouwd.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 6] , [verdachte 8] , [verdachte 9] , [verdachte 10] en [verdachte 11]
De verdediging heeft zich op de zitting van 3 september 2020 aangesloten bij verzoeken van de verdediging van verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] en [verdachte 5] . Het gaat – kort gezegd – om de volgende verzoeken: Media-onderzoek (ongenummerd), 8. Verificatiedossier, 10. Zendmastgegevens en 11. Overzicht communicatiemiddelen van de kroongetuige.
De verzoeken met betrekking tot het media-onderzoek en het overzicht communicatiemiddelen van de kroongetuige worden afgewezen, onder verwijzing naar de hiervoor opgenomen motivering van de rechtbank in de zaken van de vijf hiervoor genoemde verdachten. Ook het verzoek met betrekking tot de zendmastgegevens wordt afgewezen, onder verwijzing naar de motivering die de rechtbank hiervoor heeft opgenomen bij de beslissing op dit verzoek in de zaak van verdachte [verdachte 1] . Het verzoek met betrekking tot het verificatiedossier wordt in zoverre toegewezen, dat de verdediging inzage in deze stukken dient te krijgen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is opgenomen bij de beslissing op dit punt in de zaken van de vijf hiervoor genoemde verdachten.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 6] , [verdachte 8] en [verdachte 9]
F. Het kennisnemen en de contra-expertise van de dataset en de separate PGP-lijnen
De verdediging heeft (wederom) verzocht de dataset in toegankelijk doorzoekbare vorm op een gegevensdrager aan verdachten en de verdediging te doen verstrekken. Daartoe heeft zij aan de hand van inmiddels bij de inzage opgedane en in de pleitaantekeningen beschreven ervaringen gesteld dat het feitelijk onwerkbaar is gebleken de dataset te kunnen bestuderen. De verdediging heeft met verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gesteld dat deze wijze van inzage niet voldoet aan de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), omdat de verdediging ten opzichte van het Openbaar Ministerie in het nadeel is bij de inzage en de verdediging bovendien niet in staat wordt gesteld een eigen deskundige te benaderen om de dataset te bestuderen. De verdediging heeft voorwaardelijk, namelijk als de rechtbank in raadkamer tot een afwijzing van het verzoek zou komen, verzocht dat de rechtbank eerst zelf kennis neemt van de huidige wijze van inzage in de dataset.
De rechtbank wijst het verzoek tot verstrekking van de dataset af. Het voorwaardelijke verzoek wordt ook afgewezen. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen hiervoor is opgenomen bij de beslissing op dit punt in de zaken van de vijf genoemde medeverdachten, onder 1, eerste alinea.
De verwijzing van de verdediging naar jurisprudentie met betrekking tot artikel 6 EVRM brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Die jurisprudentie ziet op de toegankelijkheid van processtukken en/of het recht op contra-expertise. De dataset behoort echter niet tot de processtukken en is evenmin een deskundigenrapport, zodat die verwijzing, ter ondersteuning van het verzoek om verstrekking van de dataset, niet opgaat.
Hansken
Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft wel gebruik gemaakt van software (Hansken) waarmee, kort gezegd, de uit de servers van Ennetcom en PGP-safe verkregen data kan worden onderzocht. Voor zover de verdediging vragen heeft over de werking van Hansken in de zaak Marengo, kan zij de rechter-commissaris op grond van artikel 227 Sv verzoeken een deskundige te benoemen. Uit de bijlagen die het Openbaar Ministerie bij repliek op de zitting van 3 september 2020 heeft overgelegd blijkt dat dit in andere zaken waarin Hansken is gebruikt, ook is gebeurd en dat de verdediging toen specifieke vragen aan een NFI-deskundige heeft kunnen stellen.
Praktische problemen met betrekking tot inzage
Verder stelt de rechtbank vast dat de door de verdediging geschetste problemen rondom het maken van afspraken voor inzage in de penitentiaire inrichting door het Openbaar Ministerie zijn betwist, met uitzondering van het verzoek tot inzage op 24 juli 2020. Op die dag kon slechts voor één dagdeel inzage worden geregeld in plaats van de verzochte hele dag. Het Openbaar Ministerie heeft, in reactie op de gestelde problemen die met de inzageregels gepaard gaan, uiteengezet dat het doel van die regels is te voorkomen dat berichten onnodig worden gedeeld. Ook heeft het Openbaar Ministerie medegedeeld dat het de advocaat is toegestaan bij de inzage aantekeningen te maken en die te delen met de eigen cliënt en dat op verzoek ook het digitale dossier beschikbaar is bij de inzage. De ‘eigen PGP-lijnen’ staan ook op de laptop die bij de inzage in de dataset wordt verstrekt, zodat het niet nodig is om het verstrekte MacBook met deze ‘eigen PGP-lijnen’ aanwezig te hebben bij die inzage. Ten aanzien van de beschreven problemen bij de doorzoekbaarheid van de bestanden heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat dit te maken heeft met de omvang van de data en de wijze waarop de verdediging zoekt in die bestanden, hetgeen volgens het Openbaar Ministerie wordt afgeleid uit de eigen verklaring van de verdediging daarover – en niet omdat de wijze van zoeken door het Openbaar Ministerie wordt gelogd. De officier van justitie heeft ter zitting uitgelegd dat het zoeken kan worden versneld door alleen in de zogenoemde tekstkolom te zoeken met behulp van een tekstfilter en dat inmiddels ook een aangepast Excel bestand beschikbaar is (met minder kolommen) waardoor het zoeken op de manier die de verdediging wenst, sneller gaat. Gelet op deze reactie van het Openbaar Ministerie en bezien tegen de achtergrond van de eerdere beslissingen van de rechtbank, maken de door de verdediging geschetste ervaringen bij de inzage niet dat de dataset aan de verdediging en de verdachten verstrekt zou moeten worden. Dit geldt ook voor de zelfstandige verstrekking van de ‘eigen PGP-lijnen’ aan de verdachten.
Het Openbaar Ministerie heeft inhoudelijk gereageerd op de stelling van de verdediging dat berichten (die worden toegeschreven aan verdachten [verdachte 8] en [verdachte 9] ) zich wél in het dossier bevinden, maar niet in de dataset. De rechtbank gaat ervan uit dat de opgekomen vragen op dit punt daarmee zijn beantwoord.
Vragen aan het Openbaar Ministerie
De verdediging heeft op pagina 18 tot en met 22 van haar pleitaantekeningen 22 vragen geformuleerd waarvan zij de rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie op te dragen deze te beantwoorden. Waar in onderdelen binnen die vragen opnieuw wordt verzocht om verstrekking van de dataset aan de verdediging en verdachten en verstrekking van de ‘eigen PGP-lijnen’ aan de verdachten, wijst de rechtbank deze verzoeken af onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen. Voor het overige betreft het vragen, gericht aan het Openbaar Ministerie, die onder meer zien op de servers in Canada en Costa Rica, de datumaanduiding van berichten, het bestaan van dubbele berichten in de dataset, de kolommen, berichten zonder data, de gebruikte zoektermen die hebben geleid tot opname van een bericht in de dataset en de achtergrond van de door het Openbaar Ministerie gestelde regels bij de inzage in de dataset. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn repliek (met bijlagen) op al deze vragen inhoudelijk gereageerd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat zij geen beslissing meer hoeft te nemen op het verzoek het Openbaar Ministerie op te dragen deze vragen te beantwoorden.
Onderzoek ICT-specialist
De verdediging heeft zich aangesloten bij het verzoek van mr. Ter Steeg om het onderzoek van de ICT-specialist van de politie, die – kort gezegd – heeft geconcludeerd dat sneller zoeken in de Pdf-bestanden niet mogelijk is, in een proces-verbaal vast te leggen, zodat dit getoetst kan worden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af. In de gegeven onderbouwing wordt onvoldoende verdedigingsbelang gezien bij het laten opmaken van een dergelijk proces-verbaal. De mededeling van het Openbaar Ministerie ter zitting hieromtrent volstaat.
Permanente onthouding berichten
Bij dupliek heeft de verdediging ook verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om aan te geven welke stukken in het kader van artikel 30 Sv worden onthouden, waarbij zij het oog heeft op onthouden PGP-berichten. Het Openbaar Ministerie heeft daarop, onder verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2020 bij de vordering permanente onthouding, geantwoord dat 66 berichten permanent worden onthouden, dat circa 5.000 berichten tijdelijk worden onthouden en dat daarvan een deel binnenkort wordt vrijgegeven. Andere stukken worden niet onthouden, aldus het Openbaar Ministerie. Gelet op dit antwoord gaat de rechtbank ervan uit dat ook hierover geen beslissing meer hoeft te volgen.
A. Over het verstrekken van informatie door het Openbaar Ministerie
De verzoeken onder A (tweede gedachtestreepje) van de pleitaantekeningen zijn ingegeven door en gebaseerd op uitlatingen die de voormalige, anonieme advocaat van de kroongetuige heeft gedaan in een op 4 juni 2020 gepubliceerd interview in het Algemeen Dagblad.
Waar de vragen van de verdediging zijn gericht op gunsten die aan de kroongetuige zouden zijn verstrekt (A2 onder punten 1 en 3), op een betreffende de kroongetuige opgemaakte psychologische rapportage en een conflict dat daarover met het Openbaar Ministerie zou zijn ontstaan (A2 onder punt 2), op een overleg dat tussen de anonieme advocaat en de zaaksofficier van justitie zou hebben plaatsgevonden (A2 onder punt 4) en op de gestelde bedreiging van de anonieme advocaat door de kroongetuige, ziet de rechtbank onvoldoende verdedigingsbelang om het Openbaar Ministerie op te dragen deze vragen (schriftelijk) te beantwoorden. Zonder nadere onderbouwing valt namelijk niet in te zien in welke zin de antwoorden op deze vragen in de zaken van de verdachten kunnen bijdragen aan beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Deze verzoeken worden dan ook afgewezen. Op het verzoek tot het verstrekken van de psychologische rapportage betreffende de kroongetuige heeft het Openbaar Ministerie niet expliciet gereageerd, zodat het de rechtbank niet bekend is of een dergelijke rapport bestaat. Mocht er al sprake zijn van een dergelijk rapport, dan is de rechtbank van oordeel dat het belang bij verstrekking voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende is onderbouwd. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.
De overige vragen zien op de inhoud van ‘de enveloppe’ en de mogelijke wetenschap van het Openbaar Ministerie daarover. Voor zover de vragen zijn gebaseerd op uitlatingen van de anonieme advocaat in het interview met het Algemeen Dagblad, is de rechtbank van oordeel dat daarmee het verdedigingsbelang om het Openbaar Ministerie op te dragen deze vragen te beantwoorden, onvoldoende is onderbouwd. Voor het overige wijst de rechtbank de verzoeken eveneens thans af, omdat de telefoon bij beslissing van de rechter-commissaris van 2 juli 2020 in beslag is genomen en hiertegen een klaagschriftprocedure loopt. Als deze procedure ertoe leidt dat de resultaten van het onderzoek aan de telefoon aan het dossier kunnen worden toegevoegd, wordt daarmee tegemoet gekomen aan de meeste vragen die nu daarover bij de verdediging leven. Mocht de inhoud van de telefoon in dat geval nieuwe onderzoekswensen opwerpen, dan kunnen die alsnog worden ingediend. Als de klaagschriftprocedure ertoe leidt dat de resultaten van het onderzoek aan de telefoon niet aan het dossier kunnen worden toegevoegd, dan verzet het door de klagers ingeroepen verschoningsrecht zich tegen verstrekking van die resultaten.
Het Openbaar Ministerie heeft de vraag of het overweegt de overeenkomst met de kroongetuige op te zeggen, beantwoord op de zitting van 3 september 2020. De rechtbank gaat er daarom van uit dat op het verzoek om het Openbaar Ministerie op te dragen deze vraag te beantwoorden, geen beslissing meer hoeft te volgen.
B. Het completeren van het dossier ten aanzien van het handelen van het Openbaar Ministerie in relatie tot [naam 1] en [kroongetuige]
De onder B. gedane verzoeken van de verdediging zijn gebaseerd op uitlatingen van [naam 1] over het aanzoeken van rechtsbijstand door de kroongetuige, gedaan tijdens een persconferentie en in diverse media. De rechtbank ziet niet in hoe de antwoorden op deze vragen in de zaken van de verdachten kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Deze verzoeken worden daarom afgewezen.
C. [getuige 11]
De verdediging heeft verzocht de rechter-commissaris op te dragen alsnog een rechtshulpverzoek te doen uitgaan ten behoeve van het horen van getuige [getuige 11] , waarin expliciet aan Marokko om het voor verhoor overbrengen van de getuige naar Nederland wordt gevraagd, dan wel of dit verhoor door middel van een videoverbinding kan plaatsvinden. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de rechter-commissaris in januari 2020 een rechtshulpverzoek naar Marokko heeft doen uitgaan, waarin niet expliciet naar deze mogelijkheden is gevraagd en de rechter-commissaris ook nu, ondanks de opdracht van de rechtbank, er niet voor heeft gekozen een formele reactie van Marokko te vernemen over die opties, maar slechts meedeelt wat de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (hierna: AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft laten weten.
De rechtbank wijst dit verzoek af. De rechter-commissaris heeft het rechtshulpverzoek van 4 december 2019, waarin om het horen van getuige [getuige 11] wordt verzocht, op 9 januari 2020 aan de AIRS gezonden ter indiening bij de autoriteiten van Marokko. De beslissing van de rechtbank van 4 juni 2020 hield, anders dan de verdediging kennelijk meent, niet in dat de rechter-commissaris door middel van een nieuw of aanvullend rechtshulpverzoek (via de AIRS) aan de Marokkaanse autoriteiten diende te vragen of [getuige 11] via een videoverbinding of door overbrenging naar Nederland zou kunnen worden gehoord. De rechtbank heeft de rechter-commissaris verzocht om nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden om [getuige 11] via een videoverbinding te horen (artikel 13 van het rechtshulpverdrag), dan wel om hem tijdelijk naar Nederland over te brengen voor verhoor (artikel 16 van het rechtshulpverdrag). Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 4 augustus 2020 waarin zij het antwoord van de AIRS op de mogelijkheid van het horen via videoverbinding of overbrenging naar Nederland weergeeft. Dit antwoord komt erop neer dat het horen van een getuige via videoverbinding in Marokko nog altijd niet mogelijk is, omdat dit nog niet is geregeld in de Marokkaanse wetgeving. Tevens houdt dit antwoord in dat een verzoek tot tijdelijke overbrenging van een in Marokko gedetineerde persoon, die als getuige in een strafzaak anders dan die tegen hemzelf wordt gehoord, in de regel door Marokko nog niet uitgevoerd wordt zolang er in Marokko nog strafrechtelijke procedures gaande zijn tegen de betrokken persoon. De rechtbank acht zich daarmee op dit moment voldoende voorgelicht over de (on)mogelijkheden om [getuige 11] te horen en ziet geen aanleiding om de rechter-commissaris op te dragen opnieuw een rechtshulpverzoek (via de AIRS) aan de Marokkaanse autoriteiten te doen uitgaan.
C.a. Het proces-verbaal van de twee Nederlandse verbalisanten die [getuige 11] hebben verhoord
De rechtbank wijst dit verzoek af. Het Openbaar Ministerie heeft ter zitting laten weten dat de desbetreffende processen-verbaal van de twee Nederlandse verbalisanten inmiddels zijn ontvangen en zullen worden verspreid, zodat het stellen van een termijn niet nodig wordt geacht. Anders dan de verdediging stelt is de rechtbank daarbij wel ingegaan op de verzoeken om de tolk en de Marokkaanse verbalisanten te horen. De rechtbank heeft deze verzoeken bij beslissing van 4 juni 2020 namelijk afgewezen en daarbij overwogen dat, mochten de processen-verbaal van de Nederlandse verbalisanten daartoe aanleiding geven, dan nadere verzoeken bij de rechter-commissaris kunnen worden ingediend.
D. Horen [verdachte 2]
De verdediging heeft verzocht de rechter-commissaris een termijn te stellen om aan te geven of, en zo ja wanneer, een rechtshulpverzoek naar Colombia is uitgegaan en daarvan een kopie te verstrekken en de resultaten daarvan mee te delen. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat onbekend is of een rechtshulpverzoek naar Colombia is uitgegaan en daarover door de rechter-commissaris geen duidelijkheid is verschaft.
De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris in het proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2020 het volgende heeft geschreven:
“Alle verdachten in de zaak 26Marengo zijn als getuige toegewezen om te worden gehoord in elkaars zaak. Aan alle raadslieden is verzocht om aan te geven of hun cliënt zich bij het verhoor als getuige in de kern op zijn verschoningsrecht zal beroepen. Van iedereen is via de advocaat het bericht gekomen dat de cliënt zich op zijn verschoningsrecht gaat beroepen, met uitzondering van:
[verdachte 2] , nog geen bericht.
(…)
Ik heb hierop besloten op dit moment geen van de verdachten als getuige voor verhoor op te roepen. Zij kunnen te zijner tijd op de zitting worden gehoord.”
De rechtbank begrijpt hieruit dat de rechter-commissaris (nog) geen rechtshulpverzoek heeft doen uitgaan naar Colombia ten behoeve van het horen van verdachte [verdachte 2] en dat het oordeel van de rechter-commissaris is dat verdachte [verdachte 2] te zijner tijd op de zitting zal worden gehoord. De rechtbank zal de rechter-commissaris echter opdragen wel een rechtshulpverzoek aan Colombia te (laten) doen uitgaan ten behoeve van het horen van verdachte [verdachte 2] als getuige. Op dit moment is namelijk niet duidelijk of, en zo ja op welke termijn, verdachte [verdachte 2] aan Nederland zal worden uitgeleverd. Daarmee is niet duidelijk of een verhoor op de zitting in Nederland van deze getuige op aanvaardbare termijn mogelijk is. De mogelijkheid om hem in Colombia, al dan niet met behulp van een videoverbinding, te horen moet daarom worden onderzocht en, zo mogelijk, worden uitgevoerd. De rechtbank zal dit (ambtshalve) aan de rechter-commissaris opdragen in alle zaken waarin verdachte [verdachte 2] reeds als getuige was toegewezen.
Beslissing in de zaak van verdachte [verdachte 10]
Namens verdachte [verdachte 10] is verzocht om inzage in de stukken, waaronder mogelijke verklaringen van [getuige 12] , die het Openbaar Ministerie heeft met betrekking tot het in Schotland lopende onderzoek in de zaak Zeilboot.
Het Openbaar Ministerie heeft hierop geantwoord dat er nog geen formeel rechtshulpverzoek aan Schotland is verzonden, dat de stukken van het Schotse onderzoek nog niet met het zaaks-Openbaar Ministerie in de zaak Marengo zijn gedeeld en dat zij daarover (dus) niet beschikt. Zodra resultaten uit dit onderzoek kunnen worden gedeeld, zullen deze aan het dossier worden toegevoegd, aldus het Openbaar Ministerie. Gelet op dit antwoord gaat de rechtbank ervan uit dat hierover geen beslissing meer hoeft te volgen.
Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 12] en [verdachte 13]
Mr. Heuvelmans heeft namens verdachte [verdachte 12] verzocht om het horen van de getuigen [getuige 13] en [getuige 14] . Ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd dat met het horen van deze getuigen het verweer, dat sprake is van vrijwillige terugtred, kan worden onderbouwd omdat verdachte via deze twee getuigen de mogelijke slachtoffers [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] (zaaksdossier Kreta) heeft willen waarschuwen voor liquidatieplannen, zoals hij in zijn verhoor van 7 oktober 2019 heeft verklaard.
Anders dan de rechter-commissaris in de beslissing van 4 augustus 2020 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het verdedigingsbelang bij het horen van deze getuigen voldoende is onderbouwd. Daaraan doet niet af dat [getuige 15] en [slachtoffer 5] nog als getuigen zullen worden gehoord en dat daar het punt van het waarschuwen aan de orde kan worden gesteld, omdat de waarschuwing – zoals gesteld door verdachte – niet rechtstreeks door hem aan [slachtoffer 4] en de broers [familienaam broers] is gedaan, maar dat hij dit via de verzochte getuigen heeft gedaan. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen daarom toe. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de gegevens waaronder deze getuigen bereikt kunnen worden door de officier van justitie of de verdediging zo spoedig mogelijk worden aangeleverd.
De rechtbank bepaalt dat deze getuigen eveneens zullen worden gehoord in de zaak van verdachte [verdachte 13] , zoals namens hem is verzocht en voorts bepaalt de rechtbank ambtshalve dat deze getuigen worden gehoord in de zaken van de andere verdachten in zaaksdossier Kreta: [verdachte 1] , [kroongetuige] , [verdachte 4] , [verdachte 14] , [verdachte 2] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 6] .
(Aanvullend) verzoek van het Openbaar Ministerie tot het horen van [getuige 14] in de zaaksdossiers Roos en Doorn
Naar aanleiding van het verzoek van mr. Heuvelmans tot het horen van getuige [getuige 14] is de rechtbank, voor zover zij heeft kunnen nagaan, niet gebleken dat door de rechter-commissaris is beslist op het aanvullende verzoek van het Openbaar Ministerie van 6 juli 2020 om de getuige [getuige 14] tevens te horen met betrekking tot de zaaksdossiers Roos en Doorn. Volgens het Openbaar Ministerie heeft deze getuige blijkens taps contact gehad met [slachtoffer 6] over de aanslag op [slachtoffer 6] . De rechtbank bepaalt uit praktische overwegingen ambtshalve dat deze getuige met betrekking tot de zaaksdossiers Roos en Doorn gehoord kan worden in de zaken van verdachten [verdachte 3] , [kroongetuige] , [verdachte 10] , [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 6] . Mocht het Openbaar Ministerie daar geen behoefte meer aan hebben, dan kan het dit aan de rechter-commissaris laten weten en kan het horen met betrekking tot de zaaksdossiers Roos en Doorn achterwege blijven.