Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.2.1
6.2.1 Toerekening van voordelen aan de periode waarin ze opkomen door de bedrijfsuitoefening (adequate toerekening)
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630524:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In zowel de bedrijfseconomie als het fiscale recht wordt de bedrijfsuitoefening in zijn algemeenheid als het belangrijkste kostenveroorzakende feit beschouwd. Goes geeft het belang van de bedrijfsuitoefening in de bedrijfseconomie kernachtig weer: ‘De ondernemer streeft met zijn bedrijfsuitoefening naar opbrengsten. Bedrijfseconomisch dient hij dan ook in beginsel alle kosten die door zijn normale bedrijfsuitoefening worden opgeroepen, te matchen. Dit betekent dat normale, gebruikelijke productiekosten ten laste dienen te komen van de periode waaraan de concrete voordelen die uit die productie voortvloeien, toerekenbaar zijn.’. Goes, paragraaf 4.3.1.3.1.2.
Het totaalwinstbeginsel bepaalt immers welke voordelen worden belast en als de totaalwinst is geïdentificeerd kan de totaalwinst aan de belaste jaren worden gealloceerd op basis van goed koopmansgebruik.
Het eerste toetscriterium geeft aan dat slechts de voordelen die toerekenbaar zijn aan de onderneming in de belaste periode onderdeel zijn van de totaalwinst. Uit het totaalwinstbeginsel vloeit voort dat waardemutaties van de onbelaste periode geen invloed op de totaalwinst mogen hebben. Alleen de waarderingsregel ‘waarde in het economische verkeer’ is mijns inziens echter niet voldoende om tot een adequate toerekening van de voordelen te komen. Hiervoor is een nadere invulling van toetscriteria 2 (adequate toerekening) noodzakelijk. Uit de analyse van de sfeerovergangen in de winstsfeer bij aanvang van de belastingplicht, blijkt dat een sfeerovergang plaatsvindt, omdat het niet langer gewenst is dat de voordelen die de ondernemer geniet buiten de (Nederlandse) heffing blijven. Vanuit die ratio zullen de voordelen toerekenbaar aan de bedrijfsuitoefening in de belastingplichtige periode in de heffing moeten worden betrokken.1 Het begrip ‘bedrijfsuitoefening’ dient dan wel nader te worden geconcretiseerd. Ondanks dat de beginselen van goed koopmansgebruik niet van toepassing zijn bij de allocatie van voordelen aan de totaalwinst, kunnen zij wel een handvat bieden bij de toerekening van voordelen aan de periode waarin ze worden opgeroepen door de bedrijfsuitoefening.2 Het gaat dan specifiek om het veroorzakingsbeginsel en het matchingbeginsel, waarbij de bedrijfsuitoefening als het veroorzakende effect wordt beschouwd. Hierna zal ik onderzoeken wat in de jurisprudentie concreet wordt verstaan onder de bedrijfsuitoefening. Welke activiteiten of handelingen leiden ertoe dat opbrengsten en uitgaven aan een bepaalde periode kunnen worden toegerekend?
6.2.1.1 Nadere invulling van het begrip ‘bedrijfsuitoefening’