Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/7.2
7.2 Rechtseconomie met gedragseconomische en empirische correcties
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS601337:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Klein Haarhuis 2008, waarin wordt gepoogd om geschilgedrag te verklaren met een overkoepelend raamwerk van rechtseconomie, -sociologie en -psychologie.
Macneil 2000, p. 713-715, noemt daarvoor 3 factoren: (1) het Amerikaanse politieke klimaat van deregulering in de afgelopen decennia, (2) het feit dat theoretisch economisch onderzoek sneller en eenvoudiger kan worden uitgevoerd dan sociaalwetenschappelijk empirisch veldwerk en daarmee tot meer publicaties leidt en (3) de gulle financiering vanuit de politieke rechtervleugel.
Voorbeelden zijn de nader te bespreken studies van Huang 2009 en Snyder & Hughes 1990.
Zie het overzicht van Katz 2000, p. 65. In de tien jaar daarna lijk de aandacht iets te zijn verminderd: Katz 2010.
Kobayashi & Parker 2000, p. 1.
Shavell 2004, p. 1-4. Dit geldt overigens in het algemeen voor de economische wetenschap. In de standaardhandboeken wordt het onderscheid tussen positieven/descriptieve en normatieve analyses veelal al in de eerste hoofdstukken uitgelegd. Zie bijvoorbeeld Mankiw 2001, p. 28-29. Zie voor discussie hierover Kerkmeester 2000, p. 390-391.
Een duidelijk voorbeeld is Van Bijnen 2005, een dissertatie over aanvullend contractenrecht.
Ik wil bijvoorbeeld effecten op procedurele kwaliteit en op kwaliteit van uitkomsten op zichzelf beschouwen en niet uitdrukken in ' x euro aan foutkosten' (zie ook § 2.2.4). Alleen bij de bespreking van schuld- versus risicoaansprakelijkheid zal voor de helderheid kort worden aangesloten bij welvaartsmaximalisatie, om daarna weer aan te sluiten bij het eigen toetsingskader.
Zie over dit instrumentele gebruik ook Van Velthoven 2008.
Zie o.a. Veljanovski 2006, p. 49-53. Van Velthoven 2008, p. 32-33, Shavell 2004, p. 661-663, Kerkmeester 2010, p. 383-386, Faure 2009, p. 13-14, Visscher 2006, p. 2-3, en De Mot & De Geest 2004, p. 6. Korobkin & Ulen 2000, p. 1060-1075, geven een nadere uitwerking van rational choice theory, uitgesplitst in een aantal versies.
Veljanovski 2006, p. 44.
Goede voorbeelden zijn de modellen van het civiele proces met informatieasymmetrie, die door o.a. Bebchuk 1984 en Spier 1992 worden gebruikt.
Risicoaversiteit past bij de afnemende meerwaarde van geld bij nutsmaximalisatie, zie Rachlinski 1996, p. 117 en noot 13.
In de meeste rechtseconomische modellen van het civiele proces wordt uitgegaan van onvolledig geïnformeerde partijen en vaak ook van informatieasymmetrie. Die assumpties passen dus nog binnen de (neo)klassieke economische traditie. Zie Jolls, Sunstein & Thaler 1998, p. 1475.
Zie Jolls, Sunstein & Thaler 1998; Sunstein (red.) 2000. Overigens worden behavioural law and economics-theorieën niet alleen gebruikt als voorspeller van effecten, maar ook als verklaring voor bestaande wetgeving (Jolls, Sunstein & Thaler 1998, p. 1508 e.v.; De Coninck 2009) of als fundament voor normatieve theorie (zoals het libertarian paternalism, verdedigd door Sunstein & Thaler 2008).
'Behavioural economics' wordt in het Nederlands vertaald met 'gedragseconomie', maar de term ' gedragsrechtseconomie' levert op Google nog geen resultaten op (september 2010).
Ook Van Boom, Giesen & Verheij (red.) 2008 besteden daarom in het inleidende hoofdstuk van hun bundel over gedrag en privaatrecht ruim aandacht aan de behavioural law and economics.Opdeze stroming bestaat echter ook kritiek: zo zou het geen coherente theorie zijn, maar slechts een ongeorganiseerde 'grabbeldoos' van biases waarmee empirische bevindingen verklaard worden, zie Hayden & Ellis 2007, p. 630 e.v. Zie ook Faure 2009, p. 28 e.v., die in zijn oratie uitgebreid de kritieken (van met name R. Posner) op behavioural economics bespreekt; en Visscher 2006, p. 6-7.
Studies naar de effecten van kostenprikkels kunnen in beginsel zowel met een (rechts)economische als met een andere sociaalwetenschappelijke inslag worden uitgevoerd.1 De wetenschappelijke realiteit is echter dat met name in Amerika de beweging van law and economics tot veel meer studies en resultaten heeft geleid dan de rechtssociologische, empirische bewegingen.2 Voor zover er wel empirische resultaten zijn, zijn die vaak tot stand gekomen binnen het kader van rechtseconomisch onderzoek: een op een economisch model gebaseerde hypothese wordt empirisch getoetst met data uit de praktijk.3 Daarbij komt dat juist de civiele rechtspleging, en daarbinnen de kostenveroordeling in het bijzonder,4 veel aandacht heeft gekregen binnen law and economics.5
De economische benadering van het recht kan zowel descriptieve als normatieve vragen beantwoorden.6 De economische wetenschap biedt in het kader van welfare economics een toetsingskader in de vorm van maximalisatie van sociale welvaart. Daaraan kunnen rechtsregels op normatieve wijze worden getoetst en in veel rechtseconomische onderzoeken gebeurt dit ook.7 In dit onderzoek is echter reeds een toetsingskader gekozen en verantwoord in hoofdstuk 2.8 De rechtseconomische inzichten worden dus slechts descriptief en instrumenteel gebruikt om de effecten van bepaalde kostenprikkels op de criteria tijd, kosten, kwaliteit van uitkomsten en procedurele kwaliteit te voorspellen.9
Rechtseconomen proberen meestal de werkelijkheid te simplificeren tot theoretische modellen waarmee zij kunnen rekenen. Een basissimplificatie is de rationaliteitsveronderstelling (rational choice). Individuen handelen rationeel, wat wil zeggen dat zij bij hun keuzes hun eigen belang nastreven ('hun nut maximaliseren') en dat zij ook perfect kunnen calculeren welke keuzes tot het optimale resultaat leiden. Dit houdt niet in dat economen daadwerkelijk denken dat mensen altijd rationele keuzes maken. De assumptie is er voornamelijk om eenvoudig met de modellen te kunnen rekenen, met als doel regelmatigheden in gedrag bloot te leggen en die te verklaren met incentives.10 Dit bepaalt ook de wijze waarop economen het recht zien: als een systeem dat de incentives van burgers en instituties beïnvloedt.11
In modellen waarin de rationaliteitsveronderstelling wordt gehanteerd kunnen complicaties worden aangebracht, bijvoorbeeld door aan te nemen dat mensen geen volledige informatie hebben (en sommige actoren private informatie hebben) en dat het verkrijgen of uitwisselen van informatie transactiekosten meebrengt.12 Ook kan worden aangenomen dat één of meerdere actoren niet risiconeutraal, maar risicoa-vers zijn.13 Voornoemde complicaties komen nog in (neo)klassiek (rechts)econo-misch onderzoek voor,14 maar zodra de rationaliteitsveronderstelling wordt losgelaten door bijvoorbeeld cognitieve biases uit de psychologie in de modellen op te nemen, komt men op het relatief nieuwe terrein van de behavioural (law and) economics. Die stroming gaat uit van beperkte rationaliteit, beperkt eigenbelang en beperkte wilskracht, met als centrale idee dat dergelijke modellen tot nauwkeurigere voorspellingen kunnen leiden.15 Gedragseconomische16 inzichten zijn interessant voor het privaatrecht, en het procesrecht in het bijzonder, omdat een aantal belangrijke verschijnselen moeilijk met de klassieke economische modellen te verklaren zijn.17
Op een aantal onderdelen zijn ook empirische gegevens beschikbaar. Die worden uiteraard besproken, ook al zijn ze beperkt in aantal en omvang. De resultaten uit de interviewstudie van hoofdstuk 5 horen daar ook bij; regelmatig keren die terug in zowel dit hoofdstuk als in hoofdstuk 8.