Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/12.2.3.5
12.2.3.5 Het belastingverdrag tussen Nederland en België
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS299574:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In art. 10, paragraaf 7, kent het belastingverdrag daarnaast een speciale regeling voor inkomsten verkregen als stille (commanditaire) vennoot uit winstaandelen in een onderneming van een van de verdragsluitende staten. Deze mogen overeenkomstig de wetgeving van de bronstaat worden belast.
Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 6 (Nota), p. 26.
Deze bepaling is opgenomen om zeker te stellen dat de Belgische regels over leningen verstrekt door aandeelhouders of bedrijfsleiders toepassing kunnen vinden. Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 3 (Gezamenlijke artikelsgewijze toelichting, bijlage bij de MvT), p. 32.
Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 6 (Nota), p. 26.
Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 6 (Nota), p. 19.
Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 3 (Gezamenlijke artikelsgewijze toelichting, bijlage bij de MvT), p. 32, waar wordt opgemerkt dat ‘punt 17 van Protocol I onverlet laat dat in een voorkomend geval tussen vennootschappen onderling betaalde vergoedingen van welke aard ook, worden geherkwalificeerd tot dividend’.
Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 3 (Gezamenlijke artikelsgewijze toelichting, bijlage bij de MvT), p. 35.
Art. 10, paragraaf 4, van het belastingverdrag tussen Nederland en België kent een definitie van de term ‘dividenden’ die overeenkomt met die in het OESOmodelverdrag.1 Dit betekent dat als hoofdregel geldt dat inkomsten uit schuldvorderingen die aanspraak geven op een aandeel in de winst van de schuldenaar onder de werking van art. 11 van dit belastingverdrag vallen.2 Voor winstafhankelijke rente die wordt genoten door natuurlijke personen, geldt echter een bijzondere bepaling. In punt 17 met betrekking tot art. 10, paragraaf 4 van protocol I bij dit verdrag worden inkomsten die worden genoten door een natuurlijk persoon en die door de bronstaat op dezelfde wijze worden belast als inkomsten uit aandelen namelijk als dividend aangemerkt.3 Dit betekent dat – in afwijking van de hiervoor geschetste hoofdregel – vergoedingen in de zin van art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965 die door een natuurlijke persoon, die inwoner is van België, worden verkregen van een Nederlandse schuldenaar onder het belastingverdrag als dividenden worden aangemerkt.4
In het belastingverdrag tussen Nederland en België is geen bepaling opgenomen over rente op hybride leningen tussen vennootschappen. Volgens de staatssecretaris was dat niet mogelijk omdat het verdrag op 5 juni 2001 is ondertekend.5 Voor winstafhankelijke rente die wordt genoten door een lichaam betekent dit dat het dividendartikel daarop alleen van toepassing is ingeval de hybride lening als een vennootschappelijk recht is te beschouwen.6
De gezamenlijke artikelsgewijze toelichting op art. 11 van het belastingverdrag tussen Nederland en België wekt echter verwarring. In art. 11, paragraaf 4, van dit belastingverdrag is bepaald dat inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar (met uitzondering van de inkomsten die zijn bedoeld in punt 17 van het protocol bij dit verdrag) onder de uitdrukking ‘interest’ vallen. In de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt: ‘Zoals in de toelichting bij paragraaf 4 van art. 10 uiteengezet is, wordt onder interest niet begrepen interest die volgens de terzake toepasselijke nationale wetgeving wordt gekwalificeerd als inkomsten uit aandelen.’7 Een dergelijke uiteenzetting is in de toelichting op art. 10, paragraaf 4, echter niet terug te vinden. Wel wordt daar punt 17 van protocol I bij het belastingverdrag tussen Nederland en België besproken maar die bepaling beperkt zich tot inkomsten die worden genoten door natuurlijke personen. De gezamenlijke artikelsgewijze toelichting op art. 11 kan daarom, naar het mij voorkomt, de conclusie die in de vorige alinea is getrokken, niet veranderen.
In punt 12 met betrekking tot art. 10, paragraaf 2, van protocol I bij het belastingverdrag tussen Nederland en België is geregeld dat art. 10, paragraaf 2, van het verdrag niet van toepassing is wanneer het betreffende dividend onder de werking valt van de Moeder-dochterrichtlijn. Punt 16 met betrekking tot art. 11, paragraaf 2 en 3, van protocol I regelt dat in afwijking van art. 11, paragraaf 2 en 3, de Spaarrenterichtlijn geldt wanneer de betreffende rente volgens deze richtlijn mag worden belast in de staat waaruit de rente afkomstig is. Valt de rente onder de Rente- en royaltyrichtlijn, dan is deze richtlijn van toepassing in afwijking van art. 11, paragraaf 2 en 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en België. Het komt mij voor dat deze regels ook zouden gelden wanneer zij niet expliciet in protocol I zouden zijn opgenomen.