Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.4.2:6.3.4.2 Opheffing van beslag tegen zekerheid
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.4.2
6.3.4.2 Opheffing van beslag tegen zekerheid
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497030:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Oudelaar 2000, p. 139.
HR 25 maart 2005, rov. 3.8.2, LJN AR7350 , «JOR» 2005/132.
Zie ook Van Emden en Van Emden 2012.
Voor een discussie over de voor- en tegenargumenten voor gebruik van deze modellen (met name op grond van de werking in geval van faillissement): zie Van der Wiel en Blomkwist in TvI 2001, respectievelijk op p. 27 e.v. en p. 31 e.v.
In krap acht procent van de gevallen die betrokken waren bij het onderzoek naar conservatoir beslag: nader hierna paragraaf 6.4.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een opheffingskortgeding kan de beslagene in geval van een beslag gelegd voor een geldvordering, de voorzieningenrechter op grond van artikel 705 lid 2 Rv verzoeken om het beslag tegen ‘voldoende zekerheid’ op te heffen. De achterliggende gedachte is dat, indien de beslagene voldoende zekerheid stelt de beslaglegger immers geen enkel belang meer heeft bij het beslag.1 De mogelijkheid tot zekerheidstelling moet worden beschouwd als een faciliteit, waar door de beslagene naar eigen keuze wel of geen gebruik kan worden gemaakt. Er is op grond van artikel 705 lid 2 Rv dus geen sprake van een verplichting tot het stellen van (voldoende) zekerheid.2 Partijen kunnen ook buiten de voorzieningenrechter om tot afspraken over zekerheidstelling komen.3 De rechtspraktijk kent een Rotterdams garantieformulier (2008) en bankgarantie volgens NVB model (1999).4 Het stellen van zekerheid is in de huidige economische situatie minder gemakkelijk geworden. Dit heeft zeker te gelden voor ondernemers voor wie een niet kunnen beschikken over liquiditeiten, die nodig zijn voor de bedrijfsvoering, tot grote problemen leidt. Bovendien zijn bancaire instellingen door de economische omstandigheden aanzienlijk terughoudender geworden in het verstrekken van kredieten en het meewerken aan zekerheidstellingen. Veelal zal pas een beroep op de voorzieningenrechter worden gedaan indien partijen niet tot overeenstemming komen over de voorwaarden verbonden aan de zekerheidstelling of de omvang hiervan. In de praktijk blijkt beperkt een beroep op de voorzieningenrechter te worden gedaan op grond van deze opheffingsgrond.5