Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.2.3:IV.3.2.3. ‘Onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling en voor zover van toepassing bij overlijden van degene aan wie het goed toebehoort’
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.2.3
IV.3.2.3. ‘Onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling en voor zover van toepassing bij overlijden van degene aan wie het goed toebehoort’
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS576746:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat is de voorwaarde of tijdsbepaling als bedoeld in lid 2 onder a van art. 4:126 BW?
De voorwaarde of tijdsbepaling is als zodanig niet genoemd. De woorden ‘voor zover het beding wordt toegepast in geval van overlijden’ moeten leiden tot de conclusie dat de voorwaarde en tijdsbepaling is ‘overleven’ respectievelijk ‘overlijden’.1
‘Voor zover’ zal slaan op het geval dat het beding al gedeeltelijk tijdens leven is toegepast dan wel kan worden toegepast, zodat voor het ‘toegepaste gedeelte’de quasi-legatenregeling niet speelt. Als met ‘voor zover’ hetzelfde bedoeld zou zijn als met de zinsnede ‘en zij niet reeds tijdens het leven […] is uitgevoerd’ uit lid 1 van art. 4:126 BW, dan is het ongelukkig dat lid 2 onder a niet in gelijke pas loopt.
Ik ben overigens van mening dat ‘toepassen’ in lid 2 onder a en ‘uitvoeren’ in art. 7:177 BW een andere betekenis hebben. ‘Toepassen’ ziet mijns inziens meer op feitelijkheden, terwijl ‘uitvoeren’ juridisch bekeken moet worden.
‘Nakomen’, dat gezien kan worden als ‘uitvoeren’, staat anders dan bij het quasi-legaat van lid 1 niet in de weg aan de werking van de quasi-legatenregeling. Anders zou een overdracht onder opschortende voorwaarde kunnen verhinderen dat art. 4:126 lid 2 onder a BW beschermend optreedt ten behoeve van de schuldeisers. Zie par. 2.2 van dit hoofdstuk.
‘Toepassen’ moet men dan ook meer begrijpen in de sfeer van ‘feitelijk gevolg hebben’.
Deze visie past ook goed bij de strekking van de quasi-legatenregeling.
Voor de goede orde: Het feit dat ik voor wat betreft art. 7:177 BW een beperk- ter bereik voorsta, houdt niet verband met het feit dat ik de quasi-legatenregeling voor de inkorting en vermindering zou willen beperken, doch met het feit dat ik van mening ben dat de vormvoorschriften van art. 7:177 BW slechts daar moeten gelden waar de gelijkenis met uiterste wilsbeschikkingen groot is. Indien men van mening is dat de beperktere uitleg van art. 4:177 BW lid 1 ook moet leiden tot een beperktere uitleg van van art. 4:126 BW, hetgeen ik overigens gelet op de verschillende strekking van de regelingen niet per se noodzakelijk vind, wil dit niet zeggen dat bepaalde schenkingen/giften de dans ontspringen. Het blijven immers giften die bijvoorbeeld voor inkorting in aanmerking komen. Ik zou er geen bezwaren tegen hebben om art. 4:126 lid 1 BW ruimer op te zetten/in te kleuren, met als doel de positie van schuldeisers te bewaken. Een koppeling met Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is daar niet voor nodig omdat daar een ander doel wordt nagestreefd, te weten het voorkomen van het omzeilen van vormvoorschriften. Men kan in dit kader nog de vraag stellen of de niet onder lid 1 vallende schenkingen onder lid 2 onder a vallen en daarmee alsnog als quasi-legaat door het leven gaan, aan- gezien een redelijke tegenprestatie ontbreekt. In par. 3.4 van dit hoofdstuk wordt hierop nader ingegaan.
Het ‘goed’ moet een goed zijn van degene die overlijdt. Dat een erflater ook ‘andermans goed’ kan legateren en hierin niet is voorzien in art. 4:126 lid 2 onder a BW, moet men begrijpen tegen het licht van het feit dat de quasi-legatenregeling schuldeisersbescherming rondom de nalatenschap voor ogen heeft. Ik verwijs ook naar par. 1.4 van dit hoofdstuk.