Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.2.3
3.2.3 Roerende zaken, vermenging en natrekking: art. 664 OBW
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644945:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scholten (1945), p. 162; Hofmann (1944), p. 146.
Land II (1901), p. 166 e.v.
Hofmann (1944), p. 145.
Hofmann (1944), p. 146.
Scholten (1945), p. 162.
Hofmann (1944), p. 146.
Zie ook Hoofdstuk 1, §1.3.3 en D. 6, 1, 5, 1 (Ulpianus).
Land II (1901), p. 166, voetnoot 2.
Zo ook Land, die stelde dat de eigenaar niet meer kon vorderen dan wat aan hem toebehoort (Land II (1901), p. 166, voetnoot 2).
Zie Land II (1901), p. 166, voetnoot 2 waarin verwezen wordt naar Asser.
Hofmann (1944), p. 146.
Art. 1198lid 5 OBW: “De onbevoegdheid van den pandgever om over de zaak te beschikken, kan aan den schuldeischer, die haar in pand heeft genomen, niet worden tegengeworpen (…).”
Als de vermengde stoffen gezamenlijk daarentegen een hogere waarde vertegenwoordigden dan afzonderlijk, dan was een gevoeglijke afscheiding wellicht niet mogelijk, omdat er dan geen sprake was van “gevoeglijk” losmaken. In dat geval golden de artikelen 662 en 663 OBW.
Land II (1901), p. 166.
Hofmann (1944), p. 145.
Bijzondere aandacht verdienen de regels over vermenging, vervat in de artikelen 662-664 OBW, aangezien ze iets zeggen over de gevolgen van natrekking bij louter roerende zaken. De artikelen hadden betrekking op gevallen waarin verschillende zaken met elkaar werden vermengd, waardoor een nieuwe zaak was ontstaan, zonder dat sprake was van zaaksvorming (specificatio). Ze maakten een onderscheid tussen “toevallige” vermenging en “doelbewuste” vermenging. Als de stoffen per toeval werden vermengd, dan ontstond mede-eigendom naar evenredigheid van de waarde van de stoffen (art. 662 OBW). Een voorbeeld hiervan was als tijdens een storm in het ruim van een schip twee soorten suiker met elkaar waren vermengd.1 De eigendomsrechten die vóór de vermenging bestonden, kwamen te rusten op het aandeel in de eigendom dat correspondeerde met het eigendomsrecht van vóór de vereniging. Zo bezien was sprake van continuïteit van deze rechten, zij het dat ze in een andere vorm bleven voortbestaan.
Van zakelijke continuïteit was echter geen sprake als de vereniging het gevolg was van een handeling van één der eigenaren. In dat geval verkreeg deze de eigendom, ongeacht of zijn zaak in waarde en belang onder deed voor de andere zaken.2 De intentie van de handelende eigenaar was dus van belang. Deze regel sloot aan bij art. 661 OBW, het artikel over zaaksvorming (specificatio). De zaaksvormer kreeg blijkens dat artikel de eigendom van de nieuw gevormde zaak. Onder “zaaksvormer” kon ook worden verstaan degene die de opdracht tot vorming had gegeven. De regels omtrent zaaksvorming prevaleerden boven de vermengings- en natrekkingsregels van roerende zaken.3 Evenals bij zaaksvorming rustte op de samenvoegende eigenaar de verplichting om de andere eigenaren de waarde van hun zaken te vergoeden (art. 663 OBW). De zakelijke rechten van vóór de verbinding hielden echter op te bestaan.
Geschiedde een “doelbewuste” vermenging krachtens de wil van de eigenaren gezamenlijk dan ontstond mede-eigendom, tenzij anders was overeengekomen.4 Was de vermenging het werk van een buitenstaander dan ontstond, behoudens de uitzondering van de specificatio, eveneens mede-eigendom tussen de eigenaren van de materialen.
Zowel art. 662 OBW als art. 663 OBW ging uit van de situatie dat de vermenging niet of niet zonder schade ongedaan gemaakt kon worden. Kon dit echter wel, dan kende art. 664 OBW aan de eigenaren der materialen een afscheidingsrecht toe.
“Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande artikelen voorzien, de stoffen gevoeglijk kunnen worden gescheiden, zal een ieder kunnen terug vorderen hetgeen hem toebehoort [cursivering, JCTF].”
Het artikel had betrekking op de gevallen wanneer de stoffen “gevoeglijk” van elkaar konden worden losgemaakt. De eigenaren konden hun zaken terugvorderen, aangezien een ieder zijn eigendom heeft behouden.5 In zo’n geval had de samenvoeging van zaken dus geen zakenrechtelijke gevolgen.
Alleen als sprake was van zaaksvorming werd art. 664 OBW opzij gezet met als gevolg dat de zakelijke rechten teniet waren gegaan.6 Zoals art. 664 OBW zelf aangaf, was zij een uitzondering op de twee voorgaande artikelen (art. 662 en 663 OBW), maar niet op het artikel van de specificatio (art. 661 OBW).
Het criterium “gevoeglijk scheiden” bepaalde of sprake was van vermenging en niet de verkeersopvatting. Deze regel doet denken aan een Digestentekst van Ulpianus, waarin werd gesteld dat een zakelijke actie (revindicatie) ingesteld kon worden als lood van de één met zilver van de ander werd versmolten. De revindicatie was mogelijk omdat de twee substanties van elkaar gescheiden konden worden, waardoor de vermenging geen zakelijke gevolgen had.7
Onder het OBW bestond discussie over de vraag of ditzelfde gold voor de gevallen waarin dezelfde zaken met elkaar waren vermengd.8 Kon 100 liter witte wijn van de ene eigenaar en 50 liter wijn van een andere gevoeglijk worden gescheiden? Eerstgenoemde zou dan 100 liter wijn hebben kunnen revindiceren, zonder dat hij precies wist welke 100 liter daadwerkelijk van hem waren. Dogmatisch lag dit ingewikkeld. De wet maakte immers geen onderscheid tussen vermenging van dezelfde soort zaken en die van verschillende zaken. Vermenging was vermenging. Het revindiceren van 100 liter wijn door de eigenaar zonder te weten welke wijn aan hem toebehoorde, was niet in overeenstemming met het beginsel dat men met de revindicatie alleen datgene kon opeisen dat aan hem toebehoorde.9
Tegenover deze dogmatische benadering stond de pragmatische benadering, die geen bezwaar had tegen het toekennen van de revindicatie.10 In bovengenoemd voorbeeld was het duidelijk hoeveel witte wijn van wie was toegevoegd, namelijk 100 liter van de een en 50 liter van de ander. Aangezien het dezelfde soort (wijn) betrof, leidde een scheiding niet tot problemen. Waarom geen revindicatie toestaan in dit geval? Het terugdraaien van de vermenging had geen waardeverlies tot gevolg: 100 liter en 50 liter wijn afzonderlijk was opgeteld net zo veel waard als 150 liter wijn gezamenlijk. Ook leidde het toekennen van een revindicatie niet tot praktische problemen: Als per abuis 20 liter wijn uit het vat stroomde, dan verloren beide eigenaren evenveel wijn, in casu 10 liter per persoon. Evenmin was de rechtszekerheid in het geding, aangezien art. 2014 OBW van toepassing was op de gevallen waarin een buitenstaander de samengevoegde wijn kocht van de bezitter en geleverd had gekregen.11 Als de gehele hoeveelheid wijn door een van de eigenaren werd verkocht aan een derde/buitenstaander, dan werd deze na de levering beschermd tegen de (gedeeltelijke) onbevoegdheid van de verkoper. Zo werd deze derde niet zakenrechtelijk “verrast”. Hetzelfde gold als op de samengevoegde wijn een pandrecht werd gevestigd door een van de eigenaren, omdat onder het OBW een pandrecht pas tot stand kwam als de wijn in de macht van de pandhouder was geraakt en art. 1198lid 5 OBW hem beschermde tegen de (gedeeltelijke) onbevoegdheid van de pandgever.12 Alleen als sprake was van een fiduciaire eigendomsoverdracht, die geschiedde via een levering c.p., verkreeg de zekerheidsgerechtigde slechts dat deel van de wijn dat aan de vervreemder toekwam, daar art. 2014 OBW slechts diegene beschermde die de zaak onder zich had.13
Ofschoon de regels van de artikelen 662-664 OBW van toepassing waren als twee of meer stoffen zich met elkaar vermengden, werden zij ook geacht analoog te gelden als twee roerende zaken na vereniging een zaak vormden.14 Zoals gezegd ontbraken in het OBW specifieke regels over natrekking bij roerende zaken. De hoofdregel bij de vereniging van roerende zaken was immers dat de “waerdiger zaek de onwaerdiger tot zich trekt”.15 Ontstond door de vereniging een nieuwe zaak zonder dat er sprake was van zaaksvorming, dan ontstond in beginsel mede-eigendom. Dit was slechts anders als één der eigenaren de vereniging tot stand had gebracht, in welk geval deze de eigendom verkreeg (663 OBW), of als de vereniging gevoeglijk ongedaan kon worden gemaakt (art. 664 OBW). In dat geval had de vereniging geen zakenrechtelijke gevolgen. De artikelen 662-664 OBW hadden geen betrekking op de gevallen waarin sprake was van natrekking van een roerende zaak door een onroerende zaak.