Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.4.0:Inleiding
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.4.0
Inleiding
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607816:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 3.30a Wet IB 2001 is een beperking ten aanzien van de afschrijving op vastgoed opgenomen. De begrenzing houdt in dat op een gebouw kan worden afgeschreven tot de zogenoemde WOZ-waarde.1 Hierbij speelt verbondenheid in twee opzichten een rol. Ten eerste geldt op basis van art. 3.30a lid 3 onderdeel b Wet IB 2001 een lagere bodemwaarde, namelijk 50% van de WOZ-waarde, indien een gebouw ter beschikking wordt gesteld aan een ‘verbonden persoon’ of ‘verbonden lichaam’. Ter zake van dit soort gebouwen in eigen gebruik of in gebruik in de ‘eigen kring’ kan een groter bedrag worden afgeschreven. In dit verband hebben de genoemde begrippen een facilitaire functie. In de tweede plaats geldt de afschrijvingsbeperking, in situaties waarin een gebouw gezamenlijk eigendom is van de belastingplichtige en een met hem ‘verbonden persoon’ of een ‘verbonden lichaam’, alsof sprake is van een investering door één persoon. Deze bepaling, die is opgenomen in art. 3.30a lid 7 Wet IB 2001, is gericht op het ontgaan van de afschrijvingsbeperking. De begrippen ‘verbonden persoon’ of ‘verbonden lichaam’ hebben in dit verband dus een vereenzelvigingsfunctie en met name een antiontgaansfunctie.