De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.3.3:6.3.3 Tussenconclusie
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.3.3
6.3.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366035:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande betekent dat – bij de huidige stand van de jurisprudentie van het EHRM – het mogelijk is om vennootschappen te identificeren waarvan het zeker is dat ze kwalificeren als vereniging in de zin van art. 11 EVRM (bijvoorbeeld een BV die fungeert als uitgever van boeken die zijn geschreven door haar aandeelhouders, zijnde een besloten kring van schrijvers met een bepaalde ideologie). Ook is het mogelijk om vennootschappen te identificeren die niet kwalificeren als vereniging in de zin van art. 11 EVRM (bijvoorbeeld een beursgenoteerd vastgoed-beleggingsfonds met een handjevol (freelance)medewerkers en een groot aantal min of meer anonieme aandeelhouders). Tussen deze extremen zit echter een grote verscheidenheid aan vennootschappen waarvan onduidelijk is of de vrijheid van vereniging van toepassing is of niet. Is een BV waarin twee broers – beiden bestuurder en aandeelhouder – een aannemerij drijven een verband van personen, of een verband van goederen? En wat als het gaat om een verband tussen een uitvinder en een financier in het kader van een start- up? En maakt het daarbij nog uit of de betreffende onderneming zich kenmerkt door een sterke eigen bedrijfscultuur, al dan niet geënt op ideeën omtrent maatschappelijk verantwoord ondernemen?
Bij deze stand van zaken is het moeilijk te zeggen of de toepasselijkheid van de vrijheid van vereniging in de enquêteprocedure een zeldzaamheid betreft of zich veelvuldig voordoet. In de volgende paragraaf wordt er om praktische redenen steeds vanuit gegaan dat de vrijheid van vereniging van toepassing is voor zover niet uitdrukkelijk van een andere vooronderstelling wordt uitgaan.