Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.3.2
8.5.3.2 De reacties vanuit de Tweede Kamer en het kabinet
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS450515:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 21501-20, 618; Handelingen II 2011/12, 56, 17, p. 86; Handelingen II 2011/12, 57, 7, p. 28. Kamerstukken II 2011/12, 21501-20, 619; Handelingen II 2011/12, 56, 17, p. 86; Handelingen II 2011/12, 57, 7, p. 28.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-20, 618.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-20, 619.
Handelingen II 2011/12, 56, 17, p. 90; Handelingen II 2011/12, 57, 7, p. 28.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 906.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 909, p. 1.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 909, p. 1.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 909, p. 2.
Tijdens een debat over een Europese top en de problemen die op dat moment speelden ten aanzien van Griekenland, dienden Tweede Kamerleden in een reactie op de brief van de Algemene Rekenkamer van februari 2012 twee moties in die gericht waren op de externe controle op het ESM.1 De eerste motie verzocht de regering ‘zich maximaal in te spannen om volwaardige publieke externe controle te realiseren, en transparantie en verantwoording over besteding van middelen ten aanzien van het ESM stevig te verankeren’.2 De andere motie stelde dat ‘bij de instemming voor een nieuw hulppakket voor Griekenland duidelijke waarborgen moeten komen voor publiek-externe en parlementaire controle van het straks in werking tredende ESM’.3 De regering zag beide moties als ondersteuning van het beleid en de Kamer nam beide aan.4
Vervolgens reageerde het kabinet op de hierboven besproken brief van de Algemene Rekenkamer.5 De minister van Financiën stelde hierin dat Nederland zich tijdens de verdragsonderhandelingen sterk heeft gemaakt voor een gedegen externe controle op het ESM en dat hierbij ook resultaat is geboekt in de vorm van de board of auditors. Een nadere uitwerking van die externe controle zou tot stand komen via de by-laws. Die kunnen volgens de minister echter pas formeel vastgesteld worden zodra het ESM van kracht is.
De minister gaf daarmee geen enkele inhoudelijke reactie op de kritiekpunten van de Algemene Rekenkamer. De commissie voor Financiën was dan ook niet tevreden en verzocht de minister om specifiek in te gaan op twee van de bezwaren van de Algemene Rekenkamer, namelijk het onderzoeksmandaat van de board of auditors en diens publicatiemogelijkheden.6
De minister antwoordde daarop dat deze onderwerpen in de by-laws geregeld worden en dat de onderhandelingen daarover nog gaande zijn.7 Wel waren de afspraken tot nu toe geheel in lijn met de inzet van Nederland, aldus de minister. Zo kreeg de board of auditors de bevoegdheid om ieder soort onderzoek te doen waarom de Algemene Rekenkamer gevraagd had. De uitoefening van die bevoegdheid diende verder conform internationale standaarden te zijn, zo zou in de by-laws worden vastgelegd. Ook de publicatiemogelijkheden waren volgens de minister in lijn met de wensen van de verschillende nationale rekenkamers. Tot slot beloofde de minister zich te blijven inzetten voor een goede externe controle op het ESM.8