Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.8.2:7.8.2 Wel een rol voor onderkapitalisatie bij onvrijwillige crediteuren
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.8.2
7.8.2 Wel een rol voor onderkapitalisatie bij onvrijwillige crediteuren
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409077:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een bescheiden hoeveelheid rechtspraak is overwogen dat onderkapitalisatie wél een belangrijke omstandigheid vormt bij doorbraak ten behoeve van onvrijwillige crediteuren. Zo overwoog het Court of Appeals (5th Cir.) inzake Gardemal v. Westin Hotel dat onderkapitalisatie een cruciale factor is bij veil piercing en met name ten aanzien van crediteuren uit onrechtmatige daad.1 In de desbetreffende casus oordeelde het Court of Appeals echter dat niet vaststond dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en doorbaak daarom niet mogelijk was. Ook het Supreme Court van North Dakota heeft benadrukt dat onderkapitalisatie een belangrijke factor is bij doorbraak, in het bijzonder indien het gaat om de vordering van een onvrijwillige crediteur:
“In tort cases, a lack of capitalization is particularly significant […] [T]he essence of the requirement for fairness is that an individual cannot hide from the normal consequences of corporate entrepreneuring by doing so through a corporate shell.”2
Het Supreme Court verwees in deze zaak naar een eerdere uitspraak waarin het had benadrukt dat achter de doorbraak van aansprakelijkheid ten behoeve van onvrijwillige crediteuren een andere gedachte schuil gaat dan achter doorbraak bij contractuele crediteuren.
In deze eerdere uitspraak was als volgt overwogen: “In an ordinary tort case, the debtor-creditor relationship is forced upon the creditor by the occurrence of the unexpected tort itself. Thus, of particular significance in most tort cases is whether the corporation is undercapitalized, and the question involves an added public policy consideration, i.e., whether an individual should be able to transfer a risk of loss or injury to members of the public in the name of a corporation that is marginally financed.”3 (Onderstr. JB)