Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.5.2
6.3.5.2 Het Comité van Toezicht
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400792:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 52.3.
Zie artikel 2, aanhef en onder 3, gelezen in verbinding met artikel 65, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006. Uit artikel 2, aanhef en onder 3, van de Verordening nr. 1083/2006 lijkt te volgen dat het Comité van Toezicht de selectiecriteria vaststelt, terwijl uit artikel 65, aanhef en onder a, van diezelfde verordening lijkt te volgen dat het Comité van Toezicht de criteria onderzoekt en goedkeurt. In vorige programmaperioden was het Comité van Toezicht op grond van nationaal recht bevoegd om de selectiecriteria vast te stellen. Zie bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid, van de Regeling Europees Sociaal Fonds (19941999); artikel 5 van de Uitvoeringsregeling ESF - LEADER II gebaseerd op de Kaderregeling ESF-2, 5b en Communautaire Initiatieven. Verwarrend was overigens dat in op voormelde Kaderregeling gebaseerde uitvoeringsregelingen van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening was bepaald dat de selectiecriteria werden goedgekeurd door het Comité van Toezicht. Zie bijvoorbeeld artikel 3 van de Uitvoeringsregeling ESF - Doelstelling 2 Limburg. Blijkens de bijlage bij deze Uitvoeringsregeling lijkt het er echter toch gewoon op dat de selectiecriteria door het Comité van Toezicht zijn vastgesteld. Overigens biedt artikel 100, tweede lid, onder a, van Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het EFRO, het ESF, het Cohesie-fonds, het ELFPO, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds, COM (2011) 615 def. meer duidelijkheid. Hierin is bepaald dat het toezichtcomité de criteria voor de selectie van concrete acties onderzoekt en goedkeurt.
Ingevolge artikel 4:81, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan een bestuursorgaan in andere gevallen slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Het gaat hier echter niet om beleidsregels ten aanzien van door het Comité van Toezicht uit te oefenen bevoegdheden. Voorts is niet in een nationaalwettelijk voorschrift bepaald dat het Comité van Toezicht bevoegd is om ten aanzien van de bevoegdheid van de beheersautoriteit om projecten te selecteren beleidsregels vast te stellen.
Zie artikel 2, aanhef en onder 3, gelezen in verbinding met artikel 65, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006. Uit de definitie van het begrip 'concrete actie' volgt dat de beheersautoriteit zich bij de selectie van projecten moet houden aan de door het Comité van Toezicht opgestelde selectiecriteria.
In paragraaf 6.3.3.3 is reeds aan de orde geweest dat de wetgever in de toelichting op artikel 4:23, eerste lid, van de Awb heeft erkend dat bepalingen uit een Europese verordening kunnen worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift. In de rechtspraak is dit ook erkend wat betreft artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Zie bijvoorbeeld CBb 24 februari 2011, LJN BP6015, r.o. 5.4.; CBb 28 juli 2010, LJN BN4897, r.o. 2.4.6; CBb 24 maart 2010, LJN BM2742, r.o. 5.5; CBb 16 juli 2009, LJN BJ3139, r.o. 5.7; CBb 25 februari 2009, AB 2009, 153, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.7; CBb 18 februari 2009, LJN BH4548, r.o. 5.5 en CBb 24 september 2008, AB 2008, 374, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.4. Zie ook Ortlep 2011, p. 52; Jans e.a. 2011, p. 23; Verhoeven 2010A, p. 46-47 en Ortlep 2009, p. 82-83.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Besluit EFRO wordt de beheersautoriteit voor OP-Zuid gevormd door de leden van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, gezamenlijk. De beheersautoriteit is ingevolge diezelfde bepaling een bestuursorgaan van de provincie Noord-Brabant. Zie het Toetsingskader OP-Zuid behorende bij OP voor Zuid-Nederland EFRO 2007-2013, versie 5.0. en de Subsidieregeling OP-Zuid, Provinciaal Blad van Noord-Brabant, nummer 86/10.
De beheersautoriteit is dat ingevolge artikel 5 Besluit EFRO en de certificerings- en auditautoriteit omdat zij toevallig deel uitmaken van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Voor het ELFPO geldt dat als beheersautoriteit de minister van LNV is aangewezen. Erkend betaalorgaan is de Dienst landelijk gebied. Deze dienst is een orgaan van de staat. Certificerende instantie is de Auditdienst van het Ministerie van LNV. Ook hierbij gaat het om een orgaan van de staat.
Voor het ELFPO geldt dat het Comité van Toezicht slechts wordt geraadpleegd over de selectiecriteria. Zie artikel 78, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1698/2005. Het bevoegde orgaan stelt ingevolge artikel 71, tweede lid, van deze verordening de selectiecriteria vast.
Zie ook Herwig Hofmann 2009, p. 48. Hofmann merkt op dat naarmate de procedure informeler wordt, des te minder transparant en vatbaar voor controle deze procedure is.
Zie artikel 10 van het Besluit EFRO - een zelfstandige amvb - waarin is neergelegd dat er per Europees programma een Comité van Toezicht is en dat de beheersautoriteit in overleg met de minister van EZ de leden van de comités benoemt.
Voor ELFPO is in artikel 27a van de Regeling inrichting landelijk gebied neergelegd dat er een Comité van Toezicht is en uit welke vertegenwoordigers dat comité dient te bestaan.
Dit geldt voor het Comité van Toezicht dat is opgericht in het kader van ESF. Zie het Instellingsbesluit Monitorcomité ESF2, Stcrt. 2007, 217.
Zie het OP Europees Visserijfonds, p. 73.
Voor OP-West geldt bijvoorbeeld dat in het Comité van Toezicht vertegenwoordigers van de gemeenten en provincies zitting hebben.
Het Comité van Toezicht in het kader van ELFPO bestaat onder meer uit de natuur-, milieu-en landbouworganisaties.
Zie bijvoorbeeld artikel 27a, derde lid, van de Regeling Inrichting Landelijk Gebied waarin is bepaald dat de minister de vertegenwoordigers van de sociale en economische partners en de natuur-, milieu- en landbouworganisaties aanwijst. Zij zijn bovendien slechts adviserende leden.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.2.
Zie OP EMR p. 94.
Zie artikel 65, aanhef en onder b en c en artikel 66, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/ 2006.
Zie artikel 65, aanhef en onder d en g, van de Verordening nr. 1083/2006.
Zie artikel 41 van het Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds. COM (2011) 615 def.
Zie bijvoorbeeld de plaatselijke en lokale groepen waarvan de nationaalrechtelijke status in paragraaf 6.3.5.3 wordt besproken.
Zie het Toetsingskader OP-Noord; Toetsingskader OP-West; Toetsingskader OP-Oost.
Zie artikel 2, aanhef en onder 3, van de Verordening nr. 1083/2006.
Zie paragraaf 6.7.3.
In 3.4 van het Toetsingskader OP-West is opgenomen dat indien vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in dit toetsingskader naar het oordeel van de Managementautoriteit of Stedelijke Programma-autoriteit zou leiden tot een onredelijk besluit, de Managementautoriteit of Stedelijke Programma-autoriteit kan afwijken van het bepaalde in het Toetsingskader. Afwijkingen van het toetsingskader dienen ter kennisname aan het Comité van Toezicht te worden voorgelegd. Zie voorts Toetsingskader OP-Noord, p. 1. Het Comité van Toezicht zal in dat geval worden gevraagd om een besluit tot afwijking van het toetsingskader te bekrachtigen.
Toetsingskader OP-Oost, onder 1.1.1.
Toetsingskader OP-Oost, onder E, onder 11.
In het Besluit EFRO wordt slechts de bevoegdheid aan de beheersautoriteit geattribueerd om beschikkingen te nemen inzake de Europese subsidie uit het EFRO. In de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2 programmaperiode 2007-2013 wordt in artikel 2 aan de beheersautoriteit de bevoegdheid gedelegeerd om beschikkingen te nemen inzake de rijkscofinanciering.
Zie artikel 118 van de Provinciewet.
Op Europees niveau is niet geregeld welke nationaalrechtelijke status het Comité van Toezicht zou moeten hebben. Anders dan aan de in hoofdstuk 5 besproken EGIS,1 is aan het Comité van Toezicht bijvoorbeeld geen rechtspersoonlijkheid toegekend. De Nederlandse regelgeving die van toepassing is op de Comités van Toezicht schept echter geen duidelijkheid over de vraag of de comités kunnen worden aangemerkt als Awb-bestuursorganen.
De visie van de minister
In artikel 6, tweede lid, van de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2 van destijds de minister van EZ is neergelegd dat de beheersautoriteit de criteria, bedoeld in artikel 65, onder a, van de Verordening nr. 1083/2006, als beleidsregel voor de toekenning van subsidie op grond van die regeling bekendmaakt. Dit kan drie dingen betekenen. Ten eerste, dat de toenmalige minister van EZ van mening was dat uit de Verordening nr. 1083/2006 volgt dat de beheersautoriteit de selectiecriteria dient vast te stellen. Uit de Verordening nr. 1083 /2006 lijkt weliswaar te volgen dat deze criteria door het Comité van Toezicht worden vastgesteld, maar helemaal duidelijk is dit niet.2 Hiertegen pleit dat volgens de toelichting op de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2 de selectiecriteria, conform de Europese verordening, door het Comité van Toezicht als beleidsregel worden vastgesteld.
Ten tweede zou de toenmalige minister van EZ van mening kunnen zijn geweest dat het Comité van Toezicht weliswaar krachtens de Verordening nr. 1083/2006 bevoegd is om de selectiecriteria vast te stellen, maar dit niet tot gevolg heeft dat het comité kwalificeert als Nederlands bestuursorgaan en daarom niet bevoegd is om deze criteria bekend te maken overeenkomstig artikel 3:42 van de Awb. Daarom is de constructie bedacht dat de selectiecriteria door het Comité van Toezicht overeenkomstig de verordening worden vastgesteld en diezelfde criteria vervolgens door de beheersautoriteit, duidelijk wel een Nederlands bestuursorgaan, worden overgenomen en bekend worden gemaakt als haar eigen beleidsregel. Ook hiertegen pleit dat in voormelde toelichting op de regeling is neergelegd dat het Comité van Toezicht de selectiecriteria als beleidsregel vaststelt.
Een derde mogelijkheid is dat de minister van oordeel is dat het Comité van Toezicht wel een Nederlands bestuursorgaan is en de door hem opgestelde selectiecriteria zijn te beschouwen als beleidsregels. Hoewel uitsluitend nationaalrechtelijk bezien de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels ontbreekt,3 kan deze bevoegdheid wel in de Europese verordening worden gevonden. Het Comité van Toezicht is immers ingevolge de Verordening nr. 1083/2006 bevoegd om regels ten aanzien van door de beheersautoriteiten uitgeoefende bevoegdheden vast te stellen.4 Deze bevoegdheid kan worden gezien als een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:81, tweede lid, van de Awb.5 Hoewel mij niet duidelijk is waarom de beleidsregels niet door het Comité van Toezicht zelf worden bekendgemaakt, lijkt deze derde optie mij het meest waarschijnlijk, ook omdat zij overeenstemt met de toelichting op de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2, waarin is neergelegd dat het Comité van Toezicht de beleidsregel vaststelt.
De niet-eenduidige uitvoeringspraktijk
In de praktijk geldt voor de OP’s EFRO-Noord, EFRO-West, EFRO- Oost en EMR in de programmaperiode 2007-2013 dat de selectiecriteria conform de verordening nr. 1083/2006 door het desbetreffende Comité van Toezicht zijn vastgesteld. Van een bekendmaking door de bevoegde beheersautoriteit als beleidsregel lijkt geen sprake te zijn. Ten aanzien van OP-Zuid zijn de selectiecriteria inmiddels vastgelegd in de Subsidieregeling operationeel programma ZuidNederland, vastgesteld door de beheersautoriteit.6 Blijkens de aanhef is de regeling goedgekeurd door het Comité van Toezicht. De achterliggende gedachte lijkt te zijn dat het Comité van Toezicht naar nationaal recht niet bevoegd is om selectiecriteria vast te stellen. Nu de beheersautoriteit ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Besluit EFRO een bestuursorgaan is, is deze autoriteit in ieder geval bevoegd omtrent de eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. Het vaststellen van de selectiecriteria door de beheersautoriteit is echter niet in overeenstemming met de Europese verordening.
Uit het voorgaande blijkt dat in de praktijk geen eenduidigheid bestaat over de vraag in hoeverre het Comité van Toezicht naar nationaal recht de bevoegdheid toekomt om beleidsregels vast te stellen. Deze onduidelijkheid wordt weggenomen indien vast zou komen te staan, of de Comités van Toezicht á dan niet als bestuursorganen kunnen worden aangemerkt. Voor het aanmerken van het Comité van Toezicht als een bestuursorgaan in de zin van de Awb bestaan naar mijn mening twee goede redenen.
Ten eerste zijn de andere bij de uitvoering betrokken autoriteiten, de beheersautoriteit, de certificeringsautoriteit en de auditautoriteit ook te kwalificeren als bestuursorganen.7 Zeker nu het Comité van Toezicht in het kader van EFRO, ESF en het Europees Visserijfonds de selectiecriteria moet vaststellen,8 ook overigens toezicht moet houden en handelingen van de beheersautoriteit moet goedkeuren, zou het vreemd zijn als op het handelen van het comité de Awb niet van toepassing zou zijn. Het aanmerken van het Comité van Toezicht als bestuursorgaan heeft tot gevolg dat ook het Comité bij de uitoefening van de op grond van de Verordeningen nrs. 1083/2006, 1698/2005 en 1198/2006 toegekende bevoegdheden gebonden is aan de regels van de Awb. Deze opvatting doet het meest recht aan zowel de Verordening nr. 1083/ 2006 als het nationale bestuursrechtelijke systeem. Een andere opvatting leidt tot de situatie dat het Comité van Toezicht in een rechtsvacuüm opereert.
Ten tweede heeft de kwalificatie als bestuursorgaan tot gevolg dat eventueel door het Comité genomen besluiten vatbaar zijn voor controle van de bestuursrechter.9 In het vervolg van deze paragraaf wordt bezien in hoeverre Comités van Toezicht daadwerkelijk als Nederlandse bestuursorganen kunnen worden aangemerkt.
Het Comité van Toezicht als bestuursorgaan?
De aanwijzing van de Comités van Toezicht heeft in Nederland op verschillende wijzen plaatsgevonden, namelijk in een algemene maatregel van bestuur,10 in een ministeriële regeling11 of in een besluit van het subsidieverstrekkende bestuursorgaan.12 Voor het Europees Visserijfonds kan slechts in het OP worden teruggevonden dat er een Comité van Toezicht is en welke samenstelling het heeft.13 Voor zover in een zelfstandige amvb, een besluit van de minister of een ministeriële regeling is bepaald dat er een Comité van Toezicht is, rijst de vraag of dit voldoende is om een dergelijk comité als a-orgaan aan te merken. Bij een a-orgaan gaat het ingevolge artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb om een orgaan van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Nu uit voormelde regelingen volgt dat het een minister, GS, dan wel B&W is die de leden van de Comités benoemt/benoemen, kunnen deze Comités van Toezicht als organen van respectievelijk de rechtspersoon Staat, de provincie, of gemeente worden aangemerkt. Daarbij is niet relevant dat de Comités van Toezicht ook uit vertegenwoordigers van andere overheden14 of private partijen15 bestaan; benoeming vindt immers plaats door respectievelijk de minister,16 provincie of gemeente. Waarschijnlijk geldt hetzelfde voor het Comité van Toezicht dat in het kader van het Europees Visserijfonds is ingesteld, zij het dat mij geen besluit bekend is waarin dit comité is geregeld.
Lastiger is het om te bepalen of Comités van Toezicht waarin overheden van andere lidstaten deelnemen, als bestuursorgaan kunnen worden aangemerkt. Deze comités komen voor in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking. Voor deze comités geldt dat zij zijn belast met de selectie van projecten.17 De kwalificatie van het Comité van Toezicht als bestuursorgaan is derhalve van belang voor de mogelijkheden aangaande rechtsbescherming. Voor zover het OP tot de verantwoordelijkheid van andere lidstaten behoort, doen zich geen kwalificatieproblemen voor. Dit ligt anders met betrekking tot het Comité van Toezicht dat is opgericht voor het OP EMR.18 Voor dit OP is immers de lidstaat Nederland verantwoordelijk.
De leden van dit Comité van Toezicht worden op grond van artikel 10, tweede lid, van het Besluit EFRO aangewezen door het bestuur van de stichting EMR. In paragraaf 6.2.3.3 is besproken dat dit bestuur als een b-orgaan moet worden aangemerkt, omdat in het Besluit EFRO aan dat orgaan de bevoegdheid is toegekend om een Europese subsidie te verstrekken. Dit betekent dat het Comité van Toezicht weliswaar is belast met de selectie van projecten, maar niet de Europese subsidie verstrekt. In dat kader kan bezwaar en beroep worden ingesteld tegen de besluiten van het bestuur van de stichting EMR. Dit neemt niet weg dat het vanwege de vraag of andere bepalingen van de Awb van toepassing zijn, van belang is vast te stellen of het Comité van Toezicht kwalificeert als een bestuursorgaan. Een eerste mogelijkheid is dat nu in het Besluit EFRO is bepaald dat er voor het OP EMR een Comité van Toezicht is met daarbij het gegeven dat het ministerie van EZ het coordinerende ministerie is, dit orgaan is te rekenen tot de rechtspersoon de Staat Nederland. In dat geval is het Comité van Toezicht aan te merken als een a-orgaan. Een andere mogelijkheid is dat het Comité van Toezicht, waarvan de leden zijn benoemd door het bestuur van de stichting EMR, op zijn hoogst kan worden toegerekend aan deze stichting, een privaatrechtelijke rechtspersoon. In dat geval kan geen sprake zijn van een a-orgaan, maar is het Comité van Toezicht wellicht aan te merken als een b-orgaan. In de Verordening nr. 1083/2006 worden aan het comité immers allerlei publiekrechtelijke bevoegdheden toegekend zoals het vaststellen van de selectiecriteria, het uitoefenen van toezicht19 en het goedkeuren van besluiten en andere handelingen.20 In combinatie met artikel 10, tweede lid, van het Besluit EFRO is dit naar mijn mening voldoende om tot het oordeel te komen dat het Comité van Toezicht inzake EMR met openbaar gezag is bekleed. Bijzonder is dat dit Nederlandse bestuursorgaan bestaat uit vertegenwoordigers van andere lidstaten.
Het voorgaande laat zien dat het niet eenvoudig is om vast te stellen of Comités van Toezicht als Awb-bestuursorganen kunnen worden aangemerkt. Het verdient dan ook de voorkeur om dit zekerheidshalve in een wet in formele zin vast te leggen, zodat hieromtrent geen misverstand kan bestaan. De Comités van Toezicht zijn in de afgelopen twintig jaar een terugkerend fenomeen en het bestaan daarvan wordt ook voorgeschreven in de programmaperiode 2014-2020.21 Omdat de Europese subsidieregelgeving de oprichting van dit soort organen in meer gevallen voorschrijft,22 dient de voorziening in de wet in formele zin niet te zijn beperkt tot de Comités van Toezicht, maar algemener te worden geformuleerd. In de Wet inzake Europese subsidies zou dan ook moeten worden neergelegd dat de instanties die op grond van de Europese subsidieregelgeving door de lidstaten moeten worden opgericht, zijn aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. In dat geval kan over de Nederlandse status van ingevolge de Europese subsidieregelgeving op te richten instanties geen misverstand meer bestaan. Op á het handelen van de Comités van Toezicht is de Awb van toepassing. Voor zover deze handelingen zouden zijn gericht op rechtsgevolg, is bovendien op grond van de Awb bezwaar en beroep mogelijk.
De status van de door het Comité van Toezicht vastgestelde selectiecriteria
Dat een Comité van Toezicht als Nederlands bestuursorgaan moet worden aangemerkt, zegt nog niets over de status van de door het comité vastgestelde selectiecriteria. Is sprake van een algemeen verbindend voorschrift, of wellicht een beleidsregel? In de Nederlandse uitvoeringspraktijk worden de selectiecriteria neergelegd in zogenoemde Toetsingskaders.23 Om deze toetsingskaders als algemeen verbindend voorschrift te kunnen kwalificeren, is noodzakelijk dat voor het vaststellen daarvan een grondslag is te vinden in een wet in formele zin. Nu de grondslag voor het vaststellen van de selectiecriteria is neergelegd in een Europese verordening, is daarvan strikt genomen geen sprake. In paragraaf 6.3.2 is echter besproken dat steeds meer wordt aangenomen dat bevoegdheden kunnen worden ontleend aan Europese verordeningen. Ik zie niet in dat dit ook niet zou kunnen gelden voor de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, mits duidelijk is welk specifiek Nederlands uitvoeringsorgaan daartoe bevoegd is. In het geval van de Comités van Toezicht bestaat hieromtrent geen onduidelijkheid. Het is ook mogelijk om de toetsingskaders te kwalificeren als beleidsregel. Ingevolge artikel 4:81, tweede lid, van de Awb kan een bestuursorgaan ook beleidsregels vaststellen voor andere bevoegdheden dan eigen bevoegdheden en gedelegeerde bevoegdheden, namelijk voor zover dat bij wettelijk voorschrift is bepaald. De Verordening nr. 1083/2006, waaruit duidelijk volgt dat de beheersautoriteit gebonden is aan de door het Comité van Toezicht vastgestelde selectiecriteria,24 is aan te merken als een dergelijk wettelijk voorschrift. Het nadeel van de kwalificatie als beleidsregel is dat in de Toetsingskaders geen verplichtingen kunnen inhouden voor de eindontvangers van de Europese subsidie. Omdat het bij selectiecriteria niet gaat om dergelijke verplichtingen, zou dit niet problematisch hoeven te zijn. In de praktijk bestaan de Toetsingskaders echter uit veel meer dan alleen de selectiecriteria. Ook allerlei andere regels zijn daarin neergelegd, waaronder subsidieverplichtingen voor de eindontvanger van de Europese subsidie. In dat geval betekent de kwalificatie als beleidsregel dat de in het Toetsingskader neergelegde regels alleen aan eindontvangers kunnen worden tegengeworpen, voor zover in een besluit tot subsidieverlening wordt verwezen naar in het Toetsingskader neergelegde subsidieverplichtingen. Voorts kan het daarbij alleen gaan om subsidieverplichtingen in de zin van artikel 4:37 van de Awb. Voor andersoortige verplichtingen is immers een wettelijke grondslag noodzakelijk25
De toelichting op de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2 gaat ervan uit dat sprake is van beleidsregels, nu daarin is neergelegd dat de selectiecriteria, conform de Europese verordening, door het Comité van Toezicht als beleidsregel worden vastgesteld. De Toetsingskaders zelf en de gehouden interviews met Nederlandse uitvoeringsorganen bieden echter geen uitsluitsel of sprake is van beleidsregels dan wel algemeen verbindende voorschriften. Zo is in de Toetsingskaders OP-West en OP-Noord een hardheidsclausule opgenomen, waaruit lijkt te volgen dat sprake is van een algemeen verbindend voorschrift.26 Dergelijke hardheidsclausules passen immers niet in een beleidsregel, nu de bevoegdheid tot afwijking van een beleidsregel reeds voortvloeit uit artikel 4:84 van de Awb. De kwalificatie als beleidsregel spoort weer wel met de doelstelling van het Toetsingskader OP-Oost: het duidelijk maken van de geldende spelregels voor het beoordelen van subsidieaanvragen die in het kader van het OP worden ingediend.27 In één van de bepalingen van het Toetsingskader OP-Oost wordt ook van beleidsregels gesproken.28 Ook in de interviews met betrokkenen kwam deze opvatting het sterkst naar voren.
Wat overigens niet hoeft te betekenen dat deze opvatting juist is, casu quo dat de Nederlandse bestuursrechter tot hetzelfde oordeel zal komen. Uit het voorgaande blijkt dat er bij de Nederlandse bestuursorganen die de EFROprogramma's ten uitvoer leggen verwarring bestaat omtrent de status van de toetsingskaders. Over deze vraag bestaat nog geen Nederlandse jurisprudentie.
Als gezegd hebben GS van Noord-Brabant als beheersautoriteit van op-Zuid ervoor gekozen het Toetsingskader OP-Zuid te vervangen door de Subsidieregeling Operationeel Programma. Hierin zijn onder meer de criteria te vinden voor de selectie van de te subsidiëren projecten. Hiervoor is reeds aangegeven dat dit niet in overeenstemming lijkt met de Verordening nr. 1083/2006. Voormelde subsidieregeling bevat niet alleen allerlei selectiecriteria, maar ook allerlei (subsidie)verplichtingen die zijn gericht tot de subsidieaanvrager en ontvanger. Gelet hierop, is het belangrijk te onderzoeken of de Subsidieregeling Operationeel Programma als algemeen verbindend voorschrift kan worden gekwalificeerd. Als gezegd kan een beleidsregel geen verplichtingen voor burgers bevatten. Naar Europees recht hebben GS niet de bevoegdheid om de Subsidieregeling Operationeel Programma vast te stellen. Wil sprake kunnen zijn van een algemeen verbindend voorschrift, dan dient dus een grondslag in het Nederlandse recht te bestaan. Deze bevoegdheid is voor GS als beheersautoriteit van Op-Zuid niet terug te vinden in het Besluit EFRO.29 Op grond van artikel 143, eerste lid, van de Provinciewet zijn PS wel bevoegd om in autonomie een provinciale verordening vast te stellen. Deze bevoegdheid lijkt met het Besluit EFRO niet te zijn vervallen, zolang de provinciale verordening niet daarmee in strijd is.30 GS hebben deze bevoegdheid echter niet, tenzij die bevoegdheid door PS aan GS is gedelegeerd. Daarvan is mij niets gebleken. Indien GS niet de bevoegdheid hebben om de Subsidieregeling Operationeel Programma vast te stellen, kan deze regeling niet meer dan als een beleidsregel worden aangemerkt. Zoals hiervoor aangegeven, kan dit tot problemen leiden met betrekking tot daarin opgenomen verplichtingen die niet als subsidieverplichtingen in de zin van artikel 4:37 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Dergelijke verplichtingen voor de eindontvanger horen thuis in een algemeen verbindend voorschrift.
In paragraaf 6.3.3.6 is voorgesteld om in de Wet inzake Europese subsidies de volgende bepaling op te nemen:
Onze minister die het aangaat stelt regels vast over de Europese subsidies ten aanzien waarvan aan de lidstaat Nederland uitvoeringstaken zijn toebedeeld. Voor zover de Europese subsidie op indirecte wijze ten laste komt van de Eu-begroting, hebben deze regels in ieder geval betrekking op de bevoegdheid tot verstrekking van de Europese subsidies en de activiteiten waarvoor de Europese subsidies kunnen worden verstrekt.
Deze bepaling maakt het ook mogelijk dat de minister in een lagere regeling neerlegt dat instanties die op grond van de Europese subsidieregelgeving moeten worden opgericht, bevoegd zijn om regels te stellen. Indien de Europese subsidieregelgeving vereist dat algemeen verbindende voorschriften worden vastgesteld, dan wel dit op grond van het Nederlandse recht noodzakelijk is, is dat met voormelde bepaling niet langer problematisch.