Mario Tenore, ‘Timing Issues in the Application of Tax Treaties’, in: Haslehner/Kofler/Rust (eds.), Time and Tax: Issues in International, EU, and Constitutional Earn, § 4.02.B.2.
HR, 21-04-2023, nr. 21/05170
ECLI:NL:HR:2023:648
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-04-2023
- Zaaknummer
21/05170
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑04‑2023
ECLI:NL:HR:2023:648, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑04‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:733
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:2366
ECLI:NL:PHR:2022:733, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑08‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:648
- Vindplaatsen
V-N 2023/20.7 met annotatie van Redactie
NLF 2023/1029 met annotatie van Carlo Douven
NTFR 2023/714 met annotatie van MR. H.J. NOORDENBOS
BNB 2023/104 met annotatie van O.C.R. MARRES
Viditax (FutD) 2023042104
FutD 2023-1033
NTFR 2022/3370 met annotatie van MR. H.J. NOORDENBOS
NLF 2022/1884 met annotatie van Andy Cools
V-N 2022/46.9 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2022090203
FutD 2022-2414
Beroepschrift 21‑04‑2023
Uit het beroepschrift in cassatie van belanghebbende:
Betreft: | Beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 3 november 2021 met kenmerk BK-20/00768. |
Edelhoogachtbaar College,
Namens belanghebbende, [X] met BSN […], hebben wij beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 3 november 2021 met kenmerk BK-20/00768, inzake het verzoek tot vermindering van de ingehouden loonheffing van EUR 861.067.
U heeft ons een nadere termijn gesteld voor de motivering van het beroep in cassatie, alsmede ons verzocht een machtiging toe te sturen voor het instellen van het beroep in cassatie. Deze treft
u aan als bijlage bij deze brief. Ter motivering van het beroep in cassatie merken wij het volgende op.
1. Korte samenvatting
Belanghebbende is van 1 oktober 2005 t/m 30 september 2010 werkzaam geweest bij de [B] Groep, waarvan het hoofdkantoor ten tijde van zijn werkzaamheden was gevestigd in Nederland. Van 27 oktober 2005 t/m 29 juni 2010 was eiser formeel bestuurder van de topholding [C] Holdings B.V. en daarnaast formeel bestuurder van drie tot het [B]-concern behorende buitenlandse entiteiten, in Singapore, Spanje en Zwitserland. Binnen het zogenoemde Concern Model (Anglo-Saksische Model), waarbij de topbestuurders feitelijk ook bestuurder waren van alle dochterondernemingen, functioneerde belanghebbende als feitelijk bestuurder van alle overige dochterondernemingen.
Voor zijn bestuurderswerkzaamheden heeft belanghebbende voordejaren 2009 en 2010, naast salaris, een bonus ontvangen ter grootte van 5% van het netto resultaat van het [H] Segment (hierna: de [H]-bonus). Daarnaast had belanghebbende voor deze jaren ook recht op een bonus welke aan hem diende te worden betaald in het geval van een positief resultaat bij de Zuid-Amerikaanse handelsactiviteiten van de [B] Group, het [K] Segment, zijnde 3% van het netto resultaat van [K] (hierna: de [K]-bonus).
In de aangifte IB 2008 en 2009 is op het salaris van belanghebbende inclusief de [H]-bonus ten dele voorkoming van dubbele belasting toegepast conform de met de werkgever overeengekomen salary split. Over de [K]-bonus is er een geschil geweest met de [B] Group, omdat de [B] Group na het vertrek van belanghebbende van mening was dat belanghebbende geen recht had op deze bonus. Uiteindelijk heeft belanghebbende de uitbetaling van deze bonus geëist bij [A] B.V. en heeft de Rechtbank Rotterdam bij vonnis van 1 juni 2016 zijn claim toegewezen.
De [B] Group heeft op 25 september 2017 de achterstallige [K]-bonus over 2009 en 2010 van in totaal € 1.655.898,34 uitbetaald aan belanghebbende, met inhouding van € 861.067,13 aan toonheffing en sociale premies. Hiervoor is op 16 oktober 2017 een loonstrook afgegeven. In geschil is of de ingehouden toonheffing van EUR 861.067 terecht is geheven.
Voor de beantwoording van de vraag of ten laste van belanghebbende terecht toonheffing is ingehouden, dient een aantal rechtsvragen te worden beantwoord. Eén van die rechtsvragen heeft betrekking op de overgangsproblematiek bij de opeenvolging van belastingverdragen (i.c. Nederland-Zwitserland 1951/2010). Het betreft hier specifieke problematiek waarbij geen passende, richtinggevende jurisprudentie van Uw Raad voorhanden is.
2. Cassatiemiddelen
Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen:
2.1. Middel 1
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 7, lid 1, Verdrag Nederland-Zwitserland 1951, art. 16, lid 1, Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 en art. 8:77 Awb, doordat het Hof in r.o. 5.13 van zijn uitspraak heeft geoordeeld dat — kort gezegd — op de in 2017 uitbetaalde bonus het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 en niet het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 dient te worden toegepast, zulks ten onrechte, zoals hierna wordt uiteengezet.
Aan belanghebbende is in het jaar 2017 een nagekomen bate ([K]-bonus) uitbetaald die — naar tussen partijen niet in geschil is — betrekking heeft op het jaar 2009 en 2010 en is te beschouwen als een beloning voorde in die jaren verrichte arbeid. Terwijl belanghebbende in afwachting was van de uitbetaling van die bonus — waarbij hij betaling in een procedure bij de civiele rechter heeft moeten afdwingen — is het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 in werking getreden (het verdrag is van toepassing per 1 januari 2012).
Het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 bepaalt in art. 16, lid 1, dat — kort gezegd — directeursbeloningen en andere vergoedingen ontvangen door leden van de raad van beheer van een lichaam dat inwoner is van Zwitserland, in die hoedanigheid, in Zwitserland mogen worden belast. Dit verdrag voorziet in art. 22, lid 3, ten aanzien van deze beloningen in een voorkoming van dubbele belasting door middel van de verrekeningsmethode, waarbij de in Zwitserland over die beloningen betaalde belasting wordt verrekend met de in Nederland over deze inkomsten verschuldigde belasting. Aangezien door het Hof feitelijk is vastgesteld dat belanghebbende niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat over de bonus in Zwitserland belasting is betaald (zie r.o. 5.10), betekent toepassing van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor voorkoming van dubbele belasting. Het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 kent echter een exclusief heffingsrecht toe aan de bronstaat Zwitserland (zie r.o. 5.11). Toepassing van dit Verdrag betekent dat Nederland in het onderhavige geval niet mag heffen.
De [K]-bonus is een nagekomen bate uit de dienstbetrekking van belanghebbende, welke bate betrekking heeft op de periode vóór de inwerkingtreding van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010. Hoewel naar nationaal recht de bate als gevolg van een vertraagde uitbetaling pas in 2017 bij belanghebbende in de heffing kan worden betrokken omdat deze in dat jaar is genoten als bedoeld in art. 13a, lid 1, Wet LB 1964, gaat het nog steeds om een bate die betrekking heeft op (in) 2010 (verrichte werkzaamheden) en waarover het exclusieve heffingsrecht aan de bronstaat Zwitserland toekomt. Art. 7, lid 1, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 1951 bepaalt immers dat deze bate slechts in Zwitserland belastbaar is.
Dit wordt miskend door het Hof, waardoor de hofuitspraak niet in stand kan blijven.
Voor zover ons bekend, heeft Uw Raad zich niet eerder uitgelaten over deze specifieke problematiek. Het meest dicht in de buurt lijkt te komen HR 25 februari 1976, nr. 17 804, BNB 1976/110. In deze zaak was een betaling aan de orde die door een in Nederland gevestigde NV werd ontvangen nadat het Belastingverdrag Nederland-lndonesië in werking was getreden doch betrekking had op — inmiddels gestaakte — ondernemingsactiviteiten die hadden plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het verdrag. A-G Van Soest concludeerde:
‘Het lijkt mij intussen mogelijk, ook voor wie de zienswijze van de ‘nagekomen baten’ in beginsel wel aanvaardt, te oordelen, dat het Verdrag, dat in 1973 in de tegenwoordige tijd spreekt onder meer over een Nederlandse onderneming die haar bedrijf in Indonesië uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting, niet meer het oog kan hebben op economische verhoudingen die in 1958 zijn verbroken en in 1966 tussen de beide Staten zijn ‘afgedaan’. Wie zo oordeelt, zal op de onderhavige problematiek het Verdrag niet van toepassing achten, zodat zij ook thans nog zou worden beheerst door het Besluit voorkoming dubbele belasting. (…)
Ik meen (…) dat ook bij toepassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting de onderhavige winst in Nederland ‘vrijgesteld’ is.’
Uw Raad overwoog dat de door de NV ontvangen uitkering is ‘aan te merken als toe te rekenen in de zin van artikel 7 van het Verdrag aan de vroegere vaste inrichting van belanghebbende in Indonesië’. Aldus voorkwam Uw Raad dat Indonesië zou worden beroofd van een heffingsrecht dat het had ten tijde van de ondernemingsactiviteiten waarop de uitkering betrekking had. Zoals Tenore heeft uiteengezet, mag een nieuw in werking getreden belastingverdrag hiertoe inderdaad niet leiden.1. Dit redelijke eindresultaat lijkt ons voor Uw Raad voorop te hebben gestaan. Voorts voorkwam Uw Raad met de beslissing dat de belanghebbende door de inwerkingtreding van het Belastingverdrag in een slechtere positie zou komen te verkeren.
De vraag rijst wat rechtens is in de onderhavige zaak. Art. 29, lid 3, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010 bepaalt dat het verdrag uit 1951 van toepassing blijft ‘voor belastingjaren en -tijdvakken die verstrijken vóór het tijdstip waarop de bepalingen van dit Verdrag van toepassing worden’. Deze bepaling biedt geen duidelijkheid, aangezien de [K]-bonus enerzijds betrekking heeft op een belastingjaar dat is verstreken vóór 1 januari 2012 (in dat voorgaande belastingjaar is immers de arbeid verricht die tot de bonus heeft geleid) doch anderzijds nationaalrechtelijk is genoten in een belastingjaar na die datum (doordat de bonus pas is uitbetaald na een door belanghebbende gevoerde civielrechtelijke procedure die enkele jaren heeft geduurd).
Nu meerdere interpretaties van art. 29, lid 3, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010 mogelijk zijn, zou naar de mening van belanghebbende de uitleg moeten prevaleren die het meest recht doet aan de onderhavige zaak. Daarbij moet naar onze mening worden gekeken naar de positie van de verdragsluitende staten en naar de positie van belanghebbende.
Geconstateerd moet worden dat Zwitserland — kort gezegd — de positie van voor Zwitserse vennootschappen werkende directeuren ziet verslechteren als over een bonus die in 2010 is verdiend maar die later wordt uitbetaald, het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010 wordt toegepast in plaats van het voor het belastingjaar 2010 geldende Belastingverdrag Nederland- Zwitserland 1951. Bij toepassing van de verrekeningsmethode kan immers worden bijgeheven door Nederland, terwijl bij toepassing van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 1951 het heffingsrecht enkel aan Zwitserland toekomt. Naar onze mening komt het in strijd met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitleg van het Belastingverdrag Nederland- Zwitserland indien op de [K]bonus die betrekking heeft op de periode vóór de inwerkingtreding van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010 dit verdrag in plaats van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 1951 wordt toegepast.
Een vanuit het perspectief van belanghebbende redelijke oplossing, waarbij het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 1951 toepassing vindt, zou hierbij aansluiten. De bonus is immers nauw verweven met de periode vóór de inwerkingtreding van het Belastingverdrag Nederland- Zwitserland 2010 en heeft slechts een connectie met de periode na de inwerkingtreding van dat verdrag doordat deze bonus pas later is uitbetaald nadat een civielrechtelijke procedure is gevoerd. In het licht van het voorgaande verzoeken wij Uw Raad te oordelen dat in het onderhavige geval, waarbij het gaat om een bonus die nauw verweven is met de periode vóór de inwerkingtreding van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010, het oude belastingverdrag van toepassing is op de [K]-bonus. Dit heeft tot gevolg dat de hofuitspraak moet worden vernietigd omdat deze blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Uw Raad kan zelf de zaak afdoen.
2.2. Middel 2
Schending van het recht, in het bijzonder van het vertrouwensbeginsel en van art. 8:77 Awb, doordat het Hof in r.o. 5.22 heeft geoordeeld dat belanghebbende zich niet met vrucht op gewekt vertrouwen kan beroepen, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
De kern van belanghebbendes betoog voor het Hof was dat nu de inspecteur, na informatie te hebben ingewonnen bij belanghebbende, zich akkoord heeft verklaard met de toepassing van de salary split ten aanzien van het reguliere loon (inclusief destijds ontvangen bonussen) van belanghebbende voor het jaar 2008 en deze salary split vervolgens ook heeft toegepast op het loon (wederom inclusief destijds ontvangen bonussen) van 2009 en 2010, belanghebbende erop mocht vertrouwen dat deze salary split ook van toepassing zou zijn op de tot het loon behorende en in 2017 uitbetaalde [K]-bonussen, nu deze bonussen — zoals belanghebbende voor het Hof heeft gesteld — een nabetaling zijn op het loon van belanghebbende in de jaren 2009 en 2010.2. Voor het Hof heeft belanghebbende in dit kader onweersproken gesteld dat er in de jaren 2008, 2009 en 2010 niets is gewijzigd in de arbeidsrelatie of de werkzaamheden van belanghebbende.
Hoewel het Hof in r.o. 5.22 erkent dat de inspecteur de salary split voor de jaren 2008 tot en met 2010 heeft geaccepteerd nadat door hem bij belanghebbende informatie is ingewonnen, verwerpt het Hof het beroep op het vertrouwensbeginsel. Daarbij is voor het Hof leidend dat belanghebbende pas in 2014 informatie heeft verstrekt over de [K]-bonussen (r.o. 5.22):
‘Informatie over de [K]-bonussen over 2007 en 2008, aan belanghebbende uitbetaald in 2008 respectievelijk 2009, is daarbij niet verstrekt. Uit het door belanghebbende gedane inkeerverzoek blijkt dat deze informatie pas op zijn vroegst in 2014 aan de Inspecteur is bekendgemaakt. De [K]-bonussen over 2009 en 2010 waren op dat moment nog niet uitbetaald. De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2010 zijn dus niet vastgesteld nadat belanghebbende (de fiscale behandeling van) de ontvangen [K]bonussen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld. Van een bewuste standpuntbepaling met betrekking tot de betreffende kwestie door de Inspecteur is dus geen sprake.’
In het licht van de omstandigheid dat de [K]-bonussen over 2009 en 2010 — zoals belanghebbende voor het Hof heeft gesteld — een nabetaling zijn op het door belanghebbende in die jaren genoten loon, is de afwijzing van belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende gemotiveerd. Het Hof stelt een te strenge eis aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het onderhavige geval, te weten dat pas sprake is van gewekt vertrouwen indien de aanslagen IB/ PVV voor de jaren 2008 tot en met 2010 zijn vastgesteld nadat belanghebbende (de fiscale behandeling van) de ontvangen [K]-bonussen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld.
Wij merken op dat de Inspecteur zich op geen enkel moment op het standpunt heeft gesteld dat de [K]-bonussen anders moeten worden behandeld dan de salary split met betrekking tot het (gewone) loon vanwege de omstandigheid dat het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland inmiddels was vervangen door een nieuw verdrag. Die vervanging staat toepassing van het vertrouwensbeginsel mitsdien niet in de weg. Belanghebbende vertrouwde erop dat de Inspecteur zijn duidelijke toezegging ook met betrekking tot de bonus gestand zou doen, mede omdat de vervanging van het belastingverdrag in de visie van belanghebbende juridisch niet relevant is.
's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven.
2.3. Middel 3
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 16 juncto art. 23 van het Verdrag Nederland-Brazilië en van art. 8:77 Awb, doordat het Hof in r.o. 5.5 heeft geoordeeld dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als ‘lid van de raad van beheer’ als bedoeld in art. 16 van dat belastingverdrag, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
Wij hebben in de procedure bij het Hof betoogd dat het begrip ‘lid van de raad van beheer’ als bedoeld in art. 16 van het Verdrag Nederland-Brazilië niet strikt formeel moet worden uitgelegd en dat de volledige [K]-bonus moet worden beschouwd als een nagekomen bestuurdersbeloning als bedoeld in dat artikel. In dat kader hebben wij ons op het standpunt gesteld dat belanghebbende weliswaar niet statutair bestuurder van de Zuid-Amerikaanse entiteiten was, maar dat hij volgens interne corporate governance regels wel verantwoordelijk en aansprakelijk was voor de gang van zaken bij die entiteiten (zie onderdeel 3.1 van het hogerberoepschrift). Wij hebben diverse bewijsstukken op dit punt overgelegd (onder meer notulen van meetings in Buenos Aires en Sao Paulo) en getuigenbewijs aangeboden (onder andere van […] (Chief Legal Officer), […] (Chief Risk Officer) en […] (Director Human Resources)). Tevens hebben wij gewezen op het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 1 juni 2016 waarin bevestigd wordt dat belanghebbende in 2006 commercieel verantwoordelijk is geworden voorde Zuid- Amerikaanse ([K]) handelsactiviteiten. Wij wijzen ook op het in feitelijke instantie overgelegde bewijsstuk (‘Regulations of the board of management of [C] Holdings BV’) dat wij gemakshalve bij deze aanvulling van de gronden hebben opgenomen. In dit document staat op pagina 2 dat de management board bestaat uit twee Managing Directors, te weten [X] (belanghebbende) en [I]. Op pagina 3 staat dat [X] verantwoordelijk is voor [H] en [I] voor [K]. Bovendien staat onder 5 dat ‘the management board does not have a chairman due to the fact that […] is a holding company whose Managing Directors' principal activity is contained in their executive positions as General Managers of [D] and [J] respectively.’ Dit is een duidelijke aanwijzing dat de autoriteit verder strekte dan de enkele aandeelhoudersvertegenwoordiging in het beleid van de dochters in Zuid-Amerika. Samen managen zij business opportunities die betrekking hebben op beide segmenten en samen managen zij de groepsstrategie, planning en ontwikkelingskansen. Op pagina 8 is de legal structure vermeld. Hieruit volgt dat [X] (belanghebbende) op alle levels in de management board zit, dus ook op management level in [J] ([J] S.A. of Argentina). Ook is vermeld dat beide managing directors in de management board zitten van zowel [D] als [J] om hen direct leiding te kunnen laten geven in beide segmenten. Ook kan […] als aandeelhouder invloed uitoefenen op deelnemingen en instructies meegeven. Het Hof heeft de door ons bepleite meer materiële invulling van het begrip ‘lid van de raad van beheer’ afgewezen. Bij gebrek aan een definitie van het begrip ‘lid van de raad van beheer’ in het Verdrag Nederland-Brazilië heeft het Hof voor de uitleg van dit begrip aansluiting gezocht bij het Nederlandse nationaalrechtelijke bestuurdersbegrip. Daarbij heeft het Hof zich gebaseerd op HR 22 december 1999, nr. 35024, BNB 2000/94, waarin Uw Raad een uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘bestuurder’ in de Wet LB 1964:
‘Voor de toepassing van artikel 2, lid 3, letter c, [Wet LB 1964] moet als bestuurder van een in Nederland gevestigd lichaam worden aangemerkt degene die, al of niet tezamen met anderen, deel uitmaakt van het orgaan dat volgens het op dat lichaam toepasselijke recht en de daarvoor geldende statuten is belast met het besturen van de vennootschap. De enkele omstandigheid dat iemand bevoegd is het lichaam te vertegenwoordigen is daarvoor, ook indien die bevoegdheid voortvloeit uit een bepaling in de statuten, onvoldoende, aangezien in voorkomende gevallen ook vertegenwoordigingsbevoegdheid kan zijn toegekend aan anderen dan bestuurders of juist een bestuurder daarvan kan zijn uitgesloten.’
Naar onze mening pasteen zuiver formele invulling van het begrip ‘bestuurder’, zoals aan de orde was in BNB 2000/94 en waarbij enkel van belang is of iemand (formeel) deel uitmaakt van het orgaan dat volgens het toepasselijke recht en de geldende statuten is belast met het besturen van de vennootschap, niet meer in deze tijd. Wij pleiten daarom voor een meer materiële invulling, waarbij ook iemand die volgens de interne corporate governance regels als bestuurder van een vennootschap is aan te merken, kan worden aangemerkt als ‘lid van de raad van beheer’ als bedoeld in art. 16 van het Verdrag Nederland-Brazilië. Deze (iets) meer materiële benadering sluit volledig aan bij de hierna in kaart gebrachte ontwikkelingen in de sfeer van de vennootschapsbelasting en in het Nederlandse verdragsbeleid.
Art. 17a, onder d, Wet VPB 1969 bepaalt dat tot een Nederlandse onderneming worden gerekend ‘werkzaamheden die worden verricht als bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alsmede leidende werkzaamheden en functies die worden verricht voor een zodanig lichaam, ook indien de bevoegdheid is beperkt tot buiten Nederland gelegen gedeelten van de onderneming van dat lichaam’. Bij de totstandkoming van deze bepaling is opgemerkt ( Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 3, p. 14 en 15):
‘7.2. Buitenlandse belastingplicht bestuurdersbeloningen
In het buitenland gevestigde lichamen zijn in Nederland belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting ter zake van onder meer de werkzaamheden die worden verricht als bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam. In dit kader wordt het begrip bestuurder over het algemeen formeel uitgelegd. Dit betekent dat een in het buitenland gevestigd lichaam thans alleen ter zake van de beloning voor werkzaamheden verricht als bestuurder van een in Nederland gevestigd lichaam in de Nederlandse belastingheffing kan worden betrokken voor zover het als statutaire bestuurder kwalificeert. Inmiddels is gebleken dat hierop in de praktijk wordt ingespeeld, met name in relatie tot België. In toenemende mate worden door in dat land gevestigde vennootschappen, veelal zogenoemde Belgische management-BVBA's (besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid), bestuurswerkzaamheden en managementdiensten verricht voor in Nederland gevestigde vennootschappen zonder dat sprake is van formeel bestuurderschap. De managementvergoeding is hierbij veelal veel hoger dan de vergoeding voor de (resterende) werkzaamheden van de formele bestuurder (waarover Nederland wel kan heffen). Daarom wordt voorgesteld om de buitenlandse vennootschapsbelastingplicht met betrekking tot bestuurdersbeloningen uit te breiden. Met de wijziging wordt de mogelijkheid gecreëerd om behalve de beloning voor het formele bestuurderschap, ook de beloning voor de door een in het buitenland gevestigd lichaam verrichte materiële bestuurswerkzaamheden of managementdiensten voor een in Nederland gevestigd lichaam in de Nederlandse heffing van vennootschapsbelasting te betrekken. De genoemde uitbreiding heeft in verdragssituaties uiteraard alleen effect in relatie tot landen waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat de heffingsbevoegdheid over vergoedingen voor dergelijke materiële bestuurswerkzaamheden toewijst aan de staat waarin het lichaam waarvoor de werkzaamheden worden verricht is gevestigd (in casu Nederland). De verruiming heeft dan ook met name betekenis in de relatie met België, aangezien in het belastingverdrag met België een specifieke bestuurdersbepaling met een ruime reikwijdte is opgenomen. Met de voorgestelde uitbreiding wordt aldus invulling gegeven aan de heffingsbevoegdheid die aan Nederland wordt verleend ingevolge het belastingverdrag met België. Daarnaast heeft de voorgestelde uitbreiding uiteraard betekenis in niet-verdragssituaties.’
De Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht merkt op dat het Nederlands verdragsbeleid tegenwoordig uitgaat van een materiële benadering van het begrip ‘bestuurder’ in de belastingverdragen (aant. 2.2.2 bij art. 16 OESO-modelverdrag 1992):
‘In de meer recente verdragen hanteert Nederland als definitie van de begrippen ‘bestuurders’ en ‘commissarissen’: ‘personen die zijn belast met de algemene leiding van het lichaam, en personen die zijn belast met het toezicht daarop’. Niet langer geldt als vereiste het formele criterium van benoeming door de algemene vergadering van aandeelhouders. Door het ontbreken van deze toevoeging geldt een meer materiële benadering van het begrip ‘bestuurder’. Onder de definitie van ‘bestuurder’ valt hierdoor ook de bestuurder van een Nederlandse commerciële stichting, die door de oprichter van die stichting of door een subsidiërende instelling werd benoemd. Deze aanpassing van het Nederlandse verdragsbeleid is verwezenlijkt in de verdragen met Zwitserland (2010) en Duitsland (2012).’
In het kader van de behandeling van het Belastingplan 2013 is met betrekking tot het verdrag met België opgemerkt (Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 7, p. 23):
‘Gelet op het huidige Nederlandse verdragsbeleid, dat zijn concrete weerslag ook heeft in de redactie van de desbetreffende verdragsbepaling, is het niet nodig om in andere nog te sluiten belastingverdragen eenzelfde, specifieke bestuurdersbepaling als in het verdrag met België op te nemen. De bestuurdersbepaling conform dat verdragsbeleid ziet ook op personen die formeel niet als bestuurder zijn benoemd door een bevoegd orgaan maar feitelijk wel als bestuurder kunnen worden aangemerkt. Ook zij vallen onder de reikwijdte van de bepaling.’
Zie hierover uitgebreider A.S. Cools, Bestuurders- en commissarisbeloningen onder belastingverdragen, Maklu Antwerpen-Apeldoorn 2016 (de relevante pagina's zijn toegevoegd aan het hofdossier).
Met betrekking tot het Verdrag Nederland-Duitsland is in het parlement inzake de materiële invulling van het begrip ‘bestuurder’ opgemerkt ( Kamerstukken II 2012/13, 33 615, nr. 3, p. 25):
‘De bestuurdersbepaling van artikel 15 ziet, conform het Nederlandse verdragsbeleid, ook op personen die formeel niet als bestuurder zijn benoemd door een bevoegd orgaan, maar feitelijk wel als bestuurder kunnen worden aangemerkt. Ook zij vallen onder de reikwijdte van de bepaling.’
Ten slotte wijzen wij op hetgeen is opgemerkt met betrekking tot het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 (Kamerstukken II 2010/11, 32 536, nr. 3, p. 19):
‘In het vijfde lid is de voor Nederland al geruime tijd gebruikelijke toelichting op de begrippen ‘bestuurder’ en ‘commissaris’ opgenomen. De voorheen gebruikte definitie van bestuurder en commissaris ging ook nog uit van het formele criterium van benoeming door de algemene vergadering van aandeelhouders of enig ander bevoegd orgaan van een lichaam, maar regelde niet alle gevallen van benoeming. Zo viel niet onder die definitie de bestuurder van een Nederlandse commerciële stichting, die door de oprichter van die stichting of door een subsidiërende instelling werd benoemd. Daarom werd de definitie aangepast.’
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de formele uitleg die het Hof aan het begrip ‘lid van de raad van beheer’ als bedoeld in art. 16 van het Verdrag Nederland-Brazilië heeft gegeven, als achterhaald moet worden beschouwd. Aangezien het Hof de door ons bepleite (iets) meer materiële invulling van het begrip ‘lid van de raad van beheer’ ten onrechte heeft afgewezen, dient 's Hofs uitspraak te worden vernietigd. De uit het hofdossier blijkende feiten en omstandigheden laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende — bij een (iets) meer materiële uitleg — moet worden aangemerkt als ‘lid van de raad van beheer’ als bedoeld in art. 16 van het Verdrag Nederland-Brazilië.
2.4. Middel 4
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 16 van het Verdrag Nederland-Singapore, art. 17 van het Verdrag Nederland-Spanje, art. 16 van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 en van art. 8:77 Awb, doordat het Hof in r.o. 5.19 heeft geoordeeld dat onvoldoende direct verband bestaat tussen de [K]-bonus en de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de door het Hof genoemde vennootschappen, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
In r.o. 5.19 ontleent het Hof het rechtskader voor zijn oordeel aan de jurisprudentie van Uw Raad op het terrein van ontslagvergoedingen. In dat kader wordt onder meer verwezen naar HR 11 juni 2004, nr. 37714, BNB 2004/344. Het Hof wijst toepassing van de salary split vervolgens af vanwege het ontbreken van — kort gezegd — een voldoende direct verband tussen de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de buitenlandse vennootschappen en vergoedingen die deze buitenlandse vennootschappen betalen aan de ‘loonbetalende’ vennootschap. Daarbij heeft het Hof van belanghebbende verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de [K]-bonus aan de door het Hof genoemde vennootschappen is doorbelast. Op twee gronden achten wij toepassing van dit criterium van feitelijke doorbelasting in de onderhavige zaak onjuist. In de eerste plaats gaat het in het onderhavige geval niet om een beloning die vergelijkbaar is met een ontslagvergoeding. Voor een ontslagvergoeding is kenmerkend dat deze (slechts) in algemene zin verband houdt met de uitoefening van de dienstbetrekking. Voor wat betreft de [K]bonus staat vast dat deze ziet op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden die in een directe relatie staan tot de landen waar een beroep gedaan wordt op voorkoming van dubbele belasting en in het verleden ook al doorbelasting heeft plaatsgevonden vanwege deze directe relatie. Er is dus geen grond om de [K]-bonus op dit punt op dezelfde wijze te behandelen als een ontslagvergoeding.
In de tweede plaats is het in een geval als het onderhavige, waarin de verhoudingen tussen belanghebbende en diens voormalige werkgever ernstig zijn verstoord en deze werkgever bovendien is overgenomen dooreen andere onderneming, onjuist om te verlangen dat het hiervóór bedoelde directe verband enkel aannemelijk kan worden gemaakt door de doorbelasting van de [K]-bonus aannemelijk te maken. Dit stelt te zware eisen aan de bewijspositie van belanghebbende.
In het licht van de twee hiervóór vermelde bezwaren kan naar de mening van belanghebbende in een geval als het onderhavige worden volstaan aannemelijk te maken dat de bonus op grond van het ‘arm's length-beginsel’ had moeten worden doorbelast aan de betreffende vennootschappen.
Het Hof heeft aan zijn oordeel dat onvoldoende direct verband bestaat tussen de [K]-bonus en de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de door het Hof genoemde vennootschappen, derhalve een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag gelegd, 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven.
3. Tot slot
Wij concluderen tot vernietiging van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 november 2021 met kenmerk BK-20/00768. Uw Raad kan de zaak zelf afdoen door de inhouding te verminderen tot nihil, dan wel tot EUR 397.813 — zijnde een vermindering van 53,8% — op basis van de toegestane salary split over 2009 en 2010, dan wel tot een nader door Uw Raad te bepalen bedrag. Wij verzoeken u de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de proceskosten, alsmede tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de bezwaar- en beroepsprocedures heeft gemaakt
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 21‑04‑2023
Zie onderdeel 3.4 van het beroepschrift in hoger beroep.
Uitspraak 21‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Uitleg bestuurdersbegrip uit art. 16 belastingverdrag Nederland-Brazilië. Toepassing overgangsrecht art. 29, lid 3, belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010? Toerekening nabetaalde bonussen aan diverse bestuurswerkzaamheden op basis van vroegere salary-split? Voorkoming van dubbele belasting volgens verrekeningsmethode.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05170
Datum 21 april 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 november 2021, nr. BK-20/007681., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/2591) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffing.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door T. Ostermann, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Op 2 augustus 2022 heeft Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende woonde in 2017 in Nederland. Hij was van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2010 werkzaam bij het [B]-concern (hierna: het concern).
2.2
Belanghebbende was statutair bestuurder van de tot het concern behorende houdstermaatschappij [C] Holdings B.V. (hierna: de Holding), haar dochtermaatschappij [D] B.V. (hierna: de B.V.) en van groepsvennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland. Belanghebbende was tevens werkzaam als (i) voorzitter van de raad van bestuur van de B.V., (ii) CEO van [H] van het concern, en (iii) ‘co-managing director’ van de Holding.
2.3
[H] hield zich bezig met handelsactiviteiten in Europa en Azië. In [K] waren handelsactiviteiten in Zuid-Amerika ondergebracht. De onder [K] vallende activiteiten werden uitgevoerd door in Argentinië en Brazilië gevestigde vennootschappen die vallen onder [M] Holdings S.A. in Zwitserland (ook een dochtermaatschappij van de Holding).
2.4
Tot 1 mei 2008 verrichtte belanghebbende werkzaamheden op grond van een managementovereenkomst. Vanaf die datum verrichtte hij zijn werkzaamheden op grond van een arbeidsovereenkomst met de B.V. Belanghebbende is als bestuurder van de Holding aanwezig geweest bij vergaderingen van de raad van commissarissen van de Holding in Argentinië in september 2009, en in Brazilië in maart 2010. Belanghebbende is voorts in maart 2007, juli 2007, juli 2008 en mei 2010 in Argentinië geweest. Verder nam belanghebbende als voorzitter wekelijks via videoconferentie deel aan vergaderingen met het senior management van het commerciële team en het risk team van [K].
2.5
Op grond van zijn arbeidsovereenkomst had belanghebbende recht op een prestatiegerelateerde bonus in verband met de [H]-activiteiten (hierna: de [H]-bonus). Daarnaast was aan belanghebbende mondeling een bonus toegezegd in verband met de [K]-activiteiten (hierna: de [K]-bonus). De hoogte van de [K]-bonus was gebaseerd op een percentage van het nettoresultaat van de business units Argentine [...] en Brasil [...]. De [K]-bonussen over 2009 en 2010 zijn op 25 september 2017 aan belanghebbende uitbetaald onder inhouding van loonheffing door [A] B.V., de vennootschap waarin de Holding en de B.V. op 18 juli 2012 door een fusie zijn opgegaan.
2.6
De volledige arbeidsbeloning van belanghebbende werd betaald door de B.V., zijn werkgever. Het loon dat belanghebbende tijdens zijn dienstbetrekking heeft ontvangen, had deels betrekking op werkzaamheden die zijn verricht voor de in 2.2 genoemde groepsvennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland. Het totale arbeidsloon van belanghebbende is daarom uitgesplitst over de landen Nederland, Singapore, Spanje en Zwitserland (hierna: de salary-split). De Holding heeft de kosten van de beloning, inclusief aan belanghebbende uitgekeerde [H]-bonussen over de boekjaren 2008 en 2009, doorbelast aan de desbetreffende vennootschappen voor zover deze betrekking hadden op werkzaamheden die zijn verricht voor die vennootschappen. De B.V. heeft aan de hand van de salary-split loonheffing ingehouden.
2.7
Belanghebbende heeft in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2008 tot en met 2010 aan de hand van de salary-split een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegepast. Deze aftrek is verleend in de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
3. Procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of [A] B.V. tot een juist bedrag loonheffing heeft ingehouden op de [K]-bonussen over 2009 en 2010. Het geschil spitste zich onder meer toe op de volgende vragen:
(i) Zijn de [K]-bonussen aan te merken als beloning voor werkzaamheden van belanghebbende als bestuurder van de vennootschappen in Argentinië en Brazilië, dan wel Zwitserland?
(ii) Kunnen deze bonussen (deels) worden toegerekend aan bestuurderswerkzaamheden in Singapore, Spanje en Zwitserland op grond van de salary split?
(iii) Kunnen deze (deels) worden aangemerkt als een beloning voor werkzaamheden als bestuurder van de vennootschap in Brazilië?
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat bij de uitleg van de begrippen ‘bestuurder’ uit artikel 17 van het Belastingverdrag Nederland-Argentinië van 27 december 1996 (hierna: het Verdrag Nederland-Argentinië) en ‘lid van de raad van beheer’ uit artikel 16 van het Belastingverdrag Nederland-Brazilië van 8 maart 1990 (hierna: het Verdrag Nederland-Brazilië) in beginsel moet worden aangesloten bij het Nederlandse nationaalrechtelijke bestuurdersbegrip, dat blijkens het arrest van 22 december 19993.formeel (statutair) moet worden opgevat. Omdat belanghebbende in 2009 en 2010 niet als statutair bestuurder van de vennootschappen in Argentinië en Brazilië was benoemd, valt hij niet onder de reikwijdte van eerdergenoemde verdragsbepalingen. Daarmee bieden die verdragen volgens het Hof in dit geval geen grond voor het verlenen van voorkoming van dubbele belasting.
3.3
Naar het oordeel van het Hof faalt ook de stelling dat sprake is van een nagekomen bestuurdersbate waarvoor belanghebbende recht heeft op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van artikel 16 in verbinding met artikel 22 van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland van 26 februari 2010 (hierna: het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010). Hoewel vaststaat dat belanghebbende statutair bestuurder was van de groepsvennootschap in Zwitserland, heeft belanghebbende volgens het Hof niets aangevoerd waaruit blijkt dat over de [K]-bonussen in Zwitserland belasting is betaald. Om die reden kan geen verrekening plaatsvinden op grond van artikel 22 van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010, aldus het Hof.
3.4
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing is, en niet - zoals door belanghebbende betoogd - het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland van 12 november 1951 (hierna: het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951). Daartoe heeft het Hof overwogen dat de [K]-bonussen over 2009 en 2010 in 2017 zijn uitbetaald en dus in dat jaar zijn genoten in de zin van artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964), zodat het met ingang van 1 januari 2012 in werking getreden Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing is.
3.5
De stelling van belanghebbende dat de [K]-bonussen als nagekomen onderdeel van de reguliere arbeidsbeloning dienen te worden behandeld op grond van de salary-split, heeft het Hof verworpen onder verwijzing naar onder meer de arresten van 15 juli 19974.en 11 juni 20045.. Er bestaat onvoldoende direct verband tussen de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de vennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland, en de [K]-bonussen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van de [K]-bonussen zijn doorbelast, of anderszins ten laste zijn gekomen van de desbetreffende vennootschappen. Anders dan belanghebbende betoogt, is van een voldoende direct verband geen sprake indien de beloning op grond van het at-arm’s-length-beginsel had moeten worden doorbelast, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
4.1.1
Het eerste middel richt zich met een rechtsklacht tegen het in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de [K]-bonussen nagekomen baten zijn, die betrekking hebben op werkzaamheden die zijn verricht vóór de inwerkingtreding van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010. Volgens het middel dient daarom het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 te worden toegepast. Daaraan doet niet af dat uit artikel 13a van de Wet LB 1964 volgt dat de [K]-bonussen in 2017 tot het loon moeten worden gerekend, aldus het middel.
4.1.2
Het middel faalt. Uit artikel 29, lid 3, van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 volgt dat de bepalingen van het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 vanaf 1 januari 2012 niet langer van toepassing zijn, behoudens voor belastingjaren en belastingtijdvakken die zijn verstreken vóór het tijdstip waarop het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing werd. Naar Nederlands recht zijn de [K]-bonussen niet eerder dan in 2017 genoten. Daardoor is pas in het kader van de belastingheffing over dat jaar de vraag gerezen of, en zo ja hoe, dubbele belastingheffing voorkomen moet worden. Voor de regels ter voorkoming van dubbele belastingheffing over het belastingjaar 2017 zijn blijkens het hiervoor genoemde artikel 29, lid 3, de bepalingen uit het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 niet van toepassing. Het Hof heeft daarom terecht geoordeeld dat het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing is.
4.2.1
Het derde middel bestrijdt het in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof, voor zover inhoudende dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als ‘lid van de raad van beheer’ als bedoeld in artikel 16 van het Verdrag Nederland-Brazilië. Het middel betoogt dat het begrip ‘lid van de raad van beheer’ niet langer formeel, maar materieel moet worden uitgelegd. De formele benadering, waarvan de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 1999 heeft beslist dat deze van toepassing is, moet volgens het middel worden verlaten, gelet op onder meer de parlementaire behandeling van het bestuurdersartikel uit het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010.6.
4.2.2
Artikel 16 van het Verdrag Nederland-Brazilië is van toepassing op betalingen die zijn verkregen in de hoedanigheid van lid van de raad van beheer van een lichaam. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat een formele aanstelling of benoeming tot lid van de raad van beheer is vereist. In die situatie moet met toepassing van de in het arrest van 22 december 1999 gegeven maatstaf worden beoordeeld of belanghebbende op deze verdragsbepaling een beroep kan doen. Aan de tekst en parlementaire behandeling van andere belastingverdragen komt in dit verband, anders dan het middel bepleit, geen betekenis toe. Het middel faalt.
4.3.1
Het vierde middel komt op tegen het hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel van het Hof dat onvoldoende direct verband bestaat tussen de [K]-bonussen en de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de groepsvennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland. Het door het Hof gehanteerde criterium dat daarvoor aannemelijk dient te zijn dat de bonussen zijn doorbelast aan, of anderszins ten laste zijn gekomen van deze vennootschappen, is onjuist aldus het middel. Het voert daartoe aan dat dit criterium is ontleend aan jurisprudentie omtrent ontslagvergoedingen, terwijl het in dit geval bonussen betreft. Het middel voert verder aan dat de verhouding tussen belanghebbende en zijn werkgever ernstig was verstoord, waardoor van belanghebbende niet kon worden verlangd dat hij aannemelijk maakte dat de bonus werd doorbelast. Gelet op deze omstandigheden mocht belanghebbende daarom volstaan met het aannemelijk maken dat doorbelasting aan de vennootschappen had moeten plaatsvinden op grond van het at-arm’s-length-beginsel, aldus het middel.
4.3.2
Het middel faalt. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat belanghebbende aannemelijk diende te maken dat een voldoende direct verband bestond tussen de [K]-bonussen en de ten behoeve van Singaporese, Spaanse en Zwitserse vennootschappen verrichte werkzaamheden. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende daarin niet is geslaagd, met name omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de [K]-bonussen zijn doorbelast aan deze vennootschappen noch anderszins ten laste zijn gekomen aan die vennootschappen, berust op een aan het Hof voorbehouden waardering van bewijsmiddelen.
4.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑04‑2023
HR 22 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3938.
HR 15 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2214.
HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7812.
Kamerstukken II 2010/11, 32 536, nr. 3, blz. 19.
Conclusie 02‑08‑2022
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of terecht loonheffing is ingehouden op bonussen die zijn betaald aan een binnen een internationaal concern werkzame bestuurder met een dubbele hoedanigheid. Belanghebbende was van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2010 werkzaam bij een internationaal concern. Hij was onder meer statutair bestuurder van de Nederlandse holding, haar Nederlandse dochtermaatschappij en haar kleindochtervennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland. Daarnaast was belanghebbende ‘co-managing director’ van de Nederlandse holding. De andere co-managing director was CEO van [K], dat bestaat uit de concernactiviteiten in Argentinië en Brazilië. Belanghebbende is als bestuurder van de holding aanwezig geweest bij vergaderingen van de Raad van Commissarissen (RVC) van de holding in Argentinië op 22 en 23 september 2009 en in Brazilië op 18 en 19 maart 2010. Belanghebbende is voorts in maart 2007, juli 2007, juli 2008 en mei 2010 in Argentinië aanwezig geweest. Verder nam belanghebbende (als voorzitter) wekelijks via videoconferentie deel aan vergaderingen van [K]. De volledige arbeidsbeloning van belanghebbende werd door de Nederlandse dochtermaatschappij betaald. Omdat een deel van dit loon betrekking had op de groepsvennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland, is de totale arbeidsbeloning van belanghebbende uitgesplitst (de salary split). Aan belanghebbende is verder mondeling een bonus toegezegd in verband met de [K]-activiteiten (de [K]-bonus). De [K]-bonussen over 2009 en 2010 zijn in 2017 onder inhouding van loonheffing aan belanghebbende uitbetaald. Belanghebbende was op dat moment inwoner van Nederland. Voor de Rechtbank en het Hof was in geschil of deze inhouding op de [K]-bonussen terecht is. Nu belanghebbende in de jaren waarop de bonussen zien niet als statutair bestuurder was benoemd, voldoet hij niet aan het criterium om als bestuurder te worden aangemerkt. Daarmee komt belanghebbende volgens het Hof niet in aanmerking voor voorkoming van dubbele belasting. Ook belanghebbendes stelling dat sprake is van een nagekomen bestuurdersbate waarvoor hij recht heeft op een aftrek ter vermindering van dubbele belasting op grond van het Verdrag Nederland-Zwitserland faalt naar het oordeel van het Hof. Hoewel vaststaat dat belanghebbende statutair bestuurder was van de Zwitserse vennootschap, geldt dat belanghebbende volgens het Hof niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat over de [K]-bonussen in Zwitserland belasting is betaald. Volgens het Hof bestaat er verder onvoldoende direct verband tussen de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de vennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland en de [K]-bonussen. Belanghebbende heeft volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de [K]-bonussen zijn doorbelast aan, of anderszins ten laste zijn gekomen van de betreffende vennootschappen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tot slot niet gerechtvaardigd erop kunnen vertrouwen dat ten aanzien van een gedeelte van de [K]-bonussen vrijstelling zou worden verleend, dan wel dat voorkoming zou worden verleend conform de door de Inspecteur geaccepteerde salary split. Belanghebbende komt met vier middelen op tegen dit oordeel van het Hof. Het eerste middel betoogt dat de bonussen moeten worden beschouwd als nagekomen (bestuurders)baten die betrekking hebben op de jaren 2009 en 2010, zodat het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 moet worden toegepast in plaats van het Verdrag uit 2010. Op basis van de tekst van art. 16 Verdrag Nederland-Zwitserland 2010, de geldende jurisprudentie en literatuur, ligt het volgens de A-G voor de hand om in geval van opvolgende verdragen de relevante verdragsbepalingen toe te passen die gelden op het genietingstijdstip. Op grond van art. 13a Wet LB is dit het moment waarop de bonussen worden betaald, namelijk in 2017. De oordelen van het Hof op dit punt getuigen volgens de A-G dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn overigens ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het Hof een te strenge eis heeft gesteld aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Aan de omstandigheid dat het standpunt van belanghebbende bij de aanslagen over voorgaande jaren is gevolgd, kan volgens de A-G niet zonder meer het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de Inspecteur dit standpunt ook in latere jaren zal volgen. De aanslagen IB/PVV zijn niet vastgesteld nadat belanghebbende de [K]-bonussen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, zodat van een bewuste standpuntbepaling met betrekking tot de betreffende kwestie door de Inspecteur geen sprake is. Dit middel faalt derhalve. Met het derde middel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het begrip ‘lid van de raad van beheer’ uit art. 16 Verdrag Nederland-Brazilië formeel moet worden uitgelegd. Op grond van art. 3, lid 2, Verdrag dient volgens de A-G voor de uitlegging van het begrip ‘lid van de raad van beheer’ te worden aangesloten bij de betekenis van dit begrip onder de nationale wetgeving. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad leidt de A-G af dat sprake is van een formeel bestuurdersbegrip. Nu belanghebbende in 2009 en 2010 niet als statutair bestuurder was benoemd van de Braziliaanse vennootschap, heeft belanghebbende volgens het Hof geen recht op voorkoming van dubbele belasting. Dit oordeel getuigt naar het oordeel van de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Met het vierde middel betoogt belanghebbende dat het criterium dat het Hof heeft gehanteerd bij beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende direct verband onjuist is. De A-G leidt uit de geldende jurisprudentie en literatuur af dat het ‘door of namens’ criterium, en daarmee de geïndividualiseerde doorbelasting van kosten, in algemene zin ook relevant is bij beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de bestuurdersbeloning en de verrichte werkzaamheden. De oordelen van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bonussen zijn doorbelast en dat gelet daarop onvoldoende direct verband bestaat, getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting, zijn niet onbegrijpelijk en berusten voor het overige op de aan de feitenrechter voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/05170
Datum 2 augustus 2022
Belastingkamer III
Onderwerp/tijdvak Loonbelasting 2017
Nr. Gerechtshof BK-20/00768
Nr. Rechtbank SGR 19/2591
CONCLUSIE
R.E.C.M. Niessen
in de zaak van
[X]
tegen
de Staatssecretaris van Financiën
Belanghebbende is werkzaam geweest als statutair bestuurder en werknemer binnen een internationaal concern. Belanghebbende heeft – naast zijn reguliere beloning – bonussen ontvangen. In geschil is of terecht loonheffing is ingehouden op deze bonussen.
1. Inleiding
1.1
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende) heeft in september 2017 loon genoten van [A] B.V., waarop loonheffingen zijn ingehouden. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze inhouding. Dit bezwaar is door de Inspecteur1.bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.2
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank2.. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.3.
1.3
Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof4.. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.5.
1.4
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens regelmatig beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. De Staatssecretaris6.heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft belanghebbende niet gerepliceerd.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Van de feiten, die het Hof uitvoerig heeft vastgesteld,7.vat ik de voornaamste samen als volgt.
2.2
Belanghebbende woonde in 2017 in Nederland. Belanghebbende was van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2010 werkzaam bij het [B] -concern. Belanghebbende was onder meer statutair bestuurder van [C] Holdings B.V. (hierna: Holdings B.V.), haar dochtermaatschappij [D] B.V.8.en de groepsvennootschappen (haar kleindochtervennootschappen) [E] Ltd. in Singapore, [F] SA in Spanje en [G] SA in Zwitserland.
2.3
Daarnaast was belanghebbende werkzaam als (i) voorzitter van de Raad van Bestuur van [D] B.V., (ii) CEO van [H] , en (iii) ‘co-managing director’ van Holdings B.V., gezamenlijk met [I] . [I] was tevens bestuurder van [J] SA en CEO van [K] . De [K] -activiteiten werden uitgevoerd door [L] Ltda. in Brazilië en [J] SA, die beide werden gehouden door [M] Holdings S.A. in Zwitserland (de andere dochtermaatschappij van Holdings B.V.).
2.4
Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden per 1 mei 2008 op grond van een arbeidsovereenkomst met [D] B.V. Voor die datum verrichtte belanghebbende dezelfde werkzaamheden op grond van een managementovereenkomst.
2.5
Belanghebbende is als bestuurder van Holdings B.V. aanwezig geweest bij vergaderingen van de Raad van Commissarissen (RVC) van Holdings B.V. in Argentinië op 22 en 23 september 2009 en in Brazilië op 18 en 19 maart 2010. Belanghebbende is voorts in maart 2007, juli 2007, juli 2008 en mei 2010 in Argentinië aanwezig geweest. Verder nam belanghebbende (als voorzitter) wekelijks via videoconferentie deel aan vergaderingen met het senior management van het commerciële team en het risk team van de Zuid-Amerikaanse handelsactiviteiten ( [K] ).
2.6
Volgens zijn arbeidsovereenkomst had belanghebbende recht op een prestatie-gerelateerde bonus in verband met de [H] -activiteiten (de [H] -bonus). Aan belanghebbende zijn [H] -bonussen over de boekjaren 2008 en 2009 uitgekeerd. Daarnaast was aan belanghebbende mondeling een bonus toegezegd in verband met de [K] -activiteiten (de [K] -bonus). De [K] -bonussen over 2007 en 2008 zijn in respectievelijk februari 2008 en februari 2009 aan belanghebbende zonder inhouding van loonheffing overgemaakt op een rekening van een vennootschap op de Britse Maagdeneilanden, waarvan belanghebbende alle aandelen bezat.9.De [K] -bonussen over 2009 en 2010 zijn op 25 september 2017 door [B] B.V. onder inhouding van loonheffing aan belanghebbende uitbetaald.
2.7
De volledige arbeidsbeloning van belanghebbende werd door [D] B.V. betaald. Het loon dat belanghebbende tijdens zijn dienstbetrekking heeft ontvangen, had deels betrekking op de in 2.2 genoemde vennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland. De totale arbeidsbeloning van belanghebbende is in verband daarmee uitgesplitst over de landen Nederland, Singapore, Spanje en Zwitserland (de salary split). [D] B.V. heeft op het loon dat betrekking had op de buitenlandse vennootschappen geen loonheffing ingehouden. Voor zover de arbeidsbeloning, inclusief de aan belanghebbende uitgekeerde [H] -bonussen over de jaren 2008 en 2009, betrekking had op die vennootschappen heeft Holdings B.V. deze beloning aan de betreffende vennootschappen doorbelast.
2.8
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2010 op grond van de salary split een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegepast. In de aanslagen IB/PVV is, conform de ingediende aangiften, een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend.
Rechtbank Den Haag
2.9
Voor de Rechtbank was in geschil of terecht loonheffing over de [K] -bonussen over 2009 en 2010 is ingehouden. Meer specifiek was in geschil of de [K] -bonussen zijn aan te merken als een beloning voor de werkzaamheden van belanghebbende als bestuurder van de entiteiten in Argentinië en Brazilië, en zo nee, of de [K] -bonussen aan belanghebbendes bestuurswerkzaamheden van de entiteiten in Singapore, Spanje en Zwitserland kunnen worden toegerekend.
2.10
Nu in art. 17 verdrag Nederland-Argentinië en art. 16 verdrag Nederland-Brazilië geen definitie is opgenomen van het begrip ‘bestuurder’, dient volgens de Rechtbank dit begrip te worden uitgelegd naar nationaal recht. De Rechtbank leidt uit art. 2, lid 3, onderdeel c, Wet LB en HR BNB 2000/9410.af dat voor de toepassing van de belastingverdragen van een formeel (statutair) bestuurdersbegrip dient te worden uitgegaan. Voor de door belanghebbende voorgestane materiële uitleg van het bestuurdersbegrip is naar het oordeel van de Rechtbank dan ook geen plaats.
2.11
Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat hij geen formeel bestuurder was van de entiteiten in Argentinië en Brazilië. Dat brengt volgens de Rechtbank mee dat de bestuurdersartikelen niet van toepassing zijn. Belanghebbende heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de [K] -bonussen dienen te worden toegerekend aan de werkzaamheden voor de entiteiten in Singapore, Spanje en Zwitserland, aldus de Rechtbank. Uit de stukken valt volgens de Rechtbank met betrekking tot de [K] -bonussen geen enkele relatie te leggen met werkzaamheden die belanghebbende voor die entiteiten heeft verricht. Ook anderszins heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de [K] -bonussen op dezelfde wijze in de heffing dienen te worden betrokken als het loon dat ziet op de entiteiten in Singapore, Spanje en Zwitserland, nu dit loon – in tegenstelling tot de [K] -bonussen – in de hoedanigheid als formeel bestuurder is ontvangen.
2.12
Aan de omstandigheid dat de Inspecteur voor de heffing van inkomstenbelasting over het jaar 2008 een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van het loon dat ziet op de entiteiten in Singapore, Spanje en Zwitserland heeft verleend, kan belanghebbende volgens de Rechtbank niet het vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur zich bewust op het standpunt heeft gesteld dat ter zake van de [K] -bonussen eveneens een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt dan ook.
Gerechtshof Den Haag
2.13
Voor het Hof was eveneens in geschil of terecht loonheffing is ingehouden op de [K] -bonussen over 2009 en 2010.
2.14
Volgens het Hof moet bij de uitlegging van de begrippen “bestuurder” uit art. 17 Verdrag Nederland-Argentinië en “lid van de raad van beheer” uit art. 16 Verdrag Nederland-Brazilië worden aangesloten bij het Nederlandse nationaalrechtelijke bestuurdersbegrip, op grond waarvan een formele invulling geldt. Nu belanghebbende in de jaren waarop de bonus ziet niet als statutair bestuurder was benoemd, voldoet hij niet aan het criterium om als bestuurder te worden aangemerkt. Daarmee komt belanghebbende volgens het Hof niet in aanmerking voor voorkoming van dubbele belasting. Nu belanghebbende geen beroep heeft gedaan op enige andere toewijzingsbepaling in de betreffende verdragen, heeft [B] B.V. terecht loonbelasting ingehouden op de [K] -bonussen, aldus het Hof.
2.15
Ook belanghebbendes stelling dat sprake is van een nagekomen bestuurdersbate waarvoor hij recht heeft op een aftrek ter vermindering van dubbele belasting op grond van art. 16 en art. 22 Verdrag Nederland-Zwitserland faalt naar het oordeel van het Hof. Hoewel vaststaat dat belanghebbende statutair bestuurder was van [G] S.A., geldt dat belanghebbende volgens het Hof niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat over de [K] -bonussen in Zwitserland belasting is betaald. Om die reden kan geen verrekening plaatsvinden op grond van art. 22 Verdrag Nederland-Zwitserland 2010, aldus het Hof. [B] B.V. heeft volgens het Hof dan ook terecht loonbelasting ingehouden op de [K] -bonussen. Naar het oordeel van het Hof dient te worden uitgegaan van de voorkomingsbepaling uit het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 en niet uit het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951, nu de [K] -bonussen over 2009 en 2010 pas in 2017 zijn uitbetaald en dus op dat moment zijn genoten in de zin van art. 13a Wet LB.
2.16
Volgens het Hof bestaat er verder onvoldoende direct verband tussen de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de vennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland en de [K] -bonussen. Belanghebbende heeft volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de [K] -bonussen zijn doorbelast aan, of anderszins ten laste zijn gekomen van de betreffende vennootschappen. Anders dan belanghebbende betoogt, is volgens het Hof van een voldoende direct verband geen sprake indien de beloning at arms length wordt doorbelast aan de betreffende vennootschappen. Tot slot faalt ook het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de toerekening van de [K] -bonussen aan de werkzaamheden in Singapore, Spanje en Zwitserland conform de salary split, nu de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2010 niet vastgesteld zijn nadat belanghebbende de ontvangen [K] -bonussen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld.
2.17
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tot slot niet gerechtvaardigd erop kunnen vertrouwen dat ten aanzien van een gedeelte van de [K] -bonussen op grond van het Verdrag Nederland-Brazilië vrijstelling zou worden verleend, dan wel dat voorkoming zou worden verleend conform de door de Inspecteur geaccepteerde salary split. De stukken die ten grondslag liggen aan het accepteren van de salary split bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2010, bevatten volgens het Hof geen informatie over de [K] -bonussen over 2007 en 2008. Uit de stukken blijkt volgens het Hof dat deze informatie pas op zijn vroegst in 2014 aan de Inspecteur bekend is gemaakt. De [K] -bonussen over 2009 en 2010 waren op dat moment nog niet uitbetaald. Ook uit de overige stukken blijkt volgens het Hof niet dat de Inspecteur bewust het standpunt heeft ingenomen dat de [K] -bonussen geheel dan wel gedeeltelijk voor vrijstelling in aanmerking komen.
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende stelt vier cassatiemiddelen voor, die ik samenvat als volgt.
middel 1 – komt op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende met betrekking tot de in 2017 aan hem betaalde [K] -bonussen geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting op grond van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010, en dat het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 in deze situatie niet van toepassing is.
middel 2 – betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende geen beroep toekomt op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de toepassing van de salary split voor een deel van de [K] -bonussen.
middel 3 – bestrijdt als onjuist dan wel niet naar behoren gemotiveerd het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als “lid van de raad van beheer” als bedoeld in art. 16 Verdrag Nederland-Brazilië, zodat belanghebbende niet in aanmerking komt voor voorkoming van dubbele belasting op grond van dit artikel.
middel 4 – komt op tegen het oordeel van het Hof dat onvoldoende direct verband bestaat tussen de [K] -bonussen en de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de groepsentiteiten in Singapore, Spanje en Zwitserland, zodat de [K] -bonussen niet kunnen worden toegerekend aan belanghebbendes bestuurderswerkzaamheden voor die vennootschappen.
3.2
Hierna zet ik eerst het relevante juridische kader uiteen (onderdeel 4), waarna ik de klachten van belanghebbende behandel (onderdeel 5).
4. Belastingheffing over beloningen verkregen in de hoedanigheid van bestuurder
Art. 16 OESO-modelverdrag
4.1
Art. 16 OESO-modelverdrag verdeelt de heffingsbevoegdheid met betrekking tot beloningen verkregen door een inwoner van één van de staten in de hoedanigheid van bestuurder (‘member of the board of directors’) van een vennootschap die is gevestigd in een andere staat. De heffingsbevoegdheid wordt op grond van dit artikel toegewezen aan de staat waar de vennootschap is gevestigd. Art. 16 OESO-modelverdrag luidt, voor zover van belang, als volgt:
Directors' fees and other similar payments derived by a resident of a Contracting State in his capacity as a member of the board of directors of a company which is a resident of the other Contracting State may be taxed in that other State.
4.2
Nu in art. 16 OESO-modelverdrag voor de heffing over bestuurdersbeloningen wordt aangesloten bij de plaats waar de vennootschap is gevestigd, is niet van belang waar de bestuurder zijn werkzaamheden in fysieke zin heeft verricht.11.De achtergrond hiervan is gelegen in de omstandigheid dat de fysieke aanwezigheid in verband met het verrichten van werkzaamheden lastig te bepalen is voor bestuurders.12.
4.3
Aangezien de heffingsbevoegdheid op grond van art. 16 OESO-modelverdrag niet exclusief wordt toegewezen aan de staat waar de vennootschap is gevestigd, mag de woonstaat van de bestuurder de beloning eveneens in de heffingsgrondslag betrekken. De woonstaat dient vervolgens wel een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen op grond van art. 23A (vrijstellingsmethode) dan wel art. 23B OESO-modelverdrag (verrekeningsmethode). Hiermee wordt beoogd om dubbele belasting te voorkomen.
4.4
Nederland hanteert bij het verlenen van voorkoming van dubbele belasting over bestuurdersbeloningen op grond van zijn verdragsbeleid de verrekeningsmethode in plaats van de – voor arbeidsbeloningen gebruikelijke – vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud.13.Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat zich een situatie kan voordoen waarbij de bestuurdersbeloning niet of slechts gedeeltelijk in de belastingheffing wordt betrokken. Onder bepaalde voorwaarden kan echter de vrijstellingsmethode in plaats van de verrekeningsmethode worden toegepast.14.In de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 is echter aangekondigd dat er geen reden meer is om de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud te handhaven. Vanaf 1 januari 2023 zal deze goedkeuring dan ook komen te vervallen.15.
Bestuurdersartikel in de belastingverdragen met Brazilië en Zwitserland
4.5
In de onderhavige zaak gaat het onder meer om de uitlegging van het bestuurdersartikel uit de door Nederland gesloten belastingverdragen met Brazilië16., Spanje17., Singapore18.en Zwitserland19.. In art. 16 Verdrag Nederland-Brazilië wordt – in navolging van het OESO-modelverdrag – het recht tot belastingheffing van beloningen die bestuurders en commissarissen van een onderneming als zodanig genieten toegewezen aan de staat waar de onderneming is gevestigd.20.Ook de tekst van art. 16 Verdrag Nederland-Singapore en art. 17 Nederland-Spanje komt grotendeels overeen met art. 16 OESO-modelverdrag.
4.6
Dit ligt echter anders voor art. 16 Verdrag Nederland-Zwitserland 2010. Hoewel blijkens de memorie van toelichting bij de invoeringswet van het Verdrag met de tekst van het Verdrag zoveel mogelijk is aangesloten bij het OESO-modelverdrag 2008,21.en het OESO-modelverdrag ook uitdrukkelijk als uitgangspunt is genomen bij het sluiten van dit Verdrag,22.is er – vanwege verschillen tussen het Nederlandse en Zwitserse vennootschapsrecht – bewust voor gekozen om bij art. 16 op een aantal punten af te wijken van de tekst van het OESO-modelverdrag.23.
4.7
De tekst van art. 16, lid 1, Verdrag luidt, voor zover van belang, als volgt:
Directeursbeloningen, presentiegelden, vaste beloningen en andere vergoedingen ontvangen door leden van de raad van beheer of van de raad van commissarissen van een lichaam dat inwoner is van Zwitserland, in die hoedanigheid, mogen in Zwitserland worden belast.
4.8
Hierna bespreek ik in meer detail de algemene bepaling van art. 16 OESO-modelverdrag. Voor zover het bepaalde in één van de bestuurdersartikelen uit de verdragen genoemd in onderdeel 4.5 hiervan afwijkt en dit relevant is voor het geschil in de onderhavige zaak, zal ik hier nader op ingaan.
Uitlegging van het begrip ‘member of the board of directors’
4.9
Aangezien het begrip ‘member of the board of directors’ niet nader is gedefinieerd in art. 16 OESO-modelverdrag,24.dient dit begrip op grond van de algemene interpretatiebepaling van art. 3, lid 2, OESO-modelverdrag te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis daarvan onder de nationale wetgeving, tenzij de context anders vereist. Bij gebrek aan een eigen definitie in de Nederlandse belastingwetgeving, moet worden teruggegrepen op de definitie uit het vennootschapsrecht.25.Bij deze definitie kan het gaan om een bestuurder of commissaris in de zin van Boek 2 van het BW.
4.10
Onder het Nederlands vennootschapsrecht geldt een formele uitleg van het begrip ‘bestuurder’. Volgens de Hoge Raad kwalificeert als bestuurder: “degene die, al of niet tezamen met anderen, deel uitmaakt van het orgaan dat volgens het op dat lichaam toepasselijke recht en de daarvoor geldende statuten is belast met het besturen van de vennootschap”.26.Van een bestuurder is geen sprake indien iemand slechts vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit.
4.11
Deze formele benadering van het bestuurdersbegrip wordt ook breder gedeeld:27.
A closely related question is whether a directorship must be formally established in a certain way or whether it suffices that a person in substance acts as a director. In this respect, too, a clear consensus has developed over the years that it is not sufficient if a person merely de facto exercises the functions of a director or has certain legal powers to represent the company externally. Rather, a formal attribution of the position as director to a certain person is required, which must take place on the basis of the civil and company law rules applicable in the residence State of the company concerned, including in particular the statutes of that company. This formal view, which also excludes so-called ‘shadow directors’ from the scope of Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC, can draw on the wording of the Comm. that explicitly refers to ‘organs of companies’ (i.e., no. 3 OECD MC Comm. on Article 16) and is widely shared in legal doctrine. Moreover, this approach has found acceptance by courts in various countries (e.g., the Netherlands, Austria and Belgium) and is also applied by many national tax authorities. Nevertheless, countries are free to include in their bilateral DTCs clauses providing additional clarifications.
Verdrag Nederland – Zwitserland 2010
4.12
In meer recente belastingverdragen – zoals het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 – hanteert Nederland echter een meer materiële benadering van het begrip ‘bestuurder’. Daarbij wordt – op grond van art. 16, lid 5, Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 – onder ‘bestuurder’ verstaan een persoon die is belast met de algemene leiding van het lichaam. Het hierboven besproken vereiste dat de bestuurder formeel benoemd moet zijn door de algemene vergadering geldt voor die verdragen dus niet langer.
4.13
Over de definitie van het begrip ‘bestuurder’ onder het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 is het volgende opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling:28.
In het vijfde lid is de voor Nederland al geruime tijd gebruikelijke toelichting op de begrippen «bestuurder» en «commissaris» opgenomen. De voorheen gebruikte definitie van bestuurder en commissaris ging ook nog uit van het formele criterium van benoeming door de algemene vergadering van aandeelhouders of enig ander bevoegd orgaan van een lichaam, maar regelde niet alle gevallen van benoeming. Zo viel niet onder die definitie de bestuurder van een Nederlandse commerciële stichting, die door de oprichter van die stichting of door een subsidiërende instelling werd benoemd. Daarom werd de definitie aangepast.
4.14
In Klaus Vogel on Double Taxation Conventions is hierover het volgende opgemerkt, ook met betrekking tot het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010:29.
The Netherlands, too, has been struggling with the exact qualification of company managers under different DTCs for many years and has begun to systematically include broader provisions into its bilateral treaties. (…) Moreover, the Netherlands has developed a similar approach in relation to German-speaking countries.30.
Beloningen verkregen in de hoedanigheid van bestuurder
4.15
Art. 16 OESO-modelverdrag ziet slechts op beloningen en andere soortgelijke betalingen (‘fees and other similar payment’) voor de in de hoedanigheid van bestuurder verrichte werkzaamheden die als zodanig aan de bestuurder zijn uitbetaald.31.Het gaat daarbij zowel om vaste32.als om variabele beloningen.33.De benaming van de beloning is hierbij niet relevant.
4.16
Het begrip bestuurdersbeloning kan echter niet zo ruim worden geïnterpreteerd dat de inkomsten die door een bestuurder in een andere hoedanigheid – zoals die van werknemer – worden genoten, hier eveneens onder vallen.34.Er dient voldoende verband te bestaan tussen de ontvangen beloning en de werkzaamheden die zijn verricht in de hoedanigheid van bestuurder. In de Nederlandse praktijk heeft een bestuurder vaak naast zijn statutaire benoeming als bestuurder ook een arbeidsovereenkomst met de vennootschap waarvan hij statutair bestuurder is.35.Dit brengt mee dat in geval een bestuurder meer hoedanigheden heeft binnen een entiteit of concern, een splitsing dient te worden gemaakt tussen de beloning die wordt ontvangen als bestuurder (en aldus valt onder art. 16) en de beloning voor het ‘day-to-day’-management (die onder art. 15 valt).36.
4.17
Er bestaat geen specifieke maatstaf of methode voor deze splitsing van de ontvangen beloning.37.Een onderbouwde verdeelsleutel met betrekking tot de verdeling van de beloning kan worden opgenomen in de arbeidsovereenkomst met de bestuurder. Van der Baaren en Spauwen betogen dat indien een dergelijke verdeelsleutel niet is opgenomen, er kan worden gekeken naar de daadwerkelijke (verwachte) verdeling van de activiteiten van de betreffende persoon in zijn hoedanigheid van werknemer en bestuurder.38.
4.18
Naar aanleiding van verzoeken om voorlichting over salarissplitsing bij directieleden van internationale concerns, heeft het Ministerie van Financiën op 20 februari 1990 ook de volgende mededeling gedaan:39.
(…) De laatste tijd ben ik geconfronteerd met de situatie waarin een in Nederland woonachtige directeur van een in Nederland gevestigde vennootschap zich tevens laat benoemen tot (statutair) directeur of commissaris bij een min of meer in het buitenland gevestigde, gelieerde vennootschappen. In de landen waar bedoelde gelieerde vennootschappen zijn gevestigd, worden beloningen die de aldaar gevestigde vennootschappen betalen aan hun in het buitenland (Nederland) woonachtige directeur of commissaris vrijgesteld van belastingheffing, slechts tegen een relatief laag tarief in de belastingheffing betrokken of slechts belast v.z.v. de werkzaamheden feitelijk in het desbetreffende land zijn verricht.
Het salaris dat de directeur van de in Nederland gevestigde vennootschap in zijn functie als directeur van die vennootschap toekomt wordt gesplitst en voor een deel door de in het buitenland gevestigde, gelieerde vennootschap(pen) aan hem betaald als beloning voor zijn (statutaire) functie als directeur of commissaris bij laatstbedoelde vennootschap(pen). Dit kan zich zowel voordoen tussen een Nederlandse moedervennootschap en een buitenlandse dochtervennootschap, als tussen een Nederlandse dochtervennootschap en een buitenlandse moedervennootschap, als tussen een Nederlandse vennootschap en een buitenlandse zustervennootschap.
Het enkele feit dat een directeur van een in Nederland gevestigde vennootschap als (statutair) directeur of commissaris op de loonlijst staat bij een in het buitenland gevestigde vennootschap maakt nog niet dat hij de van of namens die buitenlandse vennootschap ontvangen vergoedingen ook daadwerkelijk geniet uit hoofde van zijn (statutaire) functie als directeur of commissaris bij die buitenlandse vennootschap.
In voorkomende gevallen zal dit naar het zich laat aanzien a.d.h.v. de inhoud van de onderscheiden functies, alsmede de daadwerkelijk t.b.v die functie verrichte werkzaamheden van geval tot geval moeten worden beoordeeld. (…)
4.19
Met betrekking tot de vennootschap die de beloning aan de bestuurder betaalt, zijn in art. 16 OESO-modelverdrag geen specifieke eisen opgenomen. De beloning moet verkregen zijn door de bestuurder, maar in art. 16 is – in tegenstelling tot bij art. 15 OESO-modelverdrag40.– niet bepaald ‘door of namens’ wie de beloning moet zijn betaald. In Klaus Vogel on Double Taxation Conventions is hierover het volgende opgemerkt:41.
While Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC clearly identifies the recipient of the ‘directors fees’ or ‘similar payments’ (see supra m.nos 22 et seq., 31 et seq.), the provision is silent as to who must be the payor of this remuneration. Some authors take a rather broad view and consider the identity of the payor irrelevant for the application of Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC. Others take a narrow view and argue that only the company for which the recipient exercises the directorship qualifies in this respect, so that, for instance, payments made by third parties for whom the recipient does not exercise any specific activity would only be caught by Article 21 OECD and UN MC. The latter view indeed finds some support in the French version of Article 16 OECD MC, since in particular the concept of ‘tantièmes’ presupposes that the recipient has actively contributed to the generation of the relevant profits of the paying company. Moreover, a limitation of the scope of Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC to payments made by the company of whose board of directors the recipient is a member also makes sense from a teleological point of view, as it would guarantee a correspondence between the right of the residence State of the company to tax those payments in the hands of the recipient and the loss of tax revenue connected with their eventual (full or at least partial) deductibility in the hands of the company. (…)
However, the question is whether this narrow view should not be subject to a modification when it comes to situations involving associated companies.
4.20
In de jurisprudentie is eerder een geval aan bod gekomen van een in Nederland woonachtige bestuurder van een Nederlandse holding, die tevens was benoemd tot statutair bestuurder van bepaalde dochtermaatschappijen van de betreffende holding.42.De salariskosten van de betreffende bestuurder werden op basis van een bepaalde sleutel doorbelast aan de verschillende dochtermaatschappijen.
4.21
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van Hof Amsterdam dat in die situatie onvoldoende direct verband bestond tussen de werkzaamheden verricht voor de dochtermaatschappijen en het bedrag dat aan de dochtermaatschappijen werd doorbelast enerzijds en de door de dochterondernemingen betaalde vergoeding anderzijds, om het doorbelaste bedrag te kunnen aanmerken als een beloning die in de hoedanigheid van bestuurder door of namens de dochtermaatschappijen is betaald.
4.22
Hieruit wordt in de literatuur wel afgeleid dat het ‘door of namens’ criterium uit art. 15, lid 2, onderdeel b, OESO-modelverdrag, en daarmee de geïndividualiseerde doorbelasting van kosten, ook relevant is bij beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de bestuurdersbeloning en de werkzaamheden die zijn verricht in de hoedanigheid van bestuurder. Zo merken Van der Baaren en Spauwen op:43.
Het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad in 1997 geeft duidelijk aan dat het ‘betaald door of namens’-vereiste, en hiermee de geïndividualiseerde kostendoorbelasting, van belang is om vast te stellen of er voldoende verband is tussen een bestuurdersbeloning en de werkzaamheden in de hoedanigheid van bestuurder. In deze casus waren er ‘concernkosten’ doorbelast naar de dochterondernemingen waarvan belanghebbende bestuurder was, hetgeen volgens de Hoge Raad niet voldoende is om van een bestuurdersbeloning te spreken die ‘door of namens’ de dochterondernemingen is betaald. Hierbij rijst de vraag of er bij een individuele kostendoorbelasting nog een onderscheid moet worden gemaakt tussen specifiek de werknemersbeloning en de bestuurdersbeloning. Omdat er in het arrest van de Hoge Raad specifiek een link is gemaakt tussen de bestuurdersbeloning en de werkzaamheden in de hoedanigheid van bestuurder (zie hiervoor ook onderdeel 5 hierna), kan hieruit worden afgeleid dat dit het geval is. Als gevolg hiervan zou er dan gelden dat er alleen een voldoende verband bestaat tussen de bestuurdersbeloning en de werkzaamheden in de hoedanigheid bestuurder, indien de bestuurdersbeloning specifiek en individueel is doorbelast naar de onderneming waarvan de persoon in kwestie bestuurder is.
4.23
Pötgens betoogt dat dit meebrengt dat een salary-split voor een bestuurder alleen resultaat oplevert als de bestuurdersbeloning duidelijk als zodanig (en niet als een niet-geïndividualiseerd onderdeel van een post ‘concernkosten’) wordt doorberekend.44.
4.24
Cordewener betoogt dat het naar analogie toepassen van het ‘door of namens’ criterium bij art. 16 OESO-modelverdrag in de praktijk op veel steun kan rekenen:45.
The aforementioned jurisprudence in substance seems to also apply the ‘paid by, or on behalf of’ criterion contained in Article 15(2)(b) OECD and UN MC by analogy to Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC. This approach has received considerable support in practice and is generally understood to allow an application of Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC in the case of an exact internal charging from the parent company to the subsidiaries. An interpretation of Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC in the sense that it not only comes into play when the company where the directorship is exercised is the debtor and immediate payor of the director’s remuneration, but also when that remuneration is paid by another member of a group of enterprises and then charged internally to the former company, would indeed be consistent, since under these circumstances, the symmetry between the taxing right of that company’s residence State and a potential diminution of its revenue through the deductibility of those charges (see supra m.no. 52) would also be maintained. In practice, the applicability of Article 16 OECD MC and Article 16(1) UN MC in such cases will very much depend on clear agreements between all parties involved and on their exact implementation.
4.25
Prokisch merkt naar aanleiding van HR BNB 2004/344,46.waarin de Hoge Raad – in navolging van het arrest van 1997 – oordeelde dat een ontslagvergoeding slechts kan worden aangemerkt als beloning in de zin van art. 16 OESO-modelverdrag indien en voor zover deze ten laste is gekomen van de vennootschap waarvan de ontvanger bestuurder is,47.het volgende op:48.
De Hoge Raad oordeelde zowel in het arrest HR 15 juli 1997, nr. 32 016, BNB 1997/298 (m.nt. Van der Geld), als in het onderhavige arrest en in overeenstemming met hetgeen A-G Wattel concludeerde, dat de beloning ook ten laste van deze vennootschap moet komen. Dat staat zo duidelijk niet in art. 16 van het verdrag met België. Integendeel, de bedoeling van art. 16 is dat de zetel van de vennootschap allen in de plaats komt van het uitoefenen van de werkzaamheden, zodat het feit wie de beloning betaalt geen rol speelt. Dit kan ook uit nr. 1 van het OESO-commentaar op art. 16 geconcludeerd worden. Toch zijn er wel goede redenen voor de opvatting van de Hoge Raad aanwezig. De vestigingsstaat van de vennootschap zou in dit geval het recht tot belastingheffing krijgen, omdat normaliter de beloningen de belastinggrondslag voor de vennootschapsbelasting in dezelfde staat verminderen. Als compensatie voor dit verlies aan belastinginkomsten krijgt de staat het recht op belastingheffing over de beloningen van commissarissen en — in het geval van het belastingverdrag tussen België en Nederland — van bestuurders. Wordt dit doel van art. 16, tweede lid, Overeenkomst met België in acht genomen, dan is het zinvol de bepaling restrictief te interpreteren. Het is dus gerechtvaardigd art. 16 niet toe te passen op beloningen die door een derde worden betaald en die ook niet worden doorbelast aan de werkgevende vennootschap.
4.26
In zijn conclusie bij dit arrest, merkt A-G Wattel – ook mede naar aanleiding van HR BNB 1997/298 – op:49.
Het valt op dat u spreekt van een beloning betaald "door of namens" de dochtervennootschappen. Die eis wordt noch door art. 16 OESO-Modelverdrag, noch door de desbetreffende verdragsbepalingen gesteld. Met het gerechtshof leest u die eis kennelijk wel in die bepalingen. (…) Ik neem aan dat u het criterium stelde om een maatstaf te hebben bij de vraag of de beloning wel toerekenbaar is aan de werkzaamheden als bestuurder van de dochters. De vraag of een beloning aan de belastingplichtige als bestuurder van de dochter door of namens de werkgever is betaald, beoordeelt u aan de hand van het verband tussen enerzijds de werkzaamheden en het loon van de werkgever en anderzijds de vergoeding betaald door de dochtervennootschap aan de werkgever. In casu was dat verband volgens het Hof onvoldoende. Dat (feitelijke) oordeel achtte u voldoende gemotiveerd. Wellicht ook heeft u, met een half oog op art. 15, lid 2, onder b) en c), van het OESO-Modelverdrag, als criterium willen aanleggen de vraag of de door de dochtervennootschap betaalde vergoeding naar Nederlandse maatstaven als loonkosten aftrekbaar zou zijn bij die dochter.
4.27
Op het toepassen van het ‘door of namens’ criterium bij de uitlegging van art. 16 OESO-modelverdrag bestaat echter ook kritiek. Zo betoogt Van der Geld in zijn noot bij het arrest van 1997:50.
Het gebruik van de woorden ,,door of namens'' door het Hof bij de uitleg van het ,,directeurenartikel'' komt mij om een tweetal redenen ongewenst voor. Allereerst worden deze woorden letterlijk gebruikt bij de 183-dagenregeling en zijn ze daar al geruime tijd onderwerp van discussie. Het gebruik van de desbetreffende woorden roept dan wellicht (gewild of ongewild) associaties op, die mijns inziens beter voorkomen kunnen worden. Daarnaast lijken de woorden ook niet exact weer te geven welke relatie er tussen de beloning en het directeur zijn wordt vereist. Als voorbeeld kan men denken aan steekpenningen die worden betaald aan een in Nederland wonende directeur van een in België gevestigde vennootschap. Deze steekpenningen worden uiteraard niet betaald door of namens de Belgische vennootschap waar de directeur in dienst is. Toch leidt de tekst van artikel 16, tweede lid, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag ertoe te concluderen dat de heffingsbevoegdheid over deze steekpenningen toekomt aan de staat waar de vennootschap gevestigd is. Er wordt in artikel 16, tweede lid, van het verdrag immers niet geëist dat de beloning door of namens de Belgische vennootschap wordt betaald, er wordt ,,slechts'' geëist dat de beloning wordt genoten in de hoedanigheid van directeur van de Belgische vennootschap.
Ook Van Eldonk en Pötgens hebben kritiek op het gebruik van dit criterium.51.
4.28
Steijn betoogt in zijn noot bij de bestreden uitspraak van het Hof dat een meer materiële toets zou moeten worden aangelegd voor het vaststellen van het directe verband tussen de beloning en de werkzaamheden:52.
Terecht merkt het hof op dat er een direct verband dient te bestaan tussen de bestuurdersbeloning en de daarvoor verrichte werkzaamheden. Maar als belanghebbende de werkzaamheden voor de Braziliaanse en Argentijnse werkzaamheden inderdaad verricht zou hebben in de hoedanigheid van bestuurder van de Zwitserse vennootschap (aangezien deze de aandeelhouder was), en de kosten hiervan derhalve ook aan deze doorbelast hadden moeten worden, zou wel sprake zijn van een bestuurdersbeloning genoten van de Zwitserse vennootschap. Bij de beantwoording van de vraag welke beloning er wordt genoten in de hoedanigheid van bestuurder, dient mijns inziens namelijk een materiële toets gehanteerd te worden. Of de kosten dan wel of niet zijn doorbelast, acht ik niet van belang; de vraag is of het een beloning is voor werkzaamheden die zijn verricht in de hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap en de kosten daarom ook daaraan toegerekend dienen te worden.
5. Beoordeling van de klachten
Middel 1
5.2
Met het eerste middel betoogt belanghebbende dat de bonussen moeten worden beschouwd als nagekomen (bestuurders)baten die betrekking hebben op de jaren 2009 en 2010. Daarmee snijdt belanghebbende de vraag aan of de beoordeling van het recht op voorkoming van dubbele belasting ten aanzien van de ontvangen [K] -bonussen dient plaats te vinden aan de hand van de relevante bepalingen uit het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 of het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010.
5.3
Het Hof heeft in het midden gelaten of in de onderhavige zaak sprake is van nagekomen baten. Aangenomen dat sprake is van een nagekomen bestuurdersbeloning dan wel een nagekomen bate uit dienstbetrekking van belanghebbende, dient volgens het Hof bepaald te worden onder welk verdrag belanghebbende in beginsel aanspraak op voorkoming van dubbele belasting kan maken.
5.4
Naar het oordeel van het Hof kan in geval van een nagekomen bate de band met de bronstaat tot gevolg hebben dat de belastingheffing over die bate aan de bronstaat is toegewezen. Dit staat er volgens het Hof echter niet aan in de weg dat die bate op het tijdstip waarop deze wordt genoten door Nederland als woonstaat in het wereldinkomen wordt betrokken, onder toepassing van een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting zoals die voor dergelijke inkomsten is voorzien in de voorkomingsbepaling van het op dat moment toepasselijke belastingverdrag.
5.5
Het Hof verwijst bij dit oordeel naar HR BNB 2014/38.53.In dat arrest ging het om nagekomen baten van een inwoner van Nederland die eerder onderzoeksactiviteiten (buiten dienstbetrekking) in het VK had verricht. Ten tijde van zijn onderzoeksactiviteiten woonde de betreffende belanghebbende in België dan wel in het VK. In geschil was of Nederland over de nagekomen baten mocht heffen. De Hoge Raad oordeelde dat de belanghebbende voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en het VK het onderzoek in het VK heeft verricht vanuit een vast middelpunt. De band met het VK heeft tot gevolg dat de belastingheffing over de nagekomen baten aan het VK is toegewezen, maar staat er niet aan in de weg dat Nederland de nagekomen baten in de wereldwinst betrekt onder verlening van voorkoming van dubbele belasting.
5.6
In de onderhavige zaak zijn de bonussen voor de jaren 2009 en 2010 – die zijn bepaald op 3% van het netto resultaat van bepaalde business units van het concern – mondeling toegezegd aan belanghebbende in verband met de [K] -activiteiten (zie onderdeel 2.6). Naar aanleiding van een geschil tussen belanghebbende en [B] B.V., heeft de Rechtbank Rotterdam bij vonnis van 1 juli 2016 [B] B.V. veroordeeld tot betaling aan belanghebbende van onder meer de [K] -bonussen over 2009 en 2010. [B] B.V. heeft deze bonussen vervolgens op 25 september 2017 – onder inhouding van loonheffing – aan belanghebbende uitbetaald. Ten tijde van de toezegging van de bonussen was aldus het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 nog van toepassing, maar ten tijde van de uitbetaling van deze bonussen was het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing.
5.7
De vraag hoe om dient te worden gegaan met opeenvolgende verdragen is eerder aan bod gekomen in de literatuur:54.
Lastly, it must be noted that, in the absence of specific rules dealing with the effectiveness of the successive treaties, recourse should be made to international law rules on the subject. Of particular interest is Article 30 VCLT, which addresses the application of successive treaties related to same subject matter. That provision has a residual character (i.e., it can only be invoked in the absence of specific treaty provisions regarding the temporal application of the treaties involved). Pursuant to Article 30 VCLT, a conflict between treaty provisions contained in two successive treaties is solved by reference to the lex posterior principle, under which the later treaty prevails over the earlier treaty, while the earlier treaty may still apply to the extent its provisions are compatible with those of later treaty.
5.8
Art. 28 Verdrag van Wenen55.bepaalt dat tenzij uit het verdrag of op andere wijze een andere bedoeling blijkt, de bepalingen van een bedrag niet binden met betrekking tot een handeling of feit voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het verdrag. Hieruit wordt wel afgeleid dat aan de bepalingen van een nieuw belastingverdrag in beginsel onmiddellijke werking toekomt:56.
In beginsel mag een verdrag zich na inwerkingtreding dus niet bemoeien met anterieure juridisch voldongen feiten (facta praeterita), maar wel met overlopende rechtsposities (facta pendentia) en anterieure onvoltooide feiten (facta in statu nascendi).
5.9
Art. 30 Verdrag van Wenen ziet op de toepassing van achtereenvolgende verdragen die betrekking hebben op eenzelfde onderwerp. Art. 30, lid 3, Verdrag van Wenen heeft betrekking op de situatie waarin alle partijen bij het eerdere verdrag eveneens partij zijn bij het latere verdrag. In de literatuur is hierover het volgende opgemerkt:57.
Art 30 para 3 determines that where the States Parties to conflicting treaties are identical, the later treaty prevails. Two different cases, however, have to be distinguished. The first is where the earlier treaty has been terminated or suspended by the States Parties (Art 59). In this case, there is no conflict of treaties since the earlier treaty is no longer in force and, as a consequence, no longer applicable. (…)
5.10
Het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 is op 26 februari 2010 gesloten en per 9 november 2011 in werking getreden. Op grond van art. 29, lid 1, Verdrag is het Verdrag van toepassing met ingang van 1 januari 2012. Blijkens art. 29, lid 3, Verdrag zijn de bepalingen van het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 vanaf die datum niet langer van toepassing, behoudens voor belastingjaren en -tijdvakken die verstrijken vóór het tijdstip waarop het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing is geworden. Dit in afwijking van het bepaalde in art. 28 Verdrag van Wenen. Art. 29, lid 3, Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 luidt, voor zover van belang, als volgt:
Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, met Protocol, ondertekend te Den Haag op 12 november 1951, als aangevuld door het Aanvullend Protocol, ondertekend te Den Haag op 12 november 1951 en als gewijzigd bij de Overeenkomst tot wijziging en aanvulling van het Verdrag, ondertekend te Den Haag op 22 juni 1966, wordt beëindigd bij de inwerkingtreding van dit Verdrag. De bepalingen van het eerstgenoemde Verdrag blijven evenwel van toepassing voor belastingjaren en -tijdvakken die verstrijken vóór het tijdstip waarop de bepalingen van dit Verdrag van toepassing worden.
5.11
Belanghebbende betoogt dat nu de tekst van art. 29, lid 3, Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 in deze situatie geen duidelijkheid biedt, de uitleg die het meest recht doet aan de zaak zou moeten prevaleren. Volgens belanghebbende brengt dit mee dat gekeken moet worden naar de bepalingen uit het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951, nu de bonussen nauw verweven zijn met de periode vóór de inwerkingtreding van het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 en slechts een connectie hebben met de periode na de inwerkingtreding doordat de bonussen vanwege de civielrechtelijke procedure later zijn betaald. Het belang hiervan is gelegen in de omstandigheid dat bij toepassing van de verrekeningsmethode uit art. 22 Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 kan worden bijgeheven door Nederland, terwijl op grond van art. 7 Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 het heffingsrecht exclusief toekomt aan Zwitserland.
5.12
Belanghebbende verwijst – ter onderbouwing van zijn standpunt – onder meer naar literatuur van Von der Decken met betrekking tot een ‘timing mismatch’ bij de toepassing van art. 7 OESO-modelverdrag. Daarin is de situatie omschreven waarin activiteiten zijn uitgeoefend met een vaste inrichting (hierna: vi) in het jaar voordat het verdrag inwerking is getreden (jaar 1) en de betreffende belastingplichtige in het jaar waarin het verdrag wel inwerking is getreden (jaar 2) niet langer een vi heeft.
5.13
Indien de winst behaald met de vi wordt betaald in jaar 2 (het jaar waarin de vi niet meer bestaat) en in dat jaar tevens belast is in de staat waar de vi gelegen was, kan er een timing mismatch ontstaan. Indien het betreffende belastingverdrag op dat moment wordt toegepast, zal op grond van art. 7 van dat verdrag de staat waar de vi zich bevond niet mogen heffen over de behaalde winst nu de vi niet langer bestaat. Von der Decken betoogt dat in die specifieke situatie het antwoord op de vraag op welk moment het betreffende verdrag moet worden toegepast niet afhangt van het moment waarop de staat waar de vi zich bevond het inkomen op grond van zijn nationale wetgeving belast, maar dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de vi-winst is behaald in jaar 1 (toen het verdrag nog niet in werking was getreden).
5.14
Dezelfde auteur merkt echter ook op dat met betrekking tot de toepassing van andere artikelen uit het OESO-modelverdrag bovenstaande anders kan liggen. Als voorbeeld is genoemd de toepassing van art. 10 OESO-modelverdrag:58.
Different conclusions can be reached with regard to other treaty distribution provisions, such as for income covered by Article 10 OECD Model (dividends). It relies on the term ‘paid’, which leads one to conclude that, in principle, the actual moment the payment is made is decisive when it comes to identifying the relevant point of time for treaty application. Nevertheless, despite the specific use of the term ‘paid’ in the OECD Model, the ultimate timing of the taxation still relies on the domestic law of the states involved.
5.15
A-G Wattel heeft eerder ook betoogd dat de OESO-modelverdragscriteria voor jurisdictietoewijzing van inkomen in beginsel moeten worden toegepast naar de toestand ten tijde van het genieten/realiseren van dat inkomen.59.
5.16
In HR BNB 1979/307 ging het eveneens om de vraag welk verdrag van toepassing was bij opeenvolgende verdragen.60.Deze zaak betrof een in Nederland gevestigde N.V. met een vi in België. Onder het oude verdrag met België uit 1933 had deze vennootschap verliezen geleden met haar vi. Onder het nieuwe verdrag met België uit 1970 behaalde de vennootschap een vaste inrichtingswinst (‘vi-winst’). Het oude verdrag kende geen inhaalregeling voor buitenlandse vaste inrichtingsverliezen, terwijl het nieuwe verdrag met België uit 1970 dit wel kende. In geschil was of de inhaalverliezen in mindering konden worden gebracht op de vrij te stellen vi-winst. De Hoge Raad oordeelde dat het nieuwe verdrag en het daarvan een integrerend deel uitmakende protocol geen steun boden aan de stelling van belanghebbende dat geen rekening mocht worden gehouden met de verliezen die waren behaald onder het oude verdrag.
5.17
Het Hof heeft onder verwijzing naar dit arrest ook geoordeeld dat in het geval van opvolgende verdragen, uit dient te worden gegaan van de voorkomingsbepaling in het verdrag dat van toepassing is op het moment dat het inkomen naar Nederlands nationaal recht wordt genoten.
5.18
In de literatuur is het volgende opgemerkt over dit arrest:61.
If a treaty is replaced, rather than simply terminated, the arguments are stronger still, as it can reasonably be assumed that the Contracting States intend there to be continuity of treatment. If a fact pattern falls within the temporal scope of the old treaty in one state, but within the temporal scope of the new treaty in the other state, it would be absurd for the income to lose treaty protection altogether because it is not entirely with the scope of one treaty.
But, if the relevant articles change on the replacement of the treaty, the question remains as to which treaty applies to govern the obligation on the residence state to grant DTR. This issue arose in a Dutch case that concerned the replacement of the 1933 treaty between Belgium and the Netherlands with a new treaty in 1970. Both treaties employed the exemption method of DTR for PE profits, but the 1970 treaty required the claw-back of PE losses when granting the relief whereas under the 1933 treaty this was not required.
The taxpayer argued that losses incurred before the new treaty took effect should not be clawed back but the “Hoge Raad” rejected this claim. The Advocate-General, in his opinion, reasoned that the law governing the granting of DTR is the law that applies at the time the tax liability arises against which the relief is granted; in this case the tax liability in the Netherlands did not arise until the PE made a profit, and that was after the 1970 treaty took effect. This reasoning seems correct as a policy matter as regards both treaties and domestic law. If it were not correct, it could be argued that all the elements of a net profit computation that are derived from the taxpayer’s history bring with them a ‘frozen’ piece of the law on DTR from the time in which they originated, which would lead to a chaotic application of the law on DTR.
5.19
En:62.
De vraag was of de (anterieure) inhaalverliezen in mindering konden worden gebracht op de (posterieure) vrij te stellen vaste inrichtingwinst. De Hoge Raad oordeelde van wel. De bewoordingen van het belastingverdrag en van het daarvan integrerend deel uitmakende protocol boden geen steun aan de stelling van belanghebbende dat met de onderhavige verliezen geleden voorafgaand aan de inwerkingtreding van het verdrag, geen rekening mag worden gehouden. Gelet op het volkenrechtelijke uitgangspunt van onmiddellijke werking zal de Hoge Raad in de hiervoor geschetste situatie waarschijnlijk evenmin een verdragsverplichting lezen om de winst op te splitsen in een deel dat onder de vrijstellingsmethode valt en een deel dat onder de verrekeningsmethode valt.
5.20
Gelet op het bovenstaande en de tekst van art. 16 Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 – en bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel – ligt het naar mijn mening ook voor de hand om dit artikel (en vervolgens het voorkomingsartikel) toe te passen op het genietingstijdstip. Op grond van art. 13a Wet LB is dit het moment waarop de bestuurder de betreffende beloningen ontvangt. Dit is – gelet op de verhouding tussen verdragsrecht en nationaal recht – ook logisch. Op basis van de nationale wetgeving wordt eerst vastgesteld wat het Nederlandse heffingsbereik is volgens de nationale heffingswetten.63.Het verdrag kan vervolgens grenzen stellen aan de toepassing van die heffingsbepalingen.
5.21
De [K] -bonussen zijn uitbetaald in 2017 en zijn volgens het Hof dus in dat jaar genoten in de zin van art. 13a, lid 1, Wet LB. Mede gelet op art. 3, lid 2, Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 dient derhalve naar dat moment aan de hand van art. 22 Verdrag te worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft op voorkoming van dubbele belasting. Dit is hier naar het oordeel van het Hof niet het geval.
5.22
De oordelen van het Hof getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn overigens ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Derhalve kan dit middel niet slagen.
Middel 2
5.23
Het tweede middel klaagt dat het Hof een te strenge eis heeft gesteld aan de toepassing van het vertrouwensbeginsel, door te oordelen dat geen sprake kan zijn van in rechte te beschermen vertrouwen nu de aanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2010 niet zijn vastgesteld nadat belanghebbende de [K] -bonussen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur, na informatie te hebben ingewonnen bij belanghebbende, zich wel degelijk akkoord heeft verklaard met de toepassing van de salary split ten aanzien van het reguliere loon inclusief de destijds ontvangen bonussen van belanghebbende voor het jaar 2008, en deze salary split vervolgens ook heeft toegepast op het loon inclusief de ontvangen bonussen van 2009 en 2010. Belanghebbende meent dat hij er dan ook op mocht vertrouwen dat de salary split ook van toepassing zou zijn op de in 2017 betaalde [K] -bonussen, nu deze bonussen volgens belanghebbende een nabetaling zijn op het loon van belanghebbende in de jaren 2009 en 2010.
5.24
Aan de omstandigheid dat het standpunt van belanghebbende bij de aanslagen over voorgaande jaren is gevolgd, kan niet zonder meer het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de Inspecteur dit standpunt ook in latere jaren zal volgen. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, op grond waarvan bij belanghebbende de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in eerdere jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling.64.Dergelijke omstandigheden kunnen onder meer gelegen zijn in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte van belang zijnde inlichtingen.65.
5.25
Het Hof heeft uit de gedingstukken afgeleid dat informatie over de [K] -bonussen over 2007 en 2008 ten tijde van het accepteren van de salary split bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2010 niet bekend was bij de Inspecteur. Volgens het Hof heeft belanghebbende deze informatie pas op zijn vroegst verstrekt in 2014 bij het indienen van het inkeerverzoek. De [K] -bonussen over 2009 en 2010 waren op dat moment ook nog niet uitbetaald. De aanslagen IB/PVV zijn naar het oordeel van het Hof dus niet vastgesteld nadat belanghebbende de [K] -bonussen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, zodat van een bewuste standpuntbepaling met betrekking tot de betreffende kwestie door de Inspecteur geen sprake is. Het Hof heeft bij dit oordeel ook verwezen naar de in onderdeel 5.21 opgenomen jurisprudentie.
5.26
Dit oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Derhalve kan dit middel niet slagen.
Middel 3
5.27
Met het derde middel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het begrip ‘lid van de raad van beheer’ uit art. 16 Verdrag Nederland-Brazilië formeel moet worden uitgelegd.66.Belanghebbende staat een meer materiële benadering voor. Belanghebbende betoogt dat hij weliswaar geen statutair bestuurder was van de Zuid-Amerikaanse entiteiten van het concern, maar dat hij volgens de interne corporate governance regels wel verantwoordelijk en aansprakelijk was voor de gang van zaken bij die entiteiten. Op grond daarvan zouden de volledige [K] -bonussen volgens belanghebbende moeten worden beschouwd als nagekomen bestuurdersbeloning. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst belanghebbende onder meer naar literatuur en de parlementaire behandeling van het bestuurdersartikel uit het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 (zie onderdelen 4.13 en 4.14).
5.28
Het begrip ‘lid van de raad van beheer’ is niet gedefinieerd in het Verdrag Nederland-Brazilië, zodat op grond van de uitleggingsregel van art. 3, lid 2, Verdrag dient te worden aangesloten bij de betekenis van dit begrip onder de nationale wetgeving, tenzij de context anders vereist (zie ook onderdeel 4.9 en verder). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onder het Nederlands vennootschapsrecht een formeel bestuurdersbegrip geldt. Dit brengt mee dat de bestuurder statutair benoemd dient te zijn.
5.29
Het Hof heeft op basis van de stukken vastgesteld dat belanghebbende in 2009 en 2010 niet op de in de statuten van de Braziliaanse vennootschap voorgeschreven wijze als statutair bestuurder was benoemd. Daarmee voldoet hij volgens het Hof niet aan het toepasselijke door de Hoge Raad geformuleerde formele criterium om als bestuurder te worden aangemerkt, zodat belanghebbende niet in aanmerking komt voor voorkoming van dubbele belasting op grond van art. 16 jo. art. 23 Verdrag Nederland-Brazilië.
5.30
Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat in meer recente belastingverdragen – in tegenstelling tot oudere verdragen – een meer materiële definitie is opgenomen van het bestuurdersbegrip (zie onderdelen 4.12 tot en met 4.15). De parlementaire geschiedenis waarnaar belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt dat moet worden uitgegaan van een materiële benadering van het bestuurdersbegrip, ziet echter specifiek op het bestuurdersartikel uit het Verdrag Nederland-België 2001.67.In dat verdrag is – in tegenstelling tot in het Verdrag Nederland-Brazilië – een vergelijkbare bepaling opgenomen als in het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 op grond waarvan een materiële uitleg wordt gegeven aan het begrip bestuurder (zie onderdelen 4.12 tot en met 4.14). Dit is echter – gelet op de tekst van art. 16 van het Verdrag – niet het geval voor het Verdrag Nederland-Brazilië.
5.31
Het oordeel van het Hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Derhalve kan dit middel niet slagen.
Middel 4
5.32
Het vierde middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat onvoldoende direct verband bestaat tussen de [K] -bonussen en de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de vennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland, zodat de [K] -bonussen niet aan belanghebbende in zijn hoedanigheid van bestuurder als zodanig door of namens deze vennootschappen zijn betaald.
5.33
Belanghebbende betoogt dat het criterium dat het Hof heeft gehanteerd bij beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende direct verband – namelijk of aannemelijk is gemaakt dat de bonussen zijn doorbelast aan, of anderszins ten laste zijn gekomen van, de betreffende vennootschappen – onjuist is. Dit criterium is volgens belanghebbende ontleend aan jurisprudentie over ontslagvergoedingen, terwijl het in de onderhavige zaak niet gaat om een dergelijke vergoeding.
5.34
Daarnaast betoogt belanghebbende dat in een geval als het onderhavige – waarin de verhoudingen tussen belanghebbende en zijn voormalige werkgever ernstig zijn verstoord – niet verlangd kan worden dat het directe verband enkel kan worden aangenomen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de bonussen zijn doorbelast. In die situatie meent belanghebbende dat voor beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende direct verband, kan worden volstaan met het aannemelijk maken dat de beloning op grond van het at arm’s length beginsel aan de betreffende vennootschappen had moeten worden doorbelast.
5.35
In het bestuurdersartikel uit de relevante belastingverdragen worden geen eisen gesteld met betrekking tot de vennootschap waarvan de bestuurdersbeloning dient te worden verkregen. Daarmee rijst de vraag aan de hand van welke criteria het directe verband tussen de werkzaamheden en de bestuurdersbeloning dient te worden vastgesteld.
5.36
In HR BNB 1997/289 bevestigde de Hoge Raad het oordeel van Hof Amsterdam dat tussen de werkzaamheden als bestuurder van de dochterondernemingen en het door de bestuurder van de moedermaatschappij ontvangen salaris enerzijds en de door die dochterondernemingen aan de moedermaatschappij betaalde vergoeding voor concernkosten anderzijds, onvoldoende direct verband bestond om voor een deel van het salaris te kunnen spreken van een beloning die als zodanig aan de bestuurder door of namens de dochterondernemingen is betaald (zie onderdelen 4.20 en 4.21).
5.37
In de literatuur wordt hieruit afgeleid dat het ‘door of namens’ criterium uit art. 15, lid 2, onderdeel b, OESO-modelverdrag, en daarmee de geïndividualiseerde doorbelasting van kosten, in algemene zin dus ook relevant is bij beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de bestuurdersbeloning en de werkzaamheden die zijn verricht in de hoedanigheid van bestuurder (zie onderdeel 4.22 e.v.). Het ligt naar mijn mening ook voor de hand om voor de toerekening van arbeidskosten in het algemeen hetzelfde criterium aan te houden.
5.38
Later heeft de Hoge Raad bovenstaand oordeel bevestigd in een geschil met betrekking tot de toerekening van een ontslagvergoeding aan de werkzaamheden die de betreffende belanghebbende in zijn hoedanigheid als bestuurder had verricht.68.Dit brengt naar mijn mening echter niet mee dat dit criterium alleen zou gelden in ontslagsituaties (zie ook onderdelen 4.25 en 4.26).
5.39
In de onderhavige zaak heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de [K] -bonussen zijn doorbelast aan, of anderszins ten laste zijn gekomen van, de vennootschappen in Singapore, Spanje en Zwitserland. Gelet daarop, bestaat volgens het Hof onvoldoende direct verband tussen de werkzaamheden van belanghebbende ten behoeve van de genoemde vennootschappen en de bonussen. Anders dan belanghebbende betoogt, is volgens het Hof van een voldoende indirect verband geen sprake indien de beloning op grond van het at arm’s length beginsel had moeten worden doorbelast.
5.40
Het arm’s length beginsel geeft naar mijn mening niet het antwoord op de vraag of een causaal verband bestaat tussen een vergoeding en de werkzaamheden die zijn verricht voor een bepaalde vennootschap. Het dient ertoe binnen een in beginsel aanwezige causaliteit een onderscheid te maken tussen een deel van de vergoeding dat zakelijk aan de werkzaamheden kan worden toegerekend, en een deel dat mede in persoonlijke of vennootschappelijke overwegingen zijn verklaring vindt. In de onderhavige zaak ligt juist de vraag voor of er voldoende causaliteit bestaat tussen de bonussen en de verrichte werkzaamheden.
5.41
De oordelen van het Hof getuigen ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, zijn – mede gelet op hetgeen ik heb besproken in onderdelen 5.35 tot en met 5.37 – niet onbegrijpelijk en berusten voor het overige op de aan de feitenrechter voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen. Deze klacht kan dan ook niet slagen.
6. Ten overvloede: verschil met conclusie van 16 maart 2022
6.1
Voor de volledigheid, merk ik nog op dat de onderhavige zaak inhoudelijk verschilt van de zaak waarop mijn conclusie van 16 maart 202269.ziet. In die zaak, ging het om een in Nederland woonachtige belanghebbende die in het kader van zijn dienstbetrekking werkzaamheden verrichtte voor concernvennootschappen in het VK en Duitsland. De betreffende belanghebbende was – in tegenstelling tot de belanghebbende in deze zaak – niet benoemd als statutair bestuurder van één van de vennootschappen. In geschil was welke vennootschap kwalificeerde als werkgever in de zin van art. 15, lid 2, OESO-modelverdrag.
6.2
In de onderhavige zaak daarentegen gaat het om de vraag of de bonussen die belanghebbende heeft ontvangen voldoende verband houden met zijn werkzaamheden als statutair bestuurder van bepaalde concernvennootschappen, zodat hij daarvoor recht heeft op voorkoming van dubbele belasting op grond van het bestuurdersartikel (art. 16 OESO-modelverdrag) uit de betreffende belastingverdragen.
7. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑08‑2022
De inspecteur van de Belastingdienst / MKB / Kantoor Den Haag.
De Rechtbank Den Haag.
Rechtbank Den Haag 27 oktober 2020, nr. SGR 19/2591, ECLI:NL:RBDHA:2020:13258 (niet gepubliceerd).
Het gerechtshof Den Haag.
Hof Den Haag 3 november 2021, nr. BK-20/00768, ECLI:NL:GHDHA:2021:2366, NTFR 2022/427 met noot Steijn, FED 2022/22 met noot Cools.
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.
R.o 2.1 – 2.26.
Holdings B.V. en [D] B.V. zijn op 18 juli 2012 gefuseerd tot [B] B.V.
Met betrekking tot deze inkomsten heeft belanghebbende in 2014 een verzoek gedaan tot toepassing van de inkeerregeling.
HR 22 december 1999, nr. 35024, ECLI:NL:HR:1999:AA3938, BNB 2000/94 met noot Zwemmer, FED 2000/109 met noot Flutsch, V-N 2000/6.10 met noot Redactie, NTFR 2000/14 met noot Dijkman.
Zie onder meer A. Cordewener, ‘Directors’ Fees/Directors’ Fees and Remuneration of Top-Managerial Officials (art. 16)’ in: Klaus Vogel on Double Taxation Conventions (fourth edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2015, p. 1229.
Zie onder meer A. Cools, Bestuurders- en commissarisbeloningen onder belastingverdragen, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu uitgevers 2016, p. 38 e.v. en F.P.G. Pötgens, ‘Het bestuurdersartikel in belastingverdragen (art. 16 OESO-Modelverdrag); lessen uit het verleden!’, in: A.C.G.A.C. de Graaf, S.J.C. Hemels en J.C.M. van Sonderen (red.), ’k moet eerlijk zeggen. Vriendenbundel aangeboden aan Henk van Arendonk ter gelegenheid van zijn afscheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam, Den Haag: Sdu uitgevers 2013, p. 298.Overigens bestaat ook de nodige kritiek op deze redenering. Zie eveneens F.P.G. Pötgens, ‘Het bestuurdersartikel in belastingverdragen (art. 16 OESO-Modelverdrag); lessen uit het verleden!’, in: A.C.G.A.C. de Graaf, S.J.C. Hemels en J.C.M. van Sonderen (red.), ’k moet eerlijk zeggen. Vriendenbundel aangeboden aan Henk van Arendonk ter gelegenheid van zijn afscheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam, Den Haag: Sdu uitgevers 2013, p. 298.
Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, art. 16 OESO-modelverdrag 1992, aant. 1.6.4 en 2.8.
Zie het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 18 juli 2008, nr. CPP2007/664M, Stcrt. 2008, nr. 151, par. 3.4.
Zie het Besluit van 8 juli 2022, nr. 2022-178650 (Besluit voorkoming dubbele belasting. Voorkoming onder de toepassing van belastingverdragen. Wijziging van het besluit van 18 juli 2008, nr. CPP2007/664M.), Stcrt. 2022, 18009.
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten op 8 maart 1990, Trb. 1990,67 (hierna: het Verdrag Nederland-Brazilië).
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen, gesloten op 16 juni 1971, Trb. 1971,144 (hierna: het Verdrag Nederland-Spanje).
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Singapore tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten op 19 februari 1971, Trb. 1971,167 en laatst gewijzigd op 25 augustus 209, Trb. 2009,109 (hierna: het Verdrag Nederland-Singapore).
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten op 26 februari 2010, Trb. 2010,98 (hierna: het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010).In geschil is onder meer of het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010 of het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, gesloten op 12 november 1951, Trb. 1951,148 (hierna: het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951) van toepassing is. Zie onderdeel 3.1 en onderdeel 5 bij middel 1.
Idem.
Hetzelfde geldt voor de meeste Nederlandse belastingverdragen (waaronder het Verdrag Nederland-Brazilië). Een uitzondering hierop is te vinden in het Verdrag Nederland-Denemarken. In art. IX Protocol bij dat verdrag is bestuurder gedefinieerd als: personen die als zodanig zijn benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders of door enig bevoegd orgaan van dat lichaam, en die zijn belast met de algemene leiding van het lichaam, onderscheidenlijk met het toezicht daarop.
HR 26 augustus 1981, nr. 20 413, ECLI:NL:HR:1981:AW9813 (niet gepubliceerd), BNB 1981/307 met noot Van Brunschot en HR 22 december 1999, nr. 35 024, ECLI:NL:HR:1999:AA3938, BNB 2000/94 met noot Zwemmer, FED 2000/109 met noot Flutsch, V-N 2000/6.10 met noot Redactie, NTFR 2000/14 met noot Dijkman.
HR 22 december 1999, nr. 35 024, ECLI:NL:HR:1999:AA3938, BNB 2000/94 met noot Zwemmer, FED 2000/109 met noot Flutsch, V-N 2000/6.10 met noot Redactie, NTFR 2000/14 met noot Dijkman.Zie ook HR 10 december 2004, nr. 38 317, ECLI:NL:HR:2004:AI0746, BNB 2005/193 met noot Happé, FED 2015/116 met noot Weerepas, V-N 2005/2.9 met noot Redactie, FutD 2004-2255 met noot Redactie, NTFR 2004/1830 met noot Van de Merwe. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat een gérant van een Franse SARL niet kwalificeerde als bestuurder, omdat hij geen lid was van de raad van bestuur.
A. Cordewener, ‘Directors’ Fees/Directors’ Fees and Remuneration of Top-Managerial Officials (art. 16)’ in: Klaus Vogel on Double Taxation Conventions (fourth edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2015, p. 1244.
A. Cordewener, ‘Directors’ Fees/Directors’ Fees and Remuneration of Top-Managerial Officials (art. 16)’ in: Klaus Vogel on Double Taxation Conventions (fourth edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2015, p. 1271-1272.
Voetnoot in origineel: (…) On the other hand, even though German is one of the official languages in Switzerland (next to French and Italian), the DTC Netherlands/Switzerland 2010 uses French, Dutch and English as authentic languages. Art. 16 of that DTC is interesting in several respects: While Art. 16(1) refers to the organs of a Swiss company (in the English and French versions using the original OECD terminology of ‘member of a board of directors’ and ‘membre du conseil d’administration ou de surveillance’ (see supra m.nos 35-36), and in the Dutch version referring to ‘raad van beheer of … raad van commissarissen’), Art. 16(2) concerns the organs of a Dutch company and in this respect all three language versions refer to remuneration derived as ‘bestuurders’ or ‘commissarissen’, which are defined in Art. 16(5) as ‘respectively persons who are charged with the general management of the company and persons who are charged with the supervision thereof’. (…).
HR 1 december 2006, nr. 38 850, ECLI:NL:HR:2006:AT3920, BNB 2007/75 met noot Van Raad, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1714 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 38 950, ECLI:NL:HR:2006:AT3918, BNB 2007/76 met noot Van Raad, V-N 2006/65.8 met noot Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1715 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 535, ECLI:NL:HR:2006:AT3928, BNB 2007/77 met noot Van Raad, V-N 2006/65.10 met noot van Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1716 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 710, ECLI:NL:HR:2006:AT3932, BNB 2007/78 met noot Van Raad, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1717 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 711, ECLI:NL:HR:2006:AZ3175, V-N 2006/65.9 met noot Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1718 met noot Wolvers; en HR 1 december 2006, nr. 40 088, ECLI:NL:HR:2006:AZ3169, BNB 2007/79 met noot Van Raad, V-N 2006/65.7 met noot Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1719 met noot Wolvers.
Zie onder meer Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nrs. 1-2, p. 21.
In het Verdrag Nederland-Zwitserland 1951 is als uitzondering hierop opgenomen dat het salarisdeel dat betrekking heeft op de normale arbeidsbeloning van de bestuurder onder het artikel voor inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid valt.
Zie onder meer par. 2 van het commentaar op art. 16 OESO-modelverdrag en A. Cordewener, ‘Directors’ Fees/Directors’ Fees and Remuneration of Top-Managerial Officials (art. 16)’ in: Klaus Vogel on Double Taxation Conventions (fourth edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2015, p. 1253.
Idem. Zie ook art. 16, lid 4, Verdrag Nederland-Zwitserland 2010, waarin dit expliciet is vastgelegd.
N. van der Baaren en S. Spauwen, ‘Een aantal aspecten van artikel 16 OESO-modelverdrag nader bekeken’, WFR 2021/55.
Idem, paragraaf 5.
Mededeling van 20 februari 1990, nr. DB89/6767, V-N 1990/1449, 7.
Op grond van art. 15, lid 2, onderdeel b, OESO-modelverdrag is de werkstaat heffingsbevoegd indien de werknemersbeloning door of namens een werkgever in de werkstaat is betaald. De Hoge Raad heeft in 2006 geoordeeld dat dit een materieel werkgeversbegrip betreft. Zie: HR 1 december 2006, nr. 38 850, ECLI:NL:HR:2006:AT3920, BNB 2007/75 met noot Van Raad, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1714 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 38 950, ECLI:NL:HR:2006:AT3918, BNB 2007/76 met noot Van Raad, V-N 2006/65.8 met noot Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1715 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 535, ECLI:NL:HR:2006:AT3928, BNB 2007/77 met noot Van Raad, V-N 2006/65.10 met noot van Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1716 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 710, ECLI:NL:HR:2006:AT3932, BNB 2007/78 met noot Van Raad, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1717 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 711, ECLI:NL:HR:2006:AZ3175, V-N 2006/65.9 met noot Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1718 met noot Wolvers; en HR 1 december 2006, nr. 40 088, ECLI:NL:HR:2006:AZ3169, BNB 2007/79 met noot Van Raad, V-N 2006/65.7 met noot Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1719 met noot Wolvers.Zie hierover ook mijn conclusie van 16 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:250.
A. Cordewener, ‘Directors’ Fees/Directors’ Fees and Remuneration of Top-Managerial Officials (art. 16)’ in: Klaus Vogel on Double Taxation Conventions (fourth edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2015, p. 1255-1256.
HR 15 juli 1997, nr. 32 016, ECLI:NL:HR:1997:AA2214, BNB 1997/298 met noot Van der Geld, V‑N 1997/2819,10 met noot Redactie, FED 1997/660 met noot van Herksen.
N. van der Baaren en S. Spauwen, ‘Een aantal aspecten van artikel 16 OESO-modelverdrag nader bekeken’, WFR 2021/55.
Zie F.P.G. Pötgens, ‘IBR 3.4.5.C Salary-split voor directeuren’, in: A.W. Hofman, M.L.M. van Kempen & A.C. Rijkers (red.), Cursus Belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer, en de daarin opgenomen voetnoten.
A. Cordewener, ‘Directors’ Fees/Directors’ Fees and Remuneration of Top-Managerial Officials (art. 16)’ in: Klaus Vogel on Double Taxation Conventions (fourth edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2015, p. 1256.
HR 11 juni 2004, nr. 37 714, ECLI:NL:HR:2004:AF7812, BNB 2004/344 met noot Prokisch, FED 2004/473 met noot Van der Vegt, V-N 2004/31.8 met noot Redactie, PJ 2004/104 met noot Mijnen, FutD 2004-1025 met noot Redactie, NTFR 2004/941 met noot Van Beelen.
De Hoge Raad heeft dit later ook bevestigd in: HR 1 december 2006, nr. 39 535, ECLI:NL:HR:2006:AT3928, BNB 2007/77 met noot Van Raad, V-N 2006/65.10 met noot van Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1716 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 710, ECLI:NL:HR:2006:AT3932, BNB 2007/78 met noot Van Raad, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1717 met noot Wolvers; HR 1 december 2006, nr. 39 711, ECLI:NL:HR:2006:AZ3175, V-N 2006/65.9 met noot Redactie, FutD 2006-2191 met noot Redactie, NTFR 2006/1718 met noot Wolvers, r.o. 3.3.
Conclusie van A-G Wattel bij HR 11 juni 2004, nr. 37 714, ECLI:NL:PHR:2004:AF7812.
H.E.P.J. van Eldonk en F.P.G. Pötgens, ‘Enige perikelen omtrent het bestuurdersartikel uit het verdrag met België’, WFR 1998/1517, par. 4.
NTFR 2022/427.
HR 6 december 2013, nr. 12/00252, ECLI:NL:HR:2013:1436, BNB 2014/38 met noot Boer, V-N 2013/61.6 met noot Redactie, FutD 2013-2952 met noot Redactie.
M. Tenore, ‘Timing Issues in the Application of Tax Treaties: Changes in the Applicable Treaty Law’, in: W. Haslehner, G. Kofler en A. Rust, Time and Tax. Issues in International, EU, and Constitutional Law (EUCOTAX Series on European Taxation, volume 62), Alphen aan den Rijn: Wolters Kluwer 2019, p. 51.
Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (hierna: Verdrag van Wenen). Zie voor de officiële Engelse en Franse tekst Trb. 1972,51 en voor de Nederlandse vertaling Trb. 1977,169.
Zie onder meer D.S. Smit, ‘De compartimenteringsleer en belastingverdragen’, TFO 2014/132.2.
K. von der Decken, ‘Application of Treaties’, in: O. Dörr en K. Schmalenbach, Vienna Convention on the Law of Treaties. A commentary (Second Edition), Springer-Verlag GmbH 2018, p. 548.
M. Tenore, ‘Timing Issues in the Application of Tax Treaties: Changes in the Applicable Treaty Law’, in: W. Haslehner, G. Kofler en A. Rust, Time and Tax. Issues in International, EU, and Constitutional Law (EUCOTAX Series on European Taxation, volume 62), Alphen aan den Rijn: Wolters Kluwer 2019, p. 54.
Bijlage bij de conclusies van A-G Wattel van 12 maart 2003, nrs. 37 714 en 38 112, ECLI:NL:PHR:2004:AF7812.
HR 5 september 1979, nr. 19 167, ECLI:NL:HR:1979:AX2718, BNB 1979/307 met noot Den Boer.
J. Wheeler, ‘Double Tax Relief and Time’, in: W. Haslehner, G. Kofler en A. Rust, Time and Tax. Issues in International, EU, and Constitutional Law (EUCOTAX Series on European Taxation, volume 62), Alphen aan den Rijn: Wolters Kluwer 2019, p. 42/43.
D.S. Smit, ‘De compartimenteringsleer en belastingverdragen’, TFO 2014/132.2, par. 3.7.
Zie G.T.W. Janssen, F.P.G. Pötgens en C. van Raad, ‘IBR 3.1.3.C De verhouding tussen verdragsrecht en nationaal recht in Nederland’, in: A.W. Hofman, M.L.M. van Kempen & A.C. Rijkers (red.), Cursus Belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer.
Vakstudie Algemeen Deel, art. 11 AWR, aantekening 1.11.50.
HR 13 december 1989, nr. 25 077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119 met noot Scheltens, FED 1990/84 met noot Smit, V-N 1990/902,7 met noot Redactie.
Het oordeel waartegen belanghebbende met dit middel opkomt ziet ook op de uitlegging van het bestuurdersbegrip uit het Verdrag Nederland-Argentinië. In cassatie klaagt belanghebbende echter niet meer hierover, zodat dit niet meer in geschil lijkt.
Zie onder meer HR 11 juni 2004, nr. 37 714, ECLI:NL:HR:2004:AF7812, BNB 2004/344 met noot Prokisch, FED 2004/473 met noot Van der Vegt, V-N 2004/31.8 met noot Redactie, PJ 2004/104 met noot Mijnen, FutD 2004-1025 met noot Redactie, NTFR 2004/941 met noot Van Beelen.
Conclusie van 16 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:250.