De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.5:2.5 Conclusie: vergelijken is relevant voor de Nederlandse bij dode opgerichte stichting
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.5
2.5 Conclusie: vergelijken is relevant voor de Nederlandse bij dode opgerichte stichting
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232299:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1.6.1 schreef ik dat rechtsvergelijking van belang kan zijn bij het begrijpen van de Nederlandse bij dode opgerichte stichting. Vergelijking met Duitsland en België was de wens. Om te kunnen vergelijken, moeten de rechtstelsels van Duitsland en België evenals het Nederlandse, echter wel de mogelijkheid bevatten tot oprichting van een stichting bij dode. Dit is het geval, zo bleek in 2.3.2.1 voor Duitsland en in 2.4.2.1 voor België.
Om te onderzoeken of vergelijking relevant is voor het onderzoek, heb ik in dit hoofdstuk de gemeenschappelijke historische achtergronden van de bij dode opgerichte stichting onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat deze achtergrond voor alle drie de landen gelijk is: de stichting ad pias causas. De historische ontwikkeling is duidelijk uiteen gaan lopen vanaf de negentiende eeuw. In Nederland werd het bestaan van stichtingen erkend, maar was het de vraag of na de invoering van het Burgerlijk Wetboek van 1838 nieuwe stichtingen konden worden opgericht. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 1882, W. 4800 (Weldadige Stichting van Heutz), bleek dat oprichting van nieuwe stichtingen mogelijk was, zonder overheidstoezicht of goedkeuring door de overheid.
De situatie in Duitsland wijkt sterk af van die in Nederland. Vooral in het autoritaire Pruisen en later in het Duitse Keizerrijk, wilde de overheid grip houden op het particuliere initiatief op gebieden die de overheid als eigen beleidsterreinen beschouwde. Het gevolg was dat stichtingen slechts mochten worden opgericht met toestemming van de overheid. De bemoeienis van de overheid hield echter niet op na de oprichting, maar ook tijdens het bestaan was sprake van een streng overheidstoezicht.
In België lag het weer iets anders. De angst voor de dode hand maakte dat de oprichting van stichtingen aan strenge beperkingen was onderworpen. Onder invloed van het gebruik van de Nederlandse stichting in België, is ook daar de wetgeving verregaand geliberaliseerd. Zo is het sinds 2003 mogelijk zonder toestemming van de overheid een private stichting op te richten, ook bij dode.
Het aantal stichtingen in Nederland, Duitsland en België ligt zeer uiteen. Nederland heeft het grootste aantal stichtingen, meer dan 227.000, Duitsland ongeveer 21.150 en België rond de 1200. Het grote aantal in Nederland kan worden toegeschreven aan de maatschappelijke ontwikkelingen sinds de Eerste Wereldoorlog. De afwezigheid van een wettelijke regeling en het ontbreken van overheidstoestemming voor de oprichting van stichtingen had tot gevolg dat de stichting zich in Nederland kon ontwikkelen van doelvermogen tot doelorganisatie. In Duitsland en België is dat niet gebeurd. In Duitsland hebben twee verloren wereldoorlogen tot gevolg gehad dat vele stichtingen met voordien (grote) vermogens, zijn verdwenen. Het toezicht bestaat in Duitsland nog steeds. Dit toezicht is door de wetswijziging van 2003 liberaler dan voorheen.
Een ander aspect dat in zowel Nederland, Duitsland als België belangrijk is voor de stichting, is de wil van de oprichter. De wil van de oprichter komt in het bijzonder naar voren in het uitgangspunt dat de statuten van de stichting, in het bijzonder het doel, niet gewijzigd kunnen worden. Het belang van de wil van de oprichter is in alledrie landen groot, maar niet onbeperkt. Onder omstandigheden kunnen de statuten worden aangepast, zelfs het doel. De regels hiervoor zijn echter zowel in Nederland als Duitsland en België streng.
Mijn conclusie is dat vergelijking relevant is voor het onderzoek naar de Nederlandse bij dode opgerichte stichting. Vanwege het onderwerp van deze studie, is geen sprake van een volledig onderzoek naar het Duitse en het Belgische stelsel. Alleen daar waar dit van belang is voor de Nederlandse bij dode opgerichte stichting, besteed ik aandacht aan de situatie in Duitsland of België. Dat is het geval bij de Duitse en Belgische oplossing van de problematiek van de bestaanseis bij de conversielast (te behandelen in 3.4.2), statutenwijziging (te bespreken in 4.4), de mogelijkheden tot begunstiging van de bij dode opgerichte stichting in hoofdstuk 6 en tot slot bij de fiscale behandeling van de bij dode opgerichte stichting in hoofdstuk 8.