Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.4.3.2:14.4.3.2 Inningsbevoegdheidsopvatting biedt geen rechtvaardiging voor de overgang van bevoegdheden
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.4.3.2
14.4.3.2 Inningsbevoegdheidsopvatting biedt geen rechtvaardiging voor de overgang van bevoegdheden
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299272:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann 2005, p. 67 stelt dat een dogmatische onderbouwing “niet nodig” is. Houdijk & Breeman 2016, voetnoot 35 geven toe dat de inningsbevoegdheidsopvatting “in feite een cirkelredenering is”.
Verdaas 2009, p. 287 betoogt bijvoorbeeld dat “een redelijke wetsuitleg” met zich brengt dat de inningsbevoegde van een vordering tevens de voor die vordering gevestigde zekerheidsrechten mag uitoefenen.
Noot Booms bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2016, JOR 2016/ 175.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
619. Voorstanders van de inningsbevoegdheidsopvatting menen in het overgaan van de inningsbevoegdheid van een vordering een verklaring te zien voor het overgaan van de bevoegdheid om de voor deze vordering gevestigde zekerheidsrechten uit te oefenen. Daarmee spannen zij het paard achter de wagen. Het klopt dat de actieve zekerheidsgerechtigde het passieve zekerheidsrecht niet kan uitoefenen voordat hij inningsbevoegd is ten aanzien van de vordering die door het passieve zekerheidsrecht wordt gesecureerd. Dat is echter geen verklaring voor het overgaan van deze bevoegdheid, maar een toepassingsvoorwaarde. áls eenmaal een rechtvaardiging bestaat voor het overgaan van de bevoegdheid om het passieve zekerheidsrecht uit te oefenen, dan bepaalt het overgaan van de inningsbevoegdheid het moment waarop dat gebeurt. Gaat echter de inningsbevoegdheid van een vordering over zonder dat er een rechtvaardiging bestaat voor het uitoefenen van de voor die vordering gevestigde zekerheidsrechten, dan kan de inningsbevoegde partij de zekerheidsrechten niet uitoefenen (zie bijvoorbeeld randnummer 623). Er is dus sprake van twee vereisten, waaraan beide voldaan moet zijn voordat een afhankelijk zekerheidsrecht door een ander dan de rechthebbende ervan kan worden uitgeoefend. De inningsbevoegdheidsopvatting verwart de boel, door te stellen dat het voldoen aan de toepassingsvoorwaarde – inningsbevoegd worden – tegelijkertijd de rechtvaardiging biedt voor de overgang van de bevoegdheid om het passieve zekerheidsrecht uit te oefenen. Hetzelfde doet de Hoge Raad in het hierboven weergegeven citaat, door te stellen dat de inningsbevoegdheid tevens de bevoegdheid om de passieve afhankelijke zekerheidsrechten uit te oefenen ‘omvat’.
620. Voorstanders van de inningsbevoegdheidsopvatting geven toe dat deze geen dogmatische verklaring kan bieden voor het overgaan van de bevoegdheid om passieve zekerheidsrechten uit te oefenen.1 In plaats daarvan wijzen zij op de wenselijkheid van het resultaat van hun opvatting.2 Met de wenselijkheid van het resultaat kan ik mij verenigen. In algemene zin dienen bevoegdheden die bij een vordering behoren toe te komen aan degene die belang heeft bij de inning van die vordering.3 De vraag is daarom of het mogelijk is om de resultaten van de inningsbevoegdheidsopvatting overeind te houden, maar ze te voorzien van een steviger dogmatisch fundament. Dat bespreek ik hieronder.