NJ 2025/127
Procesrecht. Onmiddellijkheidsbeginsel in verschoningsrechtincident. Functioneel verschoningsrecht bedrijfsarts (art. 88 Wet BIG); uitzondering op beroepsgeheim (art. 14 Arbeidsomstandighedenwet).
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:162, m.nt. J. Legemaate
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Mrs. T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, K. Teuben
- Zaaknummer
23/03270
- Conclusie
A-G mr. G.R.B. van Peursem
- Noot
J. Legemaate
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13651:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Gezondheidsrecht / Individuele gezondheidszorg
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:162, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:764, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑08‑2023
- Wetingang
Samenvatting
Er is geen reden van de hoofdregel over het onmiddellijkheidsbeginsel (HR 22 december 2019, NJ 2019/145, m.nt. W.D.H. Asser) af te wijken in een incident waarin over een beroep op verschoningsrecht wordt beslist. De getuige die partij is in een verschoningsrechtincident heeft er, gelijk alle partijen, belang bij dat hij zijn standpunten daaromtrent kan toelichten ten overstaan van de rechters die oordelen over de zaak, dat wil zeggen over zijn beroep op verschoningsrecht. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.