Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/7.4.2.3
7.4.2.3 Formeel recht op overeenkomst tot arbitrage bij arbitrage buiten Nederland
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS502224:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Strikt genomen kan art. II lid 3 NYC ook toepassing vinden als bij de Nederlandse rechter een beroep wordt gedaan op de overeenkomst tot arbitrage waaruit voortvloeit dat de arbitrage in Nederland moet plaatsvinden (zie 6.2.3.3).
VAN DEN BERG (diss.), blz. 123 en 170; vgl. ook Bundesgerichtshof 8 oktober 1981 (COMITAS, MUTUAMAR &LEVANTE/SOVAG), Yearb. Comm. Arb. 1983, blz. 366: 'The New York Convention, being a multilateral convention, is to be interpreted in an autonomous manner (...) which interpretation is to be especially focussed on its text, meaning, purpose and history (...).'; ik wijs voorts op art. 31-33 Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht.
VAN DEN BERG (diss.), blz. 126-128.
VAN DEN BERG (diss.), blz. 291-295.
VAN DEN BERG (diss.), blz. 292-293.
Vgl. VAN DEN BERG (diss.), blz. 293; het eigenaardige is wel dat men met de stilzwijgende rechtskeuze uitkomt op het recht van de plaats van arbitrage, terwijl dit recht ook al van toepassing is volgens de daaropvolgende verwijzingsregel in art. V lid 1 (a) NYC die voor toepassing in aanmerking komt als geen rechtskeuze mag worden aangenomen.
Zie omtrent dit uitgangspunt in het algemeen kritisch VAN DEN BERG (diss.), blz. 293 met vermelding van literatuur.
Zie ook VAN DEN BERG (diss.), blz. 293: 'The main contract and the arbitral clause have different objects: the main contract concerns the relationship between the parties as to the substance; the arbitral clause is concerned with the procedure for settling disputes arising out of the main contract.'.
Anders kennelijk VAN DEN BERG (diss.), blz. 293 op de grond dat 'If the parties provide a general choice of law clause, they intend to give a directive to the arbitrator as to which law he has to apply to the substance. The distinction between substance and procedure would then preclude that the directive given to the arbitrator would also be an 'indication' of a choice of the law governing the arbitration. It would therefore seem that the later can be achieved only by a distint express agreement.'. Ik zie het zo dat art. V lid 1 (a) NYC expliciet ziet op een keuze voor het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk recht, terwijl op de overeenkomst tot arbitrage niet alleen formeel recht (ofwel arbitragerecht), doch wel degelijk ook materieel recht van toepassing is (zie 7.4.1).
Vgl. ook VAN DEN BERG (diss.), blz. 292 die opmerkt dat 'the use of the faculty to designate an arbitration law which is different from the law of the country where the award is to be made is not to be recommended as it may lead to inextricable complications.'.
Zulks is slechts anders als het land waarin de arbitrage plaatsvindt zo'n rechtskeuze toelaat; vgl. ook art. I lid 1, slotzin, NYC betreffende de genoemde 'arbitral awards not considered domestic awards in the State where their recognition and enforcement are sought' (zie 6.2.3.2) dat tevens de reden lijkt te zijn geweest voor toevoeging van de rechtskeuze in art. V lid 1 (a) NYC (VAN DEN BERG (diss.), blz. 292).
VAN DEN BERG (diss.), blz. 295; vgl. (enigszins anders) ook H. VAN Hou'rrE, Why Not Include Arbitration in the Brussels Jurisdiction Regulation?, Arbitration International 2005, blz. 517 die bepleit dat 'this validity is govemed by the law of the seat of the arbitration and by the law of the contract (...).' (zie — m.n. voor 'the law of the contract' — ook 7.4.3.3 sub b).
VAN DEN BERG (diss.), blz. 86-88.
Zie ook Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1076, aant. 1; wellicht enigszins anders SANDERS, Het nieuwe arbitragerecht, art. 1076, aant. 1 in fine en SANDERS in zijn noot bij Pres. Rb. Amsterdam 24 april 1991, TvA 1991, blz. 184.
Overigens kan men zich afvragen of de gewone rechter niet 'eenvoudigweg' ingevolge art. 25 Rv gehouden is tot ambtshalve toepassing van art. II NYC of art. 1074 lid 1 Rv (dit voorzover aan de voorwaarden van één van beide bepalingen geheel is voldaan) als een partij zich erop beroept dat de gewone rechter de zaak niet zelf mag afdoen op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage tussen partijen bestaat.
MvA II, TvA 1986, blz. 93.
Arbitragerecht (VAN DEN BERG), 10.2.1 en Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1074, aant. 1; vgl. ook STRIKWERDA, nos. 5 en 70 e.v.
Arbitragerecht (VAN DEN BERG), 9.3.3; in elk geval is — buiten de gevallen waarin een keuze voor het toepasselijk formeel recht is toegelaten—niet het Nederlands arbitragerecht (art. 1020-1073 Rv) van toepassing (zie art. 1073 lid 1 Rv) (vgl. ook Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1074, aant. 1).
Voor het Verdrag van New York heeft min of meer hetzelfde te gelden (dit op grond van de term 'may' in art. V lid 1, aanhef, NYC) (VAN DEN BERG (diss.), blz. 265-266).
Ingevolge HR 29 april 1994 (EdelsyndicaatiVan Hout), NJ 1994, 488 zal 'voor alle weren' mijns inziens ruim mogen worden uitgelegd; aldus lijkt niet noodzakelijk is dat dit beroep wordt gedaan voor alle andere weren; voldoende, doch tevens noodzakelijk is, dat het beroep geschiedt in de eerst ingediende schriftelijke conclusie of — als mondeling wordt geantwoord — in het eerste mondelinge antwoord.
Zie voor het tot voor kort geldende Antilliaanse en Arubaanse procesrecht bijvoorbeeld HR 27 mei 1994, (Medio Credito Toscano/Princess Juliana International Airport), NJ 1994, 575: '3.2 (...). Het onderdeel is gegrond, voor zover het betoogt dat naar Nederlands-Antilliaans burgerlijk procesrecht een beroep op een arbitraal beding niet mag worden aangemerkt als een v66r alle weren op te werpen exceptief verweer, doch is te beschouwen als een verweer ten principale, dat ook ná conclusie van antwoord kan worden gevoerd (...).'; uit art. 1020 lid 1 Antilliaans en Arubaans Rv jo. art. 8 Modelwet volgt dat het beroep op de overeenkomst tot arbitrage thans 'not later than when submitting his first statement on the substance of the dispute' moet worden gedaan.
REDFERN & HUNTER, 10.24 (zie ook noot 172).
Anders (mijns inziens ten onrechte) Pres. Rb. Almelo 19 juli 2000, NJ kort 2000, 63, TvA 2001, blz. 122, m.nt. G.J. MEDEA.
Zie ook REDFERN & HUNTER, 10.24 (die signaleren dat buitenlandse rechters zich op dit punt wel wat aan — het uitgangspunt van — het Engels recht gelegen laten liggen, doch (in 9.14 van de derde editie) 'toegeven' dat die rechters daaraan niet zijn gebonden).
BERGER, blz. 735 (zij het met de nodige kritiek); vgl. ook HOLTZMANN & NEUHAUS, blz. 1093; overigens bestaat wel alle ruimte om bij de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging rekening te houden met een wél ingestelde vordering tot vernietiging in het land van herkomst (zie daartoe art. V lid 1 (e) en art. VI NYC alsmede art. 1076 lid 7 Rv).
In dezelfde zin Burg. Rv. (Snijders), art. 1076, aant. 3; anders SANDERS, Het Nederlandse arbitragerecht, blz. 227.
Art. 1076 lid 1 A (a) Rv beperkt de toepassing van het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk recht tot de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt en ziet niet op de verwerking of het verval van het recht zich tegen tenuitvoerlegging te verzetten op de grond dat niet tijdig een actie tot vernietiging is ingesteld.
(a) Competentie van gewone rechter volgens het Verdrag van New York
Indien een partij zich bij de gewone rechter beroept op een geldige arbitrageovereenkomst waaruit voortvloeit dat de arbitrage buiten Nederland moet plaats hebben, zal de gewone rechter partijen op grond van art. II lid 3 NYC naar arbitrage verwijzen:
’3. The court of a Contracting State, when seized of an action in a matter in respect of which the parties have made an agreement within the meaning of this article, shall, at the request of one of the parties, refer the parties to arbitration, unless it fmds that the said agreement is null and void, inoperative, or incapable of being performed."1
Het Verdrag van New York ziet immers niet alleen op de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen, doch ook op de erkenning van de arbitrageovereenkomst (zie ook 6.2). Een partij kan zich overigens ook beroepen op ons eigen recht terzake (art. 1074 lid 1 Rv). Thans komt het beroep op een geldige overeenkomst tot arbitrage volgens het Verdrag van New York aan de orde (zie 7.4.2.3 sub b voor de toepassing van art. 1074 lid 1 Rv).
Vraag is volgens welk formeel recht de gewone rechter moet oordelen of tussen partijen een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat.
Art. II lid 3 NYC refereert aan "an agreement within the meaning of this article". Art. II NYC behelst geen regel of indicatie inzake het toepasselijk (formeel) recht op de arbitrageovereenkomst, doch kent wel zelf formele eisen waaraan de overeenkomst tot arbitrage moet voldoen, wil zij voor erkenning in aanmerking komen. Art. II lid 1 NYC verlangt dat de overeenkomst schriftelijk is en dat zij ziet op (bestaande of toekomstige) geschillen met betrekking tot een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking betreffende een geschil dat vatbaar is voor arbitrage. Art. II lid 2 NYC bepaalt wat als geschrift in art. II lid 1 NYC in aanmerking komt:
’The term 'agreement in writing' shall include an arbitral clause in a contract or an arbitration agreement, signed by the parties or contained in an exchange of letters or telegrams."
De in art. II leden 1 en 2 NYC genoemde eisen vormen uniform recht en moeten verdragsautonoom worden uitgelegd.2 Gelet op de zojuist genoemde tamelijk strenge formele eisen van art. II NYC zullen niet veel punten resteren die op grond van nationaal formeel recht (arbitragerecht) moeten worden opgelost. Vragen betreffende de totstandkoming van een geldige overeenkomst tot arbitrage die wij niet op grond van art. II leden 1 en 2 NYC kunnen afdoen, zullen wij niettemin (mede) moeten oplossen volgens het op de overeenkomst toepasselijk formeel recht.
Vooropgesteld zij dat het Verdrag van New York zelf geen onderscheid maakt tussen het toepasselijk formeel recht en het toepasselijk materieel recht dat op de overeenkomst tot arbitrage van toepassing is en dat voor beide dezelfde regel geldt. Wij zullen ons thans evenwel met name op het toepasselijk formeel recht richten (dat mogelijk naast de formele eisen van art. II leden 1 en 2 NYC voor toepassing in aanmerking komt), al zal voor het toepasselijk materieel recht in beginsel hetzelfde hebben te gelden (zie voor het toepasselijk materieel recht ook 7.4.3.3 sub b).
Art. II NYC zelf bepaalt niet welk recht op de arbitrageovereenkomst van toepassing is. Art. V lid 1 (a) NYC kent daarentegen wel een bepaling met betrekking tot het op de arbitrageovereenkomst toepasselijk recht:
’The parties to the agreement referred to in aaide II were, under the law applicable to them, under some incapacity, or the said agreement is not valid under the law to which the parties have subjected it or, fading any indication thereon, under the law of the country where the award was made; (...)" [cursief toegevoegd]
Art. V lid 1 (a) NYC ziet strikt genomen alleen op de weigering van erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen wegens het ontbreken van een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst tot arbitrage. Mijns inziens wordt, gelet op het systeem van het verdrag en de geschiedenis van de totstandkoming ervan, terecht aangenomen dat de conflictregel in art. V lid 1 (a) NYC ook moet gelden voor de erkenning van de arbitrageovereenkomst krachtens art. II NYC.3 Overigens moet ook de conflictregel van art. V lid 1 (a) NYC verdragsautonoom worden uitgelegd.4
Ingevolge art. V lid 1 (a) NYC is op de arbitrageovereenkomst het recht van toepassing dat partijen van toepassing hebben verklaard. Indien geen enkele aanwijzing voor een bepaalde rechtskeuze bestaat, is van toepassing het recht van het land waar het vonnis is gewezen.
Partijen maken zelden of nooit uitdrukkelijk expliciet een rechtskeuze met betrekking tot de overeenkomst tot arbitrage. Het is niet geheel onomstreden of de rechtskeuze ook impliciet kan geschieden.5 De zinsnede "(...) under the law to which the parties have subjected it, or fading any indication thereon, under the law of the country where the award was made (...)" in art. V lid 1 (a) NYC doet mijns inziens evenwel sterk vermoeden dat een stilzwijgende rechtskeuze mogelijk is.
Uit de bepaling van de plaats van arbitrage wordt wel een (stilzwijgende) keuze voor het recht (dit met inbegrip van het formeel recht of arbitragerecht) van de plaats van arbitrage als het op de arbitrageovereenkomst toepasselijk recht afgeleid.6 Verdedigd wordt, geheel anders, ook wel dat uit de rechtskeuze voor het op de hoofdovereenkomst toepasselijk recht een (stilzwijgende) keuze voor het recht van de plaats van arbitrage als het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk recht mag worden afgeleid.7 Men kan zich afvragen of de (stilzwijgende) rechtskeuze voor het op de hoofdovereenkomst toepasselijk recht op het punt van het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk formeel recht of arbitragerecht überhaupt enige betekenis kan toekomen. Immers, de rechtskeuze voor het op de hoofdovereenkomst toepasselijk recht zal toch het op de hoofdovereenkomst toepasselijk materieel recht betreffen. Ik meen dan ook dat daaruit geen (stilzwijgende) rechtskeuze voor het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk formeel recht of arbitragerecht worden afgeleid.8 Daarentegen lijkt het wel mogelijk uit de rechtskeuze voor het op de hoofdovereenkomst toepasselijk materieel recht een (stilzwijgende) rechtskeuze voor het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk materieel recht af te leiden (zie daartoe 7.4.3.3 sub a-3 en 7.4.3.3 sub b).9
Wij zien dat het Verdrag uitgaat van een rechtskeuze voor het toepasselijk recht op de overeenkomst tot arbitrage, dit met inbegrip van het toepasselijk formeel recht of arbitragerecht. We hebben ook gezien dat tegenwoordig volgens nationaal recht veelal geen rechtskeuze voor het toepasselijk formeel recht of arbitragerecht is toegelaten en dat het arbitragerecht van de plaats van arbitrage van toepassing is (dit ook op de overeenkomst tot arbitrage voorzover het de aangelegenheden betreft die in het arbitragerecht aan de orde komen) (vgl. ons art. 1073 lid 1 Rv) (zie 7.4.2). Indien de gewone rechter op grond van het (expliciet of impliciet) gekozen formeel recht of arbitragerecht concludeert dat een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat en het gekozen arbitragerecht afwijkt van het formeel recht of arbitragerecht van de plaats van arbitrage, is het mogelijk dat het scheidsgerecht volgens het arbitragerecht van de plaats van arbitrage moet concluderen dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt.10 Men zal dus niet spoedig concluderen dat een stilzwijgende rechtskeuze voor het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk formeel recht of arbitragerecht is gedaan dat afwijkt van het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk formeel recht of arbitragerecht van de plaats van arbitrage.11
Ontbreekt een rechtskeuze, dan is van toepassing het recht van het land waar het vonnis zal worden gewezen. In het algemeen is dat het recht (met inbegrip van het formeel recht of arbitragerecht) van de plaats van arbitrage.12
Gelet op de genoemde tamelijk strenge eis van geschrift in art. II lid 2 NYC zelf, waaraan de gewone rechter ingevolge art. II lid 3 NYC moet toetsen, wordt het beroep op de overeenkomst tot arbitrage nogal eens volgens art. 1074 lid 1 Rv afgedaan. Ik zal daarop thans ingaan (zie 7.4.2.3 sub b).
(b) Competentie van gewone rechter volgens Nederlands recht (art. 1074 lid 1 Rv)
Indien een partij zich bij de Nederlandse rechter beroept op een arbitrageovereenkomst waaruit voortvloeit dat de arbitrage buiten Nederland moet plaats hebben, kan de gewone rechter ook volgens art. 1074 lid 1 Rv bezien of hij zich op grond van een tussen partijen een geldige overeenkomst tot arbitrage onbevoegd moet verklaren.
We zagen dat ook het Verdrag van New York een bepaling kent inzake het beroep bij de gewone rechter op een overeenkomst tot arbitrage waaruit voortvloeit dat arbitrage in het buitenland moet plaats hebben (art. II lid 3 NYC). Indien het Verdrag van New York van toepassing is, kan een partij zich ingevolge het meestbegunstigingsbeginsel eveneens beroepen op gunstiger nationaal recht (zie art. VII lid 1 NYC). Het meestbegunstigingsbeginsel, ofschoon dit letterlijk genomen alleen ziet op de erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, geldt ook met betrekking tot de erkenning van de arbitrageovereenkomst (zie 6.2.3.3).13 Een partij kan bij een beroep op een geldige arbitrageovereenkomst waaruit arbitrage buiten Nederland voortvloeit daarom niet alleen een beroep doen op art. II lid 3 NYC, doch ook op ons nationaal recht terzake (art. 1074 lid 1 Rv). Van de desbetreffende partij wordt geen keuze verwacht zodat zij bij een beroep op een arbitrageovereenkomst beide regelingen (meestal primair de ene en subsidiair de andere) zal kunnen inroepen. Wil dat beroep slagen, zal wel aan alle voorwaarden van één van beide regelingen geheel moeten zijn voldaan.14 Het beroep kan niet slagen als voldaan is aan bepaalde voorwaarden van de ene regeling en aan bepaalde voorwaarden van de andere regeling.15
Art. 1074 lid 1 Rv luidt:
’De rechter in Nederland bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten waaruit voortvloeit dat arbitrage buiten Nederland moet plaatsvinden, verklaart zich onbevoegd, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is onder het op die overeenkomst toepasselijk recht."
Volgens de toelichting op art. 1074 lid 1 Rv moet dit op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk recht worden vastgesteld volgens de algemene regels van internationaal privaatrecht.16 Vraag is welke algemene regels van internationaal privaatrecht, dus welk conflictenrecht, precies moet worden toegepast. Het ligt voor de hand dat men daarbij de lex fort, dus de Nederlandse regels van internationaal privaatrecht, op het oog heeft.17
Het Nederlands internationaal privaatrecht knoopt voor de bepaling van het toepasselijk arbitragerecht aan bij de plaats van arbitrage (vgl. het gelijkluidende uitgangspunt in art. 1073 lid 1 Rv dat een algemeen aanvaarde regel van internationaal privaatrecht vormt). Op de arbitrageovereenkomst is dus het formeel (arbitrage)recht van de plaats van arbitrage van toepassing (vgl. ook art. 1 lid 2 Modelwet Arbitrage en art. V lid 1 (a) NYC).18 Ik meen dat wij niet een regel kennen die ook voor het formeel recht of arbitragerecht op de overeenkomst tot arbitrage een rechtskeuze toelaat (vgl. het bepaalde in art. 1073 lid 1 Rv) (zie ook 7.4.2.2).
Het is overigens mogelijk dat het — ingevolge vorenstaande conflictregel toepasselijk formeel recht toelaat dat partijen een keuze maken voor bepaald formeel recht dat op de arbitrage — alsmede op de overeenkomst tot arbitrage — moet worden toegepast. Alsdan zal — via het formeel recht van de plaats van arbitrage — uiteindelijk het volgens partijen gekozen formeel recht toepassing vinden.
(c)Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlands vonnis volgens Verdrag van New York
De vraag van formeel toepasselijk recht op de arbitrageovereenkomst komt ook aan de orde bij de erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis krachtens het Verdrag van New York (art. 1075 Rv jo. art. V leden 1 (a) en 2 NYC). Bij de erkenning van de arbitrageovereenkomst en de erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis gelden voor de vaststelling van het toepasselijk recht dezelfde conflictregels (zie 7.4.2.3 sub a).
(d)Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlands vonnis volgens Nederlands recht
Erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis zijn mogelijk krachtens verdrag (art. 1075 Rv) en buiten verdrag (art. 1076 Rv).
Indien geen verdrag van toepassing is kunnen erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis in Nederland buiten verdrag geschieden op grond van art. 1076 Rv.
Ook als een verdrag van toepassing is, kan een buitenlands arbitraal vonnis in Nederland worden erkend en tenuitvoergelegd als dit verdrag erkenning en tenuitvoerlegging krachtens nationaal recht toelaat (art. 1076 lid 1 Rv). Het Verdrag van New York maakt het krachtens het meestbegunstigingsbeginsel (ex art. VII lid 1 NYC) mogelijk dat een partij zich voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis beroept op gunstiger nationaal recht. Toepassing van art. 1076 Rv kan gunstiger uitvallen dan het Verdrag van New York, dit met name gezien de tamelijk strenge formele eisen die het Verdrag van New York stelt aan de overeenkomst tot arbitrage (art. II leden 1 en 2 NYC). Ons recht knoopt in art. 1076 lid 1 A (a) Rv immers aan bij het op de overeenkomst tot arbitrage toepasselijk recht, dat gunstiger kan zijn dan art. II lid 3 NYC. Hiermee is overigens onmiddellijk de aanzet tot de regel van conflictenrecht gegeven die voor erkenning en tenuitvoerlegging krachtens art. 1076 Rv geldt.
Ingevolge art. 1076 lid 1 A (a) Rv kunnen erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis worden geweigerd indien:
’(...) een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt onder het op die overeenkomst toepasselijk recht (...)"
Hierbij geldt vrijwel hetzelfde als bij de vraag of de competentie van de Nederlandse rechter ontbreekt wegens het bestaan van een geldige arbitrageovereenkomst waaruit arbitrage buiten Nederland voortvloeit op grond van art. 1074 lid 1 Rv. Het formeel recht (arbitragerecht) van de plaats van arbitrage is van toepassing (vgl. het uitgangspunt in art. 1073 lid 1 Rv dat een algemeen aanvaard beginsel van internationaal privaatrecht vormt) (zie 7.4.2.3 sub b).
Wel kent art. 1076 lid 2 Rv een eigen regel voor het verval van recht betreffende het beroep op een ontbrekende arbitrageovereenkomst.
’De grond onder Aa van het eerste lid leidt niet tot weigering van erkenning of tenuitvoerlegging, indien de partij die zich daarop beroept, in het arbitraal geding is verschenen en heeft nagelaten voor alle weren een beroep te doen op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldig overeenkomst tot arbitrage ontbreekt."19
Ongeacht het op het arbitraal geding toepasselijk recht betreffende het moment waarop een in het geding verschenen partij zich erop moet beroepen dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt, bepaalt art. 1076 lid 2 Rv dat erkenning en tenuitvoerlegging niet kunnen worden geweigerd als zij dit niet voor alle weren heeft gedaan.20 Ofschoon dit beroep volgens het toepasselijk arbitragerecht meestal wel tijdig moet worden gedaan, is het niet uitgesloten dat dit beroep volgens het op het arbitraal geding toepasselijk recht nog op elk moment in het arbitraal geding kan worden gedaan.21 De eis in art. 1076 lid 2 Rv gaat in dit opzicht tamelijk ver. Andersom is het mogelijk dat het op de arbitrage toepasselijk recht voorziet in verval van recht of rechtsverwerking waarin art. 1076 lid 2 Rv op zijn beurt niet voorziet. Zo heeft een partij volgens Engels arbitragerecht het recht verwerkt om zich bij de tenuitvoerlegging van een Engels arbitraal vonnis in Engeland erop te beroepen dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt als de termijn voor een vordering tot vernietiging is verlopen en de desbetreffende partij niet tijdig een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op de grond dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt heeft ingesteld (dit ook als de desbetreffende partij zich wel tijdens het arbitraal geding op de ontbrekende geldige arbitrageovereenkomst heeft beroepen).22 Ik meen dat de daartoe in aanmerking komende partij bij een verzoek tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van het Engels arbitraal vonnis in Nederland op grond van art. 1076 leden 1 A (a) en 2 Rv niet op de grond waarop volgens Engels recht het recht daartoe is vervallen (te weten dat zij niet (tijdig) een vordering tot vernietiging bij de Engelse rechter heeft ingesteld) het recht heeft verwerkt zich erop te beroepen dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt (dit, ook al is de Engelse rechter daaraan bij de tenuitvoerlegging wel gebonden).23 De Nederlandse rechter moet bij een verzoek tot tenuitvoerlegging van het Engels arbitraal vonnis zelfstandig beslissen of een geldige arbitrageovereenkomst tussen partijen bestaat (dit overigens met inbegrip van de toets of de desbetreffende partij in het arbitraal geding is verschenen en zich daarin tijdig erop heeft beroepen dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt).24 Hij zal zich aan een beslissing niet kunnen onttrekken op de grond dat de desbetreffende partij in het land van de herkomst van het arbitraal vonnis niet (tijdig) een vordering tot vernietiging heeft ingesteld of heeft willen instellen. De tenuitvoerlegging en de vernietiging van het arbitraal vonnis vormen in dit opzicht gescheiden regimes.
’Setting-aside and enforcement constitute two different proceedings with different subject matters (...). In view of the different purposes and effects of setting aside and invoking grounds for refusal of recognition or enforcement a party should be free to avail itself of either or both of these altemative systems of defense (...). It was generally regarded as unjustified to restrict the losing party's defense to the action for setting aside within the three-month time period (...)."25
Aldus omvat het op de arbitrageovereenkomst toepasselijk recht als bedoeld in art. 1076 lid 1 A (a) Rv mijns inziens niet het Engels arbitragerecht inzake rechtsverwerking als zojuist bedoeld.26 Zulks is met het oog op het recht op toegang tot de gewone rechter ook gewenst (en wellicht zelfs noodzakelijk). Ook dogmatisch is het uitgangspunt juist. Een regel die een partij belet om zich in een geding bij de gewone Engelse rechter strekkende tot de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van een Engels arbitraal vonnis in Engeland, erop te beroepen dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt op de grond dat zij niet tijdig een vordering tot vernietiging bij de gewone Engelse rechter heeft ingesteld, is een regel die het geding bij de gewone rechter in het land van de plaats van arbitrage betreft. Die regel is niet (mede) van toepassing op de arbitrageovereenkomst en overigens evenmin op het arbitraal geding zelf.27