Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.2
18.3.1.2 Geen historisch verband met art. 6 EVRM
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500785:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de Nederlandse strafwetgever bij mijn weten niet heeft aangegeven dat het strafrechtelijk zwijgrecht het EVRM-zwijgrecht voldoende waarborgt, maakt haar bestaan zeer waarschijnlijk wel dat aan codificatie van het EVRM-zwijgrecht, zoals de Nederlandse bestuurswetgever voorstaat met het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb, in strafzaken geen behoefte bestaat.
Zie onder meer Corstens 2014, p. 306 e.v. Anders Bosch 2009, p. 782, die meent dat art. 29 Sv uitdrukking geeft aan het beginsel dat niemand verplicht of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. In gelijke zin Cleiren e.a. 2013, aant. 1 bij art. 29 Sv en de daar genoemde literatuur. Van Veen, noot onder HR 5 januari 1982, NJ 1982, 308, noemt het zwijgrecht ex art. 29, lid 1 Sv een uitzondering op het beginsel, dat de verdachte wel tot medewerking kan en mag worden verplicht.
HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 405 (m.nt. Van Veen), r.o. 5.1.2.
Zie onder meer HR 15 februari 1977, NJ 1977, 557 (m.nt. Mulder). Daarin overweegt de strafkamer dat in het Nederlandse recht niet een onvoorwaardelijk recht of beginsel is verankerd dat niemand kan worden gehouden op welke wijze ook tot het verschaffen van bewijsmateriaal dat mogelijk voor hem bezwarend kan zijn. Het bestaan van zo een recht of beginsel volgt niet uit het in art. 29, lid 1 Sv toegekende recht om op vragen niet te antwoorden, aldus de strafkamer. Zie eerder § 1.7.1.1.
Zie § 5.3 hiervoor.
Het strafrechtelijk zwijgrecht dateert uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Het geeft in ieder geval historisch gezien geen uitdrukking aan het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting.1 Of het strafrechtelijk zwijgrecht wel wortelt in het nemo tenetur-beginsel, is ongewis. In de literatuur is verdedigd dat art. 29 Sv eerder een exponent is van de gedachte dat niet teveel pressie op de verdachte mag worden uitgeoefend.2 Volgens de strafkamer van de HR berust het zwijgrecht op het beginsel, dat een verdachte niet mag worden verplicht actief medewerking te verlenen aan wat tot zijn veroordeling kan leiden, behoudens in bij de wet voorziene uitzonderingsgevallen.3 Dit kan worden uitgelegd als een verwijzing naar het nemo tenetur-beginsel, maar verschillende uitspraken van de raad wijzen in een tegengestelde richting.4
Gelet op de centrale plaats die de notie van dwang in de Straatsburgse nemo tenetur-problematiek inneemt, is het onderscheid tussen het pressieverbod in art. 29, lid 1 Sv enerzijds en het recht tegen gedwongen zelfbelasting anderzijds, vrij arbitrair. In ieder geval voor zover de grondslag van deze waarborgen de betrouwbaarheid van het bewijs is. Die betrouwbaarheid wordt minder naarmate de op de verdachte uitgeoefende dwang toeneemt.5