Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.2.6
5.2.6 Onvoorziene omstandigheden
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS501469:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In beginsel gaan overeenkomsten onder algemene titel over. De specifieke regeling houdt kort gezegd in dat een partij bij een overeenkomst die meent benadeeld te worden omdat de contractspartij bij een juridische fusie of splitsing betrokken is waarvan naar redelijkheid en billijkheid is vast te stellen dat de overeenkomst niet ongewijzigd in stand behoort te blijven, ontbinding of wijziging van die overeenkomst van de rechter kan vorderen. Niet relevant is in welke hoedanigheid een contractspartij betrokken is. Bij een juridische fusie kan dit zowel de verkrijgende rechtspersoon, de toekennende rechtspersoon (artikel 2:334 lid 3 BW heeft het over verplichtingen en geeft daarom geen uitzondering aan voor toepasselijkheid van artikel 2:322 BW), de verdwijnende rechtspersoon als een andere contractspartij zijn. Bij een juridische splitsing kan de contractspartij de splitsende rechtspersoon, de toekennende rechtspersoon (artikel 2:334ii BW geeft eenzelfde regeling als artikel 2:334 lid 3 BW), de verkrijgende rechtspersoon dan wel een andere contractspartij zijn. De rechter heeft de mogelijkheid een overeenkomst te wijzigen of te ontbinden gedurende een beperkte periode, te weten zes maanden na deponering van de notariële akte bij het handelsregister. Daar staat tegenover dat eventuele schade die het gevolg is van de ontbinding of wijziging door de wederpartij vergoed dient te worden. Het enkele feit dat er sprake is van fusie of splitsing is op zichzelf niet voldoende reden om wijziging of ontbinding van een overeenkomst te vorderen. Artikel 6:258 BW kan na genoemde periode niet meer van toepassing zijn aangezien de regeling van Boek 2 BW uitputtend werkt.
Zie voor analoge toepassing op borgtocht: R.H. Maatman en P.A.W.M. Spijkers, 'Juridische fusie en borgtocht', WPNR 1989-5936, p. 654.
Zie voor samenloop artikel 2:322 en 6:258 BW: L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1996, p. 299-301. Samenloop doet zich bij rechtsvormwijziging niet voor.
Zie hiervoor 3.8 en 3.9.
Zie hiervoor onder 5.2.5.
Zie onder meer L. Reurich, Het wijzigen van overeenkomsten en de werking van redelijkheid en billijkheid, Deventer: Kluwer 2005, p. 93-100.
HR 25 juni 1999, NI 1999, 602 (Vereniging voor de Effectenhandel/CSM) en JOR 1999/176.
Asser-Hartkamp 4-11, nr. 335.
De gehanteerde criteria uit Boek 2 BW en Boek 6 BW zijn niet identiek maar vertonen wel veel gelijkenis. De fusie en splitsingsregeling handelt over 'een overeenkomst (...) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven.' Op grond van de fusie- en splitsingsregeling kan de rechter een overeenkomst wijzigen of ontbinden terwijl op basis van de algemene bepaling van Boek 6 BW de rechter de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen. De overeenkomst kan verder geheel of gedeeltelijk worden ontbonden. Dat betekent dat enerzijds de rechter meer vrijheid heeft op basis van de bepaling van Boek 6 BW, namelijk tot gehele of gedeeltelijke ontbinding terwijl op basis van de fusie- en splitsingsregeling de rechter niet de overeenkomst gedeeltelijk kan ontbinden. Een rechter kan wellicht wel tot gedeeltelijke ontbinding van een overeenkomst besluiten op basis van de wijzigingsbevoegdheid die een rechter heeft bij fusie en splitsing.
Op basis van het Haviltex-criterium.
Artikel 6:258 lid 3 BW
HR 20 februari 1998, NI 1998, 493 (Briljant Schreuders/ABP).
Artikel 6:258 lid 2 BW
Zie 5.2.3.2.
Zie 4.5.3.1. en 4.5.3.2.
Zie 4.5.3.3.
Zie ook 5.2.1 en 5.4.3.2.
De wet kent geen specifieke wettelijke regeling met betrekking tot de gevolgen van rechtsvormwijziging van een contractspartij voor overeenkomsten. Onvoorziene omstandigheden geven een regeling voor factoren die van buiten de overeenkomst beïnvloeden.
Voor wijziging of ontbinding van overeenkomsten in het kader van een juridische fusie of splitsing geeft de wet wel een specifieke regeling, namelijk in artikel 2:322 en 2:334r BW.1 Deze regeling is niet van toepassing op rechtsvormwijziging.2 De beschreven regeling is een uitwerking van artikel 6:258 BW.3 Analoge toepassing van de wettelijke bepaling zoals in de wet is opgenomen voor juridische fusie en splitsing op de rechtsfiguur van rechtsvormwijziging ligt niet voor de hand nu de aard van de rechtshandelingen zo verschillend is. Bij rechtsvorm-wijziging vindt, in tegenstelling tot juridische fusie en splitsing, immers geen vermogensovergang plaats. Rechtsvormwijziging vertoont meer overeenkomsten met statutenwijziging.4
Aangezien de wet geen specifieke regeling kent voor rechtsvormwijziging, dient voor de rechtsgevolgen van overeenkomsten bij rechtsvormwijziging gekeken te worden naar de algemene bepalingen van Boek 6 BW. Dat betekent dat in geval van rechtsvormwijziging de algemene regeling van artikel 6:258 BW, onvoorziene omstandigheden, van toepassing zou kunnen zijn.
Bij de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid5 legt de wet de toets aan van 'naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar'. Bij onvoorziene omstandigheden spreekt de wet van 'naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten'. Het leerstuk van de onvoorziene omstandigheden kan beschouwd worden als lex specialis of lex suppleta ten opzichte van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. In de literatuur wordt daarover verschillend gedacht.6
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad7 volgt dat beide leerstukken naast elkaar bestaan. Het zijn twee verschillende leerstukken die elk los van elkaar bestaan en toegepast kunnen worden. Het verschil tussen die twee leerstukken moet veeleer worden gezocht in procedurele aspecten dan in inhoudelijke verschillen.8Artikel 6:248 lid 2 BW werkt van rechtswege en voor toepassing van artikel 6:258 BW is een rechterlijke uitspraak vereist. Artikel 6:248 BW leidt tot opzeggingsbevoegdheid van de overeenkomst terwijl artikel 6:258 BW wijziging van de overeenkomst tot gevolg kan hebben. Het is aan de wetstoepasser welke route gevolgd gaat worden. Dat betekent dat artikel 6:248 BW eerder toepassing zal vinden dan artikel 6:258 BW
Boek 6 BW geeft de rechter een ruime bevoegdheid.9 Het algemene artikel 6:258 BW, dat een uitwerking is van artikel 6:2 en 6:248 BW, biedt een regeling voor
( ...) onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.'
Deze bepaling is van dwingend recht, aldus bepaalt artikel 6:250 BW. Het begrip `onvoorziene omstandigheid' moet worden opgevat als een omstandigheid die niet verdisconteerd is in de overeenkomst. Of daarvan sprake is, wordt aan de hand van uitleg10 vastgesteld. Het artikel beschermt niet alleen contractspartijen maar ook diens rechtsopvolgers.11
Het moet gaan om omstandigheden die op het moment van het sluiten van de overeenkomst nog in de toekomst lagen.12 Daarvan zal bij rechtsvormwijziging in de regel sprake zijn. De rechter dient terughoudend te zijn in het laten slagen van een beroep op onvoorziene omstandigheden. Als een beroep op onvoorziene omstandigheden al zal slagen, zal de rechtsvormwijziging wellicht krachtens verkeersopvatting voor rekening van de contractspartij blijven13 op grond van dezelfde overwegingen (redelijkheid en billijkheid) als bij dwaling.14 Voorbeeld:
`Een schenker doneert € 10 000 aan een stichting. De stichting heeft het voornemen om de rechtsvorm te wijzigen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De schenker schenkt het bedrag vanwege het doel van de stichting.'
Onderscheid moet gemaakt worden naar de rechtsvorm van de rechtspersoon op het moment dat het geschonkene aanvaard wordt. Indien het geschonkene toevalt aan de stichting zal het conform het doel besteed worden, ook indien later rechts-vormwijziging plaatsvindt. Dan valt het geschonkene onder de vermogensklem-bepaling en wordt het overeenkomstig het stichtingsdoel besteed indien de strikte leer wordt aangehangen.15 Indien de flexibele leer16 wordt aangehangen bestaat het risico dat het geschonkene anders besteed zal worden dan conform het doel. Dit kan uitsluitend geschieden na verkregen toestemming van de rechter. Een dergelijke toestemming zal een rechter uitsluitend verlenen indien de bestemming in het verlengde ligt van het oorspronkelijke stichtingsdoel. In dat geval komt de schenker geen geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden toe. Indien het doel verder verwijderd is, zal de rechter de vereiste toestemming niet verlenen. Een beroep op onvoorziene omstandigheden is dan niet nodig.
Als de schenking aan de rechtspersoon toekomt na rechtsvormwijziging, komt geen overeenkomst tot stand aangezien er geen sprake is van wilsovereenstemming met deze rechtspersoon.17 De aard van de rechtsvormwijziging en van de overeenkomst leiden ertoe dat discontinuïteit van de rechtspersoon ten gevolge van rechtsvormwijziging voorop staat. Indien deze visie niet gevolgd wordt en geoordeeld wordt dat er wel een overeenkomst tot stand is gekomen, wordt de schenker beschermd door de vermogensklembepaling.