Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.3
6.5.3 Voorbehouden als voorovereenkomsten
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS305451:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem 19 juni 2007, L.IN: BA8878.
Vgl. ook Rb. Amsterdam 4 juli 2007, RCR 2008, 21. In deze zaak onderhandelden NBM en DB REI over de koop van de zogenaamde Kalvertoren. In dit verband waren partijen een Letter of Intent overeengekomen, met onder andere daarin de voorwaarde dat de Raad van Bestuur van DB REI haar goedkeuring voor de transactie moest verlenen. De prijs die was vastgesteld in de Letter of Intent bleek later onder de marktwaarde te liggen en DB REI ontving een hoger bod. De Raad van Bestuur onthield haar toestemming voor de verkoop omdat het bedrag in de Letter of Intent tegenover investeerders niet verantwoord was. De rechtbank overwoog dat, gelet op de formule-ringen in de LOI partijen niet hebben beoogde een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde aan te gaan, maar dat partijen zullen overgaan tot het sluiten van een koopovereenkomst indien de voorwaarden zijn vervuld.
Een derde juridische duiding voor voorbehouden zou ook simpelweg gevonden kunnen worden in een toezegging of overeenkomst waarbij één van partijen zich ertoe verplicht om, wanneer zich een bepaalde situatie voordoet (bijv.: de raad van commissarissen geeft een positief advies of er wordt een bepaalde beurskoers bereikt) over te gaan tot het sluiten van de overeenkomst waarover werd onderhandeld. Een dergelijke in een voorovereenkomst belichaamde verplichting ligt juridisch heel dicht aan tegen een opschortende voorwaarde maar kan daarvan goed worden onderscheiden doordat bij het sluiten van een voorovereenkomst de wil van de partij die daaronder een verplichting op zich neemt, niet is gericht op het doen ontstaan van een voorwaardelijke verbintenis maar op het in het leven roepen van een verplichting tot het aangaan van een verbintenis op een later tijdstip, hetgeen juridisch een wezenlijk verschil maakt.
De hier bedoelde rechtsfiguur onderscheidt zich verder van de voorwaardelijke verbintenis doordat de verbintenis die bij een voorovereenkomst wordt aangegaan niet noodzakelijkerwijs afhankelijk dient te zijn van een toekomstige gebeurtenis welke niet alleen voor partijen, maar ook objectief onzeker is (zoals bij een opschortende voorwaarde is vereist). Zo meen ik bijv. dat degene die zich ertoe verplicht een overeenkomst voor de levering van machineonderdelen te zullen afsluiten op het moment dat een derde bij hem een order plaatst voor de levering van een aantal machines, een voorovereenkomst als hiervoor bedoeld geacht moet worden te hebben gesloten (en geen overeenkomst onder opschortende voorwaarde is aangegaan) in de situatie dat op dat moment reeds duidelijk was dat de betreffende derde de order voor de levering van de machines zou gaan plaatsen of zich daar mogelijk zelfs al toe had verplicht. Is dat laatste niet het geval, dan geef ik toe dat de scheidslijn tussen de hier bedoelde voorovereenkomst en de overeenkomst onder opschortende voorwaarde dun wordt, en zal het vooral een kwestie zijn van uitleg met betrekking tot het antwoord op de vraag wat voor soort overeenkomst (een voorovereenkomst of een overeenkomst onder opschortende voorwaarde) beoogd werd te sluiten waarbij alle omstandigheden van het betreffende geval een rol spelen. Ik verwijs in dit verband bijv. naar het arrest van het Hof Arnhem van 19 juni 2007.1 Partijen onderhandelden over een huurovereenkomst, waarvoor de mogelijke huurder een voorkeursrecht had verworven. De verhuurder brak de onderhandelingen af omdat hij de bedrijfsunit aan zijn zoon wilde verhuren. Hij voerde aan dat het voorkeursrecht van de mogelijk huurder was vervallen. Het hof verwierp deze stelling omdat de mogelijk huurder had aangegeven, via de makelaar, nog over de huurovereenkomst te willen dooronderhandelen en omdat daartoe ook een afspraak was gemaakt. Het hof oordeelde voorts dat er geen sprake was van een voorovereenkomst, stellende:
"Voor het aannemen van een voorovereenkomst acht het hof vooreerst vereist dat partijen zich over de inhoud van de te sluiten overeenkomst in zodanige mate gelijkluidend hebben uitgelaten of opgesteld, dat over die overeenkomst daarmee een inhoud kan worden toegekend waarbij voldoende bepaalbaar is welke verbintenissen partijen op zich hebben genomen. Voorts is het echter ook nodig dat partijen zich zodanig uitgelaten en gedragen hebben dat zij dat in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs in die zin mochten begrijpen dat zij aan de tot op dat ogenblik bereikte overeenstemming als overeenkomst gebonden zouden zijn." (r.o. 5.6)
Daar was in casu geen sprake van.2
Voor wat betreft de rechtsgevolgen is een belangrijk verschil tussen voorovereenkomsten en overeenkomsten onder opschortende voorwaarde natuurlijk dat een na de totstandkoming van de voorovereenkomst, maar vóór de voorgenomen nakoming van de bij de voorovereenkomst aangegane verbintenis opgekomen beschikkingsonbevoegdheid of handelingsonbekwaamheid, aan de succesvolle uitvoering van de bij de voorovereenkomst aangegane verplichting in de weg staat. Ingeval van een opschortende voorwaarde is immers geen handelingsbekwaamheid vereist voor het doen intreden van de voorwaarde. Vanuit die optiek is de wederpartij dan dus beter af in de situatie dat een overeenkomst onder opschortende voorwaarde is gesloten dan in de situatie waarin sprake is van een voorovereenkomst.
Naar ik meen zullen alle drie categorieën voorbehouden kunnen kwalificeren als voorovereenkomsten.