Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/17.1:17.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/17.1
17.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940343:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken is het algemene fiscale bewijsrecht (hoofdstuk 7) en het bewijsrecht zoals dat specifiek geldt voor de fiscale bestuurlijke boete (hoofdstukken 8 tot en met 16) onderzocht. In dit hoofdstuk analyseer ik de resultaten van dat onderzoek, waarbij ik opnieuw de thematische indeling in de verschillende deelgebieden van het bewijsrecht hanteer.
De eerste deelvraag van dit onderzoek stond centraal in hoofdstuk 7. In dat hoofdstuk zijn per deelgebied van het bewijsrecht de rechtsregels aan de orde gekomen zoals die in het algemeen gelden voor het bewijs in fiscale zaken. In paragraaf 7.5 is een uitgebreide samenvatting met de belangrijkste conclusies opgenomen. Omdat het algemene fiscale bewijsrecht in het kader van dit onderzoek heeft gediend als vertrekpunt voor de bestudering van het bewijsrecht zoals dat voor de fiscaal bestuurlijke boete geldt, omvat die samenvatting de beantwoording van de eerste onderzoeksvraag. Bestaan er ten aanzien van een bepaald (deel)gebied geen specifieke bewijsregels voor de fiscale bestuurlijke boete, dan kan worden teruggegrepen op dit algemene fiscale bewijsrecht.
In dit hoofdstuk beperk ik mij tot de overige in paragraaf 2.2 geformuleerde deelvragen van dit onderzoek. Aan de hand van de antwoorden op die deelvragen wordt ook de centrale onderzoeksvraag beantwoord. In paragaaf 17.2 breng ik op hoofdlijnen de specifiek voor de fiscale bestuurlijke boete geldende bewijsregels in kaart. Deze bewijsregels vormen soms een aanvulling op en soms een afwijking van de bewijsregels uit het algemene fiscale bewijsrecht. Deze paragraaf geeft daarmee antwoord op de tweede en de derde onderzoeksvraag. Vervolgens geef ik in paragraaf 17.3 aan in hoeverre het nationale fiscale bewijsrecht zoals dat specifiek geldt voor de fiscale bestuurlijke boete in overeenstemming is met de eisen die daaraan op grond van art. 6 EVRM worden gesteld en – in het bijzonder – in welke opzichten dat niet het geval is (de vierde onderzoeksvraag). Daarbij geef ik de conclusies zowel op hoofdlijnen (paragraaf 17.3.2) als per deelgebied van het bewijsrecht weer (paragraaf 17.3.3). De lacunes die door middel van de beantwoording van de vierde onderzoeksvraag boven water komen, vormen meteen de aanzet voor de verbeteringen die noodzakelijk zijn om het nationale bewijsrecht voor de fiscale bestuurlijke boete in overeenstemming te brengen met de eisen van art. 6 EVRM. In hoofdstuk 18 doe ik in dat kader enkele concrete aanbevelingen, waarmee ook de vijfde onderzoeksvraag wordt beantwoord.
Om de lees- en vindbaarheid te vergroten, heb ik in de lopende tekst van de conclusies bepaalde signaalwoorden gecursiveerd. Het gaat daarbij soms om enkele veel gebruikte begrippen (zie paragraaf 2.5) of om de aanduidingen van de deelgebieden van het bewijsrecht (zie paragraaf 2.2.2.2).