Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/6.4.3
6.4.3 De mantelkaufregeling, een optie voor Nederland?
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398348:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een vergelijking tussen de Nederlandse en de Duitse regeling ter voorkoming van handel in verlieslichamen zie D.R. Post/M. Tippelhofer, Dutch and German change of ownerschip legislation: a comparision, Intertax volume 36, Issue 10 (2008), blz. 462 e.v.
Ook in het op 25 oktober 2016 door de Europese Commissie voorgestelde C(C)CTB is een anti-misbruikbepaling opgenomen om de handel in verlieslichamen tegen te gaan. Voor een uiteenzetting daarvan verwijs ik naar D.R.Post, (Grensoverschrijdende) verliescompensatie onder de voorgestelde C(C)CTB, WFR 2017/66.
In gelijke zin R.Eckhoff, Steuergerechtigkeit als verfassungsrechtliches und als steuerpolitisches Argument, StuW 3/2016, blz. 224. Hij merkt op dat §8c KStG, oorspronkelijk een antimisbruikbepaling, in de huidige vorm niets meer met misbruik van doen heeft. Zie ook E. Röder, Zur Verfassungswidrigkeit der Mindestbesteuerung (§10d Abs. 2 EStG) und der Beschränkung des Verlustabzugs nach §8c KStG, StuW 1/2012, blz. 32. Hij merkt op dat §8c KStG vervangen moet door een regeling die primair handel in verlieslichamen (Mantelkaufgestaltungen) aanpakt.
In gelijke zin D.R. Post, de invloed van belangenwijzigingen op verliesverrekening, Fiscaal wetenschappelijke reeks nr. 20, SDU 2012, paragraaf 6.7.2.
Nederland kent net als Duitsland een regeling ter voorkoming van de handel in verlieslichamen.1 In beide landen is er kritiek op de regeling, omdat deze eigenlijk niet goed past in de structuur van de vennootschapsbelasting, respectievelijk Körperschaftsteuer; een structuur die gebaseerd is op de heffing van lichamen en geen rekening houdt met de achterliggende aandeelhouders van dat lichaam. Dit betekent mijns inziens dat er in beide landen niet of in mindere mate wordt voldaan aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader (de rechtsregel past niet goed in de structuur van de wet en maakt een inbreuk op het draagkrachtbeginsel).
De gedachte achter de regeling in beide landen komt mijns inziens wel overeen. Kort geformuleerd, gaat het om het voorkomen van een fiscaal geïndiceerde wisseling van aandeelhouders of belanghebbenden bij het lichaam die erop gericht is om gebruik te maken van de te verrekenen verliezen van dat lichaam.2 Ondanks dat in beide landen kritiek is op de bovengenoemde inbreuk op de structuur en systematiek is mijns inziens wel uit de onderzochte jurisprudentie en literatuur op te maken dat de gedachte achter de regeling (anti-misbruik) als zodanig wel is aanvaard. Het bestaan van de regeling en de acceptatie van de inbreuk op bovenstaande eisen wordt mijns inziens versterkt doordat ook andere Europese landen en het CCTB-voorstel een soortgelijke antimisbruikbepaling kennen. De discussie en kritiekpunten spitsen zich met name toe op de verhouding tussen ratio en invulling van de rechtsregel (de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader).
De invulling van de bepaling in Nederland is anders dan in Duitsland. Ik ben van mening dat Nederlandse regeling beter aansluit bij de oorspronkelijke gedachte dan de Duitse huidige regeling en daarmee beter voldoet aan de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader.
Een aandeelhouderswisseling bij een lichaam dat nog te verrekenen verliezen heeft duidt mijns inziens nog niet direct op een situatie waarbij het de nieuwe aandeelhouder te doen is om de verliezen. De hoofdregel die Duitsland hanteert en de interpretatie dat een wijziging van een belang reeds tot een wijziging van de identiteit leidt is mijns inziens veel te rigide. De uitzonderingen op de hoofdregel die in Nederland van toepassing zijn (de niet-ter-belegging eis, of geen-inkrimping van-activiteiten eis) leiden in de praktijk weliswaar tot de nodige vragen, maar zorgen er mijns inziens wel voor dat de regeling als geheel veel beter aansluit bij de ratio.3 Reeds bij de eerste keer dat de Nederlandse staatssecretaris in 1962 ingreep (resolutie van 13 maart 1962), gaf hij aan dat het ging om een strijd tegen het misbruiken van het overnemen van alle of nagenoeg alle aandelen in een NV met nog verrekenbare verliezen én welke haar bedrijf geheel of nagenoeg geheel heeft gestaakt. Daarbij komt nog dat mijns inziens de Nederlandse bepaling veel beter geschikt is om interne reorganisaties buiten het bereik van de regeling te houden. Beide landen zijn van mening dat interne (concern) verhangingen niet onder het bereik van de bepaling zouden moeten vallen. Doordat Nederland in de hoofdregel aansluit bij de het begrip “wijziging van het uiteindelijke belang’’, worden interne reorganisaties in beginsel niet geraakt door art. 20a Wet VPB 1969. In Duitsland is de hoofdregel dat bij iedere directe of indirecte aandeelhouderwijziging §8c KStG in beginsel van toepassing is, dus ook bij interne reorganisaties. De belastingplichtige kan dan vervolgens als uitzondering een beroep doen op de “Konzernklausel’’, maar uit hoofdstuk 6.3.3 bleek onder meer dat deze zeer eng wordt uitgelegd en niet toereikend lijkt te zijn voor bonafide herstructureringen die niet gericht zijn op het benutten van de verliezen van een verlieslichaam.4 Dus ook hier – gezien de gedachte om interne reorganisaties niet te raken – voldoet de Nederlandse invulling beter aan de fiscaal-beleidsanalytische toets (minder of geen overkill) dan de Duitse (omslachtigere) invulling. Beide landen kennen overigens een bepaling die er voor zorgt dat verliezen verrekend kunnen worden voor zover er stille reserves aanwezig zijn.
De Duitse wetgever heeft eind 2016 getracht de scherpe kantjes van §8c KStG weg te nemen door invoering van een bepaling waarbij het lichaam bij blijvende uitoefening van dezelfde ondernemingsactiviteit kan verzoeken om behoud van de verliezen (§8d KStG). Het is nog afwachten hoe bovenstaande bedoelde versoepeling in de praktijk zal uitwerken, maar gezien het feit dat de nieuwe regeling ook nadelig kan uitwerken voor belastingplichtigen en gezien alle, in hoofdstuk 6.3.4 beschreven, strikte voorwaarden (waardoor er mijns inziens in mindere mate aan de fiscaal-wetstechnische toets uit mijn toetsingskader zal zijn voldaan) ben ik er vrij sceptisch over.
Al met al kom ik tot de conclusie dat de Duitse regeling (ondanks invoering van het recente §8d KStG) een veel grotere reikwijdte heeft dan de Nederlandse; de Duitse regeling bevat daarmee een grotere mate van overkill en voldoet daarmee minder goed aan de fiscaal-beleidsanalytische toets. Ik ben dan ook van mening dat het niet aanbevelenswaardig is om de Duitse Mantelkaufregelung (in plaats van het huidige art. 20a Wet VPB 1969) in de Nederlandse vennootschapsbelasting over te nemen.