25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/21.3:21.3 Experimenteren onder de Awb: dat kan toch al?
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/21.3
21.3 Experimenteren onder de Awb: dat kan toch al?
Documentgegevens:
prof. mr. M.J. Jacobs, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. M.J. Jacobs
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de memorie van toelichting zijn destijds vier doelstellingen van een Algemene wet bestuursrecht geformuleerd: 1. het bevorderen van eenheid binnen de bestuursrechtelijke wetgeving, 2. het systematiseren en, waar mogelijk, vereenvoudigen van de bestuursrechtelijke wetgeving, 3. het codificeren van ontwikkelingen, die zich in de bestuursrechtelijke jurisprudentie hebben afgetekend en 4. het treffen van voorzieningen ten aanzien van onderwerpen die zich naar hun aard niet voor regeling in een bijzondere wet lenen.1 Met het oog op de eerste doelstelling, hebben de ontwerpers van de Awb vier harmonisatietechnieken gebruikt met een afnemende mate van dwingendheid voor de bijzondere regelgever: dwingend recht, regelend recht, aanvullend recht en facultatief recht.2
Deze vier vormen van harmonisatie die de Awb kent, kunnen aanknopingspunten bieden voor het bepalen of experimenten reeds mogelijk zijn dan wel regeling behoeven. Voor zover Awb-regels regelend, aanvullend of facultatief zijn, zijn er over het algemeen voldoende mogelijkheden om de regels van de Awb niet te volgen en dus ook om te experimenteren met andere regels. Met andere woorden: als het nodig is te experimenteren, dan kan dat gewoon. Voor dwingendrechtelijke bepalingen ligt het anders. Daar bepaalt de Awb de regel en is dus een wet in formele zin nodig om ervan te kunnen afwijken. Wie in het kader van een experiment wil kunnen afwijken van een dwingendrechtelijke bepaling, heeft dus een expliciete experimenteergrondslag nodig.