Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.2.3.1
3.2.3.1 Rechtsgrond van de inningsbevoegdheid
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584828:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt voor het ontnemen van de inningsbevoegdheid van de derde. Zie hierna nr. 727-728.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt van een samenhang tussen de regelingen van pand, vruchtgebruik en gemeenschap. Voor art. 3:246 lid 1 BW is aansluiting gezocht bij de regeling van vruchtgebruik, zie M. v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 772. Art. 3:210 lid 1 BW is ontleend aan art. 3.7.1.6 Ontw.BW, dat later in een enigszins andere formulering is teruggekeerd in art. 3.7.1.3a lid 2 Ontw.BW (= art. 3:170 lid 2 BW) en art. 3.7.1.3b Ontw.BW (=art. 3:171 BW), zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 656.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 656. In afwijking van de hoofdregel kunnen de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde op grond van art. 3:210 lid 1 BW in de akte ook 'anders' bepalen.
Zie o.a. Rank-Berenschot 1998, p. 189-190; Rank-Berenschot 1997a, p. 240; Loesberg 2001, p. 247. Anders: Vriesendorp 1998, p. 191.
Vgl. Broekveldt 2003a, nr. 448-449. De literatuur volgt vaak de letterlijke tekst van art. 478 lid 1 Rv, waarin staat dat de deurwaarder inningsbevoegd is, hetgeen meer is dan bevoegd om betalingen in ontvangst te nemen. Zie o.a. Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 451; Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2000 (A.I.M. van Mierlo ), art. 478, aant. 3; en H.J. Snijders in zijn noot onder HR 23 december 1994, NJ 1995, 747. Zie over art. 478, Ynzonides 1992, p. 109-112.
Zie ook Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2005 (A.I.M. van Mierlo), art. 477a, aant. 6; Broekveldt 2003a, nr. 290; M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 178. De andere bevoegdheden zijn op vergelijkbare wijze onderverdeeld: de deurwaarder is bevoegd tot het in ontvangst nemen van de derde-verklaring (art. 476a Rv); en de beslaglegger is bevoegd tot het vorderen van vervangende schadevergoeding (art. 477a lid 4 Rv), tot het voeren van de andere procedures, genoemd in art. 477a lid 1 en 2 Rv, tot het vervroegd opeisbaar maken van de vordering (art. 477a lid 4 Rv) en tot de uitoefening van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten (zie HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders). Zie hierna nr. 200, 246 en 338.
Dit blijkt ook uit de tenaamstelling bij procedures. Zie bijvoorbeeld HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders.
Vgl. HR 5 september 2008, NJ 2009, 154 (Forward/Huber), m.nt. A.I.M. van Mierlo. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad met betrekking art. 505 lid 2 Rv (vergelijkbaar met art. 475h Rv) dat een conservatoir verhaalsbeslag op een onroerende zaak niet tot de beschikkingsonbevoegdheid van de beslagene leidt. Vgl. hierover o.a. Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 1.4 en par. 3.3 sub (b); Van der Kwaak 2009b; Verdaas 2009b.
Art. 475h lid 1 Rv bepaalt dat een in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte, tot stand gekomen nadat het beslag is gelegd, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, tenzij de derde heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de betaling of afgifte te voorkomen. Het is m.i. goed verdedigbaar dat de regel van art. 475h Rv, spiegelbeeldig aan de regel van art. 477b lid 3 Rv, ook geldt voor de procesbevoegdheid van de geëxecuteerde.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 589 en p. 591; en vgl. o.a. HR 8 september 2000, NJ 2000, 604 (Cento Nederland/Cento); en HR 13 juni 2008, NJ 2008, 370. Zie over inningsbevoegdheid bij gemeenschappelijke vorderingen ook Verstappen 1995. Aangenomen wordt dat de schuldeisers gezamenlijk een vordering hebben (art. 6:15 BW). Voor de (overeenkomstige) toepassing van art. 6:16 BW, zie hierna nr. 290 e.v.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 591. Zie HR 24 april1992, NJ 1992, 461 (Carreau Gaschereau/Sunresorts); HR 17 juni 1994, NJ 1995, 367 (Rabobank/Sporting Connection), m.nt. HJS; HR 5 maart 1999, NJ 1999, 383; HR 8 september 2000, NJ 2000, 604 (Cento Nederland/Cento). Vgl. voorts Luijten & Meijer 2008b, p. 64.
Zo volgt uit V.V. II en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 590-591.
De beheersregeling kan ook voortvloeien uit de overeenkomst tussen de deelgenoten en de schuldenaar waaruit de gemeenschappelijke vordering voortspruit. Zie M. v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 589. In het O.M. gold nog de regel dat ieder der deelgenoten zelfstandig inningsbevoegd was. Zie T.M. Parl. Gesch. Boek 6, p. 126, p. 128-129 en p. 132. Vgl. ook T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 245-247 bij het niet ingevoerde art. 6.1.7.15 Ontw.BW.
Het is mogelijk dat in de uiterste wilsbeschikking een andere verdeling van bevoegdheden is gegeven op grond waarvan de erfgenamen ook inningsbevoegd zijn. Zie H.J. Snijders in zijn noot (sub 3b) bij HR 30 juni 2000, NJ 2001, 389. Ook andere uitzonderingen zijn denkbaar, zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 65.
Zie o.a. HR 30 juni 2000, NJ 2001, 389, m.nt. HJS; Rb. Zutphen 23 november 1989, NJ 1991, 89; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1161.
De rekeninghouder is n.m.m. niet bevoegd om betalingen in ontvangst te nemen door het opnemen van (chartaal) geld van de rekening. Geeft de kredietinstelling geen uitvoering aan een betalingsopdracht of verzuimt zij om rente te betalen, dan kan de rekeninghouder nakoming eisen. De rekeninghouder is ook bevoegd om rente in ontvangst te nemen door bijschrijving op de kwaliteitsrekening.
Zie o.a. HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN), m.nt. WMK; HR 22 juni 2007, NJ 2007, 520 (ING/Verdonk q.q.), m.nt. P. van Schilfgaarde; en HR 30 oktober 2009, NJ 2010,96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
In het O.M. werd in art. 4.5.3.10 Ontw.BW (= art. 4:147 BW) nog gesproken van het 'verkopen' van de goederen. Dat is later bij de M.v.A. II gewijzigd in het te gelde maken van de goederen, zodat daar ook onder is begrepen 'het opzeggen en het incasseren van een tot de beleggingen uitstaande vordering, bijvoorbeeld een rentedragende hypothecaire vordering met behoorlijk onderpand.' Zie O.M. en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 1007. Vgl. HR 24 februari 1933, NJ 1933, p. 645; Van Opstall 1963, p. 85, l.k.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 655. In de T.M. wordt opgemerkt dat in het algemeen het belang van de vruchtgebruiker bij inning groter is dan dat van de hoofdgerechtigde, en om die reden (ook) de inning aan de vruchtgebruiker toekomt.
Vgl. hiervoor bij vruchtgebruik; en vgl. HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254 (Zomerdijk/Goudsblom), m.nt. Ma, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het innen van vorderingen onder de normale werkzaamheden in het kader van de vereffening van een ontbonden rechtspersoon valt. Vgl. Asser/Maeijer 2-11 1997, nr. 165. In de literatuur over de executele en de vereffening van nalatenschappen worden de bevoegdheid tot beheer en die tot executie wisselend aangegrepen als grondslag voor de inningsbevoegdheid. Zie voor de beheersbevoegdheid, W.R. Meijer 2005, nr. 73.5; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 352, 362a en 881; en Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516. Zie voor de bevoegdheid om goederen te gelde te maken, Asser/Perrick 4* 2009, nr. 524; en B.M.E.M. Schols 2007. Zie voor de inningsbevoegdheid van de curator ten aanzien van een vordering die aan de gezamenlijke schuldeisers toebehoort, HR 24 april 2009, JOR 2010/22 (Dekker/Lutece), m.nt. N.E.D. Faber.
Zie hiervóór nr. 26-31.
Zie hiervóór nr. 28 en 31.
Zie hiervóór nr. 31 en zie hierna nr. 127.
De stille cessie sluit in het bijzonder aan bij de regeling van bewind. Zie hiervóór nr. 52.
Zie hiervóór nr. 53.
Zie hiervoor nr. 27-30 en 54, met in nr. 27 (fine) de bedoelde schrijvers.
Zie hierna nr. 730. Art. 7:422 lid 2 BW bevat hierop een uitzondering.
Is de stille cessionaris onbevoegd op grond van art. 7:423 lid 1 BW {privatieve last), dan kan de uitsluiting van zijn inningsbevoegdheid op grond van de tweede zin van art. 7:423 lid 1 BW niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen die haar niet kende en ook niet behoorde te kennen (vgl. art. 6:34 BW).
68. Uit de overgang van de vordering volgt dat de stille cessionaris in beginsel exclusief inningsbevoegd is, en dat derhalve vanaf het moment van de stille cessie de stille cedent inningsonbevoegd wordt. Zolang geen mededeling wordt gedaan, kan het wenselijk zijn dat de stille cedent bevoegd blijft om de vordering te innen. Het is de vraag wat de rechtsgrond van de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent is en of de toekenning van de inningsbevoegdheid in beginsel privatief zal zijn of niet.
Uit een analyse van de regelingen van pand, vruchtgebruik, derdenbeslag, gemeenschap, bewind, kwaliteitsrekening, faillissement, vereffening van nalatenschappen en executele blijkt dat voor de toekenning van de (exclusieve) inningsbevoegdheid aan de derde steeds een wettelijke grondslag bestaat.1
In sommige regelingen, zoals de regelingen van pand, vruchtgebruik, gemeenschap en derdenbeslag wordt de inningsbevoegdheid (ten dele) als zodanig toegekend.2 Zie art. 3:246 lid 1 BW (pand); art. 3:210 lid 1 BW (vruchtgebruik)3art. 477 lid1 Rv en art. 477a Rv (derdenbeslag); en art. 3:171 BW (gemeenschap).
Rust op de vordering meer dan één pandrecht, dan komt de inningsbevoegdheid toe aan de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder (art. 3:246 lid 3 BW).4 Bij samenlopende beslagen is de deurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd, bevoegd om hetgeen de derde-beslagene te betalen heeft ten behoeve van de gezamenlijke beslagleggers in ontvangst te nemen (art. 478 lid 1 jo lid 2 Rv). De beslaglegger is bevoegd om de procedure(s) te voeren (art. 478 lid4 Rv).5
Bij derdenbeslag is de inningsbevoegdheid over twee personen verdeeld. De deurwaarder is bevoegd om betalingen in ontvangst te nemen (art. 477 lid 1 Rv) en de beslaglegger is bevoegd om van de derde-beslagene die derde-verklaring heeft gedaan, maar niet zijn verplichting tot betaling nakomt, in rechte nakoming te vorderen (art. 477a lid 4 Rv).6 De beslaglegger voert derhalve de procedure tegen de schuldenaar, de derde-beslagene.7 De schuldeiser van de beslagen vordering (de geëxecuteerde) wordt door het derdenbeslag niet inningsonbevoegd,8 maar de derde-beslagene kan op grond van art. 475h Rv zijn betaling aan de geëxecuteerde niet inroepen jegens de beslaglegger (de zogenaamde 'relatieve werking').9
Bij de gemeenschap zijn de deelgenoten gezamenlijk inningsbevoegd (art. 3:170 lid 2 BW).10 Daarnaast is iedere deelgenoot zelfstandig bevoegd om rechtsvorderingen in te stellen en verzoekschriften in te dienen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (art. 3:171 BW).11 Daaronder valt ook het in rechte nakoming eisen van de schuldenaar.12 De deelgenoten kunnen op grond van een beheersregeling (art. 3:168 BW) een afwijkende regeling overeenkomen. Zij kunnen bijvoorbeeld overeenkomen dat een of meer der deelgenoten exclusief bevoegd zijn of dat alle deelgenoten zelfstandig bevoegd zijn om betalingen in ontvangst te nemen.13 Een regeling die het beheer toekent aan een of meer deelgenoten sluit, tenzij zij anders bepaalt, de procesbevoegdheid voor de anderen uit (art. 3:171 BW).
In andere regelingen kan de ( exclusieve) inningsbevoegdheid van de derde (ten dele) worden afgeleid uit de toekenning van de beheersbevoegdheid of de bevoegdheid tot vereffening. Zie art. 3:170 lid 2 BW (gemeenschap); art. 1:438 lid 1 BW, art. 4:166 BW14 en art. 3.6.1.4a Ontw.BW (bewind)15 art. 25 lid 2 Wn (kwaliteitsrekening);16art. 68 jo 23 Fw en art. 25 Fw (faillissement);17art. 4:144 lid 1 BW en art 4:147 lid 1 BW (executele);18 en art. 4:211 lid 1 BW (vereffening van nalatenschappen).19 In de parlementaire geschiedenis bij vruchtgebruik wordt opgemerkt dat de inningsbevoegdheid van de vruchtgebruiker een uitwerking is van diens beheersbevoegdheid (art. 3:207 lid 3 BW) en dat tot het beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen de inning van vorderingen behoort.20 Bij faillissement, executele en vereffening van nalatenschappen kan de inningsbevoegdheid zowel op de beheersbevoegdheid als op de bevoegdheid tot vereffening worden gebaseerd.21 In faillissement kan de procesbevoegdheid van de curator voorts worden gegrond op art. 25Fw.
69. Uit het voorgaande blijkt dat in alle regelingen voor de toekenning van de inningsbevoegdheid steeds een uitdrukkelijke wettelijke grondslag bestaat. Zoals uiteengezet in hoofdstuk 2 kan de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW niet als een dergelijke rechtsgrond voor de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent fungeren.22 De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW bepaalt dat de stille cessie niet aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen dan na mededeling daarvan aan de schuldenaar door de stille cedent of de stille cessionaris. De bepaling heeft alleen betrekking op de rechtspositie van de schuldenaar en kan daarom niet als (wettelijke) rechtsgrond dienen voor de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent. De bepaling is niet vergelijkbaar met de hiervoor behandelde bepalingen bij pand, vruchtgebruik, derdenbeslag, gemeenschap, bewind, kwaliteitsrekening, faillissement, executele en vereffening van nalatenschappen, waarin steeds uitdrukkelijk de inningsbevoegdheid, of een andere bevoegdheid die de inningsbevoegdheid omvat, aan de derde wordt toegekend.
Zoals ook uiteengezet in hoofdstuk 2 is de grondslag voor de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent een last tot inning door de stille cessionaris.23 Of een last tot inning aan de stille cedent is verleend, hangt af van hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen. Wordt gekozen voor een stille cessie, dan volgt uit de rechtsverhouding tussen partijen in beginsel dat de stille cedent bevoegd blijft om de vordering te innen. Zet een cedent een lopende procedure voort, dan wordt dit in de regel zo begrepen dat sprake is van een last tot inning.24 Zet de stille cedent meer in het algemeen zijn werkzaamheden voort in het kader van het beheer van de vordering, dan zal in de regel kunnen worden aangenomen dat de cessionaris hieraan zijn toestemming heeft verleend en dat sprake is van lastgeving.
70. Staat eenmaal vast dat de stille cedent krachtens lastgeving inningsbevoegd is, dan is het de vraag of sprake is van een privatieve last tot inning.
Is de inningsbevoegdheid aan een gevolmachtigde toegekend, dan blijft de volmachtverlener naast de gevolmachtigde bevoegd om dezelfde rechtshandelingen te verrichten. Hetzelfde geldt in beginsel indien een last tot inning in eigen naam aan een lasthebber wordt verleend. De lastgever blijft naast de lasthebber bevoegd. Dit is anders als partijen een privatieve last (art. 7:423 BW) zijn overeengekomen. In dit geval is de lasthebber met uitsluiting van de lastgever bevoegd. Een dergelijke privatieve last kan ook stilzwijgend worden overeengekomen.
Uit de hiervoor genoemde regelingen van pand, vruchtgebruik, derdenbeslag, gemeenschap, bewind, kwaliteitsrekening, faillissement, vereffening van nalatenschappen en executele blijkt dat aan de derde in de regel steeds de exclusieve inningsbevoegdheid is toegekend.
Gelet het rechtskarakter van de stille cessie is het aannemelijk dat ook aan de stille cedent de exclusieve inningsbevoegdheid wordt toegekend. Art. 7:423 BW biedt hiervoor de mogelijkheid. Een privatieve last tot inning sluit aan bij de hiervoor genoemde rechtsfiguren waarbij de derde ook exclusief inningsbevoegd is (en veelal ook exclusief beheersbevoegd).25 Zoals uiteengezet in hoofdstuk 2 biedt de parlementaire geschiedenis bij art. 7:423 BW ook steun voor de opvatting dat de stille cedent als lasthebber exclusief inningsbevoegd is. Art. 7:423 BW is onder meer ingevoerd ten behoeve van de cessie ter incasso, waarmee door de wetgever is bedoeld de last tot inning in eigen naam.26 Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 3:94 lid 3 BW volgt bovendien dat de Minister van mening is dat de stille cedent exclusief inningsbevoegd is; deze opvatting heeft in de literatuur ruimschoots bijval gekregen.27 Véél wijst erop dat de stille cedent in beginsel exclusief inningsbevoegd zal zijn.
Die uitkomst is niet bezwaarlijk, omdat blijkens art. 7:423 lid 1 BW de privatieve last voor de duur van de overeenkomst geldt. De stille cessionaris als lastgever kan in beginsel te allen tijde de overeenkomst opzeggen (art. 7:408 lid 1 jo 7:422 lid 1 BW).28 Door de beëindiging van de privatieve last wordt de stille cessionaris (weer) inningsbevoegd.29 Als de stille cessionaris aan de schuldenaar mededeling doet zoals bedoeld in art. 3:94 lid 3 BW, kan daarin tevens de opzegging van de (privatieve) lastgeving besloten liggen. Dit is een kwestie van uitleg. De opzegging (een eenzijdige rechtshandeling) dient bovendien de lasthebber te hebben bereikt (art. 3:33 jo 3:37 lid 3 BW).
71. Door de contractsvrijheid is de hiervoor geschetste uitkomst niet dwingend. Andere mogelijkheden zijn ook denkbaar. Als de stille cessionaris geen last of een gewone last tot inning aan de stille cedent heeft gegeven, blijft de stille cessionaris inningsbevoegd en kan hij tot inning van zijn vordering overgaan. In het vorderen van nakoming zal mededeling van de cessie besloten liggen zoals bedoeld in art. 3:94 lid 3 BW.
Hieronder wordt nader ingegaan op een aantal aspecten van de inningsbevoegdheid bij de stille cessie aan de hand van de andere rechtsfiguren waarbij een derde inningsbevoegd is.