Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/3.2.2.b.i
3.2.2.b.i Eerste volzin: de eliminatie van de lex originis uitzonderingen
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465281:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bureau de l'Union, DdA 1921 (Formalités), p. 123 e.v.
Bureau de l'Union, DdA 1910, p. 5.
De Berlijnse tekst spreekt alleen over 'formaliteiten', maar doelt daarmee op de `conditions et formalités' genoemd in de tekst van 1886, zie Actes BC 1908, p. 237 (Rapport de la Commission); Wauwermans 1910, p. 72-73.
Waar de onderhavige zinsnede terugslaat op het eerste lid van art. 4 (`ces droits'), is duidelijk dat het formaliteitenverbod óók betrekking heeft op het genot en de uitoefening van het ius conventionis.
Dat de wet van het land van import zelf geen formaliteiten mag voorschrijven was al bevestigd tijdens de Parijse conferentie van 1896; zie de Déclaration van 4 mei 1896, interpretatieve bepaling nr. 1, zie Actes BC 1896, p. 225 (Actes adoptés par la Conférence).
'Cette expression (exercise) se rapporte clairement aux formalités qui, comme celles prévues en France, ne sont pas constitutives de droit d'auteur, mais simplement déclaratives ou introductives d'action et doivent précéder l'ouverture de tout procès.', aldus Bureau de l'Union, DdA 1910, p. 5. Zie ook Denkschrift 1909, p. 30; Martin 1909, p. 120, noot 1; Ruffini 1927, p. 524; Ladas 1938, p. 273. Vgl. ook de door Róthlisberger 1906, p. 113 geuite wens dergelijke formaliteiten in het Unieverkeer uit te bannen. Men kan de reikwijdte van het verbod derhalve niet beperken tot enkel ontstaansformaliteiten. Zie ook A-G Langemeijer in (alinea 2.9 van) zijn conclusie voor HR 26 mei 2000, NJ2000, 671 m.nt. DWFV (Cassina/Jacobs). Zie voorts Drexl 1990, p. 93.
In het land van oorsprong zelf geldt het formaliteitenverbod uiteraard niet. In zijn land van oorsprong wordt het werk beschermd door de lex originis; de conventie laat zich hier in beginsel niet mee in (zie par. 3.3). In het land van oorsprong mag de lex originis derhalve wél formaliteiten stellen, zie ook HR 11 mei 2001, NJ 2002, 55 m.nt. J.H. Spoor (Vredestein/Ring 65); en die formaliteiten gelden uiteraard evenzeer ten aanzien van in dat land ontsprongen werken van vreemde auteurs. Stelt de Nederlandse wet bijvoorbeeld formaliteiten, dan gelden die formaliteiten ten aanzien van de bescherming in Nederland van in Nederland ontsprongen werken. Maar die Nederlandse formaliteiten gelden niet ten aanzien van de bescherming in Nederland van in Frankrijk ontsprongen werken. Er is in dit voorbeeld dus sprake van een vorm van bevoordeling: vreemde werken zijn immers vrijgesteld van formaliteiten, nationale werken niet. In de praktijk zal een dergelijke achterstelling van werken van eigen bodem doorgaans spoedig worden weggewerkt door formaliteiten in de nationale wet af te schaffen. Zie in dit verband ook alinea's 775 e.v. hierna.
Duitsland was dus omgegaan: het opponeerde tijdens de Berner conferenties tegen toepassing van het beginsel van nationale behandeling op de beschermingsduur, maar nu was het daarvan een voorstander (zie alinea 212 hiervoor). Zie Actes BC 1884, p. 30 (Procès-verbaux); Actes BC 1908, p. 37 e.v. (voorstel Duitsland en Bureau) en p. 169-170 (Procès-verbaux, toespraak gedelegeerde Osterrieth namens gastland Duitsland). Zie ook de overgangsbepaling in art. 14 lid 2 van het voorstel.
Zie Bureau de l'Union, DdA 1910, p. 18 e.v.; Ruffini 1927, p. 525 e.v.
Bureau de l'Union, DdA 1909 (La Convention de Berne revisée), p. 35.
Deze materiële-reciprociteitsuitzondering werd overigens, net als onder de conventie van 1886, niet verplicht gesteld (Bureau de l'Union, DdA 1910, p. 22; Wauwermans 1910, p. 89-90). Voorts werd in art. 7 lid 1 een vrijblijvende aanzet gegeven tot een uniforme beschermingsduur (het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood). Later, tijdens de Brusselse conferentie in 1948, zou deze uniforme beschermingsduur tot een verplichting van ius conventionis stollen, waarmee het praktische belang van de onderhavige toets aan de lex originis afnam Zie nader par. 6.3.2.
Actes BC 1908, p. 238 (Rapport de la Commission); Wauwermans 1910, p. 73. Was een dergelijk uitdrukkelijk verbod echt nodig, nu de twee expliciete lex originis-uitzonderingen van de conventie van 1886, waarlangs de sluiproutes naar de bestaansvraag liepen, waren afgeschaft dan wel beteugeld? Zeker, nog steeds was bijvoorbeeld de redenering denkbaar dat de duurvergelijking het bestaan van een beschermingsduur onder de lex originis, en daarmee het bestaan van het recht, impliceert. De Berlijnse verdragsopstellers hebben dat risico niet willen nemen.
Zo moest ook Pillet, voorstander van de lex originis-conflictregel, met tegenzin erkennen (Pillet 1924, p. 5253 en p. 76 e.v.). Zie ook Rtithlisberger 1910, p. 4.
Actes BC 1908, p. 243 (Rapport de la Commission): 'En d'autres termes, c'est, pour la durée, le maintain de la dépendance, supprimée á d'autres points de vue, (...)Y Zie ook Bureau de l'Union, DdA 1909 (Conférence de Berlin), p. 3; Wauwermans 1910, p. 87. In latere versies van de conventie zouden voor een aantal specifieke kwesties nieuwe materiële-reciprociteitsuitzonderingen worden ingevoerd, zie par. 6.3.
Actes BC 1908, p. 238 (Rapport de la Commission).
Actes BC 1908, p. 37 (voorstel Duitsland en Bureau); Bureau de l'Union, DdA 1921 (Formalités), p. 123 m.k.
262. Eliminatie uitzonderingen. Hoe rekende men nu af met de lex originis-uitzonderingen van de conventie van 1886? Dit gebeurde in de eerste volzin van artikel 4 lid 2.
263. Uitzondering 1: formaliteiten. De eerste lex originis-uitzondering die de Berner Conventie van 1886 maakte op het beginsel van nationale behandeling, betrof de formaliteiten. Dit was, zoals wij eerder zagen, de uitzondering op de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling. Was deze uitzondering destijds, in 1886, een stap voorwaarts uit de toen heersende formaliteitenchaos, nu ging men nog een stap verder: elke formaliteit werd verboden. Dit zogeheten 'formaliteitenverbod' betekende een grote vereenvoudiging voor de auteur.1 Aldus werd de eerste lex originis-uitzondering geëlimineerd, en in haar kielzog werd ook de mogelijkheid om een certificaat te vorderen geschrapt (artikel 11 lid 3 van de conventie van 1886).2 Het formaliteitenverbod werd opgenomen in de eerste zin van artikel 4 lid 2:
"La jouissance et l'exercice de ces droits ne sont subordonnés à aucune formalité; (...)."3
264. Onder de vigeur van de conventie is de bescherming onder de wet van het land van import derhalve niet aan enige formaliteit onderworpen.4 Noch mag deze wet zelf formaliteiten stellen, noch mag de vervulling van de formaliteiten van de lex originis worden geëist.5 Bovendien treft de banvloek niet alleen formaliteiten ten aanzien van het genot (la jouissance') van de in het eerste lid genoemde rechten, maar ook ten aanzien van de uitoefening (Texercice') daarvan. Aldus wilde men tot uitdrukking brengen dat niet alleen constitutieve formaliteiten in de ban werden gedaan, maar ook andere formaliteiten, zoals ten aanzien van procedures ter handhaving van het recht.6 In dit verband valt met name te denken aan formaliteiten waaraan moet zijn voldaan voordat een inbreukprocedure kan worden geëntameerd, zoals het depot van een exemplaar van het werk.7
265. Uitzondering 2: beschermingsduur. De tweede lex originis-uitzondering in (artikel 2 lid 2 van) de conventie van 1886 betrof de duur van de bescherming van oudsher een heet hangijzer. Dit was, zoals wij eerder zagen, de materiële-reciprociteitsuitzondering op het non-discriminatiebeginsel in het beginsel van nationale behandeling. De Duitse regering en het Bureau van de Berner Unie stelden voor om ook deze uitzondering te schrappen.8 Hun voorstel werd echter niet overgenomen: deze uitzondering bleef gehandhaafd. Dat was een verlegenheidsoplossing. Enerzijds bleek een geniformeerde beschermingsduur geen haalbare kaart. Anderzijds kon men — net als tijdens de Berner conferenties — geen overeenstemming vinden over onverkorte toepassing van het beginsel van nationale behandeling op de beschermingsduur. Dat een vreemd werk moest worden beschermd terwijl de beschermingsduur in het land van zijn oorsprong was verstreken, werd nog immer onverteerbaar geacht.9 Om misbruik van deze uitzondering te voorkomen, verhuisde zij naar een aparte bepaling en werd daar ingedamd tot een "point pré-cis et facilement définissable".10 In de desbetreffende bepaling (het Berlijnse artikel 7 lid 2) werd voorop gesteld dat de beschermingsduur wordt beheerst door de wet van het land van import, en vervolgens werd bepaald dat zij niet de duur in het land van oorsprong overschrijdt:
"(...) la durée sera réglée par la loi du pays ou la protection sera réclamée et elle ne pourra excéder la durée fixée dans le pays d'origine de I' ceuvre." 11
266. Zo kwam het vreemdelingenrechtelijke materiële-reciprociteitskarakter van deze uitzondering beter uit de verf. Immers, het is — conflictenrecht: — de wet van het land van import die toepasselijk is ten aanzien van de beschermingsduur. En die toepasselijke wet mag — vreemdelingenrecht: — ten aanzien van een vreemde werk haar beschermingsduur laten inkrimpen tot de kortere duur van de lex originis.
267. Insteek: duidelijkheid omtrent onafhankelijkheid. Dat brengt ons tot de vraag in hoeverre de onafhankelijkheid ten opzichte van de lex originis nu was verwezenlijkt. Over het lot van de twee lex originis-uitzonderingen die de conventie van 1886 expliciet toeliet, was beslist: de formaliteiten-uitzondering verdween, de duur-uitzondering bleef in ingedamde en verduidelijkte vorm gehandhaafd. Voor de Duitse regering en het Bureau van de Berner Unie was de kous daarmee echter niet af. Gelet op de voorgeschiedenis van moeilijkheden en misverstanden rond de lex originis, wilden zij elke mogelijke twijfel wegnemen over de (verdere) volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de lex originis. Deze insteek verklaart, zo zullen wij zien, de rest van het Berlijnse artikel 4 lid 2.
268. Uitzondering 3: bestaan. In de eerste plaats bracht deze insteek mee dat de Berlijnse verdragsherzieners uitdrukkelijk ook elke twijfel wilden wegnemen over de ontoelaatbaarheid van de ongeschreven derde lex originis-uitzondering, de toets aan de lex originis inzake de bestaansvraag. Tegen deze uitzondering was immers nog geen expliciet verbod uitgevaardigd. Beducht voor ondermijnende vindingrijkheid in de rechtspraktijk, achtte men een uitdrukkelijke bepaling gewenst om met deze uitzondering korte metten te maken.12 Dit verklaart de tweede bijzin van artikel 4 lid 2, waarin expliciet wordt bepaald dat het genot en de uitoefening van de in het eerste lid genoemde rechten onafhankelijk zijn van het bestaan van bescherming in het land van oorsprong van het werk:
"(...); cette jouissance et cet exercice sont indépendants de l'existence de la protection dans le pays d'origine de l'ceuvre. (...)"
269. Elke mogelijke twijfel omtrent de ontoelaatbaarheid van de derde uitzondering werd daarmee weggenomen.13
270. Tussenbalans. Hiermee was de volledige onafhankelijkheid van het beginsel van nationale behandeling uitgeroepen — alleen voor de beschermingsduur kwam de lex originis nog in beeld.14 Van de drie feitelijke lex originis-uitzonderingen waren er twee geëlimineerd en één beteugeld. Deze uitzondering daargelaten, was de nagestreefde onafhankelijkheid ten opzichte van de lex originis, onafhankelijkheid "á tous les points de vue" 15 geheel bereikt: onafhankelijkheid "qui fait disparaitre tout Hen entre la situation juridique de P ceuvre" in land van oorsprong en de andere Unielanden.16
271. Vanuit vreemdelingenrechtelijk perspectief was de onafhankelijkheid vrijwel volledig: de enige uitzondering was de (gemuilkorfde) uitzondering inzake de beschermingsduur, verder sloot het beginsel van nationale behandeling c.q. het non-discriminatiebeginsel in artikel 4 lid 1 elke andere consultatie van de lex originis bij wege van materiële-reciprociteitsuitzondering uit. Daarbovenop sneed de tweede bijzin van het tweede lid elke mogelijke sluiproute naar de lex originis inzake de bestaansvraag, dus ook vreemdelingenrechtelijke sluiproutes, expliciet af.
272. Vanuit conflictenrechtelijk perspectief was de absolute onafhankelijkheid bereikt. Enerzijds, immers, was toepasselijkheid van de wet van het land van import gegeven door het beginsel van nationale behandeling, anderzijds waren de uitzonderingen hierop uitgeschakeld: de conflictenrechtelijke uitzondering inzake formaliteiten was geëlimineerd in lid 2, eerste bijzin, en elke mogelijke conflicten-rechtelijke sluiproute naar de lex originis inzake de bestaansvraag werd geblokkeerd door de tweede bijzin van lid 2. In conflictenrechtelijk opzicht was derhalve de absolute hegemonie van de wet van het land van import gevestigd. Conflictenrechtelijk koos de conventie nu voor onversneden toepasselijkheid van de wet van het land van import. Van nu af aan was de wet van het land van import de enige toepasselijke wet.