Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.3.4
8.3.4 Hypothecair beheer
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264425:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Voor verdere literatuurverwijzingen, naast degenen die hieronder zijn aangehaald, zie §8.2.2.
In het arrest HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9132, NJ 2005/180, m.nt. S.C.J.J. Kortmann was wel in 1990, voor de invoering van het BW 1992, een hypotheekrecht gevestigd met beheersbeding. Dit is echter te verklaren doordat de banken in deze zaak Duits waren. Zij waren wellicht meer dan Nederlandse financiers geïnteresseerd in hypothecair beheer, omdat Zwangsverwaltung een onderdeel is van de Duitse rechtspraktijk. Zie ook Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 821 (MvA II).
Voorduin, Geschiedenis IV, p. 416-417; Asser 1838, p. 627; Noordziek, Beraadslagingen 1824-1825 II, p. 380; Diephuis 1886, p. 474; Land 1902, p. 328.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 375, art. 1527. Zie voorts §7.4.1.
De Pinto/Texeira de Mattos 1885, nr. 686.
Vgl. De Pinto/Texeira de Mattos 1885, nr. 686; Van Gessel-De Roo 1991, p. 375, art. 1527. De Pinto en Texeira de Mattos verwezen bij hun bespreking van het hypothecaire beheer naar art. 1527 Ontwerp 1820. In dit wetsartikel sprak van de uitoefening van een beheersbevoegdheid teneinde de (vermoedelijk natuurlijke) vruchten te trekken en huurpenningen te innen.
Zoals gezegd bevatte de wet geen regeling voor de uitoefening van hypothecair beheer. Het stond partijen echter vrij om op grond van een hypotheekovereenkomst een recht van pandgebruik van een registergoed tot stand te brengen. Zo’n recht van pandgebruik had evenwel slechts verbintenisrechtelijke werking.1 Mij zijn onder de rechtspraktijk van het OBW geen afspraken bekend op grond waarvan de zekerheidsgerechtigde het hypotheekobject in beheer kon nemen.2
Het doel van de – verbintenisrechtelijke – beheersbevoegdheid van de hypotheekhouder was om inkomsten te genereren uit het hypotheekobject. De inkomsten kwamen vervolgens in mindering op de gesecureerde vordering.3 De Pinto en Texeira de Mattos schreven dat de hypotheekhouder het beheer over een verhypothekeerde zaak kon krijgen. Gelijk was bepaald in het Ontwerp 18204, kon de hypotheekhouder het object beheren om de natuurlijke en burgerlijke vruchten (huurpenningen) te innen en in mindering te brengen op de gesecureerde vordering.5
De betekenis van hypothecair beheer in de literatuur was dus dat de hypotheekgerechtigde een recht van pandgebruik over een onroerende zaak uitoefende: hij exploiteerde het hypotheekobject om de vruchten die uit deze exploitatie voortkwamen naar zich toe te trekken. De waarde van de vruchten kwam in mindering op de gesecureerde vordering. De literatuur gaf geen concrete invulling aan de wijze waarop de hypotheekhouder het hypotheekobject kon exploiteren. De wijze waarop de hypotheekhouder zijn beheersbevoegdheid kon uitoefenen, hing dus af van hetgeen partijen hadden afgesproken. Aannemelijke wijzen van exploitatie waren verhuur van het hypotheekobject, het innen van huurvorderingen als het object reeds in verhuurde staat verkeerde, of het bewerken van een verhypothekeerd stuk grond.6