De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.7:3.3.7 Benoemingsvrijheid
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.7
3.3.7 Benoemingsvrijheid
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949627:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is uiteengezet dat uit artikel 23 van de Grondwet afgeleid kan worden dat openbare en bijzondere scholen beschikken over een zekere mate van pedagogische autonomie. Deze autonomie komt primair toe aan het bevoegd gezag en niet direct aan de leraar. De leraar blijft echter niet geheel onbenoemd in artikel 23 van de Grondwet. In artikel 23, zesde lid, van de Grondwet is vastgelegd dat de wetgever de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de aanstelling der onderwijzers eerbiedigt bij het stellen van deugdelijkheidseisen. Dit wordt ook wel de benoemingsvrijheid genoemd. Hieruit wordt afgeleid dat het personeelsbeleid in beginsel een taak is van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag van de bijzondere school mag op basis van de vrijheid van richting en inrichting docenten selecteren, weren en instructies geven.1 Vermeulen schrijft dat deze benoemingsvrijheid van de bijzondere school verder strekt dan enkel de vrijheid om te bepalen op welke wijze leraren worden benoemd. De benoemingsvrijheid omvat ook de vrijheid om de leraar te ontslaan, indien de leraar de richting en daaruit voortvloeiende visie niet langer onderschrijft. De benoemingsvrijheid komt niet toe aan de openbare school die – gezien haar neutrale karakter – enkel zakelijke, neutrale en functionele criteria kan hanteren om leraren te selecteren, te weren en instructies te geven. De openbare school kan dus geen richting aanvoeren op grond waarvan docenten bijvoorbeeld geselecteerd kunnen worden.2
De benoemingsvrijheid van de bijzondere school valt onder artikel 5, tweede lid, onder b, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Hierin is bepaald dat een bijzondere school direct onderscheid mag maken in het selectieproces van leraren op grond van godsdienst of levensovertuiging. Dit onderscheid dient gebaseerd te zijn op consistent, op de richting gebaseerd, personeelsbeleid.3 Zoontjens schrijft dat de eisen die met betrekking tot de richting aan de leraar kunnen worden gesteld wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd dienen te zijn in relatie tot de richting van de school.4 In de praktijk kunnen deze eisen ertoe leiden dat een leraar niet aangesteld of ontslagen wordt, omdat hij de richting van de school niet (langer) onderschrijft of uitdraagt. De richting van de school beperkt dan ook de autonomie van de leraar. De leraar kan immers bij het geven van onderwijs en bij de invulling van het onderwijsprogramma niet afwijken van de aan de school gegeven richting.
De geschillen tussen een school en een leraar met betrekking tot de richting spelen in de praktijk voornamelijk in de sfeer van de aanstelling van de leraar en raken niet zozeer aan het geven van onderwijs. Ten aanzien van de aanstelling zijn bijvoorbeeld geschillen bekend over het al dan niet mogen dragen van een hoofddoek op een christelijke school5 en het als leerkracht niet hebben van de juiste religieuze achtergrond.6 Er zijn weinig voorbeelden bekend waarin een geschil tussen het bevoegd gezag en de leraar over de richting van de school ook raakte aan het onderwijs dat door de leraar werd verzorgd. Een van de weinige voorbeelden hiervan is een leraar levensbeschouwing die vond dat de school hem niet de ruimte gaf om het vak levensbeschouwing volgens zijn levensvisie in te richten.7 De school zou volgens hem slechts een gebrekkige eigen visie hebben op haar levensbeschouwelijke grondslag. De leraar zou naar zijn idee vervolgens ontslagen zijn vanwege zijn religieuze opvattingen, daarbij zou direct onderscheid zijn gemaakt naar godsdienst of levensovertuiging. Het College voor de Rechten van de Mens (CRM) komt niet toe aan de beantwoording van de vraag of onderscheid is gemaakt. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst was niet hierdoor ingegeven, maar door grensoverschrijdend gedrag van leraar. Deze casus laat wel zien dat in een uitzonderlijk geval de vrijheid van richting op gespannen voet kan staan met de autonomie van de leraar. Aangenomen kan worden dat het in dit geval niet aan de leraar was om bij het geven van onderwijs de richting van de school in te vullen aan de hand van zijn levensvisie. De vrijheid van richting komt immers toe aan het bevoegd gezag.