Het proces-verbaal houdt wel in dat aanhoudingsverzoeken zijn gedaan met het oog op het horen van getuigen. Op die verzoeken wordt in de toelichting op het middel wel gewezen, een klacht over de afwijzing daarvan lees ik in die toelichting echter niet.
HR, 22-11-2016, nr. 15/03920
ECLI:NL:HR:2016:2653, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-11-2016
- Zaaknummer
15/03920
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2653, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑11‑2016; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1154, Contrair
ECLI:NL:PHR:2016:1154, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑10‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2653, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑01‑2016
- Wetingang
art. 279 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2016-0420 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NbSr 2017/5
Uitspraak 22‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Machtiging raadsman, naar eigen zeggen beperkt? Art. 279 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AF4323 inhoudende dat een machtiging niet kan worden beperkt tot bepaalde onderdelen van het voeren van de verdediging. De rechter mag geen onderzoek instellen omtrent de vraag of de advocaat die stelt bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, dit naar waarheid verklaart of naar de reikwijdte van zijn verklaring dat hij gemachtigd is. Gegronde klacht dat het hof, mede gelet op het belang van art. 279 Sv, voorbij had moeten gaan aan de t.t.z. gedane verklaring van raadsman dat verdachte hem “beperkt” had gemachtigd en dat het hof de zaak vervolgens ten onrechte bij verstek heeft afgedaan. CAG: anders.
Partij(en)
22 november 2016
Strafkamer
nr. S 15/03920
AJ/KD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 31 juli 2015, nummer 21/002511-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte de raadsman van de in hoger beroep niet verschenen verdachte niet in de gelegenheid heeft gesteld de verdediging te voeren. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de raadsman niet gemachtigd was in de zin van art. 279 Sv.
2.2.
De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank, is bij het bestreden - bij verstek gewezen - arrest met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
(...)
is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht.
(...)
Mr. Ronday verklaart door verdachte te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging.
(...)
De raadsman van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De raadsman van de verdachte geeft op dat verdachte vindt ten onrechte te zijn veroordeeld.
De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Ik heb voor aanvang van de zitting twee aanhoudingsverzoeken gedaan om getuigen te laten horen. Ik handhaaf deze verzoeken.
(...) Ik ben gemachtigd tot het doen van de aanhoudingsverzoeken.
(...)
Het hof trekt zich terug ter beraadslaging.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter het volgende mede, zakelijk weergegeven:
U verklaarde eerst dat u door verdachte gemachtigd was. Daarna verklaarde u dat u alleen gemachtigd was voor het indienen van het aanhoudingsverzoek.
De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Ik ben gemachtigd voor het doen van het aanhoudingsverzoek en voor de afhandeling van de beslissing op dat aanhoudingsverzoek. Ik ben niet gemachtigd voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Het hof trekt zich terug ter beraadslaging.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter het volgende mede, zakelijk weergegeven:
Het hof heeft besloten om het aanhoudingsverzoek niet toe te wijzen. De dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting van heden is in persoon betekend. Verdachte heeft er nadien klaarblijkelijk voor gekozen afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht.
De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
(...) Ik ben gemachtigd voor het doen van het aanhoudingsverzoek en voor het handelen naar aanleiding van de beslissing op dat verzoek.
(...)
Het hof trekt zich terug ter beraadslaging.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter het volgende mede, zakelijk weergegeven:
De raadsman heeft desgevraagd nader verklaard door verdachte te zijn gemachtigd voor het indienen van een verzoek om aanhouding en voor de afhandeling van de beslissing op dat aanhoudingsverzoek.
De raadsman is daarmee naar het oordeel van het hof niet gemachtigd in de zin van art. 279 Sv (...)"
2.4.1.
Art. 279 Sv schrijft voor dat een advocaat die een ter terechtzitting niet verschenen verdachte wenst te verdedigen, dient te verklaren daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Verdergaande eisen stelt de wet niet.
2.4.2.
Kennelijk steunt de toekenning van deze faciliteit door de wetgever op de gedachte dat een advocaat een juist en verantwoord gebruik zal maken van deze hem toegekende bevoegdheid. Met deze wettelijke regeling verdraagt zich niet dat de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie een onderzoek instelt omtrent de vraag of de advocaat de bedoelde verklaring naar waarheid heeft afgelegd (vgl. HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9559, NJ 2003/724) of welke de reikwijdte is van zijn verklaring dat hij gemachtigd is. Anderzijds heeft de wetgever niet willen weten van een machtiging die op enigerlei wijze is beperkt tot bepaalde onderdelen van het voeren van de verdediging (vgl. HR 8 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4323, NJ 2003/723).
2.5.
In gevallen als de onderhavige waarin de raadsman heeft verklaard dat, kort gezegd, de verdachte hem zowel onbeperkt als beperkt heeft gemachtigd tot het voeren van de verdediging, behoort de rechter voorbij te gaan aan de beperkingen van de machtiging. Mede gelet op het belang dat art. 279 Sv beoogt te waarborgen, te weten dat een ter terechtzitting niet verschenen verdachte zich toch aldaar kan laten verdedigen door een advocaat, moet de rechter in zo een geval ervan uitgaan dat de verdachte de behandeling van zijn zaak ook zonder die beperkingen doorgang heeft willen doen vinden en dat dit meebrengt dat die behandeling ingevolge art. 279, tweede lid, Sv geldt als een procedure op tegenspraak en het instellen van een rechtsmiddel binnen veertien dagen na de einduitspraak dient te geschieden.
2.6.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het middel terecht is voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2016.
Conclusie 04‑10‑2016
Inhoudsindicatie
Machtiging raadsman, naar eigen zeggen beperkt? Art. 279 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AF4323 inhoudende dat een machtiging niet kan worden beperkt tot bepaalde onderdelen van het voeren van de verdediging. De rechter mag geen onderzoek instellen omtrent de vraag of de advocaat die stelt bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, dit naar waarheid verklaart of naar de reikwijdte van zijn verklaring dat hij gemachtigd is. Gegronde klacht dat het hof, mede gelet op het belang van art. 279 Sv, voorbij had moeten gaan aan de t.t.z. gedane verklaring van raadsman dat verdachte hem “beperkt” had gemachtigd en dat het hof de zaak vervolgens ten onrechte bij verstek heeft afgedaan. CAG: anders.
Nr. 15/03920 Zitting: 4 oktober 2016 (bij vervroeging) | Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 31 juli 2015 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, waarbij verdachte ter zake van “medeplegen van witwassen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd en aan het verkeer onttrokken verklaard op de wijze als in het arrest is vermeld.
Namens de verdachte heeft mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel richt zich tegen de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
Stellige klachten laten zich in de toelichting op het middel moeilijk lezen. De toelichting bevat namelijk in hoofdzaak een herhaling van hetgeen in de visie van de steller van het middel ter terechtzitting van het hof is voorgevallen. Ik begrijp de klacht uiterst welwillend zo dat het eindarrest van het hof gebaseerd is op een nietig onderzoek ter terechtzitting, omdat het hof ten onrechte heeft overwogen dat verdachte “er nadien klaarblijkelijk voor gekozen had afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht”(toelichting onder 8) en “kenbaar [maakte] dat de raadsman niet gemachtigd zou zijn in de zin van 279 strafvordering en niet de bevoegdheid zou hebben om een wrakingsverzoek te doen”(toelichting onder 11).
Beide klachten hangen in de lucht en moeten daar ook blijven hangen. Ik licht dat als volgt toe. De voorzitter van het hof heeft ter zitting van hof van 31 juli 2015 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal meegedeeld dat de dagvaarding van verdachte voor de terechtzitting van heden in persoon is betekend en vervolgens nog dat verdachte er nadien klaarblijkelijk voor heeft gekozen afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Dat is niet onbegrijpelijk mede in het licht dat er over de betekening geen verweer is gevoerd en evenmin een verzoek is gedaan tot aanhouding met als reden dat verdachte zijn recht op aanwezigheid ter terechtzitting wenste te effectueren. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag nu immers uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat een dergelijk verzoek is gedaan.1.
6. Het centrale punt van de tweede klacht is dat het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet op grond van art. 279 Sv uitdrukkelijk was gemachtigd tot het voeren van de verdediging onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2015 inhoudt dat de raadsman heeft gesteld dat hij wel over een dergelijke machtiging beschikte. Dat proces-verbaal houdt evenwel ook in dat de raadsman nadien heeft verklaard dat hij slechts was gemachtigd tot het doen van een aanhoudingsverzoek en niet (ook) “voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.” Het hof heeft dat kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een mededeling dat de raadsman niet gemachtigd was tot het voeren van de verdediging. De mededeling van de raadsman is onnavolgbaar. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd om een aanhoudingsverzoek te doen ter effectuering van het aanwezigheidsrecht dan is dat niet te volgen omdat daarvoor geen machtiging nodig is, terwijl hij bovendien een dergelijk verzoek niet doet. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd in het kader van een getuigenverzoek om aanhouding te vragen is dat een niet toegelaten beperking van een machtiging. Deze klacht mist eveneens feitelijke grondslag.
7. Tot slot wordt nog geklaagd over het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet bevoegd was tot het doen van een wrakingsverzoek. Voor zover de opmerking dat het hier gaat om een “een onjuist en onhoudbaar standpunt/oordeel” van het hof al als een cassatieklacht moet worden gelezen, kan deze om de hiervoor besproken redenen niet tot cassatie leiden.
8. Het middel faalt evident en kan worden afgedaan op de voet van art. 80a RO.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑10‑2016
Beroepschrift 05‑01‑2016
Parketnummer Hof: 21/002511-15
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
De heer [requirant], geboren [geboortedatum] 1986 te, wonende te [woonplaats], voor deze zaak domicilie kiezende te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen aan de Hoofdweg nr. 6 ten kantore van zijn advocaat mr R.F. Ronday (Postadres: Postbus 242, 3640 AE Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen).
Dat requirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, uitgesproken op 31 juli 2015 (parketnummer: 21-002511-15) de navolgende middelen van cassatie voordraagt:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 415 Sv e.v. geschonden, waarbij tevens het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden ten onrechte heeft geoordeeld als in het bestreden arrest verwoord en het hof ten onrechte artikel 416 tweede lid Wetboek van Strafrecht heeft toegepast en tot niet-ontvankelijk verklaring heeft beslist.
Toelichting:
1.
Ten onrechte heeft het hof met toepassing van artikel 416 tweede lid Wetboek van Strafvordering [requirant] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
2.
Het hof verzuimt in haar arrest van 31 juli 2015 te vermelden dat, zoals ook uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt, de advocaat van [requirant] heeft verklaard gemachtigd te zijn tot het voeren van de verdediging.
3.
Uit dit proces-verbaal van de zitting blijkt voorts dat door de advocaat twee aanhoudingsverzoeken zijn gedaan om getuigen te laten horen. Deze verzoeken zijn ter zitting herhaald, waarbij ter zitting 1 getuige met naam en toenaam is genoemd en van de tweede getuige nog geen naam kon worden gegeven, aangezien nog niet door de verdediging over de legitimatie van de getuige werd beschikt.
4.
Tijdens het debat over het aanhoudingsverzoek is vervolgens nog door de verdediging aangegeven dat [requirant] persoonlijk ter zitting aanwezig wilde zijn en dat de raadsman gemachtigd was tot het doen van de aanhoudingsverzoeken.
5.
Het verdedigingsbelang bij het horen van de getuigen is expliciet toegelicht.
6.
Nadat het hof zich had teruggetrokken heeft het hof nadere vragen gesteld naar de machtiging van de raadsman. Hierop is door de verdediging aangegeven dat er een machtiging was tot het indienen van een aanhoudingsverzoek en de toelichting daarvan.
7.
Dat er —ook— een machtiging was voor de inhoudelijke behandeling blijkt duidelijk uit hetgeen eerder in het proces-verbaal is vermeld; bovendien is vermeld dat [requirant] zelf aanwezig wilde zijn bij de inhoudelijke behandeling en dat hij derhalve geen afstand deed van zijn aanwezigheidsrecht.
8.
Het hof heeft, nadat zich wederom had terug getrokken, volstrekt ten onrechte en op onjuiste gronden meegedeeld dat ‘verdachte [requirant] er nadien klaarblijkelijk voor gekozen had afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht’. Dit is nadrukkelijk niet het geval geweest.
9.
Hierop is van de zijde van de verdediging een wrakingsverzoek ingediend, aangezien er aan de zijde van het hof naar het oordeel van de verdediging sprake was van een vooringenomenheid, die een wrakingsverzoek rechtvaardigde.
Bij dit wrakingsverzoek is nogmaals uiteengezet wat de aard, omvang en inhoud was van de aan de verdediging gegeven machtiging.
10.
Van de zijde van de AG is aangegeven dat, en dit blijkt ook uit het pv, gezien de machtiging die door de verdediging was toegelicht, het wrakingsverzoek door het hof moest worden beoordeeld.
11.
Nadat het hof zich wederom had teruggetrokken voor beraadslaging maakte het hof als oordeel kenbaar dat de raadsman niet gemachtigd zou zijn in de zin van 279 strafvordering en niet de bevoegdheid zou hebben om een wrakingsverzoek ex artikel 512 strafvordering te doen.
12.
Dit is een onjuist en onhoudbaar standpunt/ oordeel van het hof, aangezien immers de aard, omvang en inhoud van de machtiging door de verdediging expliciet is toegelicht, alsmede voorts is aangegeven dat [requirant] zelve nadrukkelijk geen afstand deed van zijn aanwezigheidsrecht, op grond waarvan het hof de zaak volstrekt ten onrechte heeft afgedaan met een beroep op artikel 416 lid 2 wetboek van strafvordering.
Concluderend:
Op grond van al het voorstaande is de beslissing van het Hof onbegrijpelijk en kan deze niet in stand blijven.
Het arrest van het Hof dient te worden vernietigd.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, aldaar kantoorhoudende aan de Hoofdweg 6 (postadres: postbus 242, 340 AE), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Mijdrecht, 5 januari 2016
Advocaat,
R.F. Ronday